Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  TOEZICHT  KREDIETWEZEN  1992  (Wtk)

Tekst zoals deze geldt op 9 juli 2006

Vervallen m.i.v. 1 januari 2007

(Zie Wet op het financieel toezicht)

 

 

 

 
WET van 23 december 1992, houdende bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen en de uitvoering van de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1989 tot coŲrdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van Richtlijn 77/780/EEG (89/646/EEG), en de uitvoering van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1992 inzake het toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (992/30/EEG)
 
 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan de Tweede Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1989 tot coŲrdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van Richtlijn 77/780/EEG (89/646/EEG) alsmede aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1992 inzake het toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis (92/30/EEG), en dat het naar aanleiding daarvan alsmede in verband met het aanbrengen van enige andere aanpassingen van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255) wenselijk is de bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen opnieuw vast te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

ß 1. Definities

Artikel 1

1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

a. kredietinstelling:

1į. een onderneming of instelling die haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en van het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen; dan wel

2į. een onderneming of instelling, anders dan bedoeld onder 1į, die gelden ter beschikking krijgt in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.

b. centrale kredietinstelling: een kredietinstelling als bedoeld in onderdeel a, onder 1į, die met betrekking tot een groep kredietinstellingen een mede beleidsbepalend karakter draagt;

c. financiŽle instelling: een onderneming of instelling, niet zijnde een kredietinstelling, die in hoofdzaak haar bedrijf maakt van het verrichten van ťťn of meer van de werkzaamheden genoemd onder 2 tot en met 12 in bijlage I van de Richtlijn dan wel van het verwerven of het houden van deelnemingen;

d. representatieve organisatie: een organisatie, die met betrekking tot de uitvoering van deze wet door Onze minister, de Bank gehoord, als representatieve organisatie voor een groep van ondernemingen en instellingen is aangewezen;

e. Onze minister: Onze minister van FinanciŽn;

f. Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

g. toezichthoudende autoriteit: de instantie waaraan in enige Staat ingevolge een wettelijke regeling het toezicht op het kredietwezen is opgedragen;

h. de Unie: de Europese Unie;

i. Lid-Staat: een staat die lid is van de Unie alsmede een staat, niet zijnde een lid-staat van de Unie, die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Trb. 1992, 132);

j. de Richtlijn: Richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 126);

k. bijkantoor: ťťn of meer onderdelen zonder rechtspersoonlijkheid van een kredietinstelling of een financiŽle instelling die in een andere Staat is gevestigd dan die waarin de kredietinstelling of de financiŽle instelling gevestigd is;

l. verrichten van diensten: het in een Staat, zonder gebruikmaking van een bijkantoor in die Staat, verrichten dan wel aanbieden van werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn door een kredietinstelling of een financiŽle instelling die in een andere Staat is gevestigd;

m. gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste 10 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste 10 procent van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling; bij het bepalen van het aantal stemrechten, dat iemand in een onderneming of instelling heeft, worden tot diens stemrechten mede gerekend de stemrechten waarover hij beschikt of geacht wordt te beschikken op grond van artikel 12 van de Wet melding zeggenschap en kapitaalbelang in ter beurze genoteerde vennootschappen;

n. dochtermaatschappij: een onderneming of instelling als omschreven in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

o. groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat indien een natuurlijk persoon, rechtspersoon of vennootschap:

1į. via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur invloed kan uitoefenen op een of meer andere natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen; of

2į. in een of meer andere rechtspersonen of vennootschappen een deelneming heeft als bedoeld in artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel, voor zover het natuurlijke personen betreft, een met een deelneming overeenkomende positie,

die natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap tezamen met die andere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap dan wel natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen wordt aangemerkt als groep;

p. elektronisch geld: een geldswaarde die is opgeslagen op een elektronische drager of een geldswaarde die op afstand is opgeslagen in een centrale rekeningadministratie;

q. Lid-Staat van herkomst: ingeval een kredietinstelling een rechtspersoon is, de Lid-Staat waar een kredietinstelling haar zetel heeft, dan wel, ingeval de kredietinstelling niet een rechtspersoon is, de Lid-Staat waar zij haar hoofdbestuur heeft;

r. Lid-Staat van ontvangst: de Lid-Staat waar een kredietinstelling een bijkantoor heeft of waarheen zij diensten verricht;

s. bevoegde instanties: de administratieve of rechterlijke instanties die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen;

t. saneringsmaatregel: de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk X, of een maatregel, genomen in een andere Lid-Staat dan Nederland, die enigerlei optreden van de aldaar bevoegde instanties behelst en bestemd is om de financiŽle positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, en van dien aard is dat de maatregel bestaande rechten van derden kunnen aantasten;

u. bewindvoerder: de bewindvoerder, bedoeld in artikel 71, zevende lid, of een ander persoon of orgaan, aangewezen door de bevoegde instanties in een andere Lid-Staat dan Nederland om de saneringsmaatregelen uit te voeren;

v. financiŽle instrumenten: instrumenten als bedoeld in deel B van de bijlage bij richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 147).

2. De Bank wordt niet beschouwd als kredietinstelling in de zin van deze wet.

Artikel 1a

Op een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6 is verleend, is het bepaalde in de artikelen 45 tot en met 51 niet van toepassing.

ß 2. Uitoefening van toezicht door de Bank

Artikel 2

1. De Bank oefent toezicht uit:

a. [vervallen;]

b. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen;

c. in het belang van hun liquiditeit op de in Nederland gevestigde kredietinstellingen en op de bijkantoren in Nederland van niet in Nederland gevestigde kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į; en

d. in het belang van hun solvabiliteit op de in Nederland gevestigde financiŽle instellingen die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45 hebben verkregen.

2. De Bank werkt bij de uitoefening van toezicht op in ťťn van de Lid-Staten gevestigde kredietinstellingen samen met de betrokken toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten. De Bank pleegt daartoe in voorkomende gevallen overleg met deze toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten.

3. De Bank kan voor zover noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van toezicht op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling de betrokken toezichthoudende autoriteit raadplegen.

Artikel 3

1. Onze minister onderscheidenlijk de Bank maakt van de in artikel 81, onderscheidenlijk de artikelen 11 en 20 gegeven bevoegdheden mede gebruik om uitvoering te geven aan richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het toezicht op kredietinstellingen.

2. Onze minister kan aan de Bank voorschriften geven ter implementatie van richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het toezicht op kredietinstellingen.

Artikel 4

1. Bij koninklijk besluit kan, op advies van de Bank en nadat daarover het advies van de betrokken instantie is ingewonnen, worden bepaald, dat een bij een centrale kredietinstelling aangesloten groep van kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į van het toezicht door de Bank, voorzover dit toezicht strekt in het belang van de solvabiliteit, liquiditeit en administratieve organisatie van die instellingen, is vrijgesteld, voorzover deze centrale kredietinstelling krachtens haar statuten en de statuten van de bij haar aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į of krachtens een overeenkomst met de bij haar aangesloten kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į dit toezicht op voldoende wijze uitoefent op deze instellingen.

2. De centrale kredietinstelling richt zich bij het toezicht naar de aanwijzingen van de Bank.

ß 3. Bijzondere bepalingen met betrekking tot bijkantoren

Artikel 5

1. De bepalingen van deze wet vinden ten aanzien van een buiten Nederland gevestigde onderneming of instelling, die door middel van een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, slechts toepassing voor zover het haar in of vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf betreft.

2. De Bank kan ten aanzien van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling, die door middel van een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, bepalen, dat tot haar in of vanuit Nederland uitgeoefende bedrijf van kredietinstelling mede worden gerekend alle of bepaalde rechtsverhoudingen van die kredietinstelling rechtstreeks of middellijk met natuurlijke personen en rechtspersonen, welke in Nederland gevestigd zijn of aldaar hun bedrijf uitoefenen.

3. De Bank kan voor de toepassing van de artikelen 16 en 17 en 31 tot en met 37 een kredietinstelling beschouwen als een bijkantoor, indien naar het oordeel van de Bank met betrekking tot die kredietinstelling voldaan wordt aan voorwaarden als omschreven in artikel 12, onder a tot en met e.

Hoofdstuk II. Kredietinstellingen die in Nederland zijn gevestigd

Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling

ß 1. Algemeen

Artikel 6

1. Het is een in Nederland gevestigde onderneming of instelling verboden het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, behoudens voor zover zij daartoe van de Bank een vergunning heeft verkregen.

2. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

3. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

Artikel 7

Het is een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, in verband met het ingevolge deze wet uitgeoefende toezicht toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald en onverminderd de toepasselijkheid van andere op deze werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften.

Artikel 7a

1. Het is een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, niet toegestaan naast het ter beschikking krijgen van gelden in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven andere dan de volgende werkzaamheden te verrichten:

a. het verrichten van met de uitgifte van elektronisch geld samenhangende diensten;

b. het uitgeven en beheren van andere betaalmiddelen, met uitsluiting van de werkzaamheden bedoeld onder punt 2 van bijlage I van de Richtlijn;

c. het vastleggen van informatie op een elektronische drager ten behoeve van andere ondernemingen of instellingen.

2. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, houdt uitsluitend een deelneming in een andere onderneming of instelling, indien die onderneming of instelling werkzaamheden verricht, die samenhangen met de bedrijfsvoering van de kredietinstelling.

3. Onder een deelneming als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een rechtstreeks of middellijk belang van 20 procent of meer van het geplaatste aandelenkapitaal van een onderneming, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van 20 procent of meer van de stemrechten in een onderneming.

Artikel 7b

Het door een kredietinstelling uitgegeven elektronisch geld vertegenwoordigt een waarde die ten hoogste gelijk is aan de waarde van de voor de uitgifte ontvangen gelden.

ß 2. Aanvragen van de vergunning

Artikel 8

1. Een in Nederland gevestigde onderneming of instelling, die voornemens is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, vraagt bij de Bank een vergunning aan.

2. De aanvraag bevat, ten behoeve van de beslissing omtrent het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 9, gegevens omtrent:

a. het aantal, de identiteit en de antecedenten van de personen die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen;

b. het aantal, de identiteit en de antecedenten van de leden van de raad van commissarissen van de onderneming of instelling dan wel van het orgaan van de onderneming of instelling dat een met die van een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft;

c. de identiteit en de antecedenten van de personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het dagelijks beleid van de onderneming of instelling mede bepalen;

d. de identiteit en de antecedenten van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen;

e. de identiteit van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in de onderneming of instelling, alsmede de omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming;

f. een jaarrekening of openingsbalans, welke moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

g. een programma van werkzaamheden welke de onderneming of instelling voornemens is te verrichten;

h. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiŽle administratie en de interne controle;

i. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

j. de formele en de feitelijke zeggenschapsstructuur van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort; en

k. indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling betreft: een verklaring van de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar die kredietinstelling gevestigd is waaruit blijkt dat deze autoriteit de vestiging van een dochtermaatschappij of bijkantoor in Nederland heeft goedgekeurd.

3. De Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

ß 3. Vergunningvereisten

Artikel 9

1. De Bank verleent de vergunning, tenzij:

a. de onderneming of instelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 10 en 11 bepaalde;

b. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van ťťn of meer personen, die het dagelijks beleid van de onderneming of instelling bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;

c. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van ťťn of meer personen, die het beleid van de onderneming of instelling bepalen of mede bepalen, niet buiten twijfel staat.

d. de Bank van oordeel is dat de deskundigheid van ťťn of meer personen die het dagelijks beleid bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde dagelijks beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, onvoldoende is in verband met de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling;

e. de Bank op grond van de voornemens of de antecedenten van oordeel is, dat, met het oog op de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de onderneming of instelling, de betrouwbaarheid van een of meer personen, die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe de onderneming of instelling behoort, en tevens uit dien hoofde het beleid van de onderneming of instelling mede bepalen, niet buiten twijfel staat.

f. de Bank, onverminderd het bepaalde in artikel 24, van oordeel is, dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in de onderneming of instelling van een invloed op de onderneming of instelling sprake is of zou kunnen zijn, die in strijd is met een gezond bankbeleid;

g. de verklaring als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder f, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening of openingsbalans een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de onderneming of instelling; of

h. de Bank op grond van gegevens als omschreven in artikel 8, tweede lid, onder f, g, h of i, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet in staat zal zijn om haar voornemens ten uitvoer te leggen dan wel om aan de aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen.

2. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij gronden heeft om aan te nemen dat de onderneming of instelling de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de wet- of regelgeving inzake het toezicht op het kredietwezen in een andere Lid-Staat.

3. De Bank kan weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is dat de groep waartoe de onderneming of instelling behoort een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur heeft die in zodanige mate ondoorzichtig is, dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de onderneming of instelling.

4. De Bank kan tevens weigeren de vergunning te verlenen indien de onderneming of instelling tot een groep behoort en het adequaat uitoefenen van toezicht op die onderneming onderscheidenlijk instelling, naar het oordeel van de Bank, wordt belemmerd door het recht van een Staat, die niet een Lid-Staat is, dat van toepassing is op een groepsmaatschappij of natuurlijke persoon die tot de groep behoort.

5. Indien de onderneming of instelling een dochtermaatschappij of bijkantoor van een niet in Nederland gevestigde kredietinstelling is kan de Bank weigeren de vergunning te verlenen indien zij van oordeel is, dat de toezichthoudende autoriteit van de Staat waar de buitenlandse kredietinstelling gevestigd is geen of onvoldoende geconsolideerd toezicht uitoefent.

Artikel 10

1. Het dagelijks beleid van een kredietinstelling dient door ten minste twee personen te worden bepaald.

2. De personen die het dagelijks beleid van een kredietinstelling bepalen, verrichten hun werkzaamheden in verband daarmee vanuit Nederland.

3. Een kredietinstelling, die een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dient een ten minste uit drie leden bestaande raad van commissarissen te hebben als bedoeld in de artikelen 140 onderscheidenlijk 250 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4. Een kredietinstelling, die niet een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is, dient een ten minste uit drie leden bestaand orgaan te hebben dat een met die van een raad van commissarissen vergelijkbare taak heeft.

5. De Bank kan aan een kredietinstelling, die niet is een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarop artikel 158 of artikel 268 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, geheel of gedeeltelijk ontheffing van het in het derde of vierde lid bepaalde verlenen en aan deze ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 11

1. Een kredietinstelling dient te beschikken over een minimum bedrag aan eigen vermogen.

2. Het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt door de Bank bepaald.

3. Het bedrag bedoeld in het eerste lid kan voor onderscheiden groepen kredietinstellingen verschillend worden bepaald.

4. Bij de vaststelling van het bedrag bedoeld in het eerste lid wordt bepaald wat daarbij voor de onderscheiden rechtsvormen onder eigen vermogen wordt verstaan.

5. De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling, voor een door de Bank te bepalen termijn, geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van hetgeen zij op basis van het tweede en derde lid heeft bepaald. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

Artikel 12

1. De Bank kan ten aanzien van een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į besluiten dat de artikelen 8, tweede lid, met uitzondering van onderdeel e, 9 eerste lid, met uitzondering van onderdeel f, of derde lid, 10, 11, 13, 14, 15, eerste lid, onderdeel c, onderdeel d - behoudens voor zover dit onderdeel betrekking heeft op artikel 9, eerste lid, onderdeel f - of onderdeel g, dan wel 30 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven, mits

a. de kredietinstelling is aangesloten bij een centrale kredietinstelling;

b. de centrale kredietinstelling erop toeziet dat de aangesloten kredietinstelling de regels als bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a naleeft;

c. de centrale kredietinstelling en de bij haar aangesloten kredietinstellingen hoofdelijk instaan voor elkaars verplichtingen dan wel de verplichtingen van de aangesloten kredietinstelling door de centrale kredietinstelling worden gegarandeerd;

d. de centrale kredietinstelling naar het oordeel van de Bank voldoende bevoegd is instructies te geven aan de aangesloten kredietinstelling; en

e. het ingevolge artikel 20 uitgeoefende toezicht op de centrale kredietinstelling en de aangesloten kredietinstelling op geconsolideerde basis wordt uitgeoefend.

2. De Bank kan aan haar beslissing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden.

ß 4. Bijzondere maatregelen

Artikel 13

1. Een wijziging van de gegevens bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, b, c, of d, wordt, voor zover het aantal of de identiteit van de daar genoemde personen betreft, vooraf aan de Bank gemeld.

2. Een wijziging als bedoeld in het eerste lid wordt niet doorgevoerd, indien de Bank het voornemen daartoe afwijst binnen 6 weken na ontvangst van de melding, bedoeld in het eerste lid, of, indien de Bank om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen 6 weken na de ontvangst van die gegevens of inlichtingen.

3. Indien zich een wijziging van de antecedenten bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, b, c, of d, voordoet, stelt de kredietinstelling de Bank daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.

Artikel 14

1. De Bank kan, indien:

a. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;

b. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d of e, voordoet; onderscheidenlijk

c. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;.

de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een door de Bank te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde, zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d of e, niet meer voordoet , onderscheidenlijk de verklaring, bedoeld in artikel 30, tweede lid, betreffende de jaarrekening over een door de Bank te bepalen boekjaar wordt gegeven die inhoudt dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar.

2. Onze minister kan, indien de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde, de bevoegde organen van de kredietinstelling een aanwijzing geven om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen, teneinde te bereiken dat, binnen een in de aanwijzing te bepalen termijn, wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 85a of 85b bepaalde.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het geven van een aanwijzing worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

4. Een overdracht als bedoeld in het derde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

a. hij dient in staat te zijn de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;

b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke uitoefening van de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid is gewaarborgd.

5. Aan de overdracht, bedoeld in het derde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

6. Indien een kredietinstelling tot een groep behoort en de deskundigheid of betrouwbaarheid van de in artikel 8, tweede lid, onder c en d, bedoelde personen naar het oordeel van de Bank niet langer buiten twijfel staat, kan de Bank aan de personen of instellingen die via een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur het beleid bepalen van de groep waartoe de kredietinstelling behoort, de aanwijzing geven dat de eerstgenoemde personen het beleid of het dagelijks beleid van die kredietinstelling niet meer kunnen mede bepalen.

7. De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht, volgen deze binnen de door de Bank gestelde termijn op.

8. De personen en instellingen tot wie de aanwijzing is gericht, informeren de Bank binnen de door de haar gestelde termijn over de maatregelen die zijn getroffen om aan de aanwijzing gevolg te geven.

9. De kredietinstelling geeft geen gevolg aan algemene of bijzondere instructies van personen op wie een aanwijzing van de Bank als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft.

Artikel 14a

Indien een accountant naar het oordeel van de Bank niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de toevertrouwde taak met betrekking tot de kredietinstelling naar behoren zal vervullen, kan de Bank bepalen dat hij niet bevoegd is de in deze wet bedoelde verklaringen omtrent de getrouwheid met betrekking tot die kredietinstelling af te leggen.

ß 5. Intrekken van de vergunning

Artikel 15

1. De Bank kan een vergunning intrekken, indien:

a. de kredietinstelling daarom verzoekt;

b. de onderneming of instelling, aan welke de vergunning is verleend, opgehouden heeft kredietinstelling te zijn;

c. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 7a, 10, 11 of 30 bepaalde;

d. zich bij de kredietinstelling een omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d, e of f, derde, vierde of vijfde lid, voordoet;

e. de verklaring als bedoeld in artikel 30, tweede lid, een verklaring is die een andere inhoud heeft dan dat de jaarrekening als bedoeld in artikel 30, eerste lid, een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de kredietinstelling en van het resultaat over het desbetreffende boekjaar;

f. de kredietinstelling niet voldoet aan het bij of krachtens de artikelen 20, 21, 22 of 22a dan wel de artikelen 30b, 30c of 30ca bepaalde;

g. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning dan wel zijn verkregen in het kader van artikel 2, tweede lid, zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek om verlening van een vergunning een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

h. de kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, niet voldoet aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 84, tweede tot en met vierde lid, of aan het bepaalde in de regeling bedoeld in artikel 28a, tweede tot en met vierde lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995; of

i. indien de kredietinstelling dan wel het orgaan, aan wie de aanwijzing is gegeven of de aanzegging is gedaan, niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging op grond van deze wet gegeven onderscheidenlijk gedaan.

2. De Bank beslist binnen dertien weken na de ontvangst van het verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a.

3. Een beschikking tot intrekking van de vergunning op de gronden bedoeld in het eerste lid treedt eerst in werking wanneer zij onherroepelijk is geworden. Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant, zodra zij onherroepelijk is geworden.

4. Met ingang van de datum waarop een beschikking als bedoeld in het eerste lid onherroepelijk is geworden, is het verbod als bedoeld in artikel 82, eerste lid, op de onderneming of instelling van toepassing.

5. De onderneming of instelling is vanaf de datum als bedoeld in het vierde lid gehouden alle lopende overeenkomsten betreffende bedrijfsmatig van het publiek verkregen gelden, die al dan niet op termijn opvorderbaar zijn, zo spoedig mogelijk op te zeggen en binnen een door de Bank te bepalen termijn af te wikkelen. De Bank is bevoegd deze termijn te verlengen.

6. Onverminderd het bepaalde in het vierde en vijfde lid wordt de onderneming of instelling gedurende de afwikkelingstermijn voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

Afdeling 2. Het door een kredietinstelling verrichten van ťťn of meerdere van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn buiten Nederland

Paragraaf 1. Bijkantoor in een andere Lid-Staat

Artikel 16

1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is ťťn of meerdere van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat, dient, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis te geven. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de mededeling als bedoeld in het derde lid niet is gedaan.

2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:

a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiŽle administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

d. het adres van het bijkantoor; en

e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling alsmede omtrent de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, in kennis.

5. Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d, dan wel met betrekking tot de toepasselijkheid van de ingevolge artikel 84 tot stand gekomen garantieregeling op de verplichtingen van het bijkantoor van de kredietinstelling voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

7. Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in het derde lid in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.

8. Zodra de mededeling als bedoeld in het derde lid is ingetrokken, is het de kredietinstelling verboden nog langer werkzaamheden te verrichten door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2. Bijkantoor in een Staat, die niet een Lid-Staat is

Artikel 16a

1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid, niet is gedaan.

2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geschiedt onder opgave van:

a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie Ė met inbegrip van de financiŽle administratie en de interne controle Ė ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

d. het adres van het bijkantoor; en

e. de identiteit van de personen die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens, van de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c en 30ca, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling hiervan binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder a, in kennis.

5. Indien zich een wijziging voordoet van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onder b tot en met d, of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, te staken, stelt de kredietinstelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c en 30ca, kan zij aan de kredietinstelling ter zake een aanwijzing geven om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

7. Artikel 16, zevende en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16b

1. Een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is ťťn of meerdere van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een Staat, die niet een Lid-Staat is, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van haar voornemen schriftelijk kennis. Het is de kredietinstelling verboden om aan haar voornemen gevolg te geven zolang de Bank niet van haar instemming blijk heeft gegeven.

2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid geschiedt onder opgave van:

a. de Staat waarin de kredietinstelling voornemens is het bijkantoor te vestigen;

b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie Ė met inbegrip van de financiŽle administratie en de interne controle Ė ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

c. de maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

d. het adres van het bijkantoor; en

e. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

3. De kredietinstelling doet de in het tweede lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Bank zulks verlangt.

4. Indien de Bank van oordeel is dat de kredietinstelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 en 22a, onderscheidenlijk de artikelen 30b, 30c en 30ca, onthoudt de Bank haar instemming met de opening van het bijkantoor.

5. De Bank beslist binnen 6 weken na ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid op het verzoek tot instemming.

Artikel 16c

1. Een kredietinstelling meldt een wijziging van de gegevens, bedoeld in artikel 16b, tweede lid, onderdelen b tot en met e, ten minste een maand tevoren schriftelijk aan de Bank.

2. De kredietinstelling doet de in het eerste lid bedoelde gegevens vergezeld gaan van een vertaling voor zover de Bank zulks verlangt.

3. Indien de kredietinstelling voldoet aan het krachtens artikel 20 onderscheidenlijk 30b gestelde en de Bank geen bedenkingen heeft tegen de wijziging maakt zij dit aan de kredietinstelling bekend.

4. Indien het voornemen bestaat om de bedrijfsuitoefening vanuit het bijkantoor te staken, stelt de kredietinstelling de Bank daarvan ten minste een maand tevoren schriftelijk in kennis. Zodra de kredietinstelling haar voornemen uitvoert, meldt zij dit onverwijld aan de Bank.

ß 3. Verrichten van diensten

Artikel 17

1. Een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen en die voornemens is ťťn van de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn door middel van het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat voor de eerste maal in die Lid-Staat uit te oefenen, geeft, alvorens daartoe over te gaan, de Bank steeds van haar voornemen schriftelijk kennis.

2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:

a. de Lid-Staat waarin de kredietinstelling voornemens is de werkzaamheden te verrichten;

b. de werkzaamheden welke de kredietinstelling voornemens is te verrichten.

3. De Bank doet binnen vier weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder b, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de kredietinstelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

Afdeling 3. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel A, onder 1į

ß 1. Algemene bepalingen

Artikel 18

De artikelen 20 tot en met 30, met uitzondering van 25 en 25a, hebben betrekking op iedere kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

ß 2. Monetair toezicht

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-1999]

ß 3. Solvabiliteitstoezicht

Artikel 20

1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, in het belang van hun solvabiliteit.

2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.

3. De regels kunnen uitsluitend inhouden:

a. bepalingen inzake het eigen vermogen, dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot

(1). de naar risicograad gewogen kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;

(2). de naar risicograad gewogen verplichtingen buiten de balanstelling;

(3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

(4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;

(5). de onder (1), (2), (3) of (4) vallende afzonderlijke posten, voor zover zij een bepaald percentage van het eigen vermogen te boven gaan;

b. het verbod, de beperking of het aan voorschriften binden van

(1). de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;

(2). de verplichtingen buiten de balanstelling;

(3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

(4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;

c. bepalingen inzake de omvang, al dan niet in verhouding tot het eigen vermogen, van

(1). de kredietuitzettingen, beleggingen en overige activa;

(2). de verplichtingen buiten de balanstelling;

(3). de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

(4). de deelnemingen in andere ondernemingen of instellingen;

d. bepalingen inzake de reikwijdte van consolidatie.

4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, mits de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.

ß 4. Liquiditeitstoezicht

Artikel 21

1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen in het belang van hun liquiditeit.

2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.

3. De regels kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake de minimale omvang der liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot

(1). de ter beschikking verkregen gelden of bepaalde onderdelen van die gelden;

(2). de van elke crediteur afzonderlijk ter beschikking verkregen gelden, voor zover deze een bepaald percentage van het totaal der ter beschikking verkregen gelden te boven gaan.

4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, mits de liquiditeit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende is gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.

ß 5. Toezicht op de administratieve organisatie

Artikel 22

1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen met betrekking tot de administratieve organisatie Ė met inbegrip van de financiŽle administratie Ė en de interne controle.

2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn. Aan een centrale kredietinstelling kunnen ook regels worden gegeven, die betrekking hebben op de collectiviteit van de bij de betrokken centrale kredietinstelling aangesloten kredietinstellingen, al dan niet tezamen met de centrale kredietinstelling zelf.

3. De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

4. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent de aanbevelingen en regels worden gegeven.

ß 5a. Toezicht op de bedrijfsvoering met het oog op de integriteit van die bedrijfsvoering

Artikel 22a

Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kredietinstellingen regels gesteld ter zake van:

a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;

b. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiŽle markten in het algemeen schaden;

c. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiŽle markten in het algemeen schaden;

d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliŽnten van de kredietinstelling;

e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.

Tot deze regels behoren niet de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

ß 6. Structuurtoezicht

Artikel 23

1. Het is een kredietinstelling verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar:

a. haar eigen vermogen door terugbetaling van kapitaal of uitkering van reserves te verminderen dan wel een uitkering te doen uit de post omvattende de dekking voor algemene bankrisico's als bedoeld in artikel 424 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

b. een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, een financiŽle instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, een effecteninstelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, een verzekeraar als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf dan wel in een verzekeraar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, te verwerven of te vergroten, indien het balanstotaal van die kredietinstelling, financiŽle instelling, effecteninstelling of verzekeraar ten tijde van de verwerving onderscheidenlijk de vergroting, meer bedraagt dan ťťn procent van het geconsolideerde balanstotaal van de kredietinstelling;

c. een gekwalificeerde deelneming in een onderneming of instelling, met uitzondering van de ondernemingen of instellingen, bedoeld in onderdeel b, te verwerven dan wel te vergroten, indien het bedrag dat wordt betaald voor de verwerving van die deelneming onderscheidenlijk voor de vergroting van die deelneming tezamen met de bedragen die voor de verwerving en voor eerdere vergrotingen van die deelnemingen zijn betaald, meer bedraagt dan ťťn procent van het geconsolideerde aanwezige eigen vermogen van de kredietinstelling;

d. de activa en passiva van een andere onderneming of instelling geheel of voor een belangrijk deel over te nemen;

e. een fusie aan te gaan met een andere onderneming of instelling;

f. over te gaan tot financiŽle of vennootschappelijke reorganisatie;

g. een beherend vennoot tot de kredietinstelling te doen toetreden.

2. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, tenzij:

a. de Bank van oordeel is dat de handeling in strijd zou zijn of zou kunnen komen met de voor de kredietinstelling geldende regels als bedoeld in artikel 20, derde lid, onder a, (4) en (5), onder b, (4) en onder c, (4);

b. de Bank van oordeel is dat de handeling anderszins in strijd zou zijn of zou kunnen komen met een gezond bankbeleid;

c. de Bank van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiŽle sector;

d. de Bank van oordeel is dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of

e. Onze minister van oordeel is dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiŽle sector.

3. Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d, onderscheidenlijk het tweede lid, onder e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

4. Ingeval een handeling als bedoeld in het eerste lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde kredietinstelling gehouden binnen een door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt afgegeven dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.

5. Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze minister dan wel vanwege Onze minister de Bank een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde kredietinstelling de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.

6. Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op een gekwalificeerde deelneming in een vennootschap wier activa op het moment dat de kredietinstelling de gekwalificeerde deelneming verwerft voor meer dan 90 procent uit liquide middelen bestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot liquide middelen.

Artikel 24

1. Het is iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden, anders dan na verkregen verklaring van geen bezwaar, een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te houden, te verwerven of te vergroten dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen.

2. Een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt verleend, tenzij:

a. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid;

b. de Bank van oordeel is, dat de handeling ertoe zou leiden of zou kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling behoort of zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;

c. de Bank van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiŽle sector;

d. de Bank van oordeel is dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of

e. Onze minister van oordeel is, dat de handeling zou leiden of zou kunnen leiden tot een ongewenste ontwikkeling van de financiŽle sector.

3. Aan een verklaring van geen bezwaar voor een handeling als bedoeld in het eerste lid kunnen op grond van de overwegingen als bedoeld in het tweede lid, onder a, b, c en d, onderscheidenlijk het tweede lid, onder e, beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

4. Ingeval het houden, het verwerven of het vergroten van een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid is verricht, zonder dat voor die handeling een verklaring van geen bezwaar is verkregen of de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is de in overtreding zijnde natuurlijke persoon of rechtspersoon gehouden binnen een door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank te bepalen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken dan wel de beperkingen alsnog in acht te nemen. Deze verplichting vervalt op het tijdstip waarop en voor zover voor de desbetreffende handeling alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken.

5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming dan wel voor het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid een verklaring van geen bezwaar is verkregen dan wel de bij de verklaring van geen bezwaar gestelde beperkingen in acht zijn genomen, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van Onze minister dan wel vanwege Onze minister van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd is, vernietigd indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen, tenzij voor het tijdstip van de uitspraak alsnog een verklaring van geen bezwaar wordt verleend dan wel de niet in acht genomen beperkingen worden ingetrokken. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.

6. Ingeval aan de verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden voorschriften niet worden nagekomen, kan Onze minister dan wel vanwege Onze minister de Bank een termijn vaststellen waarbinnen de in overtreding zijnde natuurlijke persoon dan wel rechtspersoon de niet nagekomen voorschriften alsnog moet vervullen.

Artikel 25

1. De Bank kan, ter uitvoering van bepalingen in richtlijnen van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie betreffende het toezicht op geconsolideerde basis op kredietinstellingen, aan houders van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, die financiŽle instelling zijn waarvan de dochtermaatschappijen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, of financiŽle instellingen zijn en waarvan ten minste ťťn dochtermaatschappij een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į is die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, algemene voorschriften geven om te voorkomen dat de handeling waarvoor de verklaring van geen bezwaar is verleend, zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op laatstbedoelde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į die in strijd is met een gezond bankbeleid.

2. De algemene voorschriften kunnen uitsluitend inhouden bepalingen inzake:

a. de omvang van het eigen vermogen van de houder als bedoeld in het eerste lid in verhouding tot de financiŽle risicoís van die houder en op geconsolideerde basis van de groep waarvan die houder aan het hoofd staat;

b. de omvang, al dan niet in verhouding tot het eigen vermogen, van de financiŽle risicoís als bedoeld onder a;

c. de reikwijdte van consolidatie; en

d. de door de houder als bedoeld in het eerste lid te verstrekken inlichtingen alsmede de vorm waarin deze inlichtingen dienen te worden verstrekt.

3. In de algemene voorschriften wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent algemene voorschriften worden gegeven.

4. De Bank kan voor een houder als bedoeld in het eerste lid ontheffing van de algemene voorschriften verlenen, mits die houder, in overeenstemming met de Richtlijn, door een toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat bij het toezicht op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, wordt betrokken.

5. Met betrekking tot de algemene voorschriften zijn de artikelen 24, zesde lid, en 26, zesde lid, aanhef en onder d, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn als bedoeld in artikel 24, zesde lid, door de Bank wordt vastgesteld.

Artikel 25a

1. Voor het geval van een houder van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, die aan het hoofd staat van een groep waartoe een of meer kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, en een of meer verzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 of artikel 1, onderdeel c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf behoren en waartoe ten minste ťťn kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į behoort die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen, kan de Bank, in overeenstemming met de autoriteit die ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 en de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf belast is met het toezicht op verzekeraars, op grond van de overwegingen als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onderdelen a en b, voorschriften formuleren.

2. De voorschriften worden overeenkomstig artikel 24, derde lid, door Onze minister aan een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid verbonden.

3. Indien de voorschriften worden gewijzigd, kan Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister de Bank, de gewijzigde voorschriften verbinden aan de verklaring van geen bezwaar die aan een houder als bedoeld in het eerste lid is verleend.

4. De voorschriften worden bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 26

1. Op een aanvraag tot het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, of artikel 24, eerste lid, wordt beslist door Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister door de Bank.

2. Indien een verklaring van geen bezwaar wordt verleend:

a. kan de aanvrager tevens toestemming worden verleend tot het vergroten van zijn gekwalificeerde deelneming, waarbij als bovengrens 20, 33, 50 of 100 procent kan gelden;

b. kan deze, voor zover het een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, betreft, betrekking hebben op:

1į. door de aanvrager via een dochtermaatschappij verworven en nog te verwerven middellijke deelnemingen;

2į. door de aanvrager verworven dan wel nog te verwerven middellijke deelnemingen, niet zijnde deelnemingen als bedoeld onder 1į, voor zover deze deelnemingen buiten de invloedssfeer van de aanvrager zijn verworven dan wel worden verworven;

c. voor een deelneming in een kredietinstelling, kan op verzoek van de aanvrager worden bepaald dat de verleende verklaring van geen bezwaar betrekking geldt voor alle groepsmaatschappijen gezamenlijk, onverminderd artikel 23.

3. De aanvraag wordt ingediend bij de Bank. De Bank zendt de aanvraag, vergezeld van haar advies, aan Onze minister behoudens in de gevallen waarin zij vanwege Onze minister beslist.

4. Op de aanvraag wordt binnen dertien weken beslist.

5. Van de verleende verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt door de zorg van de Bank aan de betrokken kredietinstelling mededeling gedaan.

6. Van de afgifte van een verklaring van geen bezwaar wordt door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, behoudens voor zover Onze minister of de Bank van oordeel is, dat publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden bij de beschikking of derden.

7. Een verklaring van geen bezwaar kan door Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister door de Bank worden gewijzigd of ingetrokken:

a. op verzoek van de houder;

b. indien aan de houder een verklaring van geen bezwaar wordt verleend die betrekking heeft op handelingen waarvoor de in te trekken verklaring van geen bezwaar was verleend;

c. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de verklaring van geen bezwaar zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van de aanvraag de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;

d. indien niet alsnog binnen de termijn als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, respectievelijk artikel 24, zesde lid, aan alle bij de verklaring van geen bezwaar gestelde voorschriften wordt voldaan.

