Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  OP  DE  WATERSNOODSCHADE  1953

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 24 december 1953, houdende regeling omtrent het verlenen van bijdragen door de Staat in materiŽle schade, geleden als gevolg van de op 1 februari 1953 ingetreden watersnood

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling in het leven te roepen omtrent het verlenen van bijdragen door de Staat in materiŽle schade, geleden als gevolg van de op 1 Februari 1953 ingetreden watersnood;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

"getroffene": degene, die op het tijdstip van het ontstaan van de schade eigenaar was van de goederen, waarop de ingevolge deze wet te verlenen bijdrage betrekking heeft, dan wel een ander, voorzover deze tengevolge van een overeenkomst, geen overeenkomst van verzekering zijnde, aangegaan voor het bedoelde tijdstip, alstoen het risico voor de goederen droeg;

"rechthebbende": de getroffene of diens rechtsopvolger;

"belanghebbende": de rechthebbende of een derde, aan wie ingevolge de bepalingen van deze wet de bijdrage of een deel daarvan kan worden betaalbaar gesteld;

"vaststellend orgaan": het orgaan, hetwelk ingevolge deze wet en de ter uitvoering daarvan te stellen regelen is belast met het onderzoek en de taxatie van de schade en de vaststelling van de bijdragen.

Artikel 2

Van Rijkswege wordt, volgens de in deze wet gestelde regelen, een bijdrage verleend in watersnoodschade, geleden door getroffenen, niet zijnde de Staat of publiekrechtelijke lichamen in de zin van de Wet Financiering Stormvloedschade Publiekrechtelijke Lichamen.

Artikel 3

1. Als watersnoodschade wordt voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde aangemerkt schade, welke binnen Nederland is toegebracht aan goederen als gevolg van overstromingen, veroorzaakt door de stormvloed van 31 Januari en 1 Februari 1953, met dien verstande, dat daaronder niet wordt begrepen schade, welke zich openbaart na door Ons voor de verschillende gebieden te bepalen tijdstippen. Deze tijdstippen zullen tenminste vijf jaren na het droogvallen van het desbetreffende gebied liggen.

2. Indien een getroffene schade heeft geleden, als bedoeld is in lid 1, wordt voor de toepassing van het bij deze wet bepaalde onder watersnoodschade mede begrepen schade, welke de getroffene aan het zelfde goed, voor het herstel van de schade, heeft geleden tengevolge van storm.

3. Waar in de volgende artikelen wordt gesproken van schade, wordt daaronder verstaan watersnoodschade, bedoeld in de vorige leden.

Artikel 4

1. Door of vanwege Onze Minister van FinanciŽn worden Rampschade-bureaux ingesteld en wordt aangewezen tot het ambtsgebied van welk bureau iedere gemeente, waarin schade is geleden, behoort.

2. In elk Rampschade-bureau hebben zitting een of meer vertegenwoordigers van de vaststellende organen. Het hoofd van het bureau wordt aangewezen door of vanwege Onze Minister van FinanciŽn.

3. Het toezicht op de organisatie en de inrichting van de Rampschade-bureaux is opgedragen aan het door Onze Minister van FinanciŽn aan te wijzen vaststellend orgaan. Dit orgaan is bevoegd aan de hoofden van de bureaux instructies te geven omtrent de uitvoering van hun taak.

Artikel 5

1. Om voor een bijdrage ingevolge de bepalingen van deze wet in aanmerking te komen dient de rechthebbende de schade ter registratie aan te melden bij het hoofd van het Rampschade-bureau, binnen welks ambtsgebied de schade is geleden, uiterlijk zes maanden na het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet, dan wel voor afzonderlijke gebieden na door Onze Minister van FinanciŽn te bepalen latere tijdstippen, of na het tijdstip, waarop de schade zich heeft geopenbaard.

Artikel 6

1. Het onderzoek en de taxatie van de schade en de vaststelling van de bijdragen geschieden door organen, aan te wijzen door Onze Ministers, wie zulks aangaat ingevolge de taakverdeling, daartoe vast te stellen door Onze Minister van FinanciŽn in overeenstemming met Onze Ministers van Wederopbouw en Volkshuisvesting, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, van Verkeer en Waterstaat, van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

2. In de beschikking, waarbij de bijdrage wordt vastgesteld of ontzegd, wordt melding gemaakt van de mogelijkheid van het instellen van beroep, alsmede van de wijze, waarop, en de termijn, waarbinnen zulks kan geschieden.

3. Gedurende de termijn, waarbinnen beroep of hoger beroep tegen een vaststelling, herziening of ontzegging van een bijdrage kan worden ingesteld en gedurende de tijd, waarin het hoger beroep aanhangig is, wordt de rechthebbende op diens verzoek een toelichting gegeven omtrent de overwegingen en gronden, waarop de vaststelling, herziening of ontzegging berust.

Artikel 7

1. Onze Minister van FinanciŽn bepaalt, in overeenstemming met Onze Ministers, wie zulks ingevolge de in artikel 6, lid 1, genoemde taakverdeling aangaat, welk orgaan in zijn naam belast is met:

a. de leiding van en het toezicht op de registratie, het onderzoek en de taxatie van de schade;

b. de leiding van en het toezicht op de vaststelling van de bijdragen;

c. het toezicht op de inrichting van de organen, welke zijn belast met het onderzoek naar en de taxatie van de schade en de vaststelling van de bijdragen.

2. Indien tegen aanwijzingen, welke het in lid 1 bedoelde orgaan geeft in verband met de taak, waarmede het is belast, bij een niet onder Onze Minister van FinanciŽn ressorterend orgaan bezwaren rijzen, kunnen deze worden voorgelegd aan Onze Minister van FinanciŽn. Deze neemt een beslissing over het geschilpunt niet dan in overeenstemming met Onze Minister, onder wie dat orgaan ressorteert.

Artikel 8

Om voor een bijdrage ingevolge de bepalingen van deze wet in aanmerking te komen, dient de belanghebbende de schade en de omvang daarvan aannemelijk te maken, alsmede naar beste weten de gegevens te verstrekken, welke voor de berekening en de betaalbaarstelling van de bijdrage noodzakelijk zijn.

Hoofdstuk II. Berekening van de bijdrage

Artikel 9

1. De schade aan land-, tuin- en bosbouwgronden en woeste gronden wordt zoveel mogelijk van Overheidswege in natura hersteld. Het door Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening aan te wijzen vaststellend orgaan beoordeelt of herstel heeft plaats gehad.

2. Indien na het herstel een waardevermindering overblijft van meer dan 25 ten honderd van de waarde vůůr de beschadiging, berekend naar de op 31 Januari 1953 geldende factoren, wordt een bijdrage verleend, gelijk aan het bedrag, waarmede de waardevermindering het genoemde percentage overschrijdt.

3. Het in lid 1 bedoelde orgaan is bevoegd te bepalen, dat in afzonderlijke gevallen of in door dat orgaan aan te wijzen gebieden de vorige leden geheel of ten dele buiten toepassing blijven.

Artikel 10

Voor schade aan in artikel 9, lid 1, genoemde gronden, waarvoor artikel 9 geen toepassing vindt, dan wel voor onherstelbare schade aan andere ongebouwde onroerende goederen, wordt de bijdrage gesteld op een bedrag ten belope van het verschil in verkoopwaarde vůůr en na de beschadiging, bepaald naar de op 31 Januari 1953 geldende factoren; met te velde staand gewas, boomgaarden en opgaand hout wordt bij de bepaling van de verkoopwaarde geen rekening gehouden.

Artikel 11

1. Voor beschadigde of verloren gegane gewassen te velde, onderscheidenlijk opgaand hout, wordt de bijdrage gesteld op het bedrag van de oogstwaarde van het voldragen gewas, onderscheidenlijk van het kaprijpe hout, dat verwacht kon worden, in beide gevallen verminderd met de niet gemaakte kosten en in daartoe leidende gevallen met de waarde van restanten, berekend naar de op 31 Januari 1953 geldende factoren.

2. Voor een beschadigde of verloren gegane boomgaard wordt de bijdrage gesteld op het bedrag van de waarde vůůr de beschadiging, in daartoe leidende gevallen verminderd met de waarde van restanten, berekend naar de op 31 Januari 1953 geldende factoren.

Artikel 12

1. Voor een herstelbaar beschadigd gebouwd onroerend goed, waarvan de herstelkosten naar de schatting van het vaststellend orgaan niet meer dan f 1000 bedragen, wordt de bijdrage gesteld op het bedrag van de geschatte herstelkosten.

2. Voor een herstelbaar beschadigd gebouwd onroerend goed, waarvan de goedgekeurde herstelkosten meer dan f 1000 bedragen, wordt de bijdrage gesteld op f 1000, vermeerderd met 75 ten honderd van hetgeen die kosten meer dan f 1000 bedragen.

3. Op verzoek van de rechthebbende wordt voor ťťn woning en ťťn bedrijfspand te zijner keuze het percentage, genoemd in lid 2, gesteld op 90 ten honderd.

4. Door Onze Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting kunnen regelen worden gesteld, ingevolge welke aan een rechthebbende, onafhankelijk van de in de voorgaande leden bedoelde bijdrage, een afkoopsom kan worden uitgekeerd wegens kosten of te verwachten kosten van herstel van zoutschade aan een gebouwd onroerend goed. Deze afkoopsom wordt beschouwd als een bijdrage in de zin van deze wet en bedraagt ten minste het bedrag der vermindering van de verkoopwaarde, welke het goed door de af te kopen schade heeft ondergaan.

Artikel 13

1. Voor een onherstelbaar beschadigd gebouwd onroerend goed wordt de bijdrage gesteld op het bedrag van de goedgekeurde kosten van de bouw van een vervangend goed van dezelfde aard en grootte als het oorspronkelijke, met als maximum de goedgekeurde kosten van het vervangende, onder toepassing van een aftrek van een ten honderd 's jaars naar gelang van de ouderdom van het oorspronkelijke goed, doch nimmer meer dan 40 ten honderd, en vervolgens van het bedrag, hetwelk overeenkomt met de bouwtechnische waarde van de restanten ten tijde van de bouw.

2. Op verzoek van de rechthebbende wordt voor ťťn woning en ťťn bedrijfspand, dan wel voor ťťn ander gebouwd onroerend goed, te zijner keuze, de in lid 1 genoemde aftrek gehalveerd. Voor elk van de beide eerstgenoemde categorieŽn van objecten kan slechts eenmaal, hetzij ingevolge het bepaalde in de vorige zin, hetzij ingevolge het bepaalde in artikel 12, lid 3, een verzoek worden ingewilligd.

3. De bijdrage voor een onherstelbaar beschadigde woning, waarvan de inhoud groter was dan 750 m3, wordt gesteld op de met inachtneming van het bepaalde in de overige leden berekende bijdrage voor een woning met een inhoud van ten hoogste 750 m3.

4. Indien de bouwverordening, welke op 31 Januari 1953 van kracht was, de bouw verbiedt van een woning van gelijke grootte als de onherstelbaar beschadigde woning, wordt bij de vaststelling van de bijdrage rekening gehouden met de bouw van een woning met de geoorloofde minimuminhoud.

5. Voor de toepassing van artikel 12 en van de vorige leden geldt een woning of een bedrijfspand als een afzonderlijk gebouwd onroerend goed.

6. Voor de toepassing van artikel 12 en van de vorige leden wordt verstaan onder woning: een pand, een gedeelte van een pand of een geheel van panden, bestemd voor bewoning door ťťn gezin. In de genoemde bepalingen wordt verstaan onder bedrijfspand: een pand, een gedeelte van een pand of een geheel van panden, dienende voor de uitoefening van een bedrijf of van een zelfstandig beroep.

7. Indien verbouwingen de toestand van het pand ingrijpend hebben gewijzigd en indien de aftrek volgens de voorgaande leden meer dan 20 ten honderd zou bedragen, wordt op verzoek van de rechthebbende voor de berekening van de in de leden 1 en 2 bedoelde aftrek als het jaar van stichting een later jaar aangenomen.

Artikel 14

1. Voor schade aan een boerderij wordt de bijdrage gesteld op het bedrag van de goedgekeurde kosten van herstel, onderscheidenlijk vervanging, verminderd met een aftrek naar gelang van de ouderdom en de staat van onderhoud van de beschadigde boerderij en van de aard en de grootte van het bedrijf, waartoe de boerderij behoorde, een en ander overeenkomstig door Onze Minister van FinanciŽn, in overeenstemming met Onze Ministers van Wederopbouw en Volkshuisvesting en van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, te stellen regelen.

2. Op verzoek van de rechthebbende wordt, in stede van de in lid 1 bedoelde bijdrage, een bijdrage verleend overeenkomstig artikel 12 of artikel 13.

Artikel 15

Het bepaalde in de artikelen 12 en 13, leden 1 en 2, is van overeenkomstige toepassing op schepen, behorende tot de uitrusting van een bedrijf of dienende voor de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x