Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  OP  DE  UITOEFENING  VAN  DE  DIERGENEESKUNDE  1990  (WUD)

Tekst zoals deze geldt op 20 januari 2014
Volgende actualisering: juli 2014

Vervallen m.i.v. 1 juli 2014

(Zie Wet dieren)

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit paraveterinairen
- Ingrepenbesluit
- Regeling diergeneesmiddelen
- Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s
- Regeling toegelaten handelingen

 

 

WET van 21 maart 1990, houdende regelen met betrekking tot de uitoefening van de diergeneeskunde

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is nieuwe regelen te stellen met betrekking tot de uitoefening van de diergeneeskunde, en tevens voorzieningen te treffen inzake de tuchtrechtspraak voor personen die de diergeneeskunde, al dan niet in volle omvang, uitoefenen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

 

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie gezamenlijk;

dierenarts: degene

a. aan wie op grond van het afleggen van een examen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs door een universiteit dan wel de Open Universiteit waarop de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betrekking heeft, de graad Master op het gebied van de diergeneeskunde is verleend, of

b. die op grond van het met goed gevolg afleggen van een afsluitend examen van de opleiding diergeneeskunde in het bezit is van een getuigschrift van het met goed gevolg afgelegd hebben van het afsluitend examen van die opleiding, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

para-veterinair: degene die krachtens artikel 4 is toegelaten tot de uitoefening van de diergeneeskunde in beperkte omvang;

dierverloskundige: degene die ingevolge artikel 5 is toegelaten tot de daarbedoelde handelingen;

kastreur: degene die ingevolge artikel 6 is toegelaten tot de daarbedoelde handelingen;

onvruchtbaar maken: het tijdelijk of blijvend opheffen van het vermogen van een mannelijk of vrouwelijk dier tot voortplanting;

operatie: instrumentele ingreep bij dieren, gepaard gaande met verbreking van de natuurlijke samenhang van levende weefsels, het afnemen van bloed daaronder begrepen;

diergeneesmiddel en biologisch diagnosticum: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Diergeneesmiddelenwet;

houder van dieren: eigenaar, houder of hoeder van dieren;

uitoefening van de diergeneeskunde: het als beroep verrichten van een of meer der navolgende handelingen:

a. het onderzoeken van een dier, het voorschrijven of toepassen van een behandeling, operatie daaronder begrepen, bij een dier, één en ander voor zover zulks strekt ter voorkoming of genezing van een infectieziekte of een parasitaire ziekte bij dat dier dan wel ter genezing, leniging, onderkenning of opheffing van een aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, in- of uitwendig letsel, pijn of gebrek bij dat dier;

b. het toepassen bij een dier van algemene of plaatselijke verdoving, bedwelming in slachterijen of slachthuizen daaronder niet begrepen;

c. het verlenen van hulp met betrekking tot de geboorte of verwijdering van een vrucht van een dier, waaronder begrepen het verrichten van daarmede verband houdende operaties;

d. het onvruchtbaar maken van een dier;

e. het verrichten op een gezond dier van andere operaties dan die welke behoren tot de onder c en d genoemde handelingen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat voor toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen met uitoefening van de diergeneeskunde wordt gelijkgesteld het als beroep verrichten van bij of krachtens die maatregel aangewezen handelingen met betrekking tot het transplanteren van eicellen of embryo’s van dieren.

3. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt het verrichten van dierproeven of proeven in de zin van de Wet op de dierproeven (Stb. 1977, 67) niet als "uitoefening van de diergeneeskunde" aangemerkt, tenzij deze handelingen plaatsvinden op verzoek van de houder van het desbetreffende dier met het oog op dat dier zelf.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen in die maatregel aangewezen handelingen, verricht bij daarbij aangewezen dieren of door daarbij aangewezen categorieën van personen, niet als "uitoefening van de diergeneeskunde" worden aangemerkt.

 

Hoofdstuk II. Uitoefening van de diergeneeskunde

 

Artikel 2

Tot de uitoefening van de diergeneeskunde zijn, onverminderd het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 6, slechts dierenartsen toegelaten.

 

Artikel 3

1.Onze Minister kan personen of groepen van personen, die buiten Nederland de bevoegdheid tot uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang hebben verkregen, tot de uitoefening van de diergeneeskunde toelaten.

2.Aan de toelating kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend.

3.Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn de krachtens het eerste lid toegelaten personen met dierenartsen gelijkgesteld.

4.Alvorens een beslissing op grond van het eerste lid wordt genomen, wordt de faculteit der diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht gehoord, tenzij de toelating voortvloeit uit verplichtingen opgelegd op grond van internationale overeenkomsten.

5.Degenen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst (Stb. 1954, 572) zijn toegelaten tot de uitoefening van de diergeneeskunde, worden geacht onder dezelfde voorwaarden te zijn toegelaten krachtens het eerste lid van dit artikel.

 

Artikel 4

1.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de toelating van anderen dan dierenartsen tot de uitoefening van de diergeneeskunde in beperkte omvang.

2.De in het eerste lid bedoelde regelen bevatten in elk geval een omschrijving van de aard van de werkzaamheden waartoe een toelating zich kan uitstrekken. Zij kunnen voorts onder meer betrekking hebben op:

a. een voor een toelating af te leggen examen, de voorwaarden voor het afleggen van dat examen en een voor het afleggen van dat examen te volgen opleiding;

b. de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgeoefend, waarbij kan worden bepaald dat deze slechts onder leiding, op aanwijzing of onder controle van een dierenarts mogen geschieden;

c. een nadere omschrijving van de verhouding van degene die is toegelaten, tot die dierenarts;

d. de geldigheidsduur van een toelating;

e. de gevallen waarin een toelating kan worden ingetrokken;

f. het verbinden van voorschriften en beperkingen aan een toelating.

 

Artikel 5

Degenen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in het bezit zijn van een geldige, hun ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst verleende vergunning tot uitoefening van de verloskunde, zijn toegelaten tot het als beroep verlenen van hulp met betrekking tot de geboorte of verwijdering van een vrucht van dieren van in die vergunning genoemde soorten, voor zover deze hulp bestaat uit:

a. het zonder operatie of verdoving van het moederdier mogelijk maken van de geboorte van de vrucht, dan wel het verkleinen van de vrucht en het verwijderen ervan in gedeelten zonder operatie of verdoving, niet zijnde epiduraal anesthesie, van het moederdier;

b. het door hem die de onder a bedoelde hulp verleent, op het moederdier vóór of onmiddellijk na de geboorte of verwijdering van de vrucht toepassen van door Onze Minister aangewezen handelingen welke direct met die geboorte of verwijdering verband houden.

 

Artikel 6

1.Degenen die op het moment van inwerkingtreding van dit artikel in het bezit zijn van een geldige, hun ingevolge artikel 5, tweede lid, van de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x