8. Indien zich met betrekking tot een verleende verklaring van geen bezwaar omstandigheden voordoen of feiten bekend worden welke

a. naar het oordeel van de Bank tot strijd met een gezond bankbeleid respectievelijk tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid leiden of zouden kunnen leiden;

b. naar het oordeel van de Bank ertoe leiden of zouden kunnen leiden dat de betrokken kredietinstelling zou gaan behoren tot een groep waarbinnen de formele of feitelijke zeggenschapsstructuur in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering zou vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de kredietinstelling;

c. naar het oordeel van de Bank ertoe leiden of zouden kunnen leiden dat de naleving van de in artikel 22a bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd; of

d. naar het oordeel van de Bank of Onze minister tot een ongewenste ontwikkeling van de financiŽle sector leiden of zouden kunnen leiden;

en derhalve zo zij voor het tijdstip waarop de verklaring van geen bezwaar werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, een verklaring van geen bezwaar zou zijn geweigerd dan wel de verklaring van geen bezwaar onder het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften zou zijn verleend, kan Onze minister, de Bank gehoord, dan wel in door Onze minister bepaalde gevallen vanwege Onze minister de Bank aan de verklaring van geen bezwaar nadere beperkingen stellen en nadere voorschriften verbinden of de verklaring van geen bezwaar intrekken.

9. Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt door de zorg van de Bank aan de betrokken kredietinstelling mededeling gedaan.

10. Indien de omvang van een deelneming waarvoor een verklaring van geen bezwaar is afgegeven onder de 10 procent daalt, vervalt de afgegeven verklaring van geen bezwaar van rechtswege.

11. Van de wijziging of de intrekking van een verklaring van geen bezwaar wordt door Onze minister dan wel vanwege Onze minister door de Bank mededeling gedaan in de Staatscourant, behoudens voor zover Onze minister of de Bank van oordeel is, dat publicatie zou leiden of zou kunnen leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van belanghebbenden bij de beschikking of derden.

Artikel 27

1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon stelt de Bank vooraf in kennis van een zodanige wijziging van diens gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming:

a. boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt; of

b. onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

2. Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt de kredietinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze instelling waardoor de omvang van deze deelneming:

a. boven de 20, 33, 50 of 95 procent stijgt, 100 procent wordt dan wel waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt; of

b. onder de 10, 20, 33, 50, 95 of 100 procent daalt dan wel waardoor de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

3. De Bank stelt Onze minister eens per jaar in kennis van de gegevens waarover zij ingevolge het eerste en het tweede lid beschikt.

4. De Bank stelt de Stichting Autoriteit FinanciŽle Markten onverwijld in kennis van een gekwalificeerde deelneming onder vermelding van de omvang van die deelneming waarvoor een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23 is verleend en waarop de vrijstelling, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 van toepassing is.

ß 7. Bijzondere maatregelen

Artikel 28

1. Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 of 22a, niet naleeft, of indien de Bank andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling, de integere bedrijfsvoering van de kredietinstelling dan wel de belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling anderszins in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.

2. Zo nodig doet de Bank de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

3. Indien de Bank niet binnen twee weken na bekendmaking van de aanwijzing een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, kan de Bank

a. de kredietinstelling aanzeggen, dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de kredietinstelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;

b. de kredietinstelling aanzeggen, dat de Bank zal overgaan tot publicatie van de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, bij welke publicatie, wanneer de kredietinstelling zulks verlangt, tevens de correspondentie openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen de Bank en de kredietinstelling is gevoerd;

c. met de voorzitter van de representatieve organisatie van de groep kredietinstellingen, waartoe de kredietinstelling behoort, dienaangaande in overleg treden, wanneer de Bank zulks in het belang van crediteuren acht. De voorzitter kan zich bij dit overleg doen bijstaan door ten hoogste twee functionarissen van zijn organisatie, tenzij de Bank zulks niet wenselijk acht. De Bank doet de kredietinstelling mededeling van het overleg.

4. Indien de Bank bij een kredietinstelling tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt met het oog op de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling, met het oog op de integere bedrijfsvoering van de kredietinstelling, dan wel met het oog op andere belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling, kan zij zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk uitvoering geven aan de onderdelen a en c van het derde lid.

5. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onder a, is het volgende van toepassing:

a. de organen van de kredietinstelling zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen;

b. de Bank kan de betrokken organen van de kredietinstelling toestaan bepaalde handelingen zonder machtiging te verrichten;

c. de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaren na bekendmaking van de aanzegging, bedoeld in het derde lid, onder a, behoudens de bevoegdheid van de Bank om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht;

d. de Bank kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door andere vervangen;

e. voor schade ten gevolge van handelingen, welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het derde lid, onder a, zijn degenen, die deel uit maken van het orgaan van de kredietinstelling dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover de kredietinstelling; de kredietinstelling kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;

f. zodra de Bank van oordeel is dat de solvabiliteit of de liquiditeit van de kredietinstelling, de integere bedrijfsvoering van de kredietinstelling of andere belangen van de crediteuren of toekomstige crediteuren van de kredietinstelling niet langer gevaar lopen, trekt zij de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, onderscheidenlijk de aanzegging, bedoeld in het derde lid, onder a, in.

6. Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in het derde lid, onder b, wordt eerst van kracht, wanneer het onherroepelijk is geworden. Indien de kredietinstelling na de publicatie alsnog voldoet aan de aanwijzing dan wel indien de Bank de aanwijzing intrekt, zal de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis geven.

7. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Artikel 29

1. Indien de Bank door de toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat ervan in kennis is gesteld dat een bijkantoor in die Lid-Staat van een in Nederland gevestigde kredietinstelling de voor die kredietinstelling in die andere Lid-Staat op het bijkantoor van toepassing zijnde regels betreffende het toezicht niet of niet volledig naleeft, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.

2. Zo nodig doet de Bank de mededeling als bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van een, zo nodig na overleg met de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in het eerste lid opgestelde, aanwijzing om binnen een door haar te bepalen termijn ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.

3. Indien de Bank niet binnen de door haar in de aanwijzing bepaalde termijn een haar bevredigend antwoord van de kredietinstelling heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing is gevolg gegeven, trekt zij de mededeling als bedoeld in artikel 16, derde lid, in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de kredietinstelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.

ß 8. Jaarrekening

Artikel 30

1. Iedere kredietinstelling is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ten minste haar jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bij de Bank in te dienen. De jaarrekening moet worden ingediend in de vorm waarin zij overeenkomstig de statuten of de vennootschapsakte is goedgekeurd of bij gebreke van goedkeuring is vastgesteld, dan wel, bij gebreke van vaststelling, in de vorm waarin zij is opgemaakt. Daarop wordt vermeld of zij al dan niet is vastgesteld en goedgekeurd.

2. De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.

3. De Bank kan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van het in het eerste of tweede lid bepaalde verlenen en aan deze ontheffing voorschriften verbinden, onverminderd het bepaalde in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

4. De accountant, bedoeld in het tweede lid, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid kennis heeft gekregen en die:

a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 zijn gesteld;

b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;

c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of

d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

5. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het vierde lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.

6. De accountant die op grond van het vierde of vijfde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

Afdeling 4. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel A, onder 2į

Artikel 30a

De artikelen 30b tot en met 30f hebben betrekking op iedere kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.

Artikel 30b

1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, in het belang van hun solvabiliteit en liquiditeit.

2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor de verschillende categorieŽn van kredietinstellingen verschillend zijn.

3. De regels kunnen uitsluitend inhouden:

a. bepalingen inzake het eigen vermogen dat ten minste dient te worden aangehouden in verhouding tot de financiŽle verplichtingen die met uitgegeven elektronisch geld verband houden;

b. de beperking ten aanzien van of het aan voorschriften binden van:

1į. de beleggingen en overige activa;

2į. de verplichtingen buiten de balanstelling;

3į. de rente-, wisselkoers- en andere marktrisico's;

c. bepalingen inzake de minimale omvang van de liquide middelen of onderdelen daarvan in verhouding tot de ter beschikking verkregen gelden.

4. De Bank kan aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen, indien de liquiditeit en de solvabiliteit van die kredietinstelling naar het oordeel van de Bank anderszins voldoende zijn gewaarborgd. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

5. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen, waaromtrent regels worden gegeven.

Artikel 30c

1. De Bank kan aan de kredietinstellingen regels stellen met betrekking tot de administratieve organisatie Ė met inbegrip van de financiŽle administratie Ė en de interne controle.

2. De regels worden slechts gegeven of gewijzigd na overleg met de daarbij betrokken representatieve organisaties. Het overleg over wijziging van de regels kan worden geopend door de Bank dan wel door de betrokken representatieve organisatie. De regels kunnen voor de verschillende categorieŽn van kredietinstellingen verschillend zijn.

3. De Bank kan in bijzondere gevallen of onder bijzondere omstandigheden aan een kredietinstelling geheel of gedeeltelijk ontheffing van de regels verlenen. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen en voorschriften verbinden.

4. In de regels wordt bepaald, wat wordt verstaan onder de begrippen waaromtrent de regels worden gegeven.

Artikel 30ca

Met het oog op een integere bedrijfsvoering worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan de kredietinstellingen regels gesteld ter zake van:

a. het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen;

b. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiŽle markten in het algemeen schaden;

c. het voorkomen van betrokkenheid van de kredietinstelling en van haar werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in de kredietinstelling of in de financiŽle markten in het algemeen schaden;

d. het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliŽnten van de kredietinstelling;

e. andere bij algemene maatregel van bestuur te noemen onderwerpen.

Tot deze regels behoren niet de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Artikel 30d

1. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die voornemens is een gekwalificeerde deelneming van 10 procent of meer in een kredietinstelling te houden, te verwerven of zodanig te vergroten dat daardoor de omvang van deze deelneming de 20, 33, of 50 procent overschrijdt of de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling uit te oefenen, stelt, alvorens daartoe over te gaan, de Bank van het voornemen schriftelijk in kennis. Het is de natuurlijke persoon of rechtspersoon verboden om aan dit voornemen gevolg te geven zolang de mededeling, bedoeld in het derde lid niet is gedaan.

2. Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens gekwalificeerde deelneming zodanig wijzigt dat de omvang van de deelneming onder de 10, 20, 33, of 50 procent daalt, of dat de kredietinstelling ophoudt een dochtermaatschappij te zijn, stelt de Bank daarvan in kennis.

3. Indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het eerste lid niet zou leiden of zou kunnen leiden tot een invloed op de betrokken kredietinstelling die in strijd is met een gezond bankbeleid, dan wel indien de Bank van oordeel is dat het voornemen bedoeld in het eerste lid niet ertoe leidt of zou kunnen leiden dat de naleving van de in artikel 30ca bedoelde regels onvoldoende is gewaarborgd, deelt zij de natuurlijke persoon of rechtspersoon binnen acht weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, mede dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen.

4. Een kredietinstelling stelt, voor zover haar bekend, de Bank in de maand juli van elk jaar in kennis van de identiteit van iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling houdt. Tevens stelt een kredietinstelling, zodra zulks haar bekend wordt, de Bank in kennis van iedere verwerving, afstoting of wijziging van een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling waardoor de omvang van deze deelneming boven onderscheidenlijk onder 10, 20, 33 of 50 procent stijgt onderscheidenlijk daalt of waardoor de kredietinstelling een dochtermaatschappij wordt onderscheidenlijk ophoudt een dochtermaatschappij te zijn.

5. Ingeval het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid geschiedt, zonder dat voor het houden, het verwerven of het vergroten van de gekwalificeerde deelneming de mededeling, bedoeld in het derde lid, is gedaan, is een mede door de uitgeoefende zeggenschap tot stand gekomen besluit vernietigbaar. Het besluit kan worden vernietigd op vordering van de Bank. Het besluit wordt in dat geval door de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling gevestigd is, vernietigd, indien het besluit zonder dat de desbetreffende zeggenschap zou zijn uitgeoefend, anders zou hebben geluid dan wel niet zou zijn genomen. De rechtbank regelt voor zover nodig de gevolgen van de vernietiging.

Artikel 30e

1. Indien de Bank constateert dat een kredietinstelling de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c en 30ca, niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de liquiditeit of de solvabiliteit van de kredietinstelling in gevaar brengt of zou kunnen brengen, vestigt zij daarop de aandacht van die kredietinstelling.

2. Artikel 28, tweede lid, derde lid, onder a en b, en vierde tot en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30f

De artikelen 29 en 30 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot kredietinstellingen, bedoeld in deze afdeling.

Hoofdstuk III. Kredietinstellingen die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd

Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland

ß 1. Bijkantoor

Artikel 31

1. Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling verboden het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland uit te oefenen, tenzij

a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning heeft verkregen;

b. de Bank een kennisgeving heeft ontvangen van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat:

(1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;

(2). het adres van het bijkantoor;

(3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen;

(4). de omvang van het eigen vermogen en de solvabiliteitsratio van de kredietinstelling; en

(5). gegevens omtrent de toepasselijkheid van een garantieregeling in de andere Lid-Staat op de verplichtingen van het bijkantoor; en

c. de Bank de ontvangst van de kennisgeving als bedoeld onder b aan de onderneming of instelling heeft medegedeeld dan wel er acht weken zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop de Bank de kennisgeving als bedoeld onder b heeft ontvangen.

2. Het is de in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling die krachtens het eerste lid het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland mag uitoefenen, echter niet toegestaan werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, indien het verrichten van die werkzaamheden door de vergunning bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt uitgesloten dan wel de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onder b, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

3. De in de andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid dient de Bank en de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat ten minste vier weken van te voren in kennis te stellen van elke wijziging van de gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder b, sub (1), (2), (3) of (5) of, in voorkomend geval, van het voornemen om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken.

4. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

5. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

ß 2. Verrichten van diensten

Artikel 32

1. Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į uitoefent, verboden al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek ter beschikking te verkrijgen door middel van het verrichten van diensten in Nederland, tenzij

a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning heeft verkregen; en

b. zij een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat een opgave van de voorgenomen werkzaamheden.

2. Het is de in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling die krachtens het eerste lid opvorderbare gelden van het publiek ter beschikking te verkrijgen door middel van het verrichten van diensten in Nederland, echter niet toegestaan werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, indien het verrichten van die werkzaamheden door de vergunning bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt uitgesloten dan wel de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid, onder b, het verrichten van die werkzaamheden niet vermeldt.

3. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

4. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

Artikel 32a

Het is een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 2į, uitoefent, verboden door middel van het verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, tenzij;

a. zij van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, benodigde vergunning heeft verkregen; en

b. zij een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke een opgave van de voorgenomen werkzaamheden bevat.

ß 3. Bijzondere bepalingen

Artikel 33

1. Indien een Lid-Staat de Richtlijn niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze minister, de Bank gehoord, bepalen dat voor in die Lid-Staat gevestigde ondernemingen en instellingen het tweede en derde lid gelden.

2. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į door middel van een bijkantoor in Nederland, in plaats van artikel 31, de artikelen 38 tot en met 44 van toepassing.

3. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, is, met betrekking tot het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden door middel van het verrichten van diensten in Nederland, in plaats van artikel 32, artikel 82 van toepassing.

4. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel als bedoeld in het eerste lid ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onder b en c; de aan deze onderneming of instelling verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid vervalt op dat tijdstip van rechtswege.

Afdeling 2. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland

ß 1. Toezicht

Artikel 34

Artikel 21 is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent.

ß 2. Bijzondere maatregelen

Artikel 35

1. Indien de Bank constateert, dat een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į uitoefent, de regels als bedoeld in artikel 21 niet naleeft, of andere tekenen ontwaart van een ontwikkeling, die naar haar oordeel de liquiditeit van het bijkantoor in gevaar brengt of zou kunnen brengen, is artikel 28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de liquiditeit van het bijkantoor.

2. Indien de Bank niet binnen twee weken na bekendmaking van de aanwijzing als bedoeld in artikel 28, tweede lid, een haar bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, kan de Bank de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į gevestigd is, daarvan in kennis stellen en die toezichthoudende autoriteit verzoeken te bewerkstelligen dat alsnog binnen een door de Bank te stellen termijn aan de aanwijzing gevolg wordt gegeven.

3. Indien de Bank niet binnen de laatstbedoelde door haar gestelde termijn een haar bevredigend antwoord heeft ontvangen of indien naar haar oordeel niet of onvoldoende aan haar aanwijzing gevolg is gegeven, is, nadat de Bank de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat daarvan in kennis heeft gesteld, artikel 28, derde, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de liquiditeit van het bijkantoor.

4. Indien de Bank bij een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į uitoefent, tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel de liquiditeit van het bijkantoor in gevaar brengt en onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan de Bank, niettegenstaande het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, met overeenkomstige toepassing van artikel 28, derde tot en met zesde lid, met betrekking tot het bijkantoor maatregelen treffen die zij onontbeerlijk acht voor de bescherming van de belangen van de crediteuren van het bijkantoor.

5. De Bank kan, met overeenkomstige toepassing van artikel 28, derde tot en met zevende lid, met betrekking tot het bijkantoor tevens maatregelen treffen, ingeval zij daartoe een verzoek heeft gekregen van de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat waar de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į gevestigd is.

6. De Bank doet van de maatregelen als bedoeld in het vierde en vijfde lid onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

ß 3. Boekhouding en verslaglegging

Artikel 36

Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling uitoefent, dient voor zijn bedrijf hier te lande ten minste een zodanige boekhouding te voeren, dat de Bank de haar bij deze wet opgelegde taak kan uitoefenen.

Artikel 37

Een bijkantoor in Nederland van een in een andere Lid-Staat gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, dat overeenkomstig artikel 31 het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į uitoefent, is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į waarvan het onderdeel uitmaakt, de boekhoudbescheiden, aangewezen krachtens de Handelsregisterwet 1996 bij de Bank in te dienen.

Hoofdstuk IV. Kredietinstellingen die in een Staat, die niet een Lid-Staat is, zijn gevestigd

Afdeling 1. Toegang tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland

ß 1. Algemeen

Artikel 38

1. Het is een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling verboden het bedrijf van kredietinstelling door middel van een bijkantoor in Nederland uit te oefenen, behoudens voor zover zij daartoe van de Bank een vergunning heeft verkregen.

2. Het is een kredietinstelling, die een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft verkregen, in verband met het ingevolge deze wet uitgeoefende toezicht toegestaan ten minste de werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn te verrichten, tenzij in de vergunning uitdrukkelijk anders is bepaald en onverminderd de toepasselijkheid van andere op deze werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften.

3. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

4. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

Artikel 38a

1. Het is een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde onderneming of instelling verboden door middel van het verrichten van diensten in Nederland gelden ter beschikking te krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven, waarmee betalingen kunnen worden verricht ook aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.

2. Onze minister kan ondernemingen of instellingen die behoren tot een onderscheiden categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die ondernemingen of instellingen dat rechtvaardigt, mits zulks naar zijn oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Onze minister kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

3. De Bank kan een onderneming of instelling ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod, indien het karakter van het bedrijf van die onderneming of instelling dat rechtvaardigt, mits zulks naar haar oordeel niet in strijd is met de belangen die deze wet beoogt te beschermen. De Bank kan aan haar beschikking voorschriften verbinden.

