Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

 

WET  PRIVATISERING  RBB

Tekst zoals deze geldt op 17 juli 2007

Vervallen m.i.v. 14 november 2007

 

 

 

 
WET van 15 mei 1996, houdende regels met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap N.V. RBB (Wet privatisering RBB)
 
 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat de Staat der Nederlanden overgaat tot oprichting van de naamloze vennootschap N.V. RBB waarin de vermogensbestanddelen van de Staat die worden toegerekend aan de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst worden ingebracht;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken;

b. N.V. RBB: de naamloze vennootschap, genoemd in artikel 2;

c. de overgangsdatum: de datum van oprichting van de N.V. RBB;

d. het personeelslid: degene die op de dag voorafgaand aan de overgangsdatum in dienst is bij de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel 2

1. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat der Nederlanden op te richten de naamloze vennootschap N.V. RBB waarop van toepassing zijn de artikelen 158 tot en met 164 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, welke vennootschap tot voornaamste doelstelling zal hebben het als een dienst als bedoeld in artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 14, derde lid, van genoemde wet.

2. Onze Minister wordt gemachtigd om namens de Staat deel te nemen in verdere plaatsing van kapitaal door de N.V. RBB.

Artikel 3

1. De vermogensbestanddelen van de Staat welke aan de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst worden toegerekend gaan op de overgangsdatum onder algemene titel van rechtswege over op de N.V. RBB.

2. De in het eerste lid geregelde overgang van vermogensbestanddelen wordt aangemerkt als storting op aandelen van de Staat in, respectievelijk als storting op geldleningen van de Staat aan de N.V. RBB.

3. Onze Minister stelt in overeenstemming met Onze Minister van FinanciŽn vast tot welke bedragen de in het tweede lid bedoelde inbreng als storting op geldleningen worden aangemerkt, daarbij tevens bepalend welk gedeelte van deze geldleningen als achtergesteld wordt aangemerkt.

4. Onze Minister van FinanciŽn doet van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen door een registeraccountant een verklaring opstellen, die door de N.V. RBB wordt neergelegd ten kantore van het register, bedoeld in artikel 69, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van de plaats waar zij volgens haar statuten haar zetel heeft.

5. Artikel 94a, eerste en tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is op de oprichting van de N.V. RBB van toepassing.

6. Ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen welke in openbare registers te boek zijn gesteld, zal verandering van de tenaamstelling in die registers plaatsvinden. De daartoe nodige opgaven worden door de zorg van Onze Minister van FinanciŽn aan de bewaarders van de desbetreffende registers gedaan.

Artikel 4

1. Ter zake van de verkrijging van de vermogensbestanddelen van de Staat, bedoeld in artikel 3, blijft heffing van overdrachtsbelasting achterwege.

2. Voor de heffing van de vennootschapsbelasting wordt op de openingsbalans van de N.V. RBB geen goodwill opgevoerd met betrekking tot de van de Staat overgenomen vermogensbestanddelen.

3. In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, vinden met betrekking tot de overgang van de in artikel 3 bedoelde vermogensbestanddelen van de Staat op de N.V. RBB, artikel 10, derde lid, en artikel 11 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geen toepassing.

Artikel 5

1. Ieder personeelslid, ten aanzien van wie Onze Minister niet anders heeft beslist, gaat over in dienst van de N.V. RBB op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op de overgangsdatum.

2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien het personeelslid echter was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde in dienst van de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst.

4. De arbeidsvoorwaarden in het geheel zullen niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband bij de Rijks Bedrijfsgezondheids- en Bedrijfsveiligheidsdienst. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.

5. Binnen zes weken na de inwerkingtreding van deze wet kan het personeelslid aan Onze Minister mededelen dat het bezwaren heeft tegen de overgang in dienst bij de N.V. RBB. Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren en beslist op de bezwaren.

6. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij, in afwijking van het eerste lid beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de N.V. RBB, dan wel het personeelslid een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB aanbieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing op de bezwaren.

7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum niet heeft beslist op de bezwaren van het personeelslid als bedoeld in het vijfde en zesde lid, komt met hem, in afwijking van het eerste lid, op de overgangsdatum geen arbeidsovereenkomst tot stand.

8. Indien het personeelslid op of na de overgangsdatum de bezwaren intrekt of indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren ongegrond verklaart, komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.

9. In afwijking van het achtste lid komt geen arbeidsovereenkomst tot stand met het personeelslid dat binnen een week na de beslissing van de Minister op de bezwaren kenbaar maakt dat de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB tegen zijn wil is. Indien deze wilsuiting geschiedt na de datum waarop het personeelslid op grond van het achtste lid reeds in dienst is getreden bij de N.V. RBB, wordt nochtans de arbeidsovereenkomst geacht niet tot stand te zijn gekomen. Het in dit lid bedoelde personeelslid wordt eervol ontslag verleend met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.

10. Indien Onze Minister op of na de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, kan hij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst van de N.V. RBB, dan wel de N.V. RBB verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden, waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing. In het laatstbedoelde geval komt een arbeidsovereenkomst tot stand op de eerste dag van de volgende maand.

11. Door het tot stand komen van een arbeidsovereenkomst met de N.V. RBB is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de Staat.

12. Het personeelslid dat in verband met de behandeling van zijn bezwaren na de overgangsdatum bij de N.V. RBB in dienst treedt, zal zoveel mogelijk in de positie worden gebracht die hij zou hebben gehad indien hij op de overgangsdatum van rechtswege zou zijn overgegaan in dienst van de N.V. RBB.

Artikel 6 [Vervallen per 25-04-1997]

Artikel 7

[Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969]

Artikel 8

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 9

Deze wet wordt aangehaald als: Wet privatisering RBB.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 15 mei 1996

 

BEATRIX

 

De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal

 

Uitgegeven de eenentwintigste mei 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x