WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, in
verband met de centrale overeenkomst arbeidsvoorwaardenbeleid
overheidspersoneel 1 april 1992 - 31 maart 1993, regelen te stellen voor
de toekenning van een uitkering-ineens aan bepaalde categorieën
pensioen- en uitkeringsgerechtigden in de overheidssector;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
1. Betrokkene in de zin van deze wet is degene die in de maand
september 1992 recht heeft op:
a. een pensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet, de
Spoorwegpensioenwet, of de Algemene militaire pensioenwet dan wel een
vroegere militaire pensioenwet, genoemd in artikel A 1, eerste lid,
onderdeel j, van laatstgenoemde wet;
b. een pensioen dat is toegekend dan wel mede is toegekend
krachtens de Wet van 25 mei 1962 (Stb. 196);
c. een pensioen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c
of d, van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 dan wel
een krachtens het tweede lid van dat artikel daarmee gelijkgestelde
uitkering op grond van de Toeslagregeling pensioenen Suriname en
Nederlandse Antillen;
d. een pensioen of een uitkering op grond van de tweede of de derde
afdeling van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers;
e. een uitkering of toelage als bedoeld in artikel 1 van de Wet
uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden dan wel een uitkering
als bedoeld in artikel 2 van de Uitkeringswet gewezen militairen;
2. Bij een verordening als bedoeld in de vijfde afdeling van de
in het eerste lid, onderdeel d, genoemde wet kan worden bepaald
dat degene aan wie over de maand september 1992 een termijn wordt
uitbetaald van een pensioen of een uitkering ingevolge die verordening,
wordt beschouwd als betrokkene.
3. Deze wet verstaat onder berekeningsgrondslag het (bruto)
bedrag van de over de maand september 1992 feitelijk uit te betalen
uitkering respectievelijk het (bruto) bedrag aan pensioen dat zou zijn
uit te betalen indien geen toepassing zou zijn gegeven aan bepalingen
betreffende inbouw of franchise.
Artikel 2
1. Aan de betrokkene wordt in de maand oktober 1992 of zo
spoedig mogelijk daarna een uitkering-ineens uitbetaald door het
orgaan dat hem de in artikel 1 bedoelde termijn van een pensioen of
een uitkering uitbetaalt.
2. De uitkering-ineens bedraagt 5,56 procent van de voor de
betrokkene geldende berekeningsgrondslag dan wel 6 procent van die
grondslag indien daaruit het effect van de vakantie-uitkering is
verwijderd.
3. De uitkering-ineens maakt geen deel uit van het pensioen of de
uitkering waarvan deze is afgeleid.
Artikel 3
Indien de betrokkene in de maand september van het jaar 1992 is
overleden, wordt in afwijking van de artikelen 1 en 2 uitsluitend aan
zijn rechtverkrijgenden een uitkering-ineens toegekend van 5,56 procent
van de berekeningsgrondslag van een volledige termijn van pensioen of
uitkering over die maand dan wel 6 procent van die grondslag indien
daaruit het effect van de vakantie-uitkering is verwijderd.
Artikel 4
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst en werkt
terug tot en met 1 september 1992.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 september 1994
BEATRIX
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H.F. Dijkstal
De Minister van Defensie,
J.J.C. Voorhoeve
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de vierentwintigste november 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager