Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  PRIVATISERING  FVP

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 2 juli 1998, houdende privatisering Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (Wet privatisering FVP)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering te privatiseren en in verband hiermee de Wet van 13 december 1972 tot bevriezing van het kinderbijslagbedrag voor het eerste kind, alsmede oprichting van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering, in te trekken en enige aanvullende voorzieningen te treffen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1. Definities

In deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b. FVP-wet: de Wet van 13 december 1972 tot bevriezing van het kinderbijslagbedrag voor het eerste kind, alsmede oprichting van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering;

c. fonds: het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering, bedoeld in de FVP-wet;

d. de Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

e. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

f. werknemer: de persoon die op grond van hoofdstuk I, paragraaf 2, van de Werkloosheidswet wordt aangemerkt als werknemer;

g. pensioenuitvoerder: een pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet en een pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

h. stichting: de aangewezen stichting, bedoeld in artikel 2;

i. doelstelling: de doelstelling, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 2. Aanwijzing van een stichting

1. Onze Minister wijst een stichting aan die uitsluitend als doelstellingen heeft door aanwending van haar middelen te voorzien in aanvullende pensioenvoorzieningen ten behoeve van werknemers of hun nagelaten betrekkingen en het kunnen voorzien in bijdragen ter financiering van onderzoeken en projecten inzake aanvullende pensioenen.

2. De middelen, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, alsmede uit de door beleggingen van middelen verkregen resultaten.

3. De aan te wijzen stichting voldoet ten minste aan de volgende voorwaarden:

a. het bestuur van de stichting is in gelijke verhouding samengesteld uit in de Sociaal Economische Raad vertegenwoordigde gezamenlijke centrale werkgeversorganisaties en gezamenlijke werknemersorganisaties;

b. de stichting wordt in staat geacht de doelstelling naar behoren uit te voeren.

4. De stichting belegt haar middelen op een solide wijze, rekening houdend met de aard en de looptijd van haar verplichtingen. De stichting gaat geen verplichtingen aan voorzover daaraan niet uit haar middelen kan worden voldaan.

5. Onze Minister kan de aanwijzing van de stichting na een kennisgeving door de Nederlandsche Bank als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, intrekken.

6. De intrekking, bedoeld in het vijfde lid, heeft de ontbinding van de stichting ten gevolge en doet een batig saldo van middelen van de stichting op de staat overgaan.

Artikel 3. Vermogensoverdracht

1. Op de datum waarop het besluit tot aanwijzing van de stichting in werking treedt gaan alle vermogensbestanddelen van het fonds onder algemene titel over op de stichting.

2. Het bestuur van het fonds doet van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen door een accountant als bedoeld in artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een verklaring opstellen, die door de stichting wordt neergelegd ten kantore van de Kamer van Koophandel.

3. Ingeval op grond van het eerste lid registergoederen overgaan zal verandering in de tenaamstelling in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek plaatsvinden. De daartoe benodigde opgaven worden door de zorg van het bestuur van het fonds aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.

4. Terzake van de overgang van vermogensbestanddelen, bedoeld in het derde lid, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

Artikel 4. Archiefoverdracht

Archiefbescheiden van het fonds gaan met ingang van de datum waarop het besluit tot aanwijzing van de stichting in werking treedt over naar de stichting, voorzover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Artikel 5. Toezicht

1. De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving door de stichting van alle voorschriften en verplichtingen die op grond van deze wet ten aanzien van de stichting gelden.

2. De artikelen 152, 153, 163 tot en met 166 van de Pensioenwet zijn van overeenkomstige toepassing.

3. De Nederlandsche Bank kan een aanwijzing geven aan het bestuur van de stichting indien:

a. de statuten van de stichting niet voldoen aan artikel 2, eerste en derde lid;

b. de naleving door de stichting, bedoeld in het eerste lid, alsmede de gang van zaken bij de stichting haar, hetzij geheel, hetzij op bepaalde onderdelen, onbevredigend voorkomt.

4. Het bestuur van de stichting volgt een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, binnen de door de Nederlandsche Bank gestelde termijn op.

5. Indien het bestuur van de stichting in gebreke blijft binnen de gestelde termijn gevolg te geven aan een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, stelt de Nederlandsche Bank, voorzover de aanwijzing geen betrekking heeft op de wijze waarop de stichting het beheer over haar middelen voert, Onze Minister hiervan in kennis.

6. Kennisgeving aan Onze Minister als bedoeld in het vijfde lid, vindt niet plaats alvorens de termijn voor het instellen van beroep tegen de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, is verstreken, dan wel nadat op het ingestelde beroep definitief is beslist.

Artikel 6. Ondertoezichtstelling

1.Indien het bestuur van de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x