Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             

 
vorige

 

WET  RECHTSPOSITIE  RECHTERLIJKE  AMBTENAREN  (Wrra)

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid van rechterlijke ambtenaren
- Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren
- Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie

 

 

WET van 29 november 1996 tot vaststelling van de gewijzigde Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (aanvulling met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof)
 
 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van artikel 117, vierde lid, van de Grondwet, wenselijk is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren uit te breiden met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof, en dat het in verband daarmee gewenst is deze wet opnieuw vast te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

b. rechterlijke ambtenaren: de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie;

c. salaris: het bedrag waarop de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding in verband met het vervullen van een ambt, met inachtneming van het bij of krachtens de artikelen 7, 9, eerste en derde lid, en 13 tot en met 16 van deze wet bepaalde, aanspraak heeft;

d. bezoldiging: het salaris van de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding, vermeerderd met een periodieke schadeloosstelling of geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in artikel 46 van deze wet, en met de toelagen, die in de op deze wet berustende regelgeving zijn aangewezen als tot de bezoldiging behorende toelagen, waarop hij aanspraak heeft;

e. ambt: de door de rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding te vervullen functie;

f. rector: degene die krachtens artikel 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie als rector van de opleiding van de rechterlijke ambtenaren in opleiding is aangewezen;

g. burgerlijke rijksambtenaren: degenen die door het Rijk zijn aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn;

h. rechterlijke ambtenaren in opleiding: de rechterlijke ambtenaren in opleiding, bedoeld in artikel 145 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder functionele autoriteit:

a. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een rechtbank en de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voorzover de opleiding wordt doorgebracht bij een rechtbank: het bestuur van die rechtbank;

b. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een gerechtshof: het bestuur van dat gerechtshof;

c. ten aanzien van de vice-presidenten van, de raadsheren in, de raadsheren in buitengewone dienst bij, de griffier en substituut-griffier van, en de gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad: de president van de Hoge Raad;

d. ten aanzien van de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal, de advocaten-generaal in buitengewone dienst en de plaatsvervangende advocaten-generaal bij de Hoge Raad: de procureur-generaal bij de Hoge Raad;

e. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij een arrondissementsparket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij een arrondissementsparket: het hoofd van dat arrondissementsparket;

f. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het landelijk parket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij het landelijk parket: het hoofd van het landelijk parket;

g. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het functioneel parket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij het functioneel parket: het hoofd van het functioneel parket;

h. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het ressortsparket, alsmede de rechterlijke ambtenaren in opleiding, voor zover de opleiding wordt doorgebracht bij het ressortsparket: het hoofd van het ressortsparket;

i. ten aanzien van de hoofden van de in de onderdelen e tot en met h bedoelde parketten en de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij het parket-generaal: het College van procureurs-generaal;

j. ten aanzien van de leden van het College van procureurs-generaal: Onze Minister.

k. ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren in opleiding gedurende de buitenstage: de rector.

Hoofdstuk 1A [Vervallen per 01-07-2010]

§ 1A.1 [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 1a [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 1b [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 1c [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 1d [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 1e [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 1f [Vervallen per 01-07-2010]

§ 1A.2 [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 1g [Vervallen per 01-07-2010]

§ 1A.3 [Vervallen per 01-07-2010]

Artikel 1h [Vervallen per 01-07-2010]

Hoofdstuk 2. Benoeming, plaatsing en beėdiging

Artikel 2

1. De benoeming in het ambt van president van, vice-president van, raadsheer in of raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, senior raadsheer, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof, senior rechter A, senior rechter, rechter of rechter-plaatsvervanger in een rechtbank, of procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal, advocaat-generaal of advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister voor het leven.

2. De benoeming in het ambt van procureur-generaal, deel uitmakend van het College van procureurs-generaal, landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket, hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal of advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal, dan wel hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie of substituut-officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket of het parket-generaal geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

3. De benoeming in het ambt van plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal, plaatsvervangend officier van justitie, officier enkelvoudige zittingen dan wel plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen geschiedt bij besluit van Onze Minister.

4. In afwijking van het derde lid kan het College van procureurs-generaal de landelijk hoofdadvocaat-generaal of een hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal, advocaat-generaal of plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket of het parket-generaal.

5. In afwijking van het derde lid kan het College van procureurs-generaal een hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie, substituut-officieren van justitie of plaatsvervangend officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal.

6. De benoeming in het ambt van senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur geschiedt bij besluit van Onze Minister, indien het een benoeming in tijdelijke dienst betreft, onderscheidenlijk bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, indien het een benoeming in vaste dienst betreft. Onze Minister benoemt niet onderscheidenlijk doet geen voordracht voor benoeming dan op voorstel van de betrokken functionele autoriteit.

7. De benoeming in het ambt van griffier dan wel substituut-griffier van de Hoge Raad geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

8. De benoeming in het ambt van rechterlijk ambtenaar in opleiding geschiedt bij besluit van Onze Minister.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 4

Tot rechterlijk ambtenaar kan alleen een Nederlander worden benoemd.

Artikel 5

1. Tot rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan worden benoemd degene:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x