Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  SCHEEPSUITRUSTING

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
WET van 13 april 2000, houdende regels met betrekking tot de productie en keuring van uitrusting voor zeeschepen (Wet scheepsuitrusting)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op Richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de productie en keuring van uitrusting voor zeeschepen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. richtlijn: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46);

b. de verdragen:

1°. het op 5 april 1966 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de uitwatering van schepen (Trb. 1966, 275);

2°. het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake Internationale Voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee (Trb. 1974, 51);

3°. het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, (Trb. 1975, 147);

4°. het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157);

5°. de bij de onder 1° tot en met 4° genoemde verdragen behorende bindende protocollen, bindende bijlagen of bindende aanhangsels;

c. uitrusting: de onderdelen van scheepsuitrusting, genoemd in bijlage A.1 van de richtlijn;

d. Nederlands schip: een schip dat op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren, en waarvoor de verdragen voorschrijven dat de aan boord te plaatsen uitrusting overeenkomstig de verdragen is goedgekeurd;

e. productvoorschriften: de relevante fabricagevoorschriften en beproevingsnormen uit bijlage A.1 van de richtlijn;

f. overeenstemmingsbeoordeling: het onderzoek naar het voldoen van uitrusting aan de productvoorschriften;

g. merk van overeenstemming: het symbool, weergegeven in bijlage D van de richtlijn, dat wordt aangebracht op uitrusting waarvan overeenkomstig deze wet of een andere regeling ter uitvoering van de richtlijn is aangetoond dat zij voldoet aan de toepasselijke voorschriften uit de verdragen;

h. keuringsinstantie: een ingevolge artikel 4, eerste lid, aangewezen instantie;

i. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

 

Artikel 2

Deze wet is niet van toepassing op uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen die in gebruik zijn voor de uitvoering van een militaire taak.

 

Artikel 3

1.Uitrusting, bestemd voor plaatsing aan boord van een Nederlands schip, voldoet aan de productvoorschriften.

2.Uitrusting als bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend in de handel gebracht, indien zij is voorzien van het merk van overeenstemming.

 

Hoofdstuk 2. De aanwijzing van keuringsinstanties

 

Artikel 4

1.Onze Minister wijst, met inachtneming van bijlage C van de richtlijn, de instanties aan die zijn belast met door hem aan te geven, in het kader van een of meer modules van overeenstemmingsbeoordeling als bedoeld in bijlage B van de richtlijn, te verrichten taken.

2.Aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften worden verbonden, die mede betrekking kunnen hebben op de door de aangewezen instantie in rekening te brengen tarieven.

3.Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld betreffende de criteria voor de beoordeling van instanties die in aanmerking wensen te komen voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, de wijze van beoordeling en de door deze instanties verschuldigde vergoeding voor de kosten van de beoordeling.

4.Onze Minister trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, in:

a. indien hij van oordeel is dat de keuringsinstantie niet meer voldoet aan de criteria van bijlage C van de richtlijn of de in de ministeriėle regeling, bedoeld in het derde lid, opgenomen criteria voor de beoordeling van instanties;

b. indien de keuringsinstantie de bij of krachtens deze wet gestelde regels of de aan de aanwijzing verbonden voorschriften niet naleeft.

 

Artikel 5

Onze Minister stelt de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de andere lidstaten van de Europese Unie in kennis van een aanwijzing of een intrekking ingevolge artikel 4 en vermeldt in geval van een aanwijzing de aan de aangewezen instantie toegekende taken en het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan die instantie toegekende identificatienummer.

 

Hoofdstuk 3. De overeenstemmingsbeoordeling

 

§ 1. Voorschriften voor de fabrikant

 

Artikel 6

In deze paragraaf wordt onder keuringsinstantie mede verstaan: een door een andere lidstaat van de Europese Unie bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen aangemelde instantie, belast met in het kader van een of meer modules van overeenstemmingsbeoordeling als bedoeld in bijlage B van de richtlijn, te verrichten taken.

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x