Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  TOEZICHT  EFFECTENVERKEER  1995  (Wte 1995)

Tekst zoals deze geldt op 9 juli 2006

Vervallen m.i.v. 1 januari 2007

(Zie Wet op het financieel toezicht)

 

 

 

 
WET van 16 november 1995, houdende het opnieuw vaststellen van de Wet toezicht effectenverkeer in verband met de uitvoering van de richtlijn betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten en van de richtlijn betreffende de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de Wet toezicht effectenverkeer te wijzigen ter uitvoering van Richtlijn nr. 93/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PbEG L 141) alsmede van Richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141), en dat het wenselijk is in verband hiermee alsmede in verband met enige noodzakelijke andere aanpassingen van die wet, de Wet toezicht effectenverkeer opnieuw vast te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt - voor zover niet anders is bepaald - verstaan onder:

a. effecten:

1°. aandeelbewijzen, schuldbrieven, winst- en oprichtersbewijzen, optiebewijzen, warrants, en soortgelijke waardepapieren;

2°. rechten van deelgenootschap, opties, rechten op overdracht op termijn van goederen, inschrijvingen in aandelen- en schuldregisters, en soortgelijke, al dan niet voorwaardelijke, rechten;

3°. certificaten van waarden als hiervoor bedoeld;

4°. recepissen van waarden als hiervoor bedoeld;

b. effectenbemiddelaar:

1°. degene die als tussenpersoon, anders dan op grond van een overeenkomst als bedoeld onder c, beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in effecten;

2°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig de mogelijkheid aanbiedt, door het openen van een rekening, vorderingen te verkrijgen luidende in effecten, waarbij door middel van deze rekening transacties in effecten kunnen worden bewerkstelligd;

3°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig, anders dan bij uitgifte van effecten, voor eigen rekening effectentransacties verricht teneinde een markt in effecten te onderhouden of een voordeel te behalen uit een verschil tussen vraag- en aanbodprijzen van effecten;

4°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig effecten, bij uitgifte ervan, overneemt of plaatst;

5°. degene die, al dan niet als tussenpersoon en anders dan op grond van een overeenkomst als bedoeld onder c, beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming van rente-, valuta- of aandelenswaps of soortgelijke overeenkomsten;

c. vermogensbeheerder:

1°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig op grond van een overeenkomst het beheer voert over effecten die toebehoren aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel over aan deze persoon toebehorende middelen ter belegging in effecten, daaronder begrepen het verrichten of doen verrichten van effectentransacties voor rekening van de persoon met wie de overeenkomst is gesloten;

2°. degene die beroeps- of bedrijfsmatig op grond van een overeenkomst het beheer voert over rente-, valuta- of aandelenswaps of soortgelijke overeenkomsten;

d. effecteninstelling: een effectenbemiddelaar of een vermogensbeheerder;

e. effectenbeurs: een markt die aan regels is onderworpen en die bestemd is voor het bijeenbrengen van vraag en aanbod van effecten;

f. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling; bij het bepalen van het aantal stemrechten, dat iemand in een onderneming of instelling heeft, worden tot diens stemrechten mede gerekend de stemrechten waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken op grond van artikel 12 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in ter beurze genoteerde vennootschappen;

g. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap:

1°. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; of

2°. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,

die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt aangemerkt als groep;

h. dochtermaatschappij: een rechtspersoon of vennootschap als bedoeld in artikel 24a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

i. richtlijn kapitaaltoereikendheid: richtlijn nr. 93/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (PbEG L 141);

j. richtlijn beleggingsdiensten: richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141);

k. lid-staat: een staat die lid is van de Europese Unie alsmede een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

l. toezichthoudende autoriteit: de instantie waaraan in enige staat ingevolge een wettelijke regeling het toezicht op het effectenverkeer is opgedragen;

m. bijkantoor: één of meer onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een effecteninstelling die in een andere staat zijn gevestigd dan die waar de effecteninstelling is gevestigd;

n. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

o. openbaar bod: een door middel van een openbare mededeling gedaan aanbod als bedoeld in artikel 217, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek buiten een besloten kring, op effecten, dan wel een uitnodiging tot het doen van een aanbod, buiten een besloten kring, op effecten, waarbij de bieder het oogmerk heeft deze effecten te verwerven;

p. bieder: een natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap, dan wel enig naar buitenlands recht daarmee vergelijkbaar lichaam of samenwerkingsverband, door wie of namens wie al dan niet tezamen met een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen, vennootschappen of daarmee vergelijkbare lichamen of samenwerkingsverbanden een openbaar bod wordt voorbereid of uitgebracht, dan wel is uitgebracht;

q. prospectusverordening: verordening nr. 809/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 tot uitvoering van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de in het prospectus te verstrekken informatie, de vormgeving van het prospectus, de opneming van informatie door middel van verwijzing, de publicatie van het prospectus en de verspreiding van advertenties betreft (PbEU L 149).

Artikel 2

Geen effecten in de zin van deze wet zijn:

a. waarden die uitsluitend het karakter van betaalmiddel dragen;

b. appartementsrechten.

 

Artikel 2a [Vervallen per 20-01-2006]

Hoofdstuk II. Uitgifte van effecten

Artikel 3

1. Het is verboden in Nederland bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen effecten aan te bieden, tenzij ter zake van de aanbieding een prospectus algemeen verkrijgbaar is dat is goedgekeurd door Onze Minister of door een toezichthoudende autoriteit in een andere lidstaat. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de aanbieding.

2. Onze Minister keurt een prospectus goed indien het voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

3. Onze Minister kan in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen het prospectus ter zake van een aanbieding van effecten in een andere lidstaat goedkeuren. Het eerste lid, tweede volzin, en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Het is verboden in of vanuit Nederland andere dan de in het eerste lid bedoelde effecten aan te bieden dan wel een zodanig aanbieding door middel van advertenties of documenten in het vooruitzicht te stellen, tenzij:

a. ter zake van de aanbieding een prospectus verkrijgbaar is dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels; of

b. ter zake van de aanbieding dan wel de in het vooruitzicht gestelde aanbieding wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing indien de aan te bieden effecten rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c van de Wet toezicht belegginginstellingen, die op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.

Artikel 3a

1. Onze Minister maakt na ontvangst van een aanvraag van goedkeuring zijn besluit omtrent de goedkeuring binnen een termijn van tien werkdagen bekend aan de aanvrager.

2. De in het eerste lid bedoelde termijn bedraagt ten hoogste twintig werkdagen indien sprake is van een aanbieding van effecten van een instelling waarvan nog geen effecten zijn aangeboden.

3. Indien de door de aanvrager ingediende documenten onvolledig zijn of onder toepassing van artikel 3, derde alinea, 22, eerste lid, derde alinea, 23, eerste lid of derde lid, tweede alinea, van de prospectusverordening aanvullende informatie nodig is voor de beoordeling van het vermogen, de financiële positie, het resultaat of de vooruitzichten van de instelling of de aan de effecten verbonden rechten en plichten, stelt Onze Minister de aanvrager hiervan binnen de termijn, bedoeld in het eerste of, indien van toepassing, het tweede lid op de hoogte en stelt hij hem in de gelegenheid om de aanvraag aan te vullen. Indien de aanvrager niet binnen de gestelde termijn de aanvraag heeft aangevuld, kan Onze Minister besluiten de aanvraag niet verder te behandelen.

4. Ingeval het derde lid, eerste volzin, wordt toegepast gaan de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid, opnieuw in, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de aanvrager de aanvullende informatie heeft verstrekt.

5. Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten toepassing.

Artikel 3b

1. Het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanbieding van effecten ter zake waarvan het prospectus overeenkomstig artikel 3 is goedgekeurd, indien zich voorafgaand aan de afsluiting van de aanbieding van effecten een belangrijke nieuwe ontwikkeling, materiële vergissing of onjuistheid voordoet of door de aanvrager geconstateerd wordt die verband houdt met de informatie in het prospectus en van invloed kan zijn op de beoordeling van de aangeboden effecten, tenzij een document ter aanvulling van het prospectus door Onze Minister is goedgekeurd en algemeen verkrijgbaar is.

2. Onze Minister keurt het in het eerste lid bedoelde aanvullende document goed indien wordt voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels en maakt zijn besluit omtrent goedkeuring van dit document binnen een termijn van zeven werkdagen bekend aan de aanvrager. Het vijfde lid van artikel 3a is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

1. Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing verlenen van artikel 3, eerste of vierde lid.

2. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

3. Indien een op grond van het eerste lid verleende vrijstelling betrekking heeft op het aanbieden van effecten aan bepaalde door Onze Minister aan te wijzen personen, houdt Onze Minister een register bij waarin de namen van die personen worden opgenomen.

Artikel 5

1. Instellingen waarvan in of vanuit Nederland effecten zijn aangeboden, stellen periodiek informatie omtrent hun bedrijf algemeen verkrijgbaar. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot:

a. de soort en inhoud van de informatie;

b. de termijnen waarbinnen deze informatie algemeen verkrijgbaar wordt gesteld; en

c. de wijze waarop de informatie algemeen verkrijgbaar wordt gesteld.

2. Onze Minister kan van de op grond van het eerste lid gestelde regels vrijstelling of, op verzoek, ontheffing verlenen.

3. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen en het rechten van deelneming betreft die op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald.

Artikel 6

1. Indien Onze Minister vaststelt dat een instelling waarvan effecten zijn uitgegeven die zijn toegelaten, of waarvan aannemelijk is dat deze spoedig zullen worden toegelaten, tot de handel op een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs, of degene die deze effecten aanbiedt, zich niet houdt of heeft gehouden aan het bij of krachtens artikel 3 bepaalde of aan de regels van de effectenbeurs waaraan die instelling in verband met de toelating is onderworpen, vestigt hij daarop de aandacht van de houder van die effectenbeurs. Zonodig doet Onze Minister deze mededeling vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing met betrekking tot een door de houder van de effectenbeurs jegens de instelling te volgen gedragslijn met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

2. De houder van de effectenbeurs volgt de in het eerste lid bedoelde aanwijzing op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.

Hoofdstuk II A. Openbaar bod op effecten

Artikel 6a

1. Het is verboden een openbaar bod te doen op effecten die zijn toegelaten tot de notering aan een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs of geregeld worden verhandeld in Nederland.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien terzake van het openbaar bod een biedingsbericht algemeen verkrijgbaar is dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, mits daarnaar in elke bekendmaking van het openbaar bod wordt verwezen.

3. De bieder, de instelling te wier laste de effecten, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgegeven en de bestuurders, commissarissen en andere functionarissen als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet conflictenrecht corporaties van deze bieder en deze instelling, houden zich aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten te stellen regels terzake van de voorbereiding, het uitbrengen en de gestanddoening van een openbaar bod.

4. Een krachtens het tweede of derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.

5. Onze Minister, kan, op verzoek, bepalen dat de bieder, de instelling te wier laste de effecten, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgegeven of de bestuurders, commissarissen of andere functionarissen als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet conflictenrecht corporaties van deze bieder en deze instelling, niet behoeven te voldoen aan alle in het tweede of derde lid bedoelde regels, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in de vorige zin wijzigen of intrekken indien naar zijn oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat het besluit in strijd is met het belang van een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de belegger op de markten.

Artikel 6b

Indien de bieder zijn openbaar bod gestand heeft gedaan, is het hem gedurende een periode van drie jaar na de verkrijgbaarstelling van het biedingsbericht niet toegestaan effecten van de soort waarop het openbaar bod betrekking had, direct of indirect, te verwerven tegen voor de rechthebbende van die effecten gunstiger voorwaarden dan volgens het openbaar bod.

Artikel 6c

1. Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing verlenen van artikel 6a, eerste en derde lid, en artikel 6b.

2. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

Hoofdstuk III. Effecteninstellingen

§ 1. Vereisten voor een vergunning

Artikel 7

1. Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. verzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, behoudens voor zover artikel 13 van die wet van toepassing is, en verzekeraars als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf;

b. degenen die de in het eerste lid bedoelde diensten uitsluitend verrichten voor de onderneming waarvan zij dochtermaatschappij zijn, voor hun dochtermaatschappijen of voor een andere dochtermaatschappij van de onderneming waarvan zij dochtermaatschappij zijn;

c. degenen wier in het eerste lid bedoelde diensten uitsluitend bestaan uit het op grond van een overeenkomst met een werkgever beheren van een werknemersparticipatieplan met betrekking tot effecten die zijn uitgegeven ten laste van die werkgever;

d. degenen wier in het eerste lid bedoelde diensten uitsluitend bestaan uit het verlenen van zowel de diensten, bedoeld onder b, als die, bedoeld onder c;

e. de ECB bedoeld in artikel 4a van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen, en de centrale banken van de lid-staten, nationale instellingen van de lid-staten met een soortgelijke functie en overheidsinstellingen van de lid-staten die zijn belast met of betrokken bij het beheer van de overheidsschuld;

f. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen, alsmede beheerders als bedoeld in artikel 1, onder e, van die wet, voor zover het betreft de inkoop of verkoop van rechten van deelneming in de betrokken beleggingsinstellingen door de beleggingsinstellingen zelf onderscheidenlijk door de aan die beleggingsinstellingen verbonden beheerders;

g. degenen wier hoofdbedrijf bestaat uit het verhandelen van zaken met producenten, met beroeps- of bedrijfsmatige gebruikers of met anderen met eenzelfde hoofdbedrijf en die de in het eerste lid bedoelde diensten verrichten voor alleen deze wederpartijen en in de mate dat hun hoofdbedrijf zulks vereist;

h. kredietinstellingen of financiële instellingen die zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van de Wet toezicht kredietwezen 1992, voor zover het aan die instellingen ingevolge de artikelen 6, 31, 32 of 38 onderscheidenlijk 45, 50 of 51 van die wet is toegestaan om diensten ter zake van effectenbemiddeling of vermogensbeheer aan te bieden of te verrichten;

i. effecteninstellingen die zijn gevestigd in een andere lid-staat, niet zijnde instellingen als bedoeld onder h, die door middel van een bijkantoor in Nederland als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aanbieden of verrichten, indien:

1°. zij van de toezichthoudende autoriteit van die andere lid-staat een voor de uitoefening van het beroep of bedrijf van effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder benodigde vergunning hebben verkregen;

2°. Onze Minister van de toezichthoudende autoriteit van die andere lid-staat een kennisgeving heeft ontvangen, die bevat:

- een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;

- het adres van het bijkantoor;

- de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor bepalen; en

- gegevens omtrent de toepasselijkheid van een garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor;

en

3°. Onze Minister de ontvangst van de kennisgeving, bedoeld onder 2°, en de inhoud daarvan aan de effecteninstelling heeft bekendgemaakt dan wel er twee maanden zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop Onze Minister die kennisgeving heeft ontvangen;

j. effecteninstellingen die zijn gevestigd in een andere lid-staat, niet zijnde instellingen als bedoeld onder h, die, anders dan door middel van een bijkantoor in Nederland, als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aanbieden of verrichten, indien:

1°. zij van de toezichthoudende autoriteit van die andere lid-staat een voor de uitoefening van het beroep of bedrijf van effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder benodigde vergunning hebben verkregen; en

2°. zij aan de toezichthoudende autoriteit van die andere lid-staat een kennisgeving hebben gezonden, die een opgave van de voorgenomen werkzaamheden bevat.

k. bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, ondernemingsspaarfondsen en beroepspensioenfondsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, c, d van de Pensioen- en spaarfondsenwet onderscheidenlijk artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, die krachtens die wet aan het toezicht van de Pensioen- & Verzekeringskamer zijn onderworpen en die als vermogensbeheerder uitsluitend diensten aanbieden aan of verrichten voor de desbetreffende bedrijfstak, onderneming, dan wel beroepsgroep waarmee zij zijn verbonden, alsmede het pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het notarisambt;

l. natuurlijke personen en rechtspersonen voor zover zij als vermogensbeheerder uitsluitend diensten aanbieden aan of verrichten voor een fonds als bedoeld onder k of een daaraan gelieerd fonds, mits de natuurlijke persoon of de rechtspersoon is verbonden aan het fonds waaraan de diensten worden aangeboden of waarvoor de diensten worden verricht.

3. Het is effecteninstellingen als bedoeld in het tweede lid, onder i, of j, niet toegestaan de werkzaamheden, genoemd in deel A van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten, aan te bieden of te verrichten indien het aanbieden of verrichten van die werkzaamheden door de vergunning, bedoeld in het tweede lid, onderdeel i onder 1°, onderscheidenlijk onderdeel j, onder 1°, wordt uitgesloten of de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, onderdeel i, onder 2°, onderscheidenlijk onderdeel j, onder 2°, het aanbieden of verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

4. Onze Minister verleent, op verzoek, een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de aanvrager aantoont dat wordt voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van:

a. deskundigheid en betrouwbaarheid;

b. financiële waarborgen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis;

c. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, en vestiging van het hoofdkantoor;

d. aan Onze Minister en aan het publiek te verstrekken informatie; en

e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

Is de aanvrager een bijkantoor in Nederland van een effecteninstelling die niet in een lid-staat is gevestigd, dan toont hij tevens aan dat de instelling in de staat waar zij is gevestigd bevoegd is tot het als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aanbieden of verrichten van diensten en bevoegd is een bijkantoor in Nederland te openen.

5. De regels, bedoeld in het vierde lid, kunnen voor onderscheiden groepen effecteninstellingen verschillend zijn.

6. Indien de aanvrager redelijkerwijs niet kan voldoen aan de op grond van het vierde lid gestelde regels kan Onze Minister op verzoek een vergunning als bedoeld in het eerste lid verlenen indien de aanvrager aantoont dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt.

7. Aan een vergunning kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

Artikel 8

1. Indien een andere lid-staat de richtlijn beleggingsdiensten of de richtlijn kapitaaltoereikendheid niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze Minister bepalen dat artikel 7, tweede lid, aanhef en onder i en j, niet van toepassing is op effecteninstellingen die in die andere lid-staat zijn gevestigd.

2. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een lid-staat wordt ingetrokken, wordt ten aanzien van een in die lid-staat gevestigde effecteninstelling die op dat moment het beroep of bedrijf van effecteninstelling door middel van een bijkantoor of door middel van het verrichten van diensten in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, heeft verkregen, geacht te zijn voldaan aan artikel 7, tweede lid, onderdeel i, onder 2° en 3°, onderscheidenlijk onderdeel j, onder 2°. De aan de effecteninstelling verleende vergunning vervalt op dat tijdstip van rechtswege.

Artikel 9 [Vervallen per 01-02-1999]

Artikel 10

1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van artikel 7, eerste lid.

2. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

§ 2. Regels voor vergunninghouders

Artikel 11

1. Een effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, houdt zich aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van:

a. deskundigheid en betrouwbaarheid;

b. financiële waarborgen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis;

c. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, en vestiging van het hoofdkantoor;

d. aan Onze Minister en aan het publiek te verstrekken informatie; en

e. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels;

f. de bemiddeling terzake van een openbaar bod.

2. Degenen, die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn de personen te benoemen of te ontslaan die een effecteninstelling krachtens wet, statuten of reglementen vertegenwoordigen dan wel het dagelijks beleid van een effecteninstelling bepalen, houden zich aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels ten aanzien van betrouwbaarheid.

3. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor onderscheiden groepen effecteninstellingen verschillend zijn.

4. Onze Minister kan, op verzoek, bepalen dat een effecteninstelling niet behoeft te voldoen aan alle in het eerste lid bedoelde regels indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in de vorige volzin wijzigen of intrekken indien naar zijn oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat het besluit in strijd is met het belang van een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

5. het eerste, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder h, i of j.

Artikel 11a

1. Een in Nederland gevestigde effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, legt binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek over aan Onze Minister.

2. De effecteninstelling doet de jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze accountant staat niet in dienstbetrekking tot de betrokken effecteninstelling.

3. De accountant, bedoeld in het tweede lid, meldt Onze Minister zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid kennis heeft gekregen en die:

a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld;

b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;

c. het voortbestaan van de effecteninstelling bedreigt; of

d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

4. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de effecteninstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling is de meldingsplicht, bedoeld in het derde lid, van overeenkomstige toepassing indien de effecteninstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de effecteninstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een effecteninstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.

5. Onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid verstrekt de accountant, bedoeld in het tweede lid, aan Onze Minister zo spoedig mogelijk alle inlichtingen die redelijkerwijs nodig zijn ten behoeve van het toezicht op de naleving van deze wet met betrekking tot bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderwerpen.

6. De accountant die op grond van het derde of vierde lid tot een melding of op grond van het vijfde lid tot het geven van inlichtingen aan Onze Minister is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

7. Het derde tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een niet in Nederland gevestigde effecteninstelling die op grond van de regels, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een jaarrekening overlegt die is onderzocht door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 12

1. Indien Onze Minister vaststelt dat een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder h, i of j, de in Nederland op de instelling van toepassing zijnde regels betreffende het toezicht niet of niet volledig naleeft, vestigt hij daarop de aandacht van die instelling.

2. Zonodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om binnen een door hem te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

3. Indien Onze Minister niet binnen de door hem in de aanwijzing bepaalde termijn een hem bevredigend antwoord van de instelling heeft ontvangen of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan de door hem gegeven aanwijzing gevolg is gegeven, maakt hij dit aan de instelling bekend.

4. Zodra de bekendmaking, bedoeld in het derde lid, door de instelling is ontvangen, is het haar verboden nog langer als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te verrichten en wikkelt zij binnen een door Onze Minister te bepalen termijn alle lopende overeenkomsten af die door haar zijn aangegaan voordat de bekendmaking door haar werd ontvangen.

5. Indien een instelling in een andere lid-staat is gevestigd, stelt Onze Minister de toezichthoudende autoriteit van die andere lid-staat in kennis van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, en van de bekendmaking, bedoeld in het derde lid.

Artikel 13

1. Een in Nederland gevestigde effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend en die voornemens is met betrekking tot een of meer van de in deel B van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten genoemde instrumenten het beroep of bedrijf van effecteninstelling uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een andere lid-staat, dient daartoe bij Onze Minister een aanvraag in. Het is de effecteninstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven voordat zij van de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a, een mededeling heeft ontvangen die ertoe strekt dat met de werkzaamheden kan worden aangevangen dan wel, indien die mededeling uitblijft, er twee maanden zijn verstreken nadat de bekendmaking, bedoeld in het derde lid, door de effecteninstelling werd ontvangen.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van:

a. de lid-staat waar de effecteninstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;

c. het adres van het bijkantoor; en

d. de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor bepalen.

3. Onze Minister doet binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a, mededeling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d, alsmede van gegevens omtrent de toepasselijkheid van een garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor. Onze Minister maakt deze mededeling aan de effecteninstelling bekend.

4. Indien Onze Minister van oordeel is dat de effecteninstelling, gelet op de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 11, eerste lid, of indien de effecteninstelling is uitgezonderd van het toepassingsgebied van de richtlijn beleggingsdiensten, laat hij de in het derde lid bedoelde mededeling achterwege. Onze Minister maakt dit besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de effecteninstelling bekend.

5. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d, of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor te staken, stelt de effecteninstelling Onze Minister en de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a, daarvan ten minste een maand voor de wijziging ingaat onderscheidenlijk het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

6. Indien zich een wijziging voordoet van de in het derde lid bedoelde gegevens omtrent de toepasselijkheid van een garantieregeling, stelt de effecteninstelling Onze Minister daarvan, ten minste een maand voor de wijziging ingaat, schriftelijk in kennis. Onze Minister stelt de toezichthoudende autoriteiten van de lid-staat waar het bijkantoor is gevestigd in kennis van de voorgenomen wijziging.

7. Indien Onze Minister van oordeel is dat de effecteninstelling, gelet op de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan hij de effecteninstelling een aanwijzing geven om binnen een door hem te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

8. Indien Onze Minister niet binnen de door hem in de aanwijzing bepaalde termijn een hem bevredigend antwoord van de effecteninstelling heeft ontvangen of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan de door hem gegeven aanwijzing gevolg is gegeven, trekt hij de mededeling, bedoeld in het derde lid, in. Onze Minister maakt deze intrekking aan de effecteninstelling bekend.

9. Zodra de mededeling, bedoeld in het derde lid, is ingetrokken, is het de effecteninstelling verboden nog langer werkzaamheden te verrichten door middel van het bijkantoor en wikkelt zij binnen een door Onze Minister te stellen termijn alle lopende overeenkomsten af die door het bijkantoor zijn aangegaan voordat de intrekking aan de effecteninstelling werd bekendgemaakt.

Artikel 14

1. Een in Nederland gevestigde effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend en die voornemens is met betrekking tot een of meer van de in deel B van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten genoemde instrumenten het beroep of bedrijf van effecteninstelling uit te oefenen, anders dan door middel van een bijkantoor, in een andere lid-staat, dient daartoe bij Onze Minister een aanvraag in. Het is de effecteninstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de bekendmaking, bedoeld in het derde lid, niet is gedaan.

2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van:

a. de lid-staat waarin de effecteninstelling voornemens is de werkzaamheden te verrichten; en

b. de werkzaamheden die de effecteninstelling voornemens is te verrichten.

3. Onze Minister doet binnen een maand na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a, mededeling van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b, tenzij de effecteninstelling is uitgezonderd van het toepassingsgebied van de richtlijn beleggingsdiensten. Onze Minister maakt deze mededeling aan de effecteninstelling bekend.

4. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b, of indien het voornemen bestaat om het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, te staken, stelt de effecteninstelling Onze Minister en de toezichthoudende autoriteit van de lid-staat, bedoeld in het tweede lid, onder a, daarvan ten minste een maand voor de wijziging ingaat onderscheidenlijk het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

Artikel 15

1. Indien Onze Minister door de toezichthoudende autoriteit van een andere lid-staat ervan in kennis is gesteld dat een in Nederland gevestigde effecteninstelling de in die andere lid-staat op de effecteninstelling van toepassing zijnde regels betreffende het toezicht niet of niet volledig naleeft, vestigt hij daarop de aandacht van die effecteninstelling.

2. Zonodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om binnen een door hem te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

3. Indien Onze Minister niet binnen de door hem in de aanwijzing bepaalde termijn een hem bevredigend antwoord van de effecteninstelling heeft ontvangen of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan de door hem gegeven aanwijzing gevolg is gegeven, trekt Onze Minister de mededeling, bedoeld in artikel 13, derde lid, of artikel 14, derde lid, in. Onze Minister maakt deze intrekking aan de effecteninstelling bekend.

Artikel 15a

1. Een effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7 is verleend en die voornemens is als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te verrichten door middel van een bijkantoor in een staat, die niet een lid-staat is, geeft, alvorens daartoe over te gaan, Onze Minister van haar voornemen schriftelijk kennis. Het is de effecteninstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang Onze Minister daarmee niet uitdrukkelijk heeft ingestemd.

2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van:

a. de staat waarin de effecteninstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie – met inbegrip van de financiële administratie en de interne controle – ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering;

d. het adres van het bijkantoor; en

e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

3. De effecteninstelling doet de in het tweede lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover Onze Minister zulks verlangt.

4. Indien er naar het oordeel van Onze Minister aanwijzingen bestaan dat de effecteninstelling, gezien de werkzaamheden die zij vanuit het bijkantoor voornemens is te verrichten, niet zal kunnen voldoen aan de bij of krachtens de artikel 11 gestelde regels, geeft Onze Minister geen toestemming voor de opening van het bijkantoor.

5. Onze Minister beslist binnen 6 weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, op het verzoek tot instemming.

Artikel 15b

1. Een effecteninstelling meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 15a, tweede lid, onderdelen b tot en met e, ten minste een maand tevoren schriftelijk aan Onze Minister.

2. De effecteninstelling doet de in het eerste lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover Onze Minister zulks verlangt.

3. Indien de effecteninstelling voldoet aan de bij of krachtens artikel 11 gestelde regels en Onze Minister geen bedenkingen heeft tegen de wijziging maakt hij dit aan de effecteninstelling bekend.

4. Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit het bijkantoor te staken, stelt de effecteninstelling Onze Minister daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in kennis. Zodra de effecteninstelling haar voornemen uitvoert, meldt zij dit onverwijld aan Onze Minister.

§ 3. Gekwalificeerde deelnemingen in effecteninstellingen

Artikel 16

1. Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of te vergroten in een effecteninstelling waaraan een vergunning is verleend op grond van artikel 7, vierde of zesde lid, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming uit te oefenen in een instelling als hiervoor bedoeld.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een handeling als bedoeld in het eerste lid waarvoor ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992 een verklaring van geen bezwaar is verleend en op een handeling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel b of c, van die wet waarvoor op grond van die onderdelen geen verklaring van geen bezwaar is vereist.

3. Onze Minister verleent, op verzoek, een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid, tenzij hij van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken effecteninstelling die in strijd is met een gezonde, prudente of integere bedrijfsvoering van die instelling.

4. Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.

5. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend, kan de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van de gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend voor een deelneming in een effecteninstelling, kan op verzoek van de aanvrager, worden bepaald dat de verleende verklaring van geen bezwaar geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk.

6. Van het verlenen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid wordt door Onze Minister aan de betrokken effecteninstelling mededeling gedaan.

7. Aan een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van het derde lid kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend, zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken effecteninstelling die in strijd is met een gezonde, prudente of integere bedrijfsvoering van die instelling.

8. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid is verricht zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij die verklaring gestelde beperkingen in acht zijn genomen dan wel dat met betrekking tot die handeling de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, van toepassing is, maakt de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen een door Onze Minister te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan onderscheidenlijk neemt hij de beperkingen alsnog in acht. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.

9. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid is geschied zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij die verklaring gestelde beperkingen in acht zijn genomen dan wel dat met betrekking tot die handeling de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, van toepassing is, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze Minister. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de effecteninstelling is gevestigd, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.

10. Ingeval voorschriften die zijn verbonden aan de verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van het derde lid, niet worden nagekomen, kan Onze Minister een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde houder de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.

11. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon stelt Onze Minister vooraf in kennis van een zodanige wijziging van diens gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling waardoor de omvang van deze deelneming:

a. boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de effecteninstelling een dochtermaatschappij wordt; of

b. onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt, dan wel waardoor de effecteninstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

12. Een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid stelt, voor zover haar bekend, Onze Minister in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze instelling houdt. Tevens stelt de effecteninstelling, zodra zulks haar bekend wordt, Onze Minister in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze instelling waardoor de omvang van deze deelneming:

a. boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de effecteninstelling een dochtermaatschappij wordt; of

b. onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de effecteninstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

13. Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.

Artikel 17

1. De houder van een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 16, derde lid, waarvan tenminste één dochtermaatschappij een effecteninstelling is waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 7, eerste lid, houdt zich aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend, zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken effecteninstelling die in strijd is met een gezonde, prudente of integere bedrijfsvoering van die instelling.

2. De regels, die voor onderscheiden groepen houders verschillend kunnen zijn, kunnen uitsluitend betrekking hebben op financiële waarborgen, op te verstrekken gegevens en inlichtingen alsmede op de vorm waarin die gegevens en inlichtingen dienen te worden verstrekt. Artikel 16, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Onze Minister verleent, op verzoek, ontheffing van de regels indien de houder van de verklaring van geen bezwaar aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze regels beogen te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt.

Artikel 18

1. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van artikel 16, eerste lid.

2. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een gezonde, prudente of integere bedrijfsvoering van de betrokken effecteninstelling.

Hoofdstuk III A. Financiële instellingen, niet zijnde vergunningplichtige effecteninstellingen

Artikel 18a

1. Een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, f, k of l, of een kredietinstelling of financiële instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk onderdeel c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder h, houdt zich aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen effectentypische gedragsregels. Deze regels hebben in elk geval betrekking op het omgaan met koersgevoelige informatie, privé beleggingstransacties van bestuurders en personeelsleden, het tegengaan van marktmanipulatie, het voorkomen van belangenverstrengeling, voor zover dit te maken heeft met effectentransacties, en het vastleggen van relevante gedragscodes en andere voorzieningen die met het oog op het bovenstaande zijn getroffen, in de administratieve organisatie en interne controle.

2. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen voor de onderscheiden groepen instellingen verschillend zijn.

Artikel 18b

1. Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing verlenen van artikel 18a, eerste lid.

2. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

Hoofdstuk IV. Intrekkingsbepalingen

Artikel 19

1. Onze Minister kan een op grond van de artikelen 4 en 5 verleende ontheffing en een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, slechts intrekken:

a. op verzoek van de houder;

b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de ontheffing of vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de ontheffing of vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de ontheffing of de vergunning zou zijn geweigerd;

d. indien de houder:

1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de verlening van de vergunning daarvan geen gebruik heeft gemaakt;

2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken;

3°. het verrichten van werkzaamheden waarop de vergunning betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of

4°. kennelijk opgehouden heeft effecteninstelling te zijn;

e. indien de houder niet meer voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels of beperkingen of gegeven voorschriften;

f. indien de houder niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging door Onze Minister op grond van deze wet gegeven.

2. Indien Onze Minister vaststelt dat een kredietinstelling of financiële instelling als bedoeld in artikel 28a, eerste lid, niet voldoet aan de in het tweede en derde lid van dat artikel bedoelde verplichting, kan Onze Minister bepalen dat artikel 7, tweede lid, onder h, niet van toepassing is ten aanzien van die instelling.

3. Degene wiens ontheffing of vergunning is ingetrokken, wikkelt binnen een door Onze Minister te stellen termijn alle lopende overeenkomsten af die door deze zijn aangegaan voordat de intrekking aan hem werd bekendgemaakt. Onze Minister kan deze termijn verlengen. Hij kan een ander met de afwikkeling belasten, die aan hem verantwoording schuldig is.

Artikel 20

Onze Minister kan een op grond van artikel 16 verleende verklaring van geen bezwaar slechts wijzigen of intrekken dan wel daaraan nadere beperkingen stellen of nadere voorschriften verbinden:

a. op verzoek van de houder;

b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd;

d. indien de houder niet meer als een houder van de gekwalificeerde deelneming kan worden aangemerkt;

e. indien de houder niet alsnog binnen de termijn, bedoeld in artikel 16, achtste lid, eerste volzin, alle bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht neemt;

f. indien de houder niet meer voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels of beperkingen of gegeven voorschriften.

Hoofdstuk V. Register

Artikel 20a

1. Onze Minister houdt een register bij waarin zijn opgenomen de prospectussen die zijn goedgekeurd op grond van artikel 3, eerste of derde lid.

2. Onze Minister houdt de gegevens in het register voor een ieder kosteloos ter inzage.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van de inrichting en de werking van het register en de wijze waarop wijzigingen in het register worden aangebracht.

Artikel 21

1. Onze Minister houdt een register waarin zijn opgenomen de effecteninstellingen die ingevolge een vergunning of ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder h, i of j, als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten mogen aanbieden of verrichten alsmede de aan de desbetreffende vergunning of vrijstelling gestelde beperkingen of verbonden voorschriften. In het register zijn tevens opgenomen de effecteninstellingen die ingevolge een vrijstelling als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder hun diensten mogen aanbieden of verrichten alsmede de aan de desbetreffende vrijstelling gestelde beperkingen of verbonden voorschriften, indien zij ingevolge een voorschrift dat aan die vrijstelling is verbonden Onze Minister in kennis hebben gesteld van hun voornemen om de desbetreffende effectendiensten aan te bieden of te verrichten (2e nota van wijziging).

2. De inschrijving van een effecteninstelling waarvan de vergunning is ingetrokken dan wel waarop niet langer een vrijstelling van toepassing is, wordt doorgehaald.

3. In de maand januari van elk jaar wordt door de zorg van Onze Minister een lijst van de ingeschreven effecteninstellingen naar de stand van 31 december van het voorgaande jaar in de Staatscourant geplaatst.

4. Onze Minister houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos ter inzage.

5. De registerinschrijving van een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, wordt geweigerd dan wel doorgehaald indien de voornemens, de handelingen of de antecedenten van de personen die het beleid van de effecteninstelling bepalen of mede bepalen, dan wel van de personen die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn deze personen te benoemen of te ontslaan, Onze Minister aanleiding geven tot het oordeel dat, met het oog op de belangen van de beleggers, de betrouwbaarheid van deze personen niet buiten twijfel staat.

6. Het is een effecteninstelling als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, die niet in het register is ingeschreven, verboden om als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder diensten aan te bieden of te verrichten.

Hoofdstuk VI. Effectenbeurzen

Artikel 22

1. Het houden van een effectenbeurs is niet toegestaan dan na verkregen erkenning van Onze Minister.

2. De erkenning wordt verleend indien de houder van de effectenbeurs aantoont dat hij in Nederland is gevestigd en het houden van de effectenbeurs, de voor die effectenbeurs te hanteren regels, hun toepassing en de controle op de naleving van die regels zullen voldoen aan hetgeen nodig is met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten. Met het oog op de verlening van de erkenning toetst Onze Minister ten minste de deskundigheid van de personen die het dagelijks beleid van de houder bepalen, de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van de houder bepalen of mede bepalen, de financiële waarborgen, het afwikkelingssysteem, en de toepassing van de voor de effectenbeurs geldende regels op de instellingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, op effecteninstellingen die zullen worden toegelaten tot deze beurs en op dochterondernemingen.

3. Aan een erkenning kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van de richtlijn beleggingsdiensten waarvan de houder in een andere lid-staat is gevestigd.

5. Aan de vrijstelling, bedoeld in het vierde lid, is het voorschrift verbonden dat degene voor wie de vrijstelling geldt zich houdt aan door Onze Minister te stellen regels met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

Artikel 23

Van iedere wijziging in de regels, bedoeld in artikel 22, tweede lid, of in de controle op de naleving daarvan stelt de houder van de op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs Onze Minister vooraf in kennis.

Artikel 24

1. De houder van een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs draagt er zorg voor dat de voor de effectenbeurs geldende regels kunnen worden toegepast op de instellingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en op de effecteninstellingen die zijn toegelaten tot deze beurs.

2. Onze Minister kan met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten aan de houder van een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs:

a. voorschriften geven met betrekking tot de voor die effectenbeurs te hanteren regels, hun toepassing of de controle op de naleving van die regels;

b. een aanwijzing geven met betrekking tot een door deze jegens een effecteninstelling die zich naar het oordeel van Onze Minister niet houdt aan de regels bedoeld in artikel 22, tweede lid, te volgen gedragslijn.

3. De houder van de effectenbeurs volgt de in het tweede lid bedoelde voorschriften en aanwijzing op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.

Artikel 25

1. Onze Minister kan vrijstelling of, op verzoek, ontheffing verlenen van artikel 22, eerste lid.

2. Aan een vrijstelling en aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

Artikel 26

Onze Minister kan een erkenning als bedoeld in artikel 22 of een ontheffing als bedoeld in artikel 25 intrekken indien voor het houden van de desbetreffende effectenbeurs onvoldoende waarborgen worden geboden met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten of indien de effectenbeurs niet of niet genoegzaam de bij of krachtens deze wet gestelde regels of gegeven voorschriften naleeft, gestelde beperkingen in acht neemt of gegeven aanwijzingen opvolgt.

Artikel 26A

1. Het is verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming te houden, te verwerven of te vergroten in een houder van een effectenbeurs aan wie op grond van artikel 22 een erkenning is verleend, waarbij in afwijking van artikel 1, onder f, een percentage geldt van meer dan 10 procent, dan wel enige zeggenschap verbonden aan deze gekwalificeerde deelneming uit te oefenen in een houder van een effectenbeurs als hiervoor bedoeld.

2. Onze Minister verleent, op verzoek, een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid, tenzij

a. hij van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken houder van een effectenbeurs die in strijd is met hetgeen nodig is met het oog op een adequate functionering van die effectenbeurs of de positie van de beleggers op die effectenbeurs;

b. hij van oordeel is dat de handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken houder behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van de controle op de naleving van de voor de effectenbeurs geldende regels.

3. Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.

4. Van het verlenen van een verklaring van geen bezwaar wordt door Onze Minister aan de betrokken houder van de effectenbeurs mededeling gedaan.

5. Aan een verklaring van geen bezwaar kunnen, op grond van de in het tweede lid genoemde overwegingen, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

6. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming is verricht zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij die verklaring gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze Minister te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voorzover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.

7. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming is geschied zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij die verklaring gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze Minister. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen welker rechtsgebied de effectenbeurs is gevestigd, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voorzover nodig de gevolgen van de vernietiging.

8. Ingeval voorschriften die zijn verbonden aan de verklaring van geen bezwaar niet worden nagekomen, kan Onze Minister een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde houder van de verklaring van geen bezwaar de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.

9. Onze Minister kan een op grond van het tweede lid verleende verklaring van geen bezwaar slechts wijzigen of intrekken dan wel daaraan nadere beperkingen stellen of nadere voorschriften verbinden:

a. op verzoek van de houder van de verklaring van geen bezwaar;

b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest, de verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel daaraan nadere beperkingen zouden zijn gesteld of nadere voorschriften zouden zijn verbonden;

d. indien de houder van de verklaring van geen bezwaar niet meer als een houder van de gekwalificeerde deelneming kan worden aangemerkt;

e. indien de houder van de verklaring van geen bezwaar niet alsnog binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, eerste volzin, alle bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht neemt;

f. indien de houder van de verklaring van geen bezwaar niet meer voldoet aan bij of krachtens deze wet gestelde regels of beperkingen of gegeven voorschriften.

Hoofdstuk VII. Bijzondere bepalingen

Artikel 27

1. De houder van een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs houdt de voor die effectenbeurs geldende regels in overeenstemming met richtlijnen inzake het effectenverkeer van de Raad van de Europese Unie dan wel van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk.

2. Onze Minister kan aan de houder van een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs voorschriften geven ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde richtlijnen.

3. De houder van de effectenbeurs, bedoeld in het tweede lid, volgt de in het tweede lid bedoelde voorschriften op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.

4. Iedere wijziging in de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt vooraf aan Onze Minister voorgelegd teneinde na te gaan of aan de in het eerste lid bedoelde richtlijnen wordt voldaan onderscheidenlijk of door die wijziging strijd met die richtlijnen zou ontstaan.

Artikel 28

1. Indien Onze Minister vaststelt dat een instelling waarvan effecten zijn aangeboden of zullen worden aangeboden, degene die deze effecten aanbiedt, een bieder, bestuurder, commissaris of functionaris als bedoeld in artikel 6a, derde lid, een effecteninstelling, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder h, i of j, of een instelling als bedoeld in artikel 18a, eerste lid, de bij of krachtens de artikelen 3, eerste en vierde lid, 4, 5 eerste lid, tweede volzin, aanhef en onderdelen b en c, en derde lid, 6a, tweede en derde lid, 6b, 11, eerste lid, 18a, eerste lid, 18b, tweede lid, onderscheidenlijk de in hoofdstuk XII gestelde regels niet naleeft, vestigt hij daarop de aandacht van de betrokkene.

2. Zonodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten.

3. Degene tot wie de in het tweede lid bedoelde aanwijzing is gericht volgt deze aanwijzing op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.

4. Indien de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, is gegeven aan een effecteninstelling niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 18a, eerste lid, en Onze Minister niet binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, een bevredigend antwoord van die instelling heeft ontvangen, of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan zijn aanwijzing gevolg is gegeven, kan Onze Minister, indien hij dit met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten noodzakelijk acht:

a. de instelling schriftelijk aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de instelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door Onze Minister aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;

b. de instelling schriftelijk aanzeggen, dat Onze Minister zal overgaan tot publicatie van de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, bij welke publicatie, wanneer de instelling dit verlangt, tevens de correspondentie openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen Onze Minister en de instelling is gevoerd.

5. Indien Onze Minister van oordeel is dat ten aanzien van de instelling, bedoeld in het vierde lid, onverwijld maatregelen noodzakelijk zijn, kan hij zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk uitvoering geven aan onderdeel a van het vierde lid, nadat hij de instelling in de gelegenheid heeft gesteld haar mening over de onmiddellijke uitvoering te geven.

6. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het vierde lid, onder a, is het volgende van toepassing:

a. de organen van de instelling zijn verplicht de door Onze Minister aangewezen personen alle medewerking te verlenen;

b. Onze Minister kan de betrokken organen van de instelling toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten;

c. de door Onze Minister aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na de aanzegging, bedoeld in het vierde lid, onder a, behoudens de bevoegdheid van Onze Minister om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht;

d. Onze Minister kan te allen tijde de door hem aangewezen personen door andere vervangen;

e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het vierde lid, onder a, zijn degenen, die deel uit maken van het orgaan van de instelling dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover de instelling; de instelling kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan redelijkerwijs niet onkundig kon zijn;

f. zodra Onze Minister van oordeel is dat de naleving van de regels, bedoeld in het eerste lid, voldoende is gewaarborgd, beslist hij dat de betrokken organen van de instelling hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen.

7. Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid, onder b, wordt eerst van kracht, wanneer het onherroepelijk is geworden. Indien de instelling na de publicatie alsnog voldoet aan de aanwijzing dan wel indien Onze Minister de aanwijzing intrekt, zal Onze Minister hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis geven.

Artikel 28a

1. Onze Minister pleegt overleg met representatieve organisaties van in Nederland gevestigde effecteninstellingen over de invoering van één of meer regelingen omtrent een garantie voor nader te bepalen vorderingen van beleggers in verband met beleggingsverrichtingen, tot een nader te bepalen maximum, op in Nederland gevestigde effecteninstellingen waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend, alsmede op kredietinstellingen en financiële instellingen waaraan het ingevolge artikel 6 onderscheidenlijk artikel 45 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan diensten ter zake van effectenbemiddeling of vermogensbeheer aan te bieden of te verrichten, tegen het risico dat een zodanige instelling haar verplichtingen met betrekking tot die vorderingen niet nakomt.

2. Indien het overleg, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming tussen Onze Minister en de betrokken representatieve organisaties, kan bij koninklijk besluit worden bepaald dat de instellingen, bedoeld in het eerste lid, verplicht zijn aan de uitvoering van een samenstel van regelingen mee te werken.

3. Onze Minister kan besluiten dat een effecteninstelling die niet in een Lid-Staat is gevestigd en waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend onderscheidenlijk een kredietinstelling of een financiële instelling, waaraan het ingevolge artikel 38 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is toegestaan in Nederland diensten ter zake van effectenbemiddeling of vermogensbeheer aan te bieden of te verrichten, verplicht is aan de uitvoering van een van de op hem toepasselijke regelingen, bedoeld in het eerste lid, mee te werken indien Onze Minister van oordeel is dat op vorderingen in verband met beleggingsverrichtingen op die onderneming of instelling geen beleggerscompensatieregeling van toepassing is waarvan de dekking gelijkwaardig is aan de dekking, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van richtlijn nr. 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PbEG L 84).

4. Indien het overleg, bedoeld in het eerste lid, niet binnen een door Onze Minister te bepalen termijn leidt tot overeenstemming dan wel indien de regeling of het samenstel van regelingen waaromtrent overeenstemming is bereikt, niet de instemming heeft van Onze Minister, kan bij koninklijk besluit een regeling als bedoeld in het eerste lid worden ingevoerd, nadat de in het eerste lid bedoelde organisaties van effecteninstellingen alsmede, indien van toepassing, de rechtspersoon, waaraan ingevolge artikel 40 de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid is overgedragen, in de gelegenheid zijn gesteld hun gevoelen omtrent de inhoud van de in te voeren regeling kenbaar te maken.

5. Na inwerkingtreding van een koninklijk besluit als bedoeld in het vierde lid wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken, een voorstel van wet tot goedkeuring van het koninklijk besluit aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien één van de Kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, wordt zo spoedig mogelijk bij koninklijk besluit een nieuwe regeling als bedoeld in het eerste lid ingevoerd. Het vierde lid en de eerste twee volzinnen van dit lid zijn op het in de vorige volzin bedoelde koninklijk besluit van overeenkomstige toepassing.

6. Het eerste, tweede, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op wijziging of intrekking van een met inachtneming van die leden tot stand gekomen regeling.

Artikel 28b

Indien een accountant naar het oordeel van Onze Minister niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de effecteninstelling naar behoren zal vervullen, kan Onze Minister bepalen dat hij niet bevoegd is de in deze wet en daaruit voortvloeiende besluiten bedoelde verklaringen omtrent de getrouwheid met betrekking tot die effecteninstelling af te leggen.

Artikel 28c

1. Indien tot de personen, die rechtstreeks of middellijk bevoegd zijn de personen te benoemen of te ontslaan die het beleid van de effecteninstelling bepalen of medebepalen, iemand behoort, die niet voldoet aan de op grond van artikel 11, tweede lid, gestelde regels met betrekking tot zijn betrouwbaarheid, kan Onze Minister die personen, voor zover zij niet behoren tot de instelling, de aanwijzing geven dat degene, wiens betrouwbaarheid niet aan deze regels voldoet, deze bevoegdheid niet meer mag uitoefenen.

2. De personen tot wie de aanwijzing is gericht, volgen deze binnen een door Onze Minister te stellen termijn op.

3. De personen tot wie de aanwijzing is gericht, informeren Onze Minister binnen de gestelde termijn over de maatregelen die zijn getroffen om aan de aanwijzing gevolg te geven.

4. De effecteninstelling geeft geen gevolg aan algemene of bijzondere instructies van degene, op wie een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft.

Hoofdstuk VIII. Controle, uitvoering en samenwerking

Artikel 29

1. Onze Minister kan bij:

a. instellingen waarvan effecten zijn aangeboden of zullen worden aangeboden en bij degene die deze effecten aanbiedt;

b. aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 4, eerste lid;

c. aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 5, tweede lid;

d. effecteninstellingen;

e. aanvragers van een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid;

f. de bewaarder van zakelijke gegevens en bescheiden van een organisatie waarvan de leden toegang hadden tot een effectenbeurs waarvan de houder een erkenning had als bedoeld in artikel 22;

g. degenen die deel uitmaken van een groep waartoe een effecteninstelling behoort;

h. houders van een gekwalificeerde deelneming;

i. aanvragers van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16, eerste lid;

j. degenen op wie een vrijstelling als bedoeld in artikel 18 van toepassing is;

k. instellingen als bedoeld in artikel 18a, eerste lid;

l. houders van een effectenbeurs;

m. aanvragers van een erkenning als bedoeld in artikel 22;

n. aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 25, eerste lid;

o. bieders;

p. iedere onderneming of instelling ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels,

alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die hij op grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd.

2. Degene van wie de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden verlangd, verstrekt deze binnen de door Onze Minister te stellen termijn.

3. Ten aanzien van de personen die door Onze Minister zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die Onze Minister heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

Artikel 29a

Onze Minister is bevoegd de personen die het dagelijks beleid van de effecteninstelling bepalen of medebepalen en de personen, bedoeld in artikel 11, tweede lid, op te roepen. Deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen. De oproeping geschiedt op een door Onze Minister te bepalen wijze. De personen zijn verplicht alle gevraagde inlichtingen te verschaffen.

Artikel 30

Indien een effecteninstelling die is toegelaten tot een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs, ingevolge de op grond van dat artikel te hanteren regels verplicht is ter medewerking aan de controle op de nakoming van die regels persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens te verstrekken, behoeft de effecteninstelling voor deze verstrekking niet de toestemming van degene op wie de persoonsgegevens betrekking hebben.

Artikel 31

1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen of instellingen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in de artikelen 33, eerste lid, of 33a, eerste lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.

2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in de artikelen 33, eerste lid, of 33a, eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.

4. Het eerste en tweede lid laten evenzo, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet die betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een effecteninstelling die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is niet van toepassing in geval van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende effecteninstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.

5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan Onze Minister met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen.

6. In afwijking van het eerste, tweede en vijfde lid kan Onze Minister gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak verstrekken aan de houder van een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs met het oog op de controle op de naleving van de voor die effectenbeurs te hanteren regels. Op de aldus verstrekte gegevens of inlichtingen zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 32 [Vervallen per 01-12-2003]

Artikel 33

1. Onze Minister kan, in afwijking van artikel 31, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:

a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;

c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;

d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of

f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

2. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt Onze Minister deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

3. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat verzoek slechts worden ingewilligd:

a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid; dan wel

b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede

c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van gegevens aan buitenlandse overheidsinstanties of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties in het kader van het aanbieden van effecten en het algemeen verkrijgbaarstellen van een prospectus.

Artikel 33a

1. Onze Minister kan, in afwijking van artikel 31, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een rechter-commissaris voor zover die belast is met het toezicht uit hoofde van artikel 64 van de Faillissementswet op de curator die betrokken is bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel van een effecteninstelling.

2. Onze Minister verstrekt geen gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:

a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de gegevens of inlichtingen.

3. Artikel 31, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste lid verstrekte gegevens.

Artikel 33b

1. Onze Minister werkt samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, belast zijn met het toezicht op beleggingsinstellingen, kredietinstellingen, natura-uitvaartverzekeraars onderscheidenlijk verzekeraars, met het oog op het tot stand brengen van gelijkgerichte regelgeving en beleid ter zake van bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwerpen die zowel het toezicht ingevolge deze wet als het toezicht ingevolge een van de eerdergenoemde wetten betreffen.

2. Onze Minister voert het toezicht ingevolge deze wet, voor zover het betrekking heeft op de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving en beleid, en in voorkomende gevallen over uitvoering van toezicht. Indien ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze wet heeft zijn overgedragen aan een rechtspersoon, draagt deze rechtspersoon er zorg voor dat hij of een van de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten zendt aan Onze Minister.

3. Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt Onze Minister in samenwerking met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat openbaar wordt gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het eerste en tweede lid.

Artikel 33c

1. Onze Minister werkt samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Pensioen- en spaarfondsenwet onderscheidenlijk de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, belast zijn met het toezicht op beleggingsinstellingen, kredietinstellingen, natura-uitvaartverzekeraars, pensioen- en spaarfondsen onderscheidenlijk verzekeraars, met het oog op coördinatie en afstemming van regelgeving en beleid ter uitvoering van de artikelen 18a en 18b.

2. Onze Minister voert het toezicht ingevolge de artikelen 18a en 18b uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten afspraken over coördinatie en afstemming van regelgeving, beleid en de uitvoering van toezicht.

Artikel 34

1. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen werkt, voor zover noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op effecteninstellingen die deel uitmaken van een groep, samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en de Wet toezicht beleggingsinstellingen belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen, verzekeraars onderscheidenlijk beleggingsinstellingen die tot diezelfde groep behoren.

2. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen pleegt in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid.

3. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen werkt in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, waar nodig samen op basis van een of meer daartoe met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid overeen te komen regelingen. Deze regelingen betreffen in elk geval afspraken over het stellen van gemeenschappelijke regels, het coördineren van werkzaamheden uit hoofde van ieders uitoefening van het toezicht en het uitwisselen van gegevens en inlichtingen.

4. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, verstrekt aan een autoriteit als bedoeld in het eerste lid dan wel een autoriteit die is belast met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren of de Wet toezicht trustkantoren de gegevens of inlichtingen die hij verkregen heeft bij de vervulling van de hem bij of krachtens deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid en betrouwbaarheid van personen als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van artikel 7, vierde lid, onder a, voor zover Onze Minister dan wel de rechtspersoon van oordeel is dat deze gegevens of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.

5. De verplichting, bedoeld in het vierde lid, geldt niet in het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 33, eerste lid.

Artikel 35

Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, werkt bij de uitoefening van het toezicht samen met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de andere lid-staten. Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, pleegt daartoe in voorkomende gevallen overleg met deze autoriteiten.

Artikel 36

1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, kan Onze Minister ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die staat belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op het effectenverkeer, inlichtingen vragen aan of een onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die ingevolge deze wet onder zijn toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.

2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door Onze Minister te stellen termijn.

Artikel 37

1. Onze Minister kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in dat lid.

2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het onderzoek is belast.

Artikel 38

1. Ingeval een onderneming, instelling of bieder als bedoeld in artikel 29, eerste lid, in een andere lid-staat is gevestigd, kan Onze Minister ten behoeve van het toezicht:

a. de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan Onze Minister verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel

b. zich, na daartoe van de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat toestemming te hebben verkregen, ter plaatse van de juistheid van de aan Onze Minister verstrekte inlichtingen overtuigen of doen overtuigen.

2. Ingeval een in Nederland gevestigde effecteninstelling een bijkantoor in een andere lid-staat heeft gevestigd, kan Onze Minister ten behoeve van het toezicht:

a. de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan Onze Minister verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel

b. zich, na daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van de juistheid van de aan Onze Minister verstrekte inlichtingen overtuigen of doen overtuigen.

Artikel 39

1. Ingeval in overeenstemming met de richtlijn kapitaaltoereikendheid ten behoeve van het toezicht op effecteninstellingen in een andere lid-staat door dan wel omtrent een in Nederland gevestigde onderneming of instelling inlichtingen aan de toezichthoudende autoriteit van die lid-staat zijn verstrekt, zal Onze Minister, na daartoe door de toezichthoudende autoriteit van de desbetreffende lid-staat te zijn verzocht:

a. zich ter plaatse van de juistheid van de aan de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel

b. de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat toestaan zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen te overtuigen of te doen overtuigen.

2. In geval van een bijkantoor in Nederland van een in een andere lid-staat gevestigde effecteninstelling zal ten behoeve van het toezicht in de andere lid-staat:

a. Onze Minister zich, op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat, ter plaatse van de juistheid van de aan die toezichthouder verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel

b. de toezichthoudende autoriteit van de andere lid-staat zich, na daaromtrent Onze Minister in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen kunnen overtuigen of doen overtuigen.

3. Degene bij wie de juistheid van inlichtingen wordt geverifieerd als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verleent aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde toezichthoudende autoriteit en diens functionarissen alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van die verificatie. Onze Minister kan aan die verificatie deelnemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, doen deelnemen.

Hoofdstuk IX. Overdracht van toezicht

Artikel 40

1. Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van deze wet heeft, kunnen, met uitzondering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 8, 10, 18, 22, 25, 26, 26a, 27, 28a, vierde lid, 41, 42, 45, 46b, derde lid, onder c, en vijfde lid, 46d, 48a, 48b, derde lid, 48c, derde lid, en 48m, tweede lid, en met uitzondering van het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 4, 5 , 6c en 18b, bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze Minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

2. Een overdracht als bedoeld in het eerste lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

a. hij dient in staat te zijn de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen;

b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van de in het eerste lid bedoelde taken en bevoegdheden zoveel mogelijk is gewaarborgd;

c. de statuten van de rechtspersoon dienen te bepalen dat de benoeming, de schorsing en het ontslag van de bestuurders van de rechtspersoon geschiedt door Onze Minister.

3. Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

4. Onze Minister kan aan een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid voorschriften geven ter uitvoering van richtlijnen inzake het effectenverkeer van de Raad van de Europese Unie dan wel van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk.

5. De rechtspersoon of rechtspersonen brengt onderscheidenlijk brengen eenmaal per jaar, uiterlijk op 1 mei, verslag uit aan Onze Minister over de uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden in het voorgaande kalenderjaar. Dit verslag wordt door de zorg van Onze Minister openbaar gemaakt, met dien verstande dat gegevens met betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en instellingen niet openbaar worden gemaakt zonder hun schriftelijke toestemming.

6. Indien ingevolge het eerste lid taken en bevoegdheden zijn overgedragen aan een of meer rechtspersonen, kan of kunnen deze worden gehoord alvorens:

a. een erkenning als bedoeld in artikel 22 wordt verleend of ingetrokken;

b. voorschriften als bedoeld in de artikelen 24, tweede lid, en 27, tweede lid, worden gegeven;

c. een ontheffing als bedoeld in artikel 25 wordt verleend of ingetrokken;

d. een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 26a wordt verleend, gewijzigd of ingetrokken;

e. een termijn als bedoeld in artikel 45, vierde lid, wordt bepaald.

7. De rechtspersoon aan wie een advies als bedoeld in het zesde lid wordt gevraagd, is verplicht dit advies uit te brengen.

8. De rechtspersoon of rechtspersonen verstrekt onderscheidenlijk verstrekken Onze Minister desgevraagd de inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op het effectenverkeer.

Artikel 41

1. Het is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 40, eerste lid, verboden zijn statuten te wijzigen zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister. De artikelen 10:28 tot en met 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

2. Onze Minister kan een toestemming als bedoeld in het eerste lid weigeren indien de statuten na de wijziging onvoldoende zouden zijn afgestemd op het bepaalde in artikel 40.

Artikel 42

Onze Minister dan wel een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, kan de kosten die worden gemaakt voor de uitvoering van die taken en de uitoefening van die bevoegdheden volgens door Onze Minister te stellen regels in rekening brengen bij houders van effectenbeurzen, bij aanbieders van effecten, bij de personen waarvan de namen zijn opgenomen in het register, bedoeld in artikel 4, derde lid, bij instellingen als bedoeld in artikel 5, eerste lid, bij bieders, bij aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 6a, vijfde lid, of artikel 6c, eerste lid, bij effecteninstellingen, bij aanvragers van een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, bij aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, bij aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 5, tweede lid, bij aanvragers van een erkenning als bedoeld in artikel 22, bij aanvragers van een ontheffing als bedoeld in artikel 25, eerste lid, bij aanvragers van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16, eerste lid, bij houders van een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 16, derde lid, alsmede bij instellingen als bedoeld in artikel 18a, eerste lid.

Hoofdstuk X. Beroep

Artikel 43

Tegen een besluit van een houder van een op grond van artikel 22 erkende effectenbeurs omtrent de toelating van effecten tot, of het doen vervallen van effecten uit de notering aan die effectenbeurs, staat voor belanghebbenden administratief beroep open bij Onze Minister, tenzij dit besluit strekt tot uitvoering van een aanwijzing als bedoeld in artikel 6.

Artikel 44

1. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

2. Op een besluit op grond van deze wet terzake van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 4 of hoofdstuk II A, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 48c, is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

3. In afwijking van het eerste lid is voor beroepen tegen besluiten terzake van de regels, gesteld bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 4 of Hoofdstuk IIA, met uitzondering van besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 48c, het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd.

Hoofdstuk XI. Betrekkingen met derde landen

Artikel 45

1. Onze Minister kan, mede ter uitvoering van besluiten die zijn genomen ingevolge de bepalingen betreffende de betrekkingen met derde landen in de richtlijn beleggingsdiensten, bepalen dat:

a. in afwijking van artikel 7, de behandeling van aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, die zijn ingediend door dochtermaatschappijen van ondernemingen of instellingen die niet in een lid-staat zijn gevestigd, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, dan wel dat dergelijke aanvragen slechts tot een door Onze Minister te bepalen aantal worden gehonoreerd;

b. in afwijking van artikel 16, de behandeling van aanvragen voor een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 16, derde lid, die zijn ingediend door ondernemingen of instellingen die niet in een lid-staat zijn gevestigd, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, met overeenkomstige opschorting van de termijn, bedoeld in artikel 16, vierde lid, dan wel dat dergelijk aanvragen slechts tot een door Onze Minister te bepalen aantal worden gehonoreerd; en

c. in afwijking van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder i of j, artikel 7, vierde lid, van toepassing is op effecteninstellingen die zijn gevestigd in een staat, niet zijnde een lid-staat van de Europese Unie, die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die dochtermaatschappij zijn van ondernemingen of instellingen die niet in een lid-staat zijn gevestigd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedoelde dochtermaatschappijen of gekwalificeerde deelnemingen tevens dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen zijn van een onderneming of instelling die in een lid-staat is gevestigd en die een voor het als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder aanbieden of verrichten van diensten benodigde vergunning heeft verkregen.

3. Onze Minister kan bepalen dat, in afwijking van artikel 7, vierde lid, vergunningen voor bijkantoren in Nederland van effecteninstellingen die niet in een lid-staat zijn gevestigd niet dan wel slechts onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften worden verleend.

4. Indien een bijkantoor in Nederland van een effecteninstelling die niet in een lid-staat is gevestigd en die een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, heeft verkregen onder het stellen van beperkingen dan wel het verbinden van voorschriften als bedoeld in het derde lid, een handeling verricht zonder dat alle bij de vergunning gestelde beperkingen onderscheidenlijk alle aan de vergunning verbonden voorschriften zijn nagekomen, maakt de effecteninstelling binnen een door Onze Minister te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan of voldoet zij alsnog aan de niet nagekomen beperkingen onderscheidenlijk vervult zij alsnog de niet nagekomen voorschriften.

Hoofdstuk XII. Marktmisbruik

§ 1. Algemeen

Artikel 45a

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

1°. wordt onder effecten mede verstaan: rente-, valuta- of aandelenswaps of soortgelijke overeenkomsten;

2°. wordt onder gereglementeerde markt verstaan: een markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van de richtlijn beleggingsdiensten of een effectenbeurs, niet zijnde een markt als hiervoor bedoeld, waarvan de houder ingevolge artikel 22 een erkenning heeft verkregen.

Artikel 45b

Indien een overheidsinstantie in een andere lid-staat dan wel een instantie die in een andere lid-staat van overheidswege is aangewezen als bevoegde autoriteit in de zin van richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (PbEU L 96) Onze Minister met het oog op het toezicht op de naleving van ter uitvoering van die richtlijn gestelde regels verzoekt om gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 33, eerste lid, aanhef, verstrekt Onze Minister die gegevens of inlichtingen onverwijld, tenzij:

a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het in de aanhef bedoelde toezicht;

c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet, de nationale veiligheid of de openbare orde;

d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of

f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

Artikel 45c

Overtreding van artikel 46, eerste, derde of negende lid, 46a, eerste of tweede lid, of 46b, eerste lid, is een misdrijf.

Artikel 45d

Ten aanzien van strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 46, eerste, derde en negende lid, 46a, eerste en tweede lid, 46b, eerste lid, 47, eerste en vijfde lid en 47c, eerste lid, is de rechtbank van Amsterdam in eerste aanleg bij uitsluiting bevoegd.

§ 2. Verbodsbepalingen

Artikel 46

1. Het is een ieder die behoort tot een in het tweede lid genoemde categorie natuurlijke personen of rechtspersonen verboden om gebruik te maken van voorwetenschap door een transactie te verrichten of te bewerkstelligen:

a. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is in effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in Nederland of waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd;

b. in of vanuit Nederland in effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in een andere lid-staat of die zijn toegelaten tot de handel op een effectenbeurs die is gevestigd en van overheidswege toegelaten in een staat die geen lid-staat is, of in effecten waarvoor toelating tot die handel is aangevraagd; of

c. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is in effecten, niet zijnde effecten als bedoeld onder a of b, waarvan de waarde mede wordt bepaald door de onder a of b bedoelde effecten.

2. De in het eerste lid bedoelde categorieën zijn:

a. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap beschikken vanwege het feit dat zij het dagelijks beleid bepalen of mede bepalen, dan wel toezicht houden op het beleid en de algemene gang van zaken van de rechtspersoon, vennootschap of instelling die effecten heeft uitgegeven als bedoeld in het eerste lid, waarop de voorwetenschap betrekking heeft;

b. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap beschikken vanwege het feit dat zij beschikken over een gekwalificeerde deelneming in de rechtspersoon, vennootschap of instelling, die effecten heeft uitgegeven als bedoeld in het eerste lid, waarop de voorwetenschap betrekking heeft;

c. natuurlijke personen of rechtspersonen die toegang hebben tot informatie als bedoeld in het vierde of vijfde lid uit hoofde van de uitoefening van werk, beroep of functie;

d. natuurlijke personen of rechtspersonen die over voorwetenschap beschikken uit hoofde van betrokkenheid bij strafbare feiten.

3. Het is een ieder die niet behoort tot een in het tweede lid genoemde categorie en die weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij over voorwetenschap beschikt, verboden om gebruik te maken van die voorwetenschap door:

a. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is een transactie te verrichten of te bewerkstelligen in effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a;

b. in of vanuit Nederland een transactie te verrichten of te bewerkstelligen in effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder b; of

c. in of vanuit Nederland of een staat die geen lid-staat is een transactie te verrichten of te bewerkstelligen in effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder c.

4. Voorwetenschap is bekendheid met informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking hebben of op de handel in deze effecten, welke informatie niet openbaar is gemaakt en waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de effecten of op de koers van daarvan afgeleide effecten.

5. Met betrekking tot effecten waarvan de waarde mede wordt bepaald door de waarde van grondstoffen is voorwetenschap bekendheid met niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer van die effecten, van welke informatie beleggers in die effecten bekendmaking mogen verwachten op grond van marktpraktijken die gebruikelijk zijn op de gereglementeerde markt waarop die effecten worden verhandeld. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen marktpraktijken als bedoeld in de vorige volzin worden aangewezen.

6. Van informatie waarvan beleggers bekendmaking mogen verwachten als bedoeld in het vijfde lid is sprake indien deze van dien aard is dat deze:

a. routinematig beschikbaar wordt gesteld aan de beleggers in die effecten;

b. openbaar moet worden gemaakt overeenkomstig de met betrekking tot de desbetreffende gereglementeerde markt geldende wettelijke voorschriften of volgens de op die gereglementeerde markt gehanteerde marktregels, overeenkomsten of gangbare gewoonten.

7. De verboden, bedoeld in het eerste en derde lid, zijn niet van toepassing op het verrichten of bewerkstelligen van transacties in effecten:

a. ter nakoming van een opeisbare verbintenis die reeds bestond op het tijdstip waarop degene die de transactie verrichtte of bewerkstelligde kennis kreeg van de informatie, bedoeld in het vierde lid, met betrekking tot de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop die effecten betrekking hebben;

b. in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld;

c. in het kader van een terugkoopprogramma zoals omschreven in hoofdstuk II van verordening nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336); en

d. in het kader van stabilisatie zoals omschreven in hoofdstuk III van verordening nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336).

8. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën transacties worden aangewezen waarop de in het eerste en derde lid bedoelde verboden niet van toepassing zijn. Daarbij kan binnen een aan te wijzen categorie onderscheid worden gemaakt naar de personen door wie en de omstandigheden waaronder de transacties worden verricht of bewerkstelligd.

9. Het is verboden om gebruik te maken van voorwetenschap door te trachten een transactie te verrichten of te bewerkstelligen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 46a

1. Het is een ieder die behoort tot een in het tweede lid van artikel 46, onder a, b of d, bedoelde categorie alsmede een ieder die beschikt over voorwetenschap en behoort tot de in het tweede lid, onder c, bedoelde categorie verboden om in of vanuit een in artikel 46, eerste lid, onder a, b, of c bedoelde staat, voor zover het effecten betreft als bedoeld in het desbetreffende onderdeel:

a. de informatie waarop zijn voorwetenschap betrekking heeft aan een derde mee te delen, anders dan in de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie; of

b. een derde aan te bevelen of ertoe aan te zetten transacties te verrichten of te bewerkstelligen in die effecten.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op ieder ander die weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij over voorwetenschap beschikt.

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de omstandigheden waaronder sprake is van meedelen in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie, als bedoeld in het eerste lid, onder a.

Artikel 46b

1. Het is verboden om in of vanuit een in artikel 46, eerste lid, onder a of b, bedoelde staat, telkens voor zover het effecten betreft als bedoeld in het desbetreffende onderdeel:

a. een transactie of handelsorder in effecten te verrichten of te bewerkstelligen waarvan een onjuist of misleidend signaal uitgaat of te duchten is met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van die effecten;

b. een transactie of handelsorder in effecten te verrichten of te bewerkstelligen teneinde de koers van die effecten op een kunstmatig niveau te houden;

c. een transactie of handelsorder in effecten te verrichten of te bewerkstelligen waarbij gebruik wordt gemaakt van bedrog of misleiding; of

d. informatie te verspreiden waarvan een onjuist of misleidend signaal uitgaat of te duchten is met betrekking tot het aanbod van, de vraag naar of de koers van effecten, terwijl de verspreider van die informatie weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die informatie onjuist of misleidend is.

2. De verboden, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op het verrichten of bewerkstelligen van transacties of handelsorders in effecten of het verspreiden van informatie in het kader van:

a. het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld;

b. een terugkoopprogramma zoals omschreven in hoofdstuk II van verordening nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336); en

c. stabilisatie zoals omschreven in hoofdstuk III van verordening nr. 2273/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 december 2003 tot uitvoering van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie wat de uitzonderingsregeling voor terugkoopprogramma’s en voor de stabilisatie van financiële instrumenten betreft (PbEU L 336).

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën transacties of handelsorders worden aangewezen waarop de in het eerste lid, aanhef en onder a en b, bedoelde verboden niet van toepassing zijn en kan de wijze waarop tot deze aanwijzing wordt gekomen verder worden uitgewerkt.

4. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder d, is niet van toepassing voor zover het betreft het verspreiden van informatie door een journalist die in zijn normale beroepshoedanigheid handelt, rekening houdend met de regels die gelden binnen zijn beroepsgroep, tenzij deze journalist voordeel of winst behaalt uit de verspreiding van de informatie.

§ 3. Openbaarmakings- en meldingsverplichtingen

Artikel 47

1. Een rechtspersoon, vennootschap of instelling die effecten heeft uitgegeven die met diens instemming zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in Nederland of waarvoor verzocht is om toelating van die effecten tot de handel op een dergelijke markt, maakt informatie als bedoeld in artikel 46, vierde of vijfde lid, die rechtstreeks op de rechtspersoon, vennootschap of instelling betrekking heeft, onverwijld openbaar. De openbaarmaking vindt plaats door middel van een persbericht dat gelijktijdig wordt uitgebracht in Nederland en in iedere andere lid-staat waar de door de rechtspersoon, vennootschap of instelling uitgegeven effecten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of waar de rechtspersoon, vennootschap of instelling heeft verzocht om of ingestemd met toelating tot de handel van die effecten op een dergelijke markt. De rechtspersoon, vennootschap of instelling stelt Onze Minister dan wel, indien van toepassing, de rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, gelijktijdig met de openbaarmaking op de hoogte van deze informatie.

2. De rechtspersoon, vennootschap of instelling beschikt over een website en plaatst de informatie onverwijld op deze website. De rechtspersoon, vennootschap of instelling houdt de informatie gedurende tenminste een jaar op de website toegankelijk.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan een rechtspersoon, vennootschap of instelling de openbaarmaking van de informatie uitstellen indien:

a. het uitstel een rechtmatig belang van de rechtspersoon, vennootschap of instelling dient;

b. van het uitstel geen misleiding van het publiek te duchten is; en

c. zij de vertrouwelijkheid van deze informatie kan waarborgen.

4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het derde lid. Daarbij wordt bepaald wat onder een rechtmatig belang van de rechtspersoon, vennootschap of instelling wordt verstaan en aan welke vereisten een rechtspersoon, vennootschap of instelling dient te voldoen om de vertrouwelijkheid van de informatie te waarborgen.

5. Indien de rechtspersoon, vennootschap of instelling of een persoon die de rechtspersoon, vennootschap of instelling vertegenwoordigt, doelbewust informatie als bedoeld in artikel 46, vierde of vijfde lid, in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie meedeelt aan een derde, maakt de rechtspersoon, vennootschap of instelling die informatie gelijktijdig openbaar. Indien de informatie niet doelbewust aan een derde is meegedeeld maakt de rechtspersoon, vennootschap of instelling haar onverwijld openbaar. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

6. Het vijfde lid is niet van toepassing indien de persoon aan wie de informatie wordt meegedeeld terzake daarvan gehouden is tot geheimhouding.

7. Een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in Nederland die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a of b, heeft uitgegeven, een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in een staat die niet een lid-staat is die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, heeft uitgegeven of zal uitgeven, alsmede een ieder die namens of voor rekening van de hiervoor genoemde rechtspersoon, vennootschap of instelling optreedt, houdt een lijst bij van de bij hem of haar werkzame personen die op regelmatige of incidentele basis kennis kunnen hebben van informatie als bedoeld in artikel 46, vierde of vijfde lid, en stelt deze personen op de hoogte van de in dit hoofdstuk gestelde verboden en de hoogte van de sancties die op overtreding daarvan zijn gesteld.

8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de in het eerste, tweede en vijfde lid bedoelde openbaarmaking dient plaats te vinden, alsmede met betrekking tot de inhoud, het bijwerken en bewaren van de lijst, bedoeld in het zevende lid.

9. Onze Minister verwerkt de in een melding als bedoeld in het eerste of vijfde lid opgenomen informatie en het tijdstip waarop deze door de rechtspersoon, vennootschap of instelling openbaar is gemaakt, na openbaarmaking onverwijld in een register.

10. Onze Minister houdt de in het negende lid bedoelde gegevens gedurende tenminste vijf jaar voor een ieder kosteloos ter inzage in het register. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de inrichting en de werking van het register.

Artikel 47a

1. Een ieder die:

a. het dagelijks beleid bepaalt of mede bepaalt van een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in Nederland die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a of b, heeft uitgegeven of zal uitgeven of van een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in een staat die niet een lid-staat is die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, heeft uitgegeven of zal uitgeven;

b. toezicht houdt op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in een rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld onder a, en de daarmee verbonden onderneming;

c. een leidinggevende functie heeft en uit dien hoofde de bevoegdheid heeft om besluiten te nemen die gevolgen hebben voor de toekomstige ontwikkelingen en bedrijfsvooruitzichten van een rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld onder a en die regelmatig kennis kan hebben van informatie als bedoeld in artikel 46, vierde of vijfde lid; of

d. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van personen die nauw gelieerd zijn met een onder a, b of c bedoelde persoon,

doet uiterlijk op de vijfde werkdag na de transactiedatum melding van voor eigen rekening verrichte of bewerkstelligde transacties in aandelen die betrekking hebben op de onder a, b, onderscheidenlijk c bedoelde rechtspersoon, vennootschap of instelling, of in effecten waarvan de waarde mede wordt bepaald door de waarde van deze aandelen. De melding wordt, indien het een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in Nederland betreft, gedaan aan Onze Minister of, indien van toepassing, aan de rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, of, indien het een rechtspersoon, vennootschap of instelling betreft waarvan de statutaire zetel zich niet in een lid-staat bevindt, aan de toezichthouder van de lid-staat waarin de rechtspersoon, vennootschap of instelling gehouden is de jaarlijkse informatie in verband met aandelen te verstrekken overeenkomstig artikel 10 van richtlijn nr. 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten van het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn nr. 2001/34/EG (PbEU L 345).

2. De melding kan worden uitgesteld tot het tijdstip waarop de voor eigen rekening verrichte transacties door personen als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, per persoon in het desbetreffende kalenderjaar een bedrag van € 5 000 of meer bedragen of waarop de voor eigen rekening verrichte transacties door een persoon als bedoeld onder a, b of c, opgeteld bij de voor eigen rekening verrichte transacties van de met hem gelieerde personen als bedoeld onder d, in het desbetreffende kalenderjaar een bedrag van € 5 000 of meer bedragen.

3. De melding voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

4. De melding kan worden gedaan door tussenkomst van een door de rechtspersoon, vennootschap of instelling waarop de effecten betrekking hebben aan te wijzen persoon.

5. Ten aanzien van de melding kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat indien op grond van daarbij aan te wijzen andere wettelijke bepalingen reeds bepaalde gegevens aan Onze Minister dan wel, indien van toepassing, aan de rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen, zijn gemeld, daardoor aan de verplichting tot melding op grond van het eerste lid is voldaan.

6. Dit artikel is niet van toepassing op transacties die zijn verricht of bewerkstelligd in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere categorieën transacties worden aangewezen waarop dit artikel niet van toepassing is.

Artikel 47b

1. Onze Minister verwerkt de in een melding op grond van artikel 47a, eerste lid, opgenomen gegevens, met uitzondering van de adresgegevens van de meldingsplichtige, onverwijld in het in artikel 47, negende lid, bedoelde register. Onze Minister houdt de gegevens, met uitzondering van de adresgegevens van de meldingsplichtige, voor een ieder gedurende tenminste vijf jaren kosteloos ter inzage in het register.

2. Indien een melding naar het oordeel van Onze Minister onjuist is en de melding na verzoek daartoe van Onze Minister niet is hersteld, neemt hij in plaats van de gemelde gegevens de juiste gegevens in het register op.

3. Onze Minister kan met het oog op een onderzoek naar de juistheid van een melding, opneming van de melding in het register voor de duur van het onderzoek opschorten. Hij stelt degene die de melding heeft gedaan van de opschorting in kennis.

Artikel 47c

1. Een effecteninstelling die een redelijk vermoeden heeft dat een transactie of een opdracht tot een transactie terzake waarvan zij in of vanuit Nederland bemiddelt in strijd is met artikel 46, eerste of derde lid, of artikel 46b, eerste lid, meldt dit vermoeden onverwijld aan Onze Minister dan wel, indien van toepassing, aan de rechtspersoon aan wie ingevolge artikel 40 taken en bevoegdheden zijn overgedragen.

2. Onze Minister meldt een overeenkomstig het eerste lid gemeld vermoeden onverwijld aan iedere overheidsinstantie of van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op een gereglementeerde markt waar de effecten waarop de melding betrekking heeft tot de handel zijn toegelaten of waarvoor toelating van die effecten tot de handel is aangevraagd.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald wanneer sprake is van een redelijk vermoeden als bedoeld in het eerste lid en kunnen regels worden gesteld waaraan de melding dient te voldoen en op welke wijze deze dient plaats te vinden.

Artikel 47d

1. Een effecteninstelling die ingevolge artikel 47c, eerste lid, te goeder trouw een melding heeft gedaan is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt.

2. Gegevens of inlichtingen die op grond van artikel 47c, eerste lid, zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens overtreding van de artikelen 46 of 46b ten aanzien van een effecteninstelling die ingevolge artikel 47c, eerste lid, gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.

3. Een effecteninstelling die ingevolge artikel 47c, eerste lid, een melding heeft gedaan is verplicht tot geheimhouding daarvan.

Artikel 47e

1. Een effecteninstelling of persoon als bedoeld in het tweede lid, die voor het publiek bestemde informatie als bedoeld in dat lid openbaar maakt, houdt zich aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels met betrekking tot:

a. het openbaar maken van de identiteit van degene die de in de aanhef bedoelde informatie heeft opgesteld of naar buiten brengt;

b. het waarborgen dat de in de aanhef bedoelde informatie een juiste voorstelling van zaken biedt; en

c. het openbaar maken van informatie waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze informatie afbreuk kan doen aan de objectiviteit van de in de aanhef bedoelde informatie.

2. Het eerste lid is van toepassing op:

a. effecteninstellingen die:

1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of instelling die effecten als bedoeld in dat onderdeel heeft uitgegeven of zal uitgeven;

2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in een andere lid-staat, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of instelling die deze effecten heeft uitgegeven of zal uitgeven;

b. met een effecteninstelling, of met een persoon als bedoeld onder c, gelieerde rechtspersonen die:

1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is voor het publiek bestemde informatie openbaar maken waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a;

2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder 2°;

c. personen, niet zijnde effecteninstellingen, wier hoofdactiviteit bestaat uit het:

1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is openbaar maken van voor het publiek bestemde informatie waarin rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld in onderdeel a, onder 1°;

2°. in of vanuit Nederland openbaar maken van voor het publiek bestemde informatie waarin rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder 2°, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld in onderdeel a, onder 2°;

d. andere personen dan genoemd onder a tot en met c die in het kader van hun beroeps- of bedrijfsuitoefening:

1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a;

2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder 2°;

e. personen die in het kader van een arbeidsovereenkomst of anderszins, voor een persoon als bedoeld onder a of c, werkzaam zijn en als hoofdactiviteit:

1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld in onderdeel a, onder 1°;

2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks of middellijk een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder 2°, of met betrekking tot een rechtspersoon, vennootschap of instelling als bedoeld in onderdeel a, onder 2° en die bij het opstellen van de informatie betrokken waren;

f. personen die in het kader van een arbeidsovereenkomst of anderszins, voor een persoon als bedoeld onder a of c, werkzaam zijn en niet als hoofdactiviteit:

1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, en die bij het opstellen van de aanbeveling betrokken waren;

2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder 2°, en die bij het opstellen van de aanbeveling betrokken waren;

g. andere personen dan genoemd in de overige onderdelen van dit lid, die:

1°. in of vanuit Nederland of een staat die geen lidstaat is voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a;

2°. in of vanuit Nederland voor het publiek bestemde informatie openbaar maken, waarin rechtstreeks een beleggingsaanbeveling wordt gedaan met betrekking tot effecten als bedoeld in onderdeel a, onder 2°.

3. Een effecteninstelling als bedoeld in het tweede lid, onder a, of een persoon als bedoeld in het tweede lid, onder e of f, vermeldt in de in het tweede lid bedoelde informatie wie de bevoegde toezichthoudende autoriteit is. Een ieder die niet een effecteninstelling is en op wie ingevolge zelfregulering normen of gedragsregels met betrekking tot de in het eerste lid, onder a tot en met c, bedoelde onderwerpen van toepassing zijn, vermeldt deze in de in het tweede lid bedoelde informatie.

4. Een effecteninstelling als bedoeld in het tweede lid, die transacties in effecten verricht, maakt de door haar getroffen organisatorische en administratieve maatregelen om belangenconflicten ten aanzien van aanbevelingen te voorkomen in algemene bewoordingen openbaar.

5. Een persoon die in het kader van zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening door een derde uitgebrachte, voor het publiek bestemde informatie als bedoeld in het tweede lid voor eigen verantwoordelijkheid openbaar maakt, vermeldt duidelijk en opvallend wijzigingen die hij in de informatie heeft aangebracht of vermeldt dat deze informatie ongewijzigd is overgenomen en voldoet aan de ingevolge het eerste lid bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Het derde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing.

6. Een ieder die in of vanuit Nederland een samenvatting van door een derde opgestelde, voor het publiek bestemde informatie als bedoeld in het tweede lid openbaar maakt, draagt ervoor zorg dat deze samenvatting duidelijk, niet misleidend en direct en gemakkelijk toegankelijk is. Tevens maakt hij daarbij melding van de plaats waar de informatie die in de samenvatting wordt weergegeven toegankelijk is, indien deze informatie openbaar is.

7. Met betrekking tot het openbaarmaken van informatie als bedoeld in het tweede lid door journalisten of andere beroepsbeoefenaren kunnen bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur afwijkende regels worden gesteld.

Artikel 47f

Een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in Nederland die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a of b, heeft uitgegeven of zal uitgeven, met uitzondering van effecten die zijn uitgegeven of zullen worden uitgegeven in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld, alsmede een rechtspersoon, vennootschap of instelling met statutaire zetel in een staat die niet een lid-staat is die effecten als bedoeld in artikel 46, eerste lid, onder a, heeft uitgegeven of zal uitgeven, met uitzondering van effecten die zijn uitgegeven of zullen worden uitgegeven in het kader van het monetaire beleid, het valutabeleid of het beheer van de overheidsschuld, stelt een reglement vast waarin regels worden gesteld ten aanzien van het bezit van en transacties in op haar betrekking hebbende aandelen of in effecten waarvan de waarde mede wordt bepaald door de waarde van deze aandelen door haar werknemers en de personen, bedoeld in artikel 47a, eerste lid, onder a en b. Het reglement voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

§ 4. Aanvullende toezichtsbevoegdheden

Artikel 48

1. Onze Minister kan, onverminderd artikel 29, met het oog op het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, inlichtingen inwinnen of doen inwinnen bij een ieder die, naar in redelijkheid mag worden aangenomen, beschikt over informatie die relevant is voor dat toezicht.

2. Onze Minister kan met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten aan de houder van een gereglementeerde markt die gelegen is of werkzaam is in Nederland een aanwijzing geven om de handel in bepaalde effecten op te schorten, te onderbreken of door te halen, indien het toezicht op de naleving van het bij of krachtens artikel 47, eerste of derde lid, bepaalde daartoe aanleiding geeft. De houder van de effectenbeurs volgt de aanwijzing op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.

3. Onze Minister kan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid openbaar maken.

Hoofdstuk XIIA. Onderzoek door onze minister

Artikel 48a

1. Onze Minister is bevoegd aan een rechtspersoon waaraan ingevolge artikel 40, eerste lid, taken en bevoegdheden zijn overgedragen de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

2. De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, is verplicht aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze Minister de rechtspersoon vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 31, eerste en tweede lid, vallen, is de rechtspersoon niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke effecteninstelling waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is verleend of waarvan die vergunning is ingetrokken of vervallen, en waaraan surséance van betaling is verleend of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een effecteninstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 33, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde effecteninstelling, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

3. Onze Minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze Minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 31, eerste en tweede lid, is van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

Hoofdstuk XII B. Dwangsom en bestuurlijke boete

Artikel 48b

1. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 3, eerste en vierde lid, 4, tweede lid, 5, derde lid, 6, tweede lid, 6a, eerste en derde lid, 6b, 6c, tweede lid, 7, eerste, derde, vierde en zevende lid, 10, tweede lid, 11, eerste en tweede lid, 11a, eerste en tweede lid, 12, tweede en vierde lid, 13, eerste lid, tweede volzin, vijfde, zesde, zevende en negende lid, 15, tweede lid, 16, eerste, zevende, achtste en tiende lid, 17, eerste lid, 18, tweede lid, 18a, eerste lid, 18b, tweede lid, 19, derde lid, 21, zesde lid, 22, eerste en derde lid, 23, 24, eerste en derde lid, 26a, eerste, vijfde, zesde en negende lid, 28, derde en zesde lid, onder a, 28c, tweede, derde en vierde lid, 28a, tweede en vierde lid, 29, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 29a, tweede en vierde volzin, 36, tweede lid, 37, tweede lid, 39, derde lid, voor zover het betreft het voorschrift op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 46, negende lid, 46b, eerste lid, onder d, 47, eerste tot en met vijfde, zevende en achtste lid, 47a, eerste tot en met derde lid, 47c, eerste en derde lid, 47e, 47f en 48, eerste en tweede lid.

2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.

3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.

Artikel 48c

1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 3, eerste en vierde lid, 4, tweede lid, 5, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onderdelen a, b en c, en derde lid, 6, tweede lid, 6a, eerste en derde lid, 6b, 6c, tweede lid, 7, eerste, derde, vierde en zevende lid, 10, tweede lid, 11, eerste en tweede lid, 11a, eerste tot en met vijfde lid, 12, tweede en vierde lid, 13, eerste lid, tweede volzin, vijfde lid, zesde lid, eerste volzin, zevende en negende lid, 14, eerste en vierde lid, 15, tweede lid, 15a, eerste, tweede en derde lid, 15b, eerste en tweede lid, 16, eerste, zevende, achtste en tiende tot en met twaalfde lid, 17, eerste lid, 18, tweede lid, 18a, eerste lid, 18b, tweede lid, 19, derde lid, 21, zesde lid, 22, eerste, derde en vijfde lid, 23, 24, eerste en derde lid, 26a, eerste, vijfde, zesde en negende lid, 28, derde en zesde lid, onder a, 28c, tweede, derde en vierde lid, 28a, tweede en vierde lid, 29, tweede en derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 29a, tweede en vierde volzin, 36, tweede lid, 37, tweede lid, 39, derde lid, voor zover het betreft het voorschrift op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 46, eerste, derde en negende lid, 46a, eerste en tweede lid, 46b, eerste lid, 47, eerste, tweede, vijfde, zevende en achtste lid, 47a, eerste tot en met derde lid, 47c, eerste en derde lid, 47d, derde lid, 47e, 47f en 48, eerste en tweede lid en de artikelen 26, vijfde lid, 30 en 34 van de prospectusverordening.

2. De bestuurlijke boete komt toe aan de staat. Voor zover Onze Minister met toepassing van artikel 40, eerste lid, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete heeft overgedragen aan een rechtspersoon, komt de boete toe aan die rechtspersoon.

3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.

Artikel 48d

1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze, voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 900 000 bedraagt.

2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.

3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.

4. Onze Minister kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.

5. Voor overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur op grond van de artikelen 3, eerste en vierde lid, 5, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onderdelen a, b en c, 6a, derde lid, 7, vierde lid, 11, eerste lid en tweede lid, 11a, vijfde lid, 17, eerste lid, of 18a, eerste lid, wordt het bedrag van de boete bepaald op de wijze als voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 48e

Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 48f

1. Indien Onze Minister voornemens is een boete op te leggen, geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt Onze Minister de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 48d, is aangewezen.

Artikel 48g

1. Onze Minister legt de boete op bij beschikking.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. het feit terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;

b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en

c. de termijn, bedoeld in artikel 48i, eerste lid, waarbinnen de boete moet worden betaald.

Artikel 48h

1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 48f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.

Artikel 48i

1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.

2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 48f, tweede lid, is aangewezen.

3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het derde lid zal worden ingevorderd.

4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.

5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de rechtspersoon die de boete heeft opgelegd.

7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.

8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Artikel 48j

1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding als bedoeld in artikel 48c vervalt, indien Onze Minister ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.

Artikel 48k

1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.

2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.

Artikel 48l

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 48m

1. Met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten of de positie van de beleggers op die markten, kan Onze Minister, onverminderd artikel 31, eerste en tweede lid, het feit ter zake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.

2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk XIIC. Openbaarmaking van overtredingen

Artikel 48n

1. Onze Minister kan, in afwijking van artikel 31, teneinde de naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:

a. zijn weigering om een aangevraagde vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar te verlenen, wanneer deze weigering niet meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was hem de vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar verleend;

b. het feit dat degene die effecten aanbiedt en op wie naar zijn oordeel het verbod, bedoeld in artikel 3, eerste of vierde lid, van toepassing is, in strijd handelt met dat verbod;

c. het feit dat een effecteninstelling waarop naar zijn oordeel het verbod, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van toepassing is, niet over een vergunning beschikt;

d. het feit dat degene waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 10 van toepassing is, zich niet houdt aan de voorschriften die aan die vrijstelling zijn verbonden;

e. het feit dat de houder van een effectenbeurs waarop naar zijn oordeel het verbod, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van toepassing is, niet over een erkenning of ontheffing beschikt; of

f. het feit dat de houder van een effectenbeurs waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 25 van toepassing is, zich niet houdt aan de voorschriften die aan die vrijstelling zijn verbonden;

g. zijn aanwijzing als bedoeld in artikel 28, tweede lid, ter zake van het niet naleven van de regels gesteld bij of krachtens de artikelen 6a, tweede of derde lid, 6b, 18a, eerste lid, 18b, tweede lid of artikel 47, eerste lid, eerste volzin, en vijfde lid.

Artikel 48o

Degene jegens wie door Onze Minister een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat Onze Minister zijn handelen of nalaten op grond van artikel 48n ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 48p

1. Onze Minister geeft, indien hij voornemens is op grond van artikel 48n een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, is Onze Minister niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 48q

De beschikking om op grond van artikel 48n een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:

a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;

b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en

c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 48r

Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 48n een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 48s

In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 48t

1. De bevoegdheid om op grond van artikel 48n een feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 48m vervalt, indien Onze Minister het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.

Artikel 48u

1. De bevoegdheid om op grond van artikel 48n een feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad.

2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 48v

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 48n ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Hoofdstuk XIII. Wijziging van andere wetten

Artikel 49

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 50

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 51

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 52

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 53

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 54

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 55

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 56

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 57

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 58

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Hoofdstuk XIV. Slotbepalingen

Artikel 59

Van de verlening of intrekking van een vrijstelling, vergunning, erkenning of ontheffing en van het van kracht worden van het verbod, bedoeld in artikel 12, vierde lid, wordt door de zorg van Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 60

1. Effectenbemiddelaars of vermogensbeheerders waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid, van deze wet artikel 8 onderscheidenlijk artikel 12 van de Wet toezicht effectenverkeer van toepassing is, worden geacht op dat tijdstip een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, te hebben verkregen.

2. Effectenbemiddelaars of vermogensbeheerders die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7, eerste lid, van deze wet een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 10, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer bezitten, worden geacht op dat tijdstip een vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van deze wet te hebben verkregen.

Artikel 61

Ten aanzien van effectenbemiddelaars of vermogensbeheerders die zijn gevestigd in een andere lid-staat, niet zijnde een lid-staat ten aanzien waarvan Onze Minister een maatregel als bedoeld in artikel 8, eerste lid, heeft genomen, en die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 7, tweede lid, van deze wet een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 10, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer bezitten, wordt geacht te zijn voldaan aan artikel 7, tweede lid, onderdeel i, onder 2° en 3°, onderscheidenlijk onderdeel j, onder 2°.

Artikel 62

1. Artikel 16, eerste lid, blijft buiten toepassing tot de eerste dag van de derde kalendermaand na de datum van inwerkingtreding van dat artikellid.

2. Met ingang van de in het eerste lid bedoelde dag geldt artikel 16, eerste lid, niet ten aanzien van degene die in de aan die dag voorafgaande periode bij Onze Minister een aanvraag heeft ingediend voor een verklaring van geen bezwaar en tot de tweede dag nadat Onze Minister zijn besluit inzake die aanvraag heeft verzonden.

Artikel 63

Houders van een effectenbeurs die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 22, eerste lid, van deze wet een erkenning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer bezitten, worden geacht op dat tijdstip een erkenning als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van deze wet te hebben verkregen.

Artikel 64

Ingeval voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet beroep is ingesteld tegen een op grond van de Wet toezicht effectenverkeer genomen besluit wordt op het beroep beslist met toepassing van het voor dat tijdstip geldende recht.

Artikel 65

De Wet toezicht effectenverkeer wordt ingetrokken.

Artikel 66

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 67

Deze wet wordt aangehaald als: Wet toezicht effectenverkeer 1995.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 16 november 1995

 

BEATRIX

 

De Minister van Financiën,
G. Zalm

 

Uitgegeven de vijfde december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

 
 
 

Bijlage, bedoeld in artikel 48d, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995

 

Artikel 1

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk XII B van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

Tariefnummer:

Bedrag (vast tarief):

1.

€ 453

2.

€ 907

2a.

€ 1 815

3.

€ 5 445

4.

€ 21 781

5.

€ 87 125

 

Artikel 2

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 1 1, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar eigen vermogen van toepassing met de daarbij behorende factor 2:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen met een eigen vermogen van minder dan € 136 100; Factor: 1;

Categorie II: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen met een eigen vermogen van ten minste € 136 100 maar minder dan € 272 300; Factor: 2;

Categorie III: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen met een eigen vermogen van ten minste € 272 300 maar minder dan € 453 800; Factor: 3;

Categorie IV: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen met een eigen vermogen van ten minste € 453 800 maar minder dan € 4 538 000; Factor: 4;

Categorie V: natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschapppen met een eigen vermogen van ten minste € 4 538 000; Factor: 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar eigen vermogen, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het eigen vermogen niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

4. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van artikel 18b, tweede lid, is in afwijking van het eerste lid de volgende categorie-indeling met de daarbij behorende factoren van toepassing:

  1. voor instellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a: de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage, bedoeld in artikel 188d, eerste lid, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 onderscheidenlijk de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage, bedoeld in artikel 93d, eerste lid, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf;

  2. voor instellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder f: de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage, bedoeld in artikel 33d, eerste lid, van de Wet toezicht beleggingsinstellingen;

  3. voor instellingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder k: de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage, bedoeld in artikel 23c, eerste lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet onderscheidenlijk de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage, bedoeld in artikel 21c, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling;

  4. voor kredietinstellingen of financiële instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk onderdeel c, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, niet zijnde een instelling als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder h: de categorie-indeling van artikel 2 van de bijlage, bedoeld in artikel 90d, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992.

5. Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt voor instellingen als bedoeld in het vierde lid, onder a, c en d, onder «eigen vermogen» verstaan «balanstotaal».

Artikel 3

Op grond van artikel 48f, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.

 

 

Tabel 1

 

Tabel 1

 

Overtreding van voorschriften, gesteld bij artikel:

Tariefnummer:

 

 

6, tweede lid

3

7, derde lid

4

7, zevende lid

3

11a, eerste lid

1

11a, tweede lid

1

12, tweede lid

4

12, vierde lid

4

13, eerste lid, tweede volzin

1

13, vijfde lid

1

13, zesde lid, eerste volzin

1

13, zevende lid

4

13, negende lid

1

14, eerste lid

1

14, vierde lid

4

15, tweede lid

2

15a, eerste lid

1

15a, tweede lid

1

15b, eerste lid

1

15b, tweede lid

1

15b, vierde lid

1

16, twaalfde lid

2

18b, tweede lid

3

19, derde lid

3

21, zesde lid

1

22, derde lid

3

23

3

24, eerste lid

3

24, derde lid

3

28, derde lid

4

28a, tweede lid

4

28a, vierde lid

4

28c, vierde lid

3

29, tweede lid

3

29, derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht

3

36, tweede lid

3

37, tweede lid

3

39, derde lid

3

46a, eerste lid

5

47, eerste lid, eerste volzin

5

47, eerste lid, tweede volzin

3

47, tweede lid

3

47, vijfde lid

5

47, zevende lid

2a

47a, eerste lid

4

47c, eerste lid

4

47d, derde lid

3

47e, eerste lid

4

47e, derde lid

3

47e, vierde lid

3

47e, vijfde lid

4

47f

2a

48, eerste lid

3

48, tweede lid, tweede volzin

3


 

 

Tabel 2

 

Tabel 2

 

Overtreding van voorschriften, gesteld bij artikel:

Tariefnummer:

 

 

3, eerste lid

5

3, vierde lid

5

4, tweede lid

3

5, eerste lid, eerste volzin

4

5, derde lid

3

6a, eerste lid

5

6b

5

6c, tweede lid

4

7, eerste lid

5

10, tweede lid

3

11a, derde lid

3

11a, vierde lid

3

11a, vijfde lid

3

16, eerste lid

3

16, zevende lid

3

16, achtste lid

3

16, tiende lid

3

16, elfde lid

3

18, tweede lid

3

22, eerste lid

4

22, vijfde lid

3

26a, eerste lid

3

26a, vijfde lid

3

26a, zesde lid

3

26a, negende lid

3

28, zesde lid, onder a

3

28c, tweede lid

3

28c, derde lid

3

29, tweede lid

3

29, derde lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden

3

29a, tweede en vierde volzin

3

36, tweede lid

3

37, tweede lid

3

46, eerste lid

5

46, derde lid

5

46, negende lid

4

46a, tweede lid

5

46b, eerste lid

5

47e, zesde lid

4

26, vijfde lid, prospectusverordening

4

30 prospectusverordening

4

34 prospectusverordening

4


 

 

Voetnoten:

1. 

In tabel 1 zijn die bepalingen genoemd die zich uitsluitend richten tot vergunninghoudende effecteninstellingen c.q. erkende effectenbeurzen (natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen). In tabel 2 zijn die bepalingen opgesomd die zich in beginsel tot een ieder (al dan niet instellingen/beurzen) richten.

2. 

Onder eigen vermogen wordt in dit verband verstaan:

– in geval van rechtspersonen en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover dezen een jaarrekening opstellen: het eigen vermogen zoals dat blijkt uit de jaarrekening;

– in geval van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover dezen geen jaarrekening opstellen: het privévermogen van de gezamenlijke vennoten, zoals dat blijkt uit hun laatste aangifte voor de vermogensbelasting; en

– in geval van natuurlijke personen (eenmanszaken): het privévermogen zoals dat blijkt uit zijn laatste aangifte voor de vermogensbelasting.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x