Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  PLEZIERVAARTUIGEN

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
WET van 29 november 1996, houdende regels met betrekking tot de veiligheid van pleziervaartuigen (Wet pleziervaartuigen)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op Richtlijn nr. 94/25/EG van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot pleziervaartuigen (PbEG L 164), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de veiligheid van pleziervaartuigen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

 

Artikel 1

1.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. pleziervaartuig: vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding, met een romplengte van minimaal 2,5 meter en maximaal 24 meter;

b. voortstuwingsmotor: voor voortstuwing gebruikte inwendige-verbrandingsmotor met vonkontsteking of compressieontsteking, met inbegrip van tweetakt- en viertaktbinnenboordmotoren, hekmotoren met of zonder geďntegreerde uitlaat en buitenboordmotoren, die gemonteerd is op of in of specifiek bestemd is voor montage op of in pleziervaartuigen;

c. richtlijn: richtlijn nr. 94/25/EG van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten met betrekking tot pleziervaartuigen (PbEG L 164);

d. CE-markering van overeenstemming: de aanduiding op een pleziervaartuig, onderdeel van een pleziervaartuig of een voortstuwingsmotor ten teken dat deze voldoet aan alle verplichtingen krachtens de regelingen ter uitvoering van de toepasselijke communautaire richtlijnen die in het aanbrengen ervan voorzien;

e. onderdelen van pleziervaartuigen: onderdelen van of voor pleziervaartuigen als bedoeld in bijlage II van de richtlijn;

f. fabrikant: natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onder deze richtlijn vallend product ontwerpt en vervaardigt, of die een dergelijk product laat ontwerpen dan wel vervaardigen, met de bedoeling het onder zijn eigen naam in de handel te brengen;

g. gemachtigde: in de Europese Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon met een schriftelijke volmacht van de fabrikant om namens deze op te treden wat diens uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen betreft;

h. overeenstemmingsbeoordeling: het onderzoek naar het voldoen van pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen en voortstuwingsmotoren aan de desbetreffende essentiële veiligheidseisen;

i. keuringsinstantie: een ingevolge artikel 8, eerste lid, aangewezen dienst, instelling, onderzoekingsbureau of onderneming, dan wel een door een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde instantie, die als zodanig is belast met het verrichten van een of meer van de in artikel 8, eerste lid, bedoelde taken;

j. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

2.In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een pleziervaartuig mede verstaan:

a. een als zodanig in de handel gebracht vaartuig dat wordt gebruikt bij de instructie ten behoeve van de uitoefening van de pleziervaart;

b. een waterscooter, zijnde een vaartuig met een lengte van minder dan 4 meter met een motor met inwendige verbranding, primair aangedreven door een waterstraalpomp en ontworpen om door een of meer personen zittend, staand of knielend op en niet in de romp te worden bediend.

3.De romplengte van een pleziervaartuig wordt gemeten volgens de desbetreffende aangewezen normen, bedoeld in artikel 4, eerste lid.

 

Artikel 2

1.Deze wet is niet van toepassing op:

a. kano’s, kajaks, gondels en waterfietsen;

b. boten voor roei-instructie en wedstrijdroeiboten die als zodanig door de fabrikant zijn aangemerkt;

c. zeilplanken;

d. al dan niet gemotoriseerde surfplanken;

e. met stoomkracht aangedreven vaartuigen met externe verbranding die als brandstof gebruik maken van kolen, cokes, hout, olie of gas;

f. voor persoonlijk gebruik gebouwde vaartuigen die gedurende vijf jaar na de bouw niet in de Europese Gemeenschap in de handel worden gebracht;

g. historische vaartuigen die voor 1950 zijn gebouwd, alsmede individuele replica’s van zulke vaartuigen, indien zij hoofdzakelijk met de oorspronkelijke materialen zijn gebouwd en als zodanig door de fabrikant zijn aangemerkt;

h. experimentele vaartuigen die niet in de Europese Gemeenschap in de handel worden gebracht;

i. wedstrijdvaartuigen die als zodanig door de fabrikant zijn aangemerkt;

j. voor het bedrijfsmatig vervoer van personen, buiten de bemanning, gebouwde of bestemde vaartuigen;

k. onderzeeboten;

l. luchtkussenvoertuigen;

m. draagvleugelboten.

2.Deze wet is eveneens niet van toepassing op de volgende voortstuwingsmotoren:

a. voor persoonlijk gebruik gebouwde voortstuwingsmotoren die gedurende vijf jaar na de bouw niet in de Gemeenschap in de handel worden gebracht;

b. voortstuwingsmotoren die op de in het eerste lid, onderdelen h tot en met m, bedoelde vaartuigen zijn gemonteerd of specifiek daarvoor zijn bestemd;

c. originelen en replica’s van historische voortstuwingsmotoren die op een ontwerp van voor 1950 zijn gebaseerd, niet in serie zijn geproduceerd en op de in het eerste lid, onderdelen f of g, bedoelde vaartuigen zijn gemonteerd.

 

Hoofdstuk 2. Algemene verplichtingen

 

Artikel 3

1.Pleziervaartuigen, onderdelen van pleziervaartuigen en voortstuwingsmotoren worden slechts in de handel gebracht of als zodanig in bedrijf gesteld, indien zij bij gebruik volgens hun bestemming geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van personen, goederen of het milieu wanneer zij op correcte wijze zijn gebouwd en

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x