ß 2. Vergunning

Artikel 39

De artikelen 8, eerste lid, tweede lid, onder a, b, e, f, g, h, i en k, derde lid, 9, eerste lid, onder a, b, c, f, g en h, tweede lid, vijfde lid, 10, eerste lid, 11, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing op het bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 38, eerste lid.

Artikel 40

Niettegenstaande het bepaalde in artikel 9 en onverminderd het bepaalde in artikel 15 weigert de Bank een door een onderneming of instelling gevraagde vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid of trekt zij een verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid in, indien de onderneming of instelling in de Staat waar zij is gevestigd niet een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning bezit, dan wel uit de overgelegde informatie blijkt dat deze onderneming of instelling, gelet op haar solvabiliteit, liquiditeit of haar organisatie en structuur, redelijkerwijs niet in staat is het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen of te controleren.

Afdeling 2. Toezicht op het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland

ß 1. Toezicht

Artikel 41

1. De artikelen 20 tot en met 23 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.

2. De artikelen 30b tot en met 30ca zijn van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.

ß 2. Bijzondere maatregelen

Artikel 42

1. Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen.

2. Artikel 30e is van overeenkomstige toepassing op een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen.

ß 3. Boekhouding en verslaglegging

Artikel 43

Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, voert voor zijn bedrijf hier te lande een afzonderlijke boekhouding, die zodanig is dat de Bank de haar bij deze wet opgelegde taak kan uitoefenen.

Artikel 44

Een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen, is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de kredietinstelling waarvan het onderdeel uitmaakt, de boekhoudbescheiden, aangewezen krachtens de Handelsregisterwet 1996, bij de Bank in te dienen.

Hoofdstuk V. Het uitoefenen van het bedrijf van financiŽle instelling in een andere Lid-Staat door financiŽle instellingen die in Nederland zijn gevestigd

ß 1. Ondertoezichtstelling

Artikel 45

1. Op aanvraag van een financiŽle instelling die dochtermaatschappij is van ťťn of meer kredietinstellingen die een vergunning bedoeld in artikel 6 heeft of hebben verkregen, en die haar bedrijf door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen, kan de Bank aan die financiŽle instelling een verklaring van ondertoezichtstelling verlenen en daarbij het bij of krachtens de artikelen 11, 20, 22, 22a, 24, 26 en 27 bepaalde van overeenkomstige toepassing verklaren op die financiŽle instelling.

2. De aanvraag bevat, ten behoeve van de beslissing omtrent het verlenen van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 46, gegevens omtrent:

a. de identiteit van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiŽle instelling dochtermaatschappij is;

b. een programma van werkzaamheden welke de financiŽle instelling verricht dan wel voornemens is te verrichten;

c. de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiŽle administratie en de interne controle en

d. de voorgenomen maatregelen, gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering, met uitzondering van de maatregelen ter naleving van de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

3. De Bank beslist binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 46

De Bank verleent de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, slechts indien:

a. de financiŽle instelling aantoont, dat het haar, voor zover op haar werkzaamheden andere wettelijke voorschriften van toepassing zijn, is toegestaan deze werkzaamheden te verrichten;

b. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, ten minste 90 procent van de stemrechten in de financiŽle instelling bezit of bezitten;

c. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, met instemming van de Bank de verplichtingen van de financiŽle instelling garandeert of garanderen; en

d. de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, naar het oordeel van de Bank mede zorgdraagt of zorgdragen voor een gezonde bedrijfsvoering bij de financiŽle instelling.

Artikel 47

De Bank kan een verklaring van ondertoezichtstelling intrekken, indien:

a. de financiŽle instelling daarom verzoekt;

b. de onderneming of instelling, aan welke de verklaring van ondertoezichtstelling is verleend, opgehouden heeft een financiŽle instelling te zijn;

c. de financiŽle instelling niet meer voldoet aan het bepaalde in artikel 46, onder a;

d. met betrekking tot de financiŽle instelling niet meer wordt voldaan aan het in artikel 46, onder b, c of d bepaalde of het in de artikelen 24, 26 of 27, eerste lid, bepaalde niet wordt nageleefd;

e. de financiŽle instelling het bij of krachtens de artikelen 11, 20, 22, 22a en 27, tweede lid, bepaalde niet naleeft; of

f. de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de verklaring van ondertoezichtstelling zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest.

ß 2. Bijkantoor

Artikel 48

1. Een financiŽle instelling, die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen en die het bedrijf, dat zij in Nederland uitoefent, uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen door middel van een bijkantoor in een andere Lid-Staat, dient de Bank daarvan schriftelijk kennis te geven.

2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:

a. de Lid-Staat waarin de financiŽle instelling het bijkantoor heeft gevestigd dan wel voornemens is te vestigen;

b. een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden van het bijkantoor en de voorziene administratieve organisatie - met inbegrip van de financiŽle administratie en de interne controle - ten behoeve van het bijkantoor zijn vermeld;

c. het adres van het bijkantoor; en

d. de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen.

3. De Bank doet binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van die gegevens alsmede van gegevens omtrent de omvang van het eigen vermogen van de financiŽle instelling en de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiŽle instelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

4. Indien de Bank van oordeel is dat de financiŽle instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor, bedoeld in het eerste lid, verricht dan wel voornemens is te verrichten, redelijkerwijs niet zal kunnen voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 22 en 22a, doet zij, in afwijking van het derde lid, geen mededeling aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat, bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiŽle instelling hiervan, binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid en de gegevens, bedoeld in het tweede lid, in kennis.

5. Indien zich een wijziging van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder b, c of d, voordoet of indien het voornemen bestaat om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken, stelt de financiŽle instelling de Bank en de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat daarvan ten minste vier weken voor de wijziging ingaat of het voornemen wordt uitgevoerd, schriftelijk in kennis.

6. Indien de Bank, op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het vijfde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de financiŽle instelling, gezien de werkzaamheden die zij door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid verricht, redelijkerwijs niet langer zal kunnen voldoen aan de regels als bedoeld in de artikelen 20, 22 en 22a, trekt zij de mededeling, bedoeld in het derde lid, in. De Bank stelt de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat en de financiŽle instelling schriftelijk van het intrekken van de mededeling in kennis.

ß 3. Verrichten van diensten

Artikel 49

1. Een financiŽle instelling, die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen en die het bedrijf, dat zij in Nederland uitoefent, door middel van het verrichten van diensten in een andere Lid-Staat voor de eerste maal na de verkrijging van de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, in die Lid-Staat uitoefent dan wel voornemens is uit te oefenen, dient de Bank daarvan schriftelijk kennis te geven.

2. De kennisgeving als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden onder opgave van:

a. de Lid-Staat waarin de financiŽle instelling de werkzaamheden voornemens is te verrichten;

b. de werkzaamheden welke de financiŽle instelling voornemens is te verrichten.

3. De Bank doet binnen vier weken na ontvangst van de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid en de gegevens als bedoeld in het tweede lid, mededeling van de gegevens als bedoeld in het tweede lid, onder b, aan de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat als bedoeld in het tweede lid, onder a. De Bank stelt de financiŽle instelling schriftelijk van het doen van deze mededeling in kennis.

Hoofdstuk VI. Het uitoefenen van het bedrijf van financiŽle instelling in Nederland door financiŽle instellingen die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd

ß 1. Bijkantoor

Artikel 50

1. Een financiŽle instelling die in een andere Lid-Staat, niet-zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, is gevestigd en die in die Lid-Staat een met de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, vergelijkbare verklaring heeft verkregen, is het, onverminderd de toepasselijkheid van andere op haar werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften, slechts toegestaan om, voor zover het werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn betreft, uitsluitend de werkzaamheden vermeld in het programma van werkzaamheden als bedoeld onder a, (1), door middel van een bijkantoor in Nederland te verrichten, indien

a. de Bank een kennisgeving heeft ontvangen van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, welke bevat:

(1). een programma van werkzaamheden waarin de voorgenomen werkzaamheden en de organisatiestructuur van het bijkantoor zijn vermeld;

(2). het adres van het bijkantoor;

(3). de identiteit van de personen, die het dagelijks beleid van het bijkantoor zullen bepalen;

(4). de omvang van het eigen vermogen van de financiŽle instelling; en

(5). de solvabiliteitsratio op geconsolideerde basis van de kredietinstelling of kredietinstellingen waarvan de financiŽle instelling dochtermaatschappij is; en

b. de Bank de ontvangst van de kennisgeving bedoeld onder a aan de financiŽle instelling heeft medegedeeld dan wel er acht weken zijn verstreken vanaf het tijdstip waarop de Bank de kennisgeving als bedoeld onder a heeft ontvangen.

2. De in een andere Lid-Staat gevestigde financiŽle instelling als bedoeld in het eerste lid dient de Bank en de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat ten minste vier weken van te voren in kennis te stellen van elke wijziging van de gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, sub (1), (2) of (3) of, in voorkomend geval, van het voornemen om het verrichten van werkzaamheden door middel van het bijkantoor als bedoeld in het eerste lid te staken.

ß 2. Verrichten van diensten

Artikel 51

Een financiŽle instelling die in een andere Lid-Staat, niet-zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, is gevestigd en die in die Lid-Staat een met de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, vergelijkbare verklaring heeft verkregen, is het, onverminderd de toepasselijkheid van andere op haar werkzaamheden betrekking hebbende wettelijke voorschriften, slechts toegestaan om, voor zover het werkzaamheden genoemd in bijlage I van de Richtlijn betreft, uitsluitend de in de kennisgeving vermelde werkzaamheden door middel van het verrichten van diensten in Nederland te verrichten, indien de financiŽle instelling een kennisgeving heeft gezonden aan de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat, welke bevat een opgave van de voorgenomen werkzaamheden.

Hoofdstuk VII. Register

Artikel 52

1. Er is een register dat door de zorg van de Bank wordt gehouden.

2. De Bank draagt zorg voor de inschrijving van iedere kredietinstelling:

a. die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen;

b. die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid heeft verkregen;

c. die krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen;

d. die krachtens artikel 32 of 32a in Nederland haar werkzaamheden door middel van het verlenen van diensten mag verrichten;

en van iedere financiŽle instelling:

e. die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen;

f. die krachtens artikel 50 werkzaamheden in Nederland mag verrichten; en

g. die krachtens artikel 51 werkzaamheden in Nederland mag verrichten.

3. De Bank draagt zorg voor de doorhaling van een inschrijving van iedere kredietinstelling:

a. waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 6 is ingetrokken;

b. waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid is ingetrokken;

c. die niet langer krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen;

d. die niet langer krachtens artikel 32 of 32a in Nederland haar werkzaamheden door middel van het verlenen van diensten mag verrichten;

en van iedere financiŽle instelling:

e. waarvan de verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, is ingetrokken;

f. die niet langer krachtens artikel 50 werkzaamheden in Nederland mag verrichten; en

g. die niet langer krachtens artikel 51 werkzaamheden in Nederland mag verrichten.

4. Van de inschrijving dan wel de doorhaling van een inschrijving in het register van een kredietinstelling of financiŽle instelling wordt door de zorg van de Bank binnen twee weken na de dag, waarop deze heeft plaats gehad, mededeling gedaan in de Staatscourant.

5. In de maand januari van elk jaar wordt door de zorg van de Bank een afschrift van het register naar de stand per 31 december van het voorafgaande jaar in de Staatscourant geplaatst.

6. Een afschrift van het register ligt voor een ieder kosteloos ter inzage ten kantore van de Bank.

Hoofdstuk VIII. Informatie-inwinning, geheimhouding, informatie-uitwisseling en samenwerking

Afdeling 1. Informatie-inwinning

ß 1. Informatie-inwinning door de Bank bij niet-geregistreerde ondernemingen en instellingen

Artikel 53

De Bank kan bij iedere onderneming of instelling ten aanzien waarvan kan worden vermoed dat deze handelt in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen die redelijkerwijs nodig zijn om dit te beoordelen.

ß 2. Informatie-inwinning door de Bank ten behoeve van haar toezicht op kredietinstellingen

Artikel 54

1. De Bank kan bij:

a. iedere kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, b, of c, is geregistreerd;

b. iedere onderneming of instelling die, overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 20, derde lid, onder d, dan wel overeenkomstig het bepaalde ingevolge artikel 25, tweede lid, onder c, binnen de reikwijdte van de consolidatie valt;

c. iedere onderneming of instelling die met een onder a genoemde kredietinstelling in een groep is verbonden;

d. iedere onderneming of instelling die een gekwalificeerde deelneming houdt als bedoeld in artikel 24, eerste lid, en artikel 30d, eerste lid,

alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen, die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden die zij op grond van deze wet heeft en teneinde na te gaan of de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen worden nageleefd.

2. Ten aanzien van personen die door de Bank zijn belast met het inwinnen van inlichtingen of met de uitoefening van andere taken en bevoegdheden die de Bank heeft op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien een onderzoek als bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt ingesteld, degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

Artikel 55

1. Een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b is geregistreerd, dient bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen staten, al dan niet tevens op geconsolideerde basis, inzake haar bedrijf in, die de Bank nodig heeft voor de juiste uitoefening van de taak, haar bij artikel 2 van deze wet opgelegd. Op verzoek van de Bank dient een kredietinstelling die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder c is geregistreerd, deze staten, al dan niet periodiek, binnen de daartoe vastgestelde termijn bij de Bank in.

2. De vorm, waarin de in het eerste lid bedoelde staten moeten worden opgemaakt, de benaming en omschrijving van de posten welke zij moeten bevatten, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking moeten hebben, de termijnen, binnen welke zij moeten worden ingediend en de te hanteren grondslagen van de waardering van de posten worden door de Bank bepaald en kunnen voor onderscheiden groepen van kredietinstellingen verschillend zijn.

3. Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht noodzakelijk acht, kan zij een kredietinstelling opdragen staten als bedoeld in het eerste lid, bij haar in te dienen die betrekking hebben op tijdstippen met een kortere tussenpoos of op kortere termijnen dan ingevolge het tweede lid is bepaald.

4. De verplichtingen als omschreven in het eerste lid gelden niet voor zover aan een kredietinstelling een ontheffing als bedoeld in de artikelen 20, vierde lid, 21, vierde lid, of 30b, vierde lid is verleend.

5. De staten als bedoeld in het eerste lid moeten periodiek zijn voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, ondertekend door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De kredietinstelling is verplicht bij de opdracht tot het onderzoek de accountant schriftelijk te machtigen desgevraagd of ingevolge een daartoe strekkende overeenkomst tussen de kredietinstelling, de accountant en de Bank aan de Bank alle inlichtingen te verstrekken, die redelijkerwijze geacht kunnen worden nodig te zijn voor de juiste uitvoering van de taak, bij deze wet aan de Bank opgelegd. De Bank stelt de kredietinstelling in de gelegenheid aanwezig te zijn bij het verstrekken van inlichtingen door de accountant.

6. De accountant, bedoeld in het vijfde lid, meldt de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als bedoeld in het vijfde lid kennis heeft gekregen en die:

a. in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 6 of 38 zijn gesteld;

b. in strijd is met de bij of krachtens deze wet opgelegde verplichtingen;

c. het voortbestaan van de kredietinstelling bedreigt; of

d. leidt tot weigering van het afgeven van een verklaring omtrent de getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.

7. Op de accountant die naast zijn werkzaamheden voor de kredietinstelling ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het zesde lid, van overeenkomstige toepassing indien de kredietinstelling dochtermaatschappij is van de andere onderneming of instelling, dan wel indien de andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van de kredietinstelling. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder dochtermaatschappij verstaan een dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat een kredietinstelling tevens dochtermaatschappij kan zijn van een natuurlijk persoon of vennootschap.

8. De accountant die op grond van het zesde of zevende lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.

9. De Bank kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichting als omschreven in het eerste lid en aan deze ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 56

1. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22 of 22a.

2. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder c, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de regels, bedoeld in artikel 21.

3. Een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, is geregistreerd, is verplicht de Bank onverwijld in kennis te stellen van het geheel of gedeeltelijk niet voldoen aan de regels, bedoeld in de artikelen 30b, 30c of 30ca.

Artikel 56a

De Bank is bevoegd de personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, c, d en e, op te roepen. Deze personen zijn verplicht op die oproeping te verschijnen. De oproeping geschiedt op een door de Bank te bepalen wijze. De personen zijn verplicht alle gevraagde inlichtingen te verschaffen.

Artikel 57

Bij of krachtens de in de artikelen 22a en 30ca bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden voorgeschreven dat kredietinstellingen bepaalde gegevens ter zake van de integere bedrijfsvoering aan de Bank melden. Onder integere bedrijfsvoering wordt in dit artikel verstaan de bedrijfsvoering met uitzondering van het deel dat wordt geregeld door de effectentypische gedragsregels, bedoeld in artikel 18a van de Wet toezicht effectenverkeer 1995.

Artikel 58

1. Een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder b, dient een zodanige boekhouding te voeren, dat zij de Bank de inlichtingen, bedoeld in artikel 54, kan verschaffen.

2. Indien de Bank van oordeel is dat een onderneming of instelling niet aan het bepaalde in het eerste lid voldoet, kan zij aan die onderneming of instelling een voorschrift met betrekking tot het voeren van haar boekhouding geven.

Artikel 59

De artikelen 54, 55 en 57 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een financiŽle instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen.

ß 3. Grensoverschrijdende verificatie ter plaatse

Artikel 60

1. Ingeval een onderneming of instelling als bedoeld in artikel 54, eerste lid, in een andere Lid-Staat is gevestigd, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:

a. de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel

b. zich, na daartoe van de bevoegde instantie in de andere Lid-Staat toestemming te hebben verkregen, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.

2. Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of artikel 48, eerste lid, kan de Bank, ten behoeve van het toezicht:

a. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verzoeken zich ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen te overtuigen; dan wel

b. zich, na daaromtrent de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat in kennis te hebben gesteld, ter plaatse van de juistheid van de aan de Bank verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.

Artikel 61

1. Ingeval, in overeenstemming met de Richtlijn, ten behoeve van het toezicht op kredietinstellingen in een andere Lid-Staat door dan wel omtrent een in Nederland gevestigde onderneming of instelling inlichtingen aan de toezichthoudende autoriteiten van die Lid-Staat zijn verstrekt, zal de Bank na daartoe door de toezichthoudende autoriteit van de desbetreffende Lid-Staat te zijn verzocht:

a. zich ter plaatse van de juistheid van de aan de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel

b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat toestaan zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen te overtuigen of te doen overtuigen.

2. Ingeval van een bijkantoor als bedoeld in artikel 31, eerste lid, of artikel 50, eerste lid, zal, ten behoeve van het toezicht in de andere Lid-Staat:

a. de Bank zich, op verzoek van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, ter plaatse van de juistheid van de aan die toezichthoudende autoriteit verstrekte inlichtingen overtuigen; dan wel

b. de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat, wanneer deze daaromtrent de Bank in kennis heeft gesteld, zich ter plaatse van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen overtuigen of te doen overtuigen.

