Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  RIJONDERRICHT  MOTORRIJTUIGEN  1993  (WRM)

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit rijonderricht motorrijtuigen 2009
- Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009

 

 

WET van 7 juli 1993, houdende herziening van de Wet rijonderricht motorrijtuigen

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regels inzake de bevoegdheid tot het geven van onderricht in het besturen van motorrijtuigen te herzien;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

b. rijonderricht: onderricht, gericht op het bijbrengen, behouden of verbeteren van de rijvaardigheid en geschiktheid om aan het verkeer deel te nemen als bestuurder van een motorrijtuig, waarvoor een rijbewijs wordt gevorderd;

c. stage: na het examen te volgen rijonderricht gericht op het verkrijgen van een certificaat als bedoeld in artikel 13, onderdeel a;

d. bijscholing: rijonderricht na de eerste afgifte van een certificaat als bedoeld in artikel 13, onderdeel b, gericht op het hernieuwd verkrijgen van een certificaat als in dat onderdeel bedoeld;

e. motorrijtuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wegenverkeerswet 1994;

f. rijbewijs: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wegenverkeerswet 1994;

g. scholing educatieve maatregel: onderricht, gericht op de bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid van rijbewijshouders in het kader van een door het CBR krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aan betrokkenen opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan educatieve maatregelen;

h. instituut: instituut, bedoeld in artikel 2;

i. toets: proef ter beoordeling van de vakbekwaamheid van rijinstructeurs;

j. bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wegenverkeerswet 1994, niet zijnde een brommobiel;

k. brommobiel: bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie;

l. richtlijn rijbewijzen: de bij ministeriŽle regeling aangewezen richtlijn;

m. scholing alcoholslotprogramma: individueel of groepsgewijs onderricht gericht op de bevordering van de geschiktheid in het kader van het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132b van de Wegenverkeerswet 1994.

Hoofdstuk II. Het instituut

Artikel 2

1. Onze Minister wijst een instituut aan dat is belast met:

a. het afnemen van het examen rijinstructeur, met uitzondering van de examens, bedoeld in het vijfde lid,

b. het afnemen van de geschiktheidstest, bedoeld in artikel 9, vierde lid,

c. de beoordeling van de stage en de aanwijzing van de stagebegeleiders,

d. de praktijkbeoordeling in het kader van de praktische bijscholing, bedoeld in artikel 12b,

e. de vaststelling van de leerdoelen en de inhoud van de theoretische bijscholing,

f. de certificering van de cursussen die aan de leerdoelen en de inhoud, bedoeld in onderdeel e, voldoen,

g. het verlenen van de ontheffing, bedoeld in artikel 12b, vierde lid,

h. de beoordeling van de examens in het kader van het herintrederstraject, bedoeld in artikel 12c,

i. het afnemen van de toets, bedoeld in artikel 21, derde lid,

j. het afnemen van het examen docent scholing educatieve maatregel en van het aanvullend examen docent scholing alcoholslotprogramma,

k. het bijhouden van het register, bedoeld in artikel 4,

l. de ongeldigverklaring van certificaten, bedoeld in artikel 15, eerste lid,

m. de vaststelling van de tarieven voor de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en f tot en met j.

2. Op het instituut is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.

3. Het instituut voert de taken, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en f tot en met j, uit overeenkomstig het daarvoor geldende reglement. Het instituut stelt dit reglement vast met inachtneming van de regels, bedoeld in het derde lid.

4. Onze Minister stelt, het instituut gehoord, regels met betrekking tot de uitvoering door het instituut van de taken, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en f tot en met j.

5. Onze Minister kan rijksgecommitteerden aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de uitvoering door het instituut van de taken, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en h tot en met j. Onze Minister kan een rijksgecommitteerde schorsen of ontslaan wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie, dan wel wegens andere zwaarwegende redenen. Onze Minister stelt regels voor het door de rijksgecommitteerden uitgeoefende toezicht.

6. Het examen militair rijinstructeur afgenomen door of vanwege Onze Minister van Defensie, alsmede het examen politierijinstructeur afgenomen door of vanwege hetzij Onze Minister van Justitie, hetzij Onze Minister van Binnenlandse Zaken, dienen te worden afgenomen overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurd examenreglement waarin tevens het namens Onze Minister te houden toezicht op de examens is geregeld.

7. Het instituut onthoudt zich van actieve deelname aan opleidingen gericht op het afleggen van de examens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en h tot en met j.

8. Het voor het uitvoeren door het instituut van de taken, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en h tot en met j te betalen tarief bestaat mede uit een vergoeding van de kosten van de in het vijfde lid bedoelde rijksgecommitteerden. Het instituut draagt het in de eerste volzin bedoelde, vast te stellen deel van het tarief dat de vergoeding van de kosten van de rijksgecommitteerden betreft aan hen af overeenkomstig bij regeling van Onze Minister vast te stellen regels.

Artikel 3 [Vervallen per 01-07-2014]

Artikel 4

1.Het instituut houdt een register betreffende de afgifte en de ongeldigverklaring van certificaten.

2.In het kader van het register verwerkt het instituut gegevens betreffende de afgifte en de ongeldigverklaring van certificaten, gegevens omtrent de door het instituut verrichte taken, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met d, f tot en met j, en de gegevens als bedoeld in artikel 12, derde lid, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van deze wet of de daarop berustende bepalingen.

Artikel 5

1.Uit het register worden aan:

a. de daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren, die zijn belast met de uitvoering van deze wet, en

b. de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren,

de gegevens verstrekt die zij voor de uitvoering van hun taak behoeven.

2.Aan andere personen dan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en degenen omtrent wie gegevens in het register zijn opgenomen, kunnen op aanvraag en tegen betaling van het door het instituut voor de behandeling van de aanvraag vastgestelde tarief, uit het register gegevens worden verstrekt. Verstrekt worden slechts gegevens omtrent de afgifte en de geldigheid van certificaten.

3.De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn gehouden om in bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen mededeling te doen van feiten die van belang zijn voor het bijhouden van het register.

Artikel 6

Indien het instituut is of wordt ontbonden dan wel indien

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x