3. Degene bij wie de juistheid van inlichtingen wordt geverifieerd als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, verleent aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde toezichthoudende autoriteit en diens functionarissen alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van die verificatie, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. De Bank kan aan die verificatie deelnemen of door personen, door haar bij uitdrukkelijke en bijzondere machtiging aangewezen, doen deelnemen.

ß 4. Bijzondere bepalingen

Artikel 62

1. De onderneming of instelling waar bij of namens de Bank op grond van de artikelen 53 of 54, eerste lid, inlichtingen worden ingewonnen, verstrekt deze binnen de door de Bank te stellen termijn.

2. Iedere onderneming of instelling is verplicht de Bank desgevorderd in de gelegenheid te stellen zich van de juistheid van de verstrekte inlichtingen te overtuigen aan de hand van zakelijke gegevens en bescheiden en daarbij zoveel mogelijk behulpzaam te zijn.

3. Een derde, die de in het tweede lid bedoelde zakelijke gegevens en bescheiden onder zich heeft, is desgevorderd verplicht deze daartoe over te leggen dan wel toegankelijk te maken.

4. Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing ingeval een toezichthoudende autoriteit van een andere Lid-Staat zich krachtens artikel 61 van de juistheid van de aan haar verstrekte inlichtingen overtuigt.

Artikel 63

De bij of krachtens deze wet te verschaffen inlichtingen en opgaven moeten tijdig, naar waarheid en op niet misleidende wijze worden verstrekt.

Afdeling 2. Geheimhouding

Artikel 64

1. Gegevens en inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent afzonderlijke ondernemingen of instellingen zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens en inlichtingen die van een instantie als bedoeld in de artikelen 65, eerste lid, of 65a, eerste lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim.

2. Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt of van een instantie als bedoeld in de artikelen 65, eerste lid, of 65a , eerste lid, ontvangen, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek van zakelijke gegevens en bescheiden verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geŽist.

3. Het eerste en tweede lid laten, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering.

4. Het in het eerste en tweede lid bepaalde laat evenzo, ten aanzien van degene op wie het tweede lid van toepassing is, onverlet de toepasselijkheid van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van artikel 66 van de Faillissementswet welke betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voor zover het gaat om gegevens of inlichtingen omtrent een kredietinstelling die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden. Het in de vorige volzin bepaalde geldt niet voor gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging de desbetreffende kredietinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten.

5. In afwijking van het eerste en tweede lid is de Bank bevoegd met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van haar ingevolge deze wet opgedragen taak, mededelingen te doen mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke ondernemingen of instellingen.

Afdeling 3. Informatie-uitwisseling

Artikel 65

1. Onze Minister onderscheidenlijk de Bank is, in afwijking van artikel 64, eerste en tweede lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem onderscheidenlijk haar ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiŽle markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, tenzij:

a. het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende bepaald is;

b. het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiŽle markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn;

c. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;

d. de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd;

e. de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen; of

f. onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt.

2. Voor zover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn verkregen van een buitenlandse overheidsinstantie dan wel van een buitenlandse van overheidswege aangewezen instantie, die is belast met het toezicht op financiŽle markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, verstrekt Onze Minister onderscheidenlijk de Bank deze niet aan een Nederlandse of buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid, tenzij de buitenlandse instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.

3. Indien een buitenlandse instantie als bedoeld in het eerste lid aan degene die de gegevens of inlichtingen op grond van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, mag dat verzoek slechts worden ingewilligd:

a. voor zover het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede lid; dan wel

b. voor zover die buitenlandse instantie op een andere wijze dan in deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor geldende procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; alsmede

c. pas na overleg met Onze Minister van Justitie indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten.

Artikel 65a

1. Onze minister onderscheidenlijk de Bank is, in afwijking van artikel 64, eerste en tweede lid, bevoegd om gegevens of inlichtingen die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen de kredietinstelling in staat te stellen zijn bedrijf voort te zetten verkregen bij de vervulling van de hem onderscheidenlijk haar ingevolge deze wet opgedragen taak, te verstrekken aan een rechter-commissaris voor zover die is belast met het toezicht uit hoofde van artikel 76d in een noodregeling als bedoeld in hoofdstuk X, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel c, zo lang de bewindvoerder nog niet activa te gelde heeft gemaakt met het oogmerk deze te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.

2. Onze minister onderscheidenlijk de Bank verstrekt geen gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:

a. indien de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze wet beoogt te beschermen;

b. indien de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiŽle markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, en deze instanties niet instemmen met het verstrekken van de gegevens of inlichtingen.

3. Artikel 64, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de op grond van het eerste lid verstrekte gegevens.

Artikel 65b

In afwijking van artikel 64 kunnen in een noodregeling als bedoeld in hoofdstuk X gegevens of inlichtingen die geen betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen de kredietinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten, door de bewindvoerder worden opgenomen in de verslagen, bedoeld in artikel 72, zesde lid, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of, indien een machtiging is verleend als bedoeld in artikel 75, eerste lid en aanhef, onderdeel c, activa van de kredietinstelling te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.

Artikel 65c

In afwijking van artikel 64 is artikel 65a van overeenkomstige toepassing op gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op derden die betrokken zijn bij pogingen de kredietinstelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten, ongeacht of een machtiging is verleend, als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b of c, en ongeacht of activa te gelde zijn gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden.

Artikel 66

1. Ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van gegevens of inlichtingen dan wel ter uitvoering van bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties met betrekking tot het toezicht op financiŽle markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn, is Onze Minister onderscheidenlijk de Bank bevoegd ten behoeve van een instantie die werkzaam is in een Staat die met Nederland partij is bij een verdrag of die met Nederland valt onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die Staat belast is met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op het kredietwezen, inlichtingen te vragen aan of een onderzoek in te stellen of te doen instellen bij een ieder die ingevolge deze wet onder zijn respectievelijk haar toezicht valt dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de uitvoering van de wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld.

2. Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid worden gevraagd, is verplicht deze gegevens of inlichtingen binnen een door Onze minister onderscheidenlijk de Bank te stellen termijn te verstrekken.

Artikel 66a

1. Onze Minister onderscheidenlijk de Bank kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 66, eerste lid, deelneemt aan de uitvoering van een verzoek als bedoeld in dat lid.

2. Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt ingesteld, verleent aan de in het eerste lid bedoelde functionaris alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze wet onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden.

3. De in het eerste lid bedoelde functionaris volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de uitvoering van het verzoek is belast.

Artikel 67

1. De Bank doet van iedere verlening en van iedere intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 6 met betrekking tot een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

2. De Bank doet van iedere verlening en van iedere intrekking van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onverwijld mededeling aan de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Afdeling 4. Samenwerking met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht beleggingsinstellingen onderscheidenlijk de Wet toezicht effectenverkeer 1995 belast zijn met het toezicht op verzekeraars, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders

Artikel 67a

1. De Bank werkt samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf onderscheidenlijk de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, belast zijn met het toezicht op beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, natura-uitvaartverzekeraars onderscheidenlijk verzekeraars, met het oog op het tot stand brengen van gelijkgerichte regelgeving en beleid ter zake van bij ministeriŽle regeling aan te wijzen onderwerpen die zowel het toezicht ingevolge deze wet als het toezicht ingevolge een van de eerdergenoemde wetten betreffen.

2. De Bank voert het toezicht ingevolge deze wet, voor zover het betrekking heeft op de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, uit met inachtneming van daartoe met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten te sluiten overeenkomsten. Deze overeenkomsten bevatten afspraken over coŲrdinatie en afstemming van regelgeving en beleid, en in voorkomende gevallen over uitvoering van toezicht. De Bank draagt er zorg voor dat zij of een van de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten een afschrift van de gesloten overeenkomsten zendt aan Onze Minister.

3. Binnen zes maanden na afloop van elk kalenderjaar draagt de Bank in samenwerking met de overige in het eerste lid bedoelde autoriteiten zorg voor een gezamenlijk verslag dat openbaar wordt gemaakt en waarin melding wordt gemaakt van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het eerste en tweede lid.

Artikel 68

1. De Bank werkt, voor zover noodzakelijk ten behoeve van de uitoefening van het toezicht op kredietinstellingen die deel uitmaken van een groep, samen met de autoriteiten die ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf, de Wet toezicht beleggingsinstellingen (Stb. 1990, 380) onderscheidenlijk de Wet toezicht effectenverkeer 1995 belast zijn met het toezicht op verzekeraars, beleggingsinstellingen onderscheidenlijk effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders die tot diezelfde groep behoren.

2. De Bank pleegt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig overleg met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid.

3. De Bank werkt, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, waar nodig samen op basis van een of meer daartoe met een autoriteit als bedoeld in het eerste lid overeen te komen regelingen. Deze regelingen betreffen in elk geval afspraken over het stellen van gemeenschappelijke eisen, het coŲrdineren van werkzaamheden uit hoofde van ieders uitoefening van het toezicht en het uitwisselen van gegevens en inlichtingen.

4. De Bank verstrekt aan een autoriteit als bedoeld in het eerste lid danwel de autoriteit die belast is met de uitvoering van de Wet inzake de geldtransactiekantoren of de Wet toezicht trustkantoren de gegevens of inlichtingen die zij verkregen heeft bij de vervulling van de haar ingevolge deze wet opgedragen taak en die betrekking hebben op de deskundigheid van personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b en d, onderscheidenlijk de voornemens of antecedenten van personen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c en e, voor zover de Bank van oordeel is dat deze gegevens of inlichtingen van belang zijn of zouden kunnen zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uitgeoefend.

5. De verplichting als bedoeld in het vierde lid geldt niet in het geval de gegevens of inlichtingen zijn verkregen van een buitenlandse instantie als bedoeld in artikel 65, eerste lid.

Hoofdstuk IX. Liquidatie

Artikel 69

1. Een kredietinstelling die in Nederland is gevestigd dan wel een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling, welke tot algehele of gedeeltelijke liquidatie van haar bedrijf dan wel tot ontbinding heeft besloten, is verplicht de Bank te raadplegen en aan de Bank mededeling te doen van de wijze waarop de liquidatie onderscheidenlijk de ontbinding zal plaatsvinden ten minste dertien weken, voordat aan het besluit uitvoering wordt gegeven; de Bank kan deze termijn verkorten. De Bank wordt aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 23, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Ingeval een kredietinstelling als bedoeld in de eerste volzin besluit tot ontbinding en geen rechtspersoonlijkheid bezit, is het bepaalde in de artikelen 19, vierde lid, 23, eerste en tweede lid, 23a, eerste lid, en 23c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van de artikelen 23, eerste lid, en 23a, eerste lid, gelden de beherende vennoten als bestuurders en geldt de vennootschapsovereenkomst als statuten.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. een kredietinstelling, die op grond van artikel 6, tweede lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 6, derde lid, is ontheven van het verbod van artikel 6, eerste lid;

b. een kredietinstelling, die op grond van artikel 31, vierde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 31, vijfde lid, is ontheven van het verbod van artikel 31, eerste lid;

c. een kredietinstelling die op grond van artikel 38, derde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 38, vierde lid, is ontheven van het verbod van artikel 38, eerste lid.

Hoofdstuk X. Noodregeling en in andere Staten dan Nederland vastgestelde saneringsmaatregelen

Afdeling 1. Kredietinstellingen die zijn gevestigd in Nederland of in een Staat die niet een Lid-Staat is

Artikel 70

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a. een kredietinstelling, die op grond van artikel 6, tweede lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 6, derde lid, is ontheven van het verbod van artikel 6, eerste lid;

b. een kredietinstelling, die op grond van artikel 31, vierde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 31, vijfde lid, is ontheven van het verbod van artikel 31, eerste lid;

c. een kredietinstelling die op grond van artikel 38, derde lid, is vrijgesteld onderscheidenlijk op grond van artikel 38, vierde lid, is ontheven van het verbod van artikel 38, eerste lid.

Artikel 71

1. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen dan wel van een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling vertoont en redelijkerwijs in die ontwikkeling geen verbetering te voorzien is, kan de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling dan wel het bijkantoor is gevestigd, op verzoek van de Bank verklaren, dat de kredietinstelling verkeert in een toestand welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft.

2. Ingeval de solvabiliteit of de liquiditeit van een kredietinstelling waarop het verbod van artikel 6 van toepassing is, een kredietinstelling die in een andere Lid-Staat is gevestigd met bijkantoor in Nederland en die niet voldoet aan het bepaalde in artikel 31, eerste lid, onder a, dan wel een kredietinstelling die is gevestigd in een Staat die niet een Lid-Staat is met bijkantoor in Nederland en waarop het verbod van artikel 38, eerste lid, van toepassing is, naar het oordeel van de Bank zodanig is dat te voorzien is dat de kredietinstelling haar verplichtingen ter zake van de door haar verkregen gelden niet of slechts ten dele kan nakomen, kan de rechtbank, binnen wier rechtsgebied de kredietinstelling dan wel het bijkantoor is gevestigd, op verzoek van de Bank verklaren dat de kredietinstelling verkeert in een toestand, welke in het belang van de gezamenlijke schuldeisers bijzondere voorziening behoeft.

3. De Bank zendt een afschrift van het verzoekschrift aan de betrokken kredietinstelling en, in voorkomend geval, het bijkantoor en geeft kennis van de inhoud van het verzoekschrift aan:

a. indien het een in Nederland gevestigde kredietinstelling betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de Lid-Staten van ontvangst;

b. indien het een buiten de Unie gevestigde kredietinstelling betreft, de toezichthoudende autoriteiten van de andere Lid-Staten waarheen zij diensten verricht vanuit een bijkantoor in Nederland.

4. De rechtbank behandelt het verzoek met de meeste spoed.

5. De rechtbank is bevoegd inzage te nemen of te doen nemen door deskundigen, daartoe door haar aangewezen, van zakelijke gegevens en bescheiden van de betrokken kredietinstelling dan wel bijkantoor. De artikelen 53 en 62, eerste tot en met derde lid, zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

6. De rechtbank geeft geen beschikking dan nadat de kredietinstelling dan wel het bijkantoor en de Bank zijn gehoord, althans behoorlijk opgeroepen.

7. Indien het verzoek wordt toegewezen, bevat de beschikking van de rechtbank de benoeming van een van haar leden of van de leden van een andere rechtbank tot rechter-commissaris en de benoeming van een of meer bewindvoerders. De Bank kan voor de benoeming van de bewindvoerder of bewindvoerders voordrachten doen.

8. Indien het verzoek wordt toegewezen, wordt de beschikking op een openbare terechtzitting uitgesproken en wordt een uittreksel ervan onverwijld door de bewindvoerders bekendgemaakt in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat van ontvangst. Het uittreksel vermeldt naam en woonplaats van de kredietinstelling en, indien aanwezig, het bijkantoor in Nederland van een buiten de Unie gevestigde kredietinstelling, en de woonplaats of het kantoor van de bewindvoerders alsmede de datum van de beschikking. In de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie en de twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat wordt daarenboven vermeld dat op de noodregeling, behoudens uitzonderingen, Nederlands recht van toepassing is, alsmede de uiterste datum waarop tegen de beslissing beroep in cassatie bij de Hoge Raad kan worden ingesteld met vermelding van het volledige adres van de Hoge Raad, het onderwerp van de beslissing en de rechtsgrondslag. De publicatie in de landelijke dagbladen geschiedt in de officiŽle taal of talen van de betrokken lidstaat. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, terugwerkend tot aan het begin van de dag waarop zij is uitgesproken, niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening.

9. In afwijking van de laatste volzin van het achtste lid, werkt de beschikking, bedoeld in het eerste of het tweede lid, niet terug ten aanzien van een door een kredietinstelling voor het tijdstip waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven:

a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening, of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onderdeel b van de Faillissementswet;

b. gesloten financiŽlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een overdracht of vestiging van een pandrecht op grond daarvan, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren.

10. De laatste volzin van het achtste lid en artikel 72, eerste lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een kredietinstelling, na het tijdstip waarop de rechtbank de in het eerste of het tweede lid bedoelde beschikking heeft gegeven:

a. gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening, of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, indien de opdracht in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onder b, van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd op de dag waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven en de centrale tegenpartij, de afwikkelende instantie of het verrekeningsinstituut, bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, kan aantonen dat deze ten tijde van de uitvoering van de opdracht niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking;

b. gesloten financiŽlezekerheidsovereenkomst als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of enige uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om die overeenkomst volledig uit te voeren, indien de zekerheidsnemer kan aantonen dat deze ten tijde van het sluiten van die overeenkomst niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.

11. De laatste volzin van het achtste lid en artikel 72, eerste lid, kunnen niet aan derden worden tegengeworpen ten aanzien van een door een kredietinstelling, na het tijdstip waarop de rechtbank de in het eerste of het tweede lid, bedoelde beschikking heeft gegeven, gegeven overboekingsopdracht, opdracht tot verrekening of enige uit een dergelijke opdracht voortvloeiende betaling, levering, verrekening of andere rechtshandeling die benodigd is om de opdracht volledig uit te voeren, indien de opdracht in een systeem als bedoeld in artikel 212a, onder b van de Faillissementswet, wordt uitgevoerd op de dag waarop de rechtbank de beschikking heeft gegeven en de centrale tegenpartij, de afwikkelende instantie of het verrekeningsinstituut, bedoeld in artikel 212a van de Faillissementswet, kan aantonen dat deze ten tijde van de uitvoering van de opdracht niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de door de rechtbank gegeven beschikking.

12. Het negende en het elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning en op de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in het tiende lid.

13. De griffier van de rechtbank stelt de Bank onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Bank stelt daarna onverwijld de door Onze minister op grond van artikel 212d van de Faillissementswet aangewezen systemen, alsmede de bevoegde autoriteiten van de overige Lid-Staten in kennis van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval.

14. De bewindvoerders geven van de beschikking, bedoeld in het zevende lid, onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis.

15. Wanneer het verzoek aanhangig is tegelijk met een verzoek of vordering tot faillietverklaring - eigen aangifte daaronder begrepen -, wordt de behandeling van het verzoek of de vordering tot faillietverklaring geschorst, totdat op het eerstgenoemde verzoek is beschikt. Wordt een verklaring als bedoeld in het eerste of tweede lid, gegeven, dan vervalt het verzoek of de vordering tot faillietverklaring van rechtswege.

16. Bij een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid, bepaalt de rechtbank de duur op ten hoogste anderhalf jaar. Voor het verstrijken van de gestelde termijn kan de Bank eenmaal of meermalen verlenging van de geldigheidsduur voor ten hoogste anderhalf jaar verzoeken. Het verzoek wordt behandeld op dezelfde wijze als een verzoek tot uitspreken van de verklaring. Zolang bij afloop van de geldigheidsduur van de verklaring op een verzoek tot verlenging nog niet is beschikt, blijft de verklaring gehandhaafd. Indien het verzoek tot verlenging wordt toegewezen, is het zevende lid van toepassing.

16. De bewindvoerders kunnen verzoeken dat de noodregel wordt ingeschreven in een openbaar register in een andere Lid-Staat.

17. De kosten van inschrijving op de voet van het zestiende lid zijn boedelschuld.

Artikel 71a

Indien de rechtbank het noodzakelijk acht dat ten aanzien van een bijkantoor in Nederland van een in een andere lidstaat gevestigde kredietinstelling die krachtens artikel 31 in Nederland het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen, een saneringsmaatregel wordt vastgesteld, stelt de griffier van de rechtbank de Bank daarvan in kennis. De Bank stelt de bevoegde instanties van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

Artikel 72

1. De bewindvoerders oefenen bij uitsluiting alle bevoegdheden van de organen van de kredietinstelling uit.

2. De bewindvoerders waken voor de belangen der gezamenlijke schuldeisers.

3. De organen van de kredietinstelling zijn verplicht alle door de bewindvoerders gevraagde medewerking te verlenen.

4. Indien meer dan een bewindvoerder is benoemd, wordt voor de geldigheid van hun handelingen toestemming van de meerderheid of bij staking van stemmen een beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank vereist. De bewindvoerder, aan wie bij de beschikking van de rechtbank, bedoeld in artikel 71, zevende lid, een bepaalde werkkring is aangewezen, is binnen de grenzen daarvan zelfstandig tot handelen bevoegd.

5. De rechtbank kan te allen tijde een bewindvoerder, na hem en de Bank gehoord, althans behoorlijk opgeroepen te hebben, ontslaan en door een ander vervangen, of hem een of meer bewindvoerders toevoegen, een en ander op verzoek van hemzelf, de andere bewindvoerders, de Bank of een of meer schuldeisers dan wel ambtshalve.

6. De bewindvoerders brengen tijdens de uitoefening van hun bevoegdheden telkens na verloop van drie maanden alsmede na beŽindiging daarvan zo spoedig mogelijk verslag omtrent hun werkzaamheden uit aan de rechtbank.

7. Het loon van de deskundigen, aangewezen ingevolge artikel 71, vijfde lid, alsook het loon en de verschotten van de bewindvoerders worden bepaald door de rechtbank en vormen een boedelschuld.

Artikel 73

1. De rechtbank is bevoegd bij of na een verklaring als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, op verzoek van de Bank dan wel op verzoek van de bewindvoerders of van een of meer schuldeisers of ambtshalve, de Bank gehoord, zodanige regelingen te treffen, als zij ter beveiliging van de belangen der schuldeisers van de kredietinstelling nodig oordeelt.

2. Met betrekking tot beschikkingen van de rechter-commissaris, gegeven ter uitvoering van het toezicht op de overdracht onderscheidenlijk de liquidatie, zijn de artikelen 66 en 67, eerste lid, van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Het tweede lid van artikel 67 van die wet is van overeenkomstige toepassing voor zover de daarin opgesomde artikelen in artikel 76 van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Hetgeen in de genoemde artikelen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling.

Artikel 74

1. Een verklaring als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, heeft ten gevolge, dat de kredietinstelling niet kan worden genoodzaakt tot nakoming van haar verplichtingen; aangevangen executies worden geschorst; gelegde beslagen vervallen. Artikel 36 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing op de in de eerste volzin bedoelde verplichtingen. Voorts zijn de artikelen 63a tot en met 63c van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing, waarbij de aldaar genoemde bevoegdheden van de rechter-commissaris worden uitgeoefend door de rechtbank, indien niet op de voet van artikel 73, tweede lid, een rechter-commissaris is benoemd. Hetgeen in de artikelen 63a tot en met 63c van de Faillissementswet is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde is van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 76 geldt het bij het eerste lid bepaalde niet ten aanzien van vorderingen welke voortvloeien uit handelingen, met de kredietinstelling dan wel het bijkantoor na de verklaring verricht, noch voor vorderingen als bedoeld in artikel 232 van de Faillissementswet, noch voor vorderingen tot nakoming van financiŽlezekerheidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 51 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

3. Overigens zijn de artikelen 234 tot en met 241e van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 75

1. De rechtbank kan de bewindvoerders machtigen tot:

a. overdracht van de verbintenissen van de kredietinstelling welke zij in de uitoefening van haar bedrijf als kredietinstelling tot het ter beschikking krijgen van gelden heeft aangegaan, of van een deel daarvan;

b. gehele of gedeeltelijke liquidatie van het bedrijf van de kredietinstelling; of

c. zowel overdracht als bedoeld in onderdeel a als liquidatie als bedoeld in onderdeel b.

2. Indien bij overdracht van verbintenissen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a of c, de bedingen in de overeenkomsten, waaruit die verbintenissen voortvloeien, worden gewijzigd, hebben de bewindvoerders daartoe de bijzondere machtiging van de rechtbank nodig met dien verstande, dat de bedingen in de overeenkomsten, waaruit vorderingen voortvloeien als bedoeld in artikel 74, tweede lid, daarbij niet kunnen worden gewijzigd. De wijziging laat onverlet de uitkeringen die overeenkomstig artikel 76 zijn gedaan voor de dag van de indiening van het verzoek om de machtiging als bedoeld in het eerste lid.

3. Met betrekking tot de beschikkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is het bepaalde in artikel 71, zesde en achtste lid, eerste en tweede volzin, van overeenkomstige toepassing.

4. Zodra overdracht van verbintenissen heeft plaatsgevonden, maken bewindvoerders de overdracht en, ingeval de bedingen in de overeenkomsten zijn gewijzigd, deze wijzigingen openbaar door bekendmaking in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat van ontvangst.

5. De overdracht en de wijzigingen van de bedingen in de overeenkomsten worden alsdan van kracht ten aanzien van alle belanghebbenden met ingang van de dag, volgende op die van de dagtekening van de Staatscourant, waarin de bekendmaking is geplaatst.

6. Gedurende de liquidatie, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, regelt de rechtbank naar behoefte de bijzonderheden en gevolgen van de liquidatie, waaronder begrepen verkorting van de geldingsduur van lopende overeenkomsten, nadat zij daaromtrent het advies van de bewindvoerders en de Bank heeft ingewonnen.

7. Zodra de liquidatie is beŽindigd, doen de bewindvoerders daarvan mededeling in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in een of meer door de rechtbank aan te wijzen dagbladen.

Artikel 75a

1. Indien de machtiging strekt tot overdracht als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerders de machtiging worden uitgebreid tot een machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel c.

2. Op een voordracht of verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt niet beslist dan nadat de rechtbank de Bank in de gelegenheid heeft gesteld haar mening daaromtrent kenbaar te maken. De Bank maakt met de meeste spoed haar mening kenbaar.

3. Nadat de Bank haar mening ingevolge het tweede lid kenbaar heeft gemaakt, of indien zij niet van de in het tweede lid bedoelde gelegenheid gebruik heeft gemaakt, behandelt de rechtbank de voordracht of het verzoek met de meeste spoed op een niet openbare terechtzitting op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken, voor zover daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

4. Artikel 71, achtste tot en met veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 75b

Ten aanzien van een kredietinstelling die is gevestigd in een Staat die niet een Lid-Staat is, hebben de machtigingen betrekking op het vanuit haar bijkantoren in Nederland uitgeoefende bedrijf van kredietinstelling.

Artikel 76

1. De bewindvoerders kunnen uitkeringen doen op de vorderingen waarop artikel 74, eerste lid, van toepassing is, voor zover dit gelet op de liquiditeitspositie van de kredietinstelling verantwoord is te achten en mits is voldaan aan de volgende leden.

2. De bewindvoerders maken een staat op waaruit blijken de aard en het bedrag van de baten en schulden van de kredietinstelling, de namen en woonplaatsen van de schuldeisers alsmede het bedrag der vorderingen van iedere schuldeiser. Een door de bewindvoerders gewaarmerkt afschrift van deze staat wordt ter kosteloze inzage van een ieder ter griffie van de rechtbank nedergelegd.

3. Op verzoek van de bewindvoerders bepaalt de rechter-commissaris de dag waarop uiterlijk de vorderingen moeten worden ingediend, en voorts dag, uur en plaats waarop de verificatievergadering zal worden gehouden. Nadat de rechter-commissaris op het verzoek, bedoeld in de eerste volzin, heeft beslist, geven de bewindvoerders daarvan onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers schriftelijk kennis. Deze kennisgeving betreft in ieder geval tevens de gevolgen van het indienen van een vordering na het verstrijken van de termijn, bedoeld in de eerste volzin, de mededeling dat de vordering bij de bewindvoerders moet worden ingediend, met, in het voorkomende geval, de opgave dat op een voorrecht of goederenrechtelijk recht aanspraak wordt gemaakt. De bewindvoerders doen tevens aankondiging van de beschikkingen in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat van ontvangst. Vanaf de dag waarop de eerste aankondiging heeft plaatsgevonden vallen de vorderingen die bevoorrecht zijn hetzij op zekere bepaalde goederen van de kredietinstelling of, in geval van een bijkantoor in Nederland van een in een Staat die niet een Lid-Staat is gevestigde kredietinstelling, op goederen in Nederland, hetzij op al zijn goederen onderscheidenlijk de goederen in Nederland, onder de werking van artikel 74, eerste lid. De artikelen 110 tot en met 113 Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen is bepaald met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing is op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling dan wel, in geval van een bijkantoor van een in een Staat die niet een Lid-Staat is gevestigde kredietinstelling, het bijkantoor.

4. Een afschrift van de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen en van de lijst van betwiste vorderingen wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank nedergelegd om aldaar gedurende veertien dagen voorafgaande aan de verificatievergadering kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen. De bewindvoerders geven alle bekende schuldeisers voor het begin van deze periode schriftelijk van de nederlegging bericht waarbij zij een nadere oproeping tot de verificatievergadering voegen. Voorts doen de bewindvoerders van de nederlegging mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in ten minste twee door de rechter-commissaris aan te wijzen Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat van ontvangst.

5. Met betrekking tot de verificatie zijn de artikelen 59, 119 tot en met 122, 123 tot en met 127, 129, 132 tot en met 137, 260, eerste lid, 261 en het eerste en derde lid van artikel 262 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing. Daarbij zijn de bepalingen met betrekking tot de curator onderscheidenlijk de gefailleerde van toepassing op de bewindvoerders onderscheidenlijk de kredietinstelling. In afwijking van de in artikel 127, eerste lid, van de Faillissementswet genoemde termijn geldt de termijn die ingevolge het derde lid van dit artikel voor de indiening van vorderingen is bepaald. De vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, worden geverifieerd voor de waarde welke zij hebben op het tijdstip waarop deze vorderingen opeisbaar worden, met dien verstande dat dit ten aanzien van vorderingen welke vallen onder de werking van artikel 75, eerste lid, slechts geldt voor zover deze bepaling niet reeds op deze vorderingen is toegepast.

6. De bestuurders van een kredietinstelling dan wel degenen die de feitelijke leiding hebben over het bijkantoor wonen de verificatievergadering bij teneinde daar alle inlichtingen over de oorzaken van de in artikel 71, eerste of tweede lid, bedoelde toestand en de staat van de boedel te geven die hun door de rechter-commissaris worden gevraagd. De schuldeisers kunnen de rechter-commissaris verzoeken omtrent bepaalde door hen op te geven punten inlichtingen aan de bestuurders dan wel de feitelijke leidinggevenden te vragen. De vragen aan de bestuurders dan wel de feitelijke leidinggevenden gesteld en de door hen gegeven antwoorden worden in het proces-verbaal opgetekend. In afwijking van het bepaalde in artikel 121, vierde lid, van de Faillissementswet levert het proces-verbaal van de verificatievergadering ten aanzien van de verbintenissen van de kredietinstelling welke ingevolge artikel 75 worden overgedragen slechts kracht van gewijsde op voor zover de desbetreffende bedingen niet worden gewijzigd.

7. Na de verificatie van de schuldvorderingen maken de bewindvoerders een uitdelingslijst op. Zij onderwerpen die aan de goedkeuring van de rechter-commissaris. De lijst houdt in een staat van ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen het loon van de bewindvoerders, de namen van de schuldeisers, en voorts het geverifieerde bedrag van ieders vordering en de daarop te ontvangen uitkering. De artikelen 180, tweede lid, 181 en 182, eerste lid, van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing. Onverminderd het bepaalde in het tiende lid is artikel 233 van die wet eveneens van overeenkomstige toepassing.

8. Bij het opmaken van de uitdelingslijst wordt met betrekking tot de vorderingen die zijn betwist of waarvan de voorrang is betwist of die voorwaardelijk zijn toegelaten een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.

9. De door de rechter-commissaris goedgekeurde uitdelingslijst wordt door de bewindvoerders ter griffie van de rechtbank nedergelegd om aldaar gedurende veertien dagen kosteloos voor de schuldeisers ter inzage te liggen. De bewindvoerders doen van de nederlegging mededeling in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat van ontvangst. Voorts geven de bewindvoerders aan ieder der erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers schriftelijk van de nederlegging kennis, onder vermelding van het voor hem uitgetrokken bedrag. De artikelen 184 tot en met 186, 187, eerste, tweede en derde lid, 189 en 191 van de Faillissementswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat hetgeen daarin is bepaald met betrekking tot de curator van toepassing is op de bewindvoerders en dat in afwijking van de in artikel 184 bedoelde termijn geldt de in de eerste zin van dit lid genoemde termijn. Indien ten gevolge van het krachtens artikel 184 dan wel artikel 186 van de Faillissementswet gedane verzet een verificatiegeschil ontstaat, wordt ten aanzien van de vorderingen waarop dit verzet betrekking heeft, het achtste lid van dit artikel overeenkomstig toegepast, en kan vervolgens, nadat voor zoveel nodig tevens dienovereenkomstig wijziging van de overige in de ter inzage neergelegde lijst opgenomen uitkeringsbedragen heeft plaats gehad, met inachtneming van het overigens in dit artikel bepaalde, tot uitkering worden overgegaan. Indien het gedane verzet niet tot een verificatiegeschil leidt, kan met inachtneming van het bij de beschikking op het verzet bepaalde tot uitkering worden overgegaan zodra die beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

10. In afwijking van de laatste zin van het zevende lid kan op geverifieerde vorderingen welke opeisbaar worden op of na de datum van de beschikking als bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, voor zover artikel 75, eerste lid, niet reeds op deze vorderingen werd toegepast, een uitkering eerst worden gedaan zodra deze vorderingen opeisbaar zijn geworden. Tot dat tijdstip wordt een bedrag aan liquide middelen afgezonderd tot ten minste het beloop van het totaal van de bedragen die bij de toepassing van dit artikel op deze vorderingen zullen kunnen worden uitgekeerd, dan wel wordt deze uitkering op andere wijze zeker gesteld.

Artikel 76a

1. De bewindvoerders geven van een machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, onmiddellijk aan alle bekende schuldeisers kennis.

2. Elke schuldeiser kan in geval van een machtiging als bedoeld artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen bij de bewindvoerders.

Artikel 76b

1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 76a, eerste lid, aan een bekende schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een Lid-Staat, geschiedt in het Nederlands met een formulier dat in alle officiŽle talen van de Lid-Staten het opschrift draagt ęOproep tot indiening van opmerkingen betreffende schuldvorderingen. TermijnenĽ.

2. Elke schuldeiser met gewone verblijfplaats of woonplaats in een Lid-Staat kan zijn vordering en schriftelijke opmerkingen betreffende zijn vordering indienen in de officiŽle taal van die Lid-Staat met een verklaring als opschrift in de Nederlandse taal ęIndiening van een vorderingĽ onderscheidenlijk ęIndiening van opmerkingen betreffende een vorderingĽ.

3. De bewindvoerders kunnen een vertaling in het Nederlands van het stuk waarbij de vordering wordt ingediend en van de opmerkingen betreffende de vordering verlangen.

Artikel 76c

Indien een machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, is gegeven, stellen de bewindvoerders alle bekende schuldeisers regelmatig op passende wijze in kennis van in ieder geval het verloop van de noodregeling.

Artikel 76d

De rechter-commissaris houdt toezicht op de in artikel 75, eerste lid, bedoelde overdracht onderscheidenlijk liquidatie.

Artikel 76e

1. Indien een machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel b, is verleend, trekt de Bank de vergunning in op het tijdstip waarop die machtiging is verleend, of zo spoedig mogelijk daarna, voor zover de kredietinstelling onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip nog een vergunning heeft.

2. Indien een machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel c, is verleend, trekt de Bank de vergunning in op het tijdstip waarop tijdens de noodregeling voor de eerste keer activa van de kredietinstelling te gelde worden gemaakt met het oogmerk de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers, aandeelhouders of leden, of zo spoedig mogelijk na bedoeld tijdstip, voor zover de kredietinstelling onmiddellijk voorafgaand aan het voor de eerste keer te gelde maken nog een vergunning heeft. De bewindvoerder stelt de Bank in kennis van het voor de eerste keer te gelde maken van de activa, zo mogelijk voorafgaand aan het te gelde maken, of anders onverwijld daarna, tenzij de vergunning reeds is ingetrokken.

Artikel 76f

1. Artikel 52 van de Faillissementswet is van overeenkomstige toepassing.

2. In afwijking van het eerste lid, bevrijdt voldoening na de bekendmaking van de vaststelling van de noodregeling van een kredietinstelling die geen natuurlijk persoon is tegenover de boedel indien degene die haar deed, bewijst dat hij niet bekend was met de vaststelling van de noodregeling.

Artikel 77 [Vervallen per 15-05-2005]

Artikel 77a [Vervallen per 15-05-2005]

Artikel 78

De rechtbank kan op verzoek van de bewindvoerders of ambtshalve de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, intrekken. Artikel 71, zesde en achtste lid, is alsdan van overeenkomstige toepassing.

Artikel 79

Door de bekendmaking, bedoeld in artikel 75, vierde lid, indien deze bekendmaking betrekking had op alle verbintenissen van de kredietinstelling, artikel 75, zevende lid, of artikel 78 dan wel artikel 212o, eerste lid, van de Faillissementswet, vervallen van rechtswege de bevoegdheden, welke de bewindvoerders ingevolge de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, hadden verkregen.

Artikel 80

Tegen beschikkingen van de rechtbank ingevolge de artikelen 71, eerste of tweede lid, en 75, eerste en tweede lid, staat geen hoger beroep open. Beroep in cassatie tegen deze beschikkingen moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de dag van uitspraak. De behandeling heeft in raadkamer plaats en geschiedt met de grootste spoed. Het arrest wordt op een openbare terechtzitting uitgesproken en de zakelijke inhoud ervan wordt door de bewindvoerders in de Staatscourant, het Publicatieblad van de Europese Unie, alsmede in twee Nederlandse dagbladen en twee landelijke dagbladen van iedere Lid-Staat van ontvangst bekendgemaakt.

Afdeling 2. Bepalingen van internationaal privaatrecht

Artikel 80a

1. Een in een andere Lid-Staat van herkomst dan Nederland genomen beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel wordt van rechtswege erkend.

2. De beslissing heeft rechtsgevolgen binnen Nederland vanaf het tijdstip dat zij rechtsgevolgen heeft in de Lid-Staat van herkomst.

Artikel 80b

De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel, de saneringsmaatregel zelf en de rechtsgevolgen van de saneringsmaatregel worden beheerst door het recht van de Lid-Staat waar de saneringsmaatregel is vastgesteld, tenzij de wet anders bepaalt.

Artikel 80c

1. De beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel laat onverlet het goederenrechtelijke recht van een schuldeiser of een derde op een goed of goederen, zowel bepaalde goederen als gehelen met een wisselende samenstelling van onbepaalde goederen, die toebehoren aan de kredietinstelling en die zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel rechtsgevolgen heeft, bevinden op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van herkomst.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder goederenrechtelijk recht in ieder geval verstaan:

a. het recht een goed te gelde te maken of te laten maken en te worden voldaan uit de opbrengst van of de inkomsten uit het goed, in het bijzonder op grond van een recht van pand of recht van hypotheek;

b. het uitsluitende recht een vordering te innen, in het bijzonder op grond van een pandrecht op de vordering of op grond van een cessie tot zekerheid van de vordering;

c. het recht om een goed van een ieder die het zonder recht houdt op te eisen, van dat goed afgifte te verlangen of van dat goed een ongestoord genot te verlangen;

d. het goederenrechtelijke recht om van een goed de vruchten te trekken.

3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met een goederenrechtelijk recht gelijkgesteld het in een openbaar register ingeschreven recht tot verkrijging van een goederenrechtelijk recht als bedoeld in het eerste lid dat aan derden kan worden tegengeworpen.

4. Voor de toepassing van dit artikel is de Lid-Staat waar een goed zich bevindt:

a. met betrekking tot registergoederen en rechten op registergoederen: de Lid-Staat onder het gezag waarvan het desbetreffende register wordt gehouden;

b. met betrekking tot zaken, voor zover niet vallend onder onderdeel a: de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de zaak zich bevindt;

c. met betrekking tot schuldvorderingen: de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de derde-schuldenaar is gevestigd.

Artikel 80d

1. Ingeval de kredietinstelling een zaak heeft gekocht, laat de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel onverlet de op een eigendomsvoorbehoud berustende rechten van de verkoper, indien de zaak waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel rechtsgevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van herkomst.

2. Ingeval de kredietinstelling een zaak heeft verkocht, is de beslissing tot vaststelling van een saneringsmaatregel geen grond voor ontbinding of beŽindiging van de overeenkomst tot verkoop, en belet de saneringsmaatregel de koper niet de eigendom van de gekochte zaak te verkrijgen, indien de zaak zich op het tijdstip waarop de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel gevolgen heeft, bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van herkomst.

3. Artikel 80c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 80e

Indien degene die zowel schuldeiser als schuldenaar is van de kredietinstelling bevoegd is zijn schuld te verrekenen met de vordering op de kredietinstelling op grond van het recht dat van toepassing is op de vordering van de kredietinstelling, laat de beslissing tot vaststelling van de saneringsmaatregel de bedoelde bevoegdheid onverlet.

Artikel 80f

De artikelen 80c tot en met 80e staan er niet aan in de weg dat een vordering wordt ingesteld tot nietigheid, vernietiging of het niet kunnen worden tegengeworpen van een rechtshandeling wegens de benadeling van het geheel van schuldeisers welke van die rechtshandeling het gevolg is.

Artikel 80g

In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor arbeidsovereenkomsten en andere rechtsverhoudingen ter zake van het verrichten van arbeid uitsluitend beheerst door het recht van de Lid-Staat dat op die overeenkomst of rechtsverhouding van toepassing is.

Artikel 80h

In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst die het recht geeft op het genot of de verkrijging van een onroerende zaak uitsluitend beheerst door het recht van Lid-Staat op het grondgebied waarvan de onroerende zaak is gelegen. Dit recht bepaalt of een zaak roerend dan wel onroerend is.

Artikel 80i

In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten van de kredietinstelling op een registergoed beheerst door het recht van de Lid-Staat onder het gezag waarvan het register wordt gehouden.

Artikel 80j

In afwijking van artikel 80b worden, onverminderd artikel 80p, de gevolgen van een saneringsmaatregel voor de rechten en verplichtingen van deelnemers aan een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1, onder 13, van richtlijn nr. 93/22/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (PbEG L 141) uitsluitend beheerst door het recht dat op die markt van toepassing is.

Artikel 80k

In afwijking van artikel 80b wordt de rechtsgeldigheid van een rechtshandeling, onder bezwarende titel aangegaan door de kredietinstelling na het tijdstip tot vaststelling van een saneringsmaatregel, waarmee zij beschikt over een registergoed, financiŽle instrumenten of rechten op financiŽle instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een wettelijk voorgeschreven register of op een wettelijk voorgeschreven rekening veronderstelt, of die zijn geplaatst in een door het recht van een Lid-Staat beheerst gecentraliseerd effectendepot, beheerst door het recht van de Lid-Staat onder het gezag waarvan het register, de rekening of het depot wordt gehouden dan wel, indien het een onroerende zaak betreft, door het recht van de Lid-Staat waar de onroerende zaak is gelegen.

Artikel 80l

In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van de saneringsmaatregel voor een aanhangige rechtsvordering betreffende een goed waarover de kredietinstelling het beheer en de beschikking heeft verloren, uitsluitend beheerst door het recht van de Lid-Staat waar het rechtsgeding aanhangig is.

Artikel 80m

Artikel 80b is niet van toepassing op regels betreffende de nietigheid, de vernietigbaarheid van voor het geheel van schuldeisers nadelige rechtshandelingen en evenmin op de regels die bepalen of dergelijke rechtshandelingen kunnen worden tegengeworpen, indien degene die voordeel heeft gehad bij die rechtshandeling bewijst dat:

a. die rechtshandeling wordt beheerst door het recht van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van herkomst; en

b. dat recht in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid dat die rechtshandeling wordt aangetast onderscheidenlijk niet kan worden tegengeworpen.

Artikel 80n

In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst tot verrekening als bedoeld in artikel 212a, onderdeel m, van de Faillissementswet uitsluitend beheerst door het recht dat van toepassing is op die overeenkomst.

Artikel 80o

In afwijking van artikel 80b worden, onverminderd artikel 80p, de gevolgen van een saneringsmaatregel voor een overeenkomst waarbij de ene partij, de koper, zich verbindt tot een latere overdracht van een gelijke hoeveelheid activa van dezelfde soort aan de verkoper, uitsluitend beheerst door het recht van de Lid-Staat dat van toepassing is op die overeenkomst.

Artikel 80p

In afwijking van artikel 80b worden de gevolgen van een saneringsmaatregel voor het uitoefenen van rechten op financiŽle instrumenten waarvan het bestaan of de overdracht inschrijving in een register, op een rekening of in een in een Lid-Staat bijgehouden of gesitueerd gecentraliseerd effectendepot veronderstelt, uitsluitend beheerst door het recht van de Lid-Staat waar het register, de rekening of het gecentraliseerde effectendepot waar deze rechten zijn ingeschreven, wordt bijgehouden of is gesitueerd.

Artikel 80q

1. Behoudens de bevoegdheid tot het aanwenden van een dwangmaatregel en de bevoegdheid tot het doen van een uitspraak in een geding of een geschil heeft de bewindvoerder uit een andere Lid-Staat van herkomst dan Nederland in Nederland de bevoegdheden die hij in de Lid-Staat van herkomst heeft. De wijze van uitoefenen van deze bevoegdheden in Nederland wordt beheerst door het Nederlandse recht.

2. De bewindvoerders kunnen personen aanwijzen om hen te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan.

3. Indien personen zijn aangewezen om de bewindvoerder te vertegenwoordigen of anderszins bij te staan, kunnen zij de bevoegdheden die zij hebben op grond van het recht van die Lid-Staat uitoefenen op het grondgebied van Nederland.

Artikel 80r

1. Voor het bewijs van aanwijzing van de bewindvoerder uit een andere Lid-Staat dan Nederland volstaat een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van het aanwijzingsbesluit of van ieder ander door de bevoegde instanties van de Lid-Staat gegeven schriftelijke verklaring.

2. De bewindvoerder uit een andere Lid-Staat dan Nederland toont op verlangen van een ieder tegenover wie hij zijn bevoegdheden wenst uit te oefenen een vertaling in de Nederlandse taal van het afschrift.

Artikel 80s

1. Op verzoek van een bewindvoerder uit een andere Lid-Staat dan Nederland worden de gegevens met betrekking tot een saneringsmaatregel, vastgesteld in een andere lid-staat dan Nederland, door de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Faillissementswet.

Hoofdstuk XI. Betrekkingen met derde landen

Artikel 81

1. Onze minister kan bepalen dat

a. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9, de Bank de behandeling van door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 voor een bepaalde termijn opschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 8, derde lid, dan wel dat de Bank slechts een door Onze minister te bepalen aantal door dochtermaatschappijen van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 6 zal verlenen; en

b. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 24 en 26 de behandeling van door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, voor een bepaalde termijn worden opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 26, vierde lid, dan wel dat slechts een door Onze minister te bepalen aantal door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen gevraagde verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24, eerste lid, zullen worden verleend; en

c. in afwijking van het bepaalde in artikel 30d de beslissing van de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, met dienovereenkomstige opschorting van de termijn als bedoeld in artikel 30d, derde lid, dan wel dat de Bank, nadat zij door in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 30d, eerste lid, slechts in een door Onze minister te bepalen aantal gevallen meedeelt dat geen bezwaar bestaat tegen het voornemen; en.

d. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 31 onderscheidenlijk 32 dan wel 32a het bepaalde in de artikelen 38 tot en met 44 onderscheidenlijk 82 van toepassing is op in een Staat, niet zijnde een Staat die lid is van de Unie, die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte gevestigde ondernemingen of instellingen die een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning verkrijgen en die dochtermaatschappij zijn van in een bepaalde Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde ondernemingen of instellingen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de bedoelde dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen tevens dochtermaatschappijen onderscheidenlijk gekwalificeerde deelnemingen zijn van in ťťn van de Lid-Staten gevestigde ondernemingen of instellingen die een voor het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning hebben verkregen.

3. De Bank doet onverwijld mededeling aan Onze minister van iedere aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, onder a, van iedere aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in het eerste lid, onder b, en van iedere inkennisstelling als bedoeld in het eerste lid, onder c.

4. Onze minister kan bepalen dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 9, de Bank voor bijkantoren in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstellingen gevraagde vergunningen als bedoeld in artikel 38, eerste lid weigert dan wel slechts verleent onder het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften met inachtneming van door Onze minister te stellen richtlijnen.

5. Indien een bijkantoor in Nederland van een in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigde kredietinstelling als bedoeld in het tweede lid die een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid onder het stellen van beperkingen dan wel het verbinden van voorschriften heeft verkregen, een handeling verricht zonder dat alle bij die vergunning gestelde beperkingen respectievelijk alle aan de vergunning verbonden voorschriften zijn nagekomen, is die kredietinstelling gehouden binnen een door de Bank te stellen termijn de verrichte handeling ongedaan te maken of aan de niet nagekomen beperkingen alsnog te voldoen respectievelijk de niet nagekomen voorschriften alsnog te vervullen.

6. Een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid kan door de Bank worden ingetrokken indien niet binnen de door de Bank gestelde termijn aan het bepaalde in het vijfde lid is voldaan. Alsdan is artikel 15 tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 81a

1. Indien de verklaring, bedoeld in artikel 71, eerste of tweede lid, betrekking heeft op een kredietinstelling die is gevestigd in een Staat die geen Lid-Staat is en geen machtiging als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel b of c, is gegeven, stelt de griffier van de rechtbank de Bank onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Bank stelt daarna onverwijld de bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten waar de kredietinstelling een bijkantoor heeft in kennis van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Bank stelt de bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten van de Unie in kennis van de beschikking en van de beŽindiging van de noodregeling, bedoeld in hoofdstuk X.

2. Indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreffende een kredietinstelling die is gevestigd in een Staat die geen Lid-Staat is en de bewindvoerder overgaat tot liquidatie, alsmede indien een machtiging is gegeven als bedoeld in artikel 75, eerste lid, aanhef en onderdeel c, stelt de griffier van de rechtbank de Bank onverwijld in kennis van de inhoud van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Bank stelt daarna onverwijld de bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten waar de kredietinstelling een bijkantoor heeft in kennis van de beschikking, alsmede van de mogelijke gevolgen daarvan in het desbetreffende geval. De Bank stelt de bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten in kennis van de beschikking en van de beŽindiging van de noodregeling.

3. Indien een vergunning als bedoeld in artikel 31 overeenkomstig artikel 76e, eerste of tweede lid, wordt ingetrokken, stelt de Bank de bevoegde autoriteiten van de andere Lid-Staten waar de kredietinstelling een bijkantoor heeft in kennis van die intrekking.

Artikel 81b

1. Indien een kredietinstelling die is gevestigd in een Staat die geen Lid-Staat is een bijkantoor heeft in Nederland en een of meer bijkantoren in andere Lid-Staten, trachten zowel de rechtbank als de Bank hun optreden te coŲrdineren met de bevoegde instanties onderscheidenlijk de toezichthoudende autoriteiten van die andere lidstaten.

2. In het in het eerste lid bedoelde geval trachten de in Nederland benoemde bewindvoerders hun optreden te coŲrdineren met de bewindvoerders in de andere Lid-Staten waarin aan de kredietinstelling een vergunning is verleend.

Hoofdstuk XII. Bijzondere bepalingen

ß 1. Verbod op het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van het publiek

Artikel 82

1. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden.

2. De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op:

a. ondernemingen en instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, welke ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, b, c of d, zijn geregistreerd;

b. de Bank;

c. de Lid-Staten, alsmede de regionale of locale overheden van de Lid-Staten; en

d. internationaal publiekrechtelijke instellingen waarin of waaraan ťťn of meer Lid-Staten deelnemen.

3. Bij ministeriŽle regeling kan vrijstelling worden verleend van de in het eerste lid genoemde verboden, indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen naar het oordeel van Onze minister anderszins voldoende worden beschermd. Aan een vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

4. De Bank kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verboden, indien de belangen die deze wet beoogt te beschermen naar haar oordeel anderszins voldoende worden beschermd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van het verlenen van de ontheffing. Daarbij kunnen regels worden gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen. Aan een ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

ß 2. Bescherming van het woord "bank"

Artikel 83

1. Aan ondernemingen en instellingen, die niet ingevolge artikel 52, tweede lid, zijn geregistreerd, is het verboden het woord "bank" of vertalingen of vormen daarvan te bezigen in hun naam of bij de uitoefening van hun bedrijf, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt, dat daaruit duidelijk blijkt, dat de desbetreffende onderneming of instelling niet werkzaam is op financiŽle markten.

2. Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing op:

a. de Bank;

b. de representatieve organisaties; en

c. iedere in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die van de toezichthoudende autoriteit van die andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning heeft verkregen.

3. Onze Minister kan vrijstelling verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod. Onze Minister kan aan de vrijstelling beperkingen stellen of voorschriften verbinden.

4. De Bank kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod. De Bank kan aan de ontheffing beperkingen stellen of voorschriften verbinden.

ß 3. Collectieve garantieregeling

Artikel 84

1. De Bank pleegt overleg met de betrokken representatieve organisaties over de invoering van een regeling omtrent een garantie voor nader te bepalen schuldvorderingen van natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen tot een nader te bepalen maximum op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, zijn geregistreerd, tegen het risico, dat een zodanige onderneming of instelling haar verplichtingen met betrekking tot die schuldvorderingen niet nakomt.

2. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid leidt tot overeenstemming tussen de Bank en alle betrokken representatieve organisaties, worden bepaald, dat de kredietinstellingen bedoeld in het eerste lid alsmede de instellingen die gebruik maken van de vrijstelling bedoeld in artikel 12 van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135) verplicht zijn aan de uitvoering van die regeling mede te werken.

3. Onze Minister kan besluiten dat een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder b, is geregistreerd, verplicht is aan de uitvoering van de regeling bedoeld in het eerste lid mee te werken, indien de Bank van oordeel is dat voor de schuldvorderingen op die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į geen garantieregeling van toepassing is, welke gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135).

4. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid niet binnen een door Onze minister te bepalen termijn leidt tot overeenstemming, dan wel indien de regeling, waaromtrent overeenstemming is bereikt, niet de instemming van Onze minister heeft, een regeling als bedoeld in het eerste lid worden ingevoerd, nadat de Bank, de Bankraad en de betrokken representatieve organisaties in de gelegenheid zijn gesteld hun gevoelen omtrent de inhoud van de in te voeren regeling kenbaar te maken.

5. Binnen twee maanden, nadat een regeling krachtens het vierde lid is ingevoerd, wordt door Ons een voorstel aan de Staten-Generaal gedaan om deze regeling bij de wet te bekrachtigen. Indien het voorstel door een van beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt deze regeling terstond ingetrokken. Van de intrekking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

6. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde, onderscheidenlijk vierde en vijfde lid is mede van toepassing op wijziging en intrekking van een garantieregeling, tot stand gekomen met inachtneming van die bepalingen.

ß 4. Minimumconditieregeling

Artikel 85

Bij koninklijk besluit kunnen, nadat de Bank daarover advies heeft uitgebracht, aan kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a of b, zijn geregistreerd voorschriften worden gegeven omtrent de rente en de overige voorwaarden die zij met betrekking tot de direct opvraagbare tegoeden van natuurlijke personen, verenigingen en stichtingen in acht moeten nemen.

Paragraaf 5. Verstrekking van informatie aan het publiek

Artikel 85a

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot aan het publiek te verstrekken informatie door kredietinstellingen en financiŽle instellingen die zijn geregistreerd ingevolge artikel 52, tweede lid.

2. Onze minister kan, op aanvraag, bepalen dat een kredietinstelling of een financiŽle instelling niet behoeft te voldoen aan alle in het eerste lid bedoelde regels indien de kredietinstelling of de financiŽle instelling aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. Onze minister kan een besluit als bedoeld in de vorige volzin wijzigen of intrekken indien naar zijn oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze wet beoogt te bereiken niet langer worden bereikt.

3. Onze minister is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Taken en bevoegdheden die Onze minister op grond van dit artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen;

b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo veel mogelijk is gewaarborgd.

6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Paragraaf 6. Omwisseling elektronisch geld

Artikel 85b

1. Een kredietinstelling wisselt, op verzoek van een houder van elektronisch geld het elektronisch geld om door middel van uitbetaling van het elektronische geld in munten of bankbiljetten of door storting op een rekening, waarbij uitsluitend de voor de omwisseling noodzakelijke kosten mogen worden berekend.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de omwisseling, bedoeld in het eerste lid.

3. Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit artikel bepaalde. De artikelen 53 en 54 zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Taken en bevoegdheden die Onze Minister op grond van dit artikel heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit artikel jegens Onze Minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden naar behoren te vervullen;

b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke vervulling van de in het vierde lid bedoelde taken en bevoegdheden zo veel mogelijk is gewaarborgd.

6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

ß 7. Kosten van de toezichttaken

Artikel 86

Kosten, die zijn verbonden aan de uitvoering van deze wet en de krachtens deze wet genomen besluiten, kunnen overeenkomstig door Onze minister goed te keuren regelen op de betrokken ondernemingen en instellingen worden verhaald.

ß 8. Publicaties en verslagen

Artikel 87

1. De Bank doet periodiek in de Staatscourant mededeling van de voornaamste gegevens, voorkomende in de stukken en staten, bedoeld in de artikelen 30, 37, 44 en 55.

2. Zonder schriftelijke toestemming van de hierbij betrokkenen worden gegevens met betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en instellingen niet gepubliceerd.

Artikel 88

De Bank brengt jaarlijks aan Onze minister verslag uit over de uitvoering van deze wet en van de krachtens deze wet genomen besluiten. Dit verslag wordt door de zorg van de Bank gepubliceerd, behoudens het gedeelte van het verslag, handelende over de uitvoering van de artikelen 10, vijfde lid, 11, vijfde lid, 14, 28, 29, 30, derde lid, 30e, 35 en 42, met dien verstande dat zonder schriftelijke toestemming van de bij het te publiceren gedeelte van het verslag betrokkenen gegevens met betrekking tot afzonderlijke ondernemingen en instellingen niet gepubliceerd worden.

ß 9. Aanwijzingsrecht van de minister van FinanciŽn

Artikel 89 [Vervallen per 01-01-1999]

ß 10. Advisering door de Bank

Artikel 89a

1. Indien onze minister de Bank advies vraagt over een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, 31, vierde lid, 32, derde lid, 38, derde lid, 38a, tweede lid, 82, derde lid, of 83, derde lid, is de Bank verplicht het advies uit te brengen.

2. De Bank verstrekt Onze Minister desgevraagd de inlichtingen die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens, voor zover deze betrekking hebben op het kredietwezen.

Hoofdstuk XIII. Beroep

Artikel 90

1. In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroepen tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd

2. Ingeval beroep wordt ingesteld tegen besluiten, genomen ter uitvoering van de artikelen 14, 26, eerste lid, 28, 29, 30e, 35 of 90a, eerste lid, zal de terechtzitting worden gehouden met gesloten deuren. De uitspraak wordt alsdan medegedeeld aan de verzoeker en de Bank onderscheidenlijk Onze minister.

Hoofdstuk XIIIA. Onderzoek door onze minister

Artikel 90a

1. Onze minister is bevoegd aan de Bank de gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Bank deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het bedrijfseconomisch toezicht nodig blijkt.

2. De Bank is verplicht aan Onze minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen te verstrekken. Indien Onze minister de Bank vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken die onder artikel 64, eerste en tweede lid, vallen, is de Bank niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te verstrekken, indien:

a. deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke rechtspersoon, vennootschap of natuurlijke persoon, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke kredietinstelling die een vergunning als bedoeld in artikel 6 of artikel 38 heeft verkregen of een financiŽle instelling die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 45, eerste lid, heeft verkregen of waarvan die vergunning onderscheidenlijk die verklaring is ingetrokken of vervallen, en ten aanzien waarvan overeenkomstig artikel 71 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;

b. deze betrekking hebben op ondernemingen of instellingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een kredietinstelling of financiŽle instelling in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of

c. deze zijn ontvangen van een instantie als bedoeld in artikel 65, eerste lid, of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde instelling, tenzij de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die instantie onderscheidenlijk van de toezichthoudende autoriteit van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

3. Onze minister is bevoegd een derde op te dragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze minister mag de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend gebruiken voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de Bank deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin, ontvangen gegevens of inlichtingen. Artikel 64 is van toepassing.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur, de Wet Nationale ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.

Hoofdstuk XIII B. Dwangsom en bestuurlijke boete

Artikel 90b

1. Onze Minister of de Bank kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 7, 7a, eerste en tweede lid, 7b, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11, eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 14, eerste, tweede, zevende, achtste en negende lid, 15, vijfde lid, 16, zesde en achtste lid, 16a, zesde lid, 20, eerste lid, tweede lid, vierde volzin, en vierde lid, tweede volzin, 21, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22a, 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25, eerste lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, eerste en tweede lid, 30b, eerste lid, 30c, eerste lid, 30ca, eerste lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid, onder a, tweede, derde en vierde lid, 32a onder a, 36, 37, 38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid, 43, 44, 50, eerste lid, 51, 54, tweede lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 55, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 56a, 57, 58, eerste en tweede lid, 61, derde lid, eerste volzin, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 66, tweede lid, 66a, tweede lid, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste en zevende lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede, derde en vierde lid, 85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.

2. De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, en 5:33 tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.

3. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een last onder dwangsom worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen.

5. Een overdracht als bedoeld in het vierde lid vindt slechts plaats indien de betrokken rechtspersoon aan de volgende vereisten voldoet:

a. hij dient in staat te zijn de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid naar behoren uit te oefenen;

b. de voorwaarden dienen aanwezig te zijn voor een zodanige besluitvorming binnen de rechtspersoon dat een onafhankelijke uitoefening van de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid is gewaarborgd.

6. Aan de overdracht, bedoeld in het vierde lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden.

Artikel 90c

1. Onze Minister of de Bank kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste lid, 6, eerste, tweede en derde lid, 7, 7a, eerste en tweede lid, 7b, 10, eerste tot en met vijfde lid, 11, eerste en vijfde lid, 12, tweede lid, 13, 14, eerste, tweede, zevende, achtste en negende lid, 15, vijfde lid, 16, eerste, tweede, vijfde, zesde en achtste lid, 16a, eerste, tweede, vijfde, en zesde lid, 16b, eerste, tweede en derde lid, 16c, eerste, tweede en vierde lid, 17, eerste en tweede lid, 20, eerste lid, tweede lid, vierde volzin, en vierde lid, tweede volzin, 21, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22, eerste en tweede lid, vierde volzin, 22a, 23, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 24, eerste, derde, vierde en zesde lid, 25, eerste lid, 25a, tweede en derde lid, 26, achtste lid, 27, eerste en tweede lid, 28, tweede lid en vijfde lid, onder a, 29, tweede lid, 30, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 30b, eerste lid, 30c, eerste lid, 30ca, eerste lid, 30d, eerste, tweede en vierde lid, 31, eerste lid, onder a, tweede, vierde en vijfde lid, 32, eerste lid, onder a, onder b, tweede, derde en vierde lid, 32a, onder a en onder b, 36, 37, 38, eerste, tweede, derde en vierde lid, 38a, eerste, tweede en derde lid, 43, 44, 48, eerste, tweede en vijfde lid, 49, eerste en tweede lid, 50, eerste en tweede lid, 51, 54, tweede lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden, 55, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 56, eerste, tweede en derde lid, 56a, 57, 58, eerste en tweede lid, 61, derde lid, eerste volzin, 62, eerste, tweede en derde lid, 63, 66, tweede lid, 66a, tweede lid, 69, 72, derde lid, 81, vijfde lid, 82, eerste, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 83, eerste en vierde lid, 84, tweede, derde en vierde lid, 85, 85a, eerste lid, en 85b, eerste lid, voor zover zij zijn belast met de uitvoering van het toezicht ter zake van die artikelen.

2. De bestuurlijke boete komt toe aan de Staat indien deze door de Minister van FinanciŽn is opgelegd, of aan de Bank indien deze door haar is opgelegd.

3. Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het opleggen van een bestuurlijke boete worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van deze wet jegens Onze minister als verplichtingen jegens de desbetreffende rechtspersoon of rechtspersonen. Het vijfde en zesde lid van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 90d

1. Het bedrag van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de boete voor een afzonderlijke overtreding ten hoogste Ä 900 000 bedraagt.

2. De bijlage bepaalt bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete.

3. De bijlage kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd.

4. Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, kan het bedrag van de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog is.

5. In afwijking van het eerste lid worden de bedragen van de boetes terzake van overtreding van de afzonderlijke regels, gesteld bij de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in de artikelen 22a, 30ca, 57, 85a en 85b, bepaald op de wijze als voorzien in die algemene maatregel van bestuur. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 90e

Degene jegens wie door Onze Minister, dan wel door de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 90f

1. Indien Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, voornemens is een boete op te leggen, geeft hij, dan wel de Bank, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, tenzij het een overtreding betreft die in de bijlage, bedoeld in artikel 90d, is aangewezen.

Artikel 90g

1. Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, legt de boete op bij beschikking.

2. De beschikking vermeldt in ieder geval:

a. het feit terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift;

b. het bedrag van de boete en de gegevens op basis waarvan dit bedrag is bepaald; en

c. de termijn, bedoeld in artikel 90i, eerste lid, waarbinnen de boete moet worden betaald.

Artikel 90h

1. De werking van de beschikking tot oplegging van een boete wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de werking van de beschikking tot oplegging van een boete voor een overtreding die op grond van artikel 90f, tweede lid, is aangewezen, opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.

Artikel 90i

1. De boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd.

2. De boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken, tenzij het een overtreding betreft die op grond van artikel 90f, tweede lid, is aangewezen.

3. Indien de boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd, schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat de boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd.

4. Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd, de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen.

5. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

6. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de staat, dan wel de Bank indien zij de boete heeft opgelegd.

7. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist.

8. Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Artikel 90j

1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt indien ter zake van de overtreding een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding als bedoeld in artikel 90c vervalt, indien Onze Minister, dan wel de Bank voor zover zij bevoegd is een boete op te leggen, ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd.

Artikel 90k

1. De bevoegdheid een boete op te leggen vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan.

2. De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een boete wordt opgelegd.

Artikel 90l

De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Artikel 90m

1. Met het oog op de belangen van crediteuren, kunnen Onze Minister en de Bank, onverminderd artikel 64, eerste en tweede lid, het feit terzake waarvan de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis brengen.

2. Onze Minister kan regels stellen ter zake van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan de bevoegdheid van Onze minister tot het ter openbare kennis brengen worden overgedragen aan een of meer rechtspersonen. Het vijfde en zesde lid van artikel 90b zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XIIIC. Openbaarmaking van overtredingen

Artikel 90n

1. De Bank kan, in afwijking van artikel 64, teneinde de naleving van deze wet te bevorderen ter openbare kennis brengen:

a. haar weigering om een aangevraagde vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar te verlenen, wanneer deze weigering niet meer in beroep kan worden getroffen en de aanvrager handelt als was hem de vergunning, ontheffing of verklaring van geen bezwaar verleend;

b. het feit dat een onderneming of instelling waarop naar haar oordeel het verbod, bedoeld in artikel 6 of artikel 38 van toepassing is, niet over een vergunning beschikt;

c. het feit dat een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling in strijd met artikel 31 door middel van een bijkantoor in Nederland het bedrijf van kredietinstelling uitoefent;

d. het feit dat een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling uitoefent in strijd met artikel 32 onderscheidenlijk artikel 32a door middel van het verrichten van diensten in Nederland al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek ter beschikking verkrijgt dan wel gelden ter beschikking krijgt in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven;

e. het feit dat een onderneming of instelling handelt in strijd met artikel 38a;

f. het feit dat een onderneming of instelling handelt in strijd met artikel 82;

g. het feit dat het woord ębankĽ of vertalingen of vormen daarvan worden gebezigd in strijd met artikel 83.

Artikel 90o

Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn handelen of nalaten op grond van artikel 90n ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 90p

1. De Bank geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. In aanvulling op artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht, is de Bank niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 90q

De beschikking om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval:

a. het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht;

b. de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en

c. de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 90r

Tenzij de bevordering van de naleving van deze wet geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 90s

In afwijking van artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt de beschikking in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking voor de duur van de beroepstermijn of, indien beroep is ingesteld, van het beroep wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen.

Artikel 90t

1. De bevoegdheid om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen vervalt indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2. Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 90n vervalt, indien de Bank het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht.

Artikel 90u

1. De bevoegdheid om op grond van artikel 90n een feit ter openbare kennis te brengen vervalt drie jaren na de dag waarop het feit heeft plaats gehad.

2. De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht.

Artikel 90v

De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 90n ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek.

Hoofdstuk XIV. Wijziging van andere wetten

Artikel 91

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 93

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 94

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 95

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 96

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 97

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 98

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 99

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 100

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 101

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 102

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 103

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 104

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 105

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 106

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 107

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 108

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 109

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 110

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 111

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 112

1. De vergunning die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255) is verleend dan wel op grond van artikel 62 van die wet of artikel 7 van de Postbankwet (Stb. 1985, 510) wordt geacht te zijn verleend aan een in Nederland gevestigde kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į, wordt geacht aan die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į te zijn verleend op grond van artikel 6.

2. De vergunning die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, op grond van artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen is verleend dan wel op grond van artikel 62 van die wet wordt geacht te zijn verleend aan een buiten de Unie dan wel in een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister op dat tijdstip een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, gevestigde onderneming of instelling die het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent, wordt geacht aan die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į te zijn verleend op grond van artikel 38, eerste lid.

3. De in een andere Lid-Staat, niet zijnde een Lid-Staat ten aanzien waarvan Onze minister een maatregel als bedoeld in artikel 33, eerste lid, heeft genomen, gevestigde onderneming of instelling die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet toezicht kredietwezen heeft verkregen dan wel op grond van artikel 62 van die wet geacht wordt te hebben verkregen, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onder b en c.

Artikel 112a

1. Een onderneming of instelling die op het tijdstip dat dit artikel in werking treedt, in Nederland het bedrijf van kredietinstelling, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, uitoefent, wordt geacht over een vergunning als bedoeld in artikel 6 te beschikken.

2. Een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, in Nederland door middel van een bijkantoor dan wel het verrichten van diensten het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, uitoefent, wordt geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 32a.

3. Een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste of tweede lid, meldt zich binnen ťťn maand na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt bij de Bank en verstrekt binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt aan de Bank alle gegevens die de Bank nodig heeft om te beoordelen of de onderneming of instelling voldoet aan deze wet.

4. Indien de Bank op grond van de gegevens waarvan zij ingevolge het derde lid kennis heeft genomen, van oordeel is dat de onderneming of instelling niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.

5. Indien een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste en het tweede lid, niet binnen zes maanden na het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, heeft voldaan aan het bepaalde in het derde lid zijn het eerste en het tweede lid niet langer van toepassing.

Artikel 112b

1. Indien een Lid-Staat richtlijn nr. 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomische toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PbEG L 275) en richtlijn nr. 2000/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 tot wijziging van richtlijn nr. 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PbEG L 275) niet of onvolledig heeft uitgevoerd, kan Onze minister, de Bank gehoord, bepalen dat voor in die Lid-Staat gevestigde ondernemingen of instellingen het tweede en derde lid gelden.

2. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, door middel van een bijkantoor in Nederland, in plaats van artikel 31, eerste lid, de artikelen 38 tot en met 44 van toepassing.

3. Op een onderneming of instelling als bedoeld in het eerste lid, is, met betrekking tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, door middel van het verrichten van diensten in Nederland, in plaats van artikel 32a, artikel 38a van toepassing.

4. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, door middel van een bijkantoor in Nederland uitoefent en die daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 31, eerste lid, onder b en c. De aan deze onderneming of instelling verleende vergunning als bedoeld in artikel 38, eerste lid, vervalt op dat tijdstip van rechtswege.

5. Met ingang van het tijdstip waarop de maatregel, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van een Lid-Staat wordt ingetrokken, wordt de in die Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die op dat tijdstip het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2į, door middel van het verrichten van diensten in Nederland uitoefent en die daarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 38a, derde lid, heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 32a. De aan deze onderneming of instelling verleende ontheffing als bedoeld in artikel artikel 38a, derde lid, vervalt op dat tijdstip van rechtswege.

Artikel 113

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 8 van de Wet toezicht kredietwezen wordt, voor zover deze ontheffing strekt, beschouwd als een ontheffing als bedoeld in artikel 12 tot een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 114

1. Een verklaring van geen bezwaar die is verleend op grond van artikel 25 van de Wet toezicht kredietwezen en die op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt niet is vervallen of ingetrokken, wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 26 voor de in de artikelen 23 en 24 genoemde handelingen die overeenkomen met de handelingen waarvoor de verklaring van geen bezwaar was verleend, met dien verstande dat voor zover die verklaring van geen bezwaar betrekking heeft op het verwerven of vergroten van een deelneming of het uitoefenen van zeggenschap die tevens wordt geacht te zijn verleend voor het houden van een gekwalificeerde deelneming.

2. Ten aanzien van handelingen waarop het eerste lid niet van toepassing is en waarvoor ingevolge de artikelen 23 of 24 een verklaring van geen bezwaar is vereist en waarop artikel 25 van de Wet toezicht kredietwezen niet van toepassing was, blijven de verboden als bedoeld in de artikelen 23 en 24 buiten toepassing tot de eerste dag van de negende kalendermaand na het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 23 en 24.

3. Ten aanzien van een gekwalificeerde deelneming die reeds werd gehouden op 1 januari 1979 en waarvoor ingevolge de artikelen 23 onderscheidenlijk 24 een verklaring van geen bezwaar vereist is, wordt de kredietinstelling als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk de natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 24, eerste lid, geacht te beschikken over een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 24, eerste lid.

Artikel 115

1. Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 42 van de Wet toezicht kredietwezen wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 82.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming of instelling die, op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į uitoefent en al dan niet op termijn opvorderbare gelden ter beschikking verkrijgt door middel van het verrichten van diensten in Nederland en die daarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 42 van de Wet toezicht kredietwezen heeft verkregen en die van de toezichthoudende autoriteit van de andere Lid-Staat een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1į benodigde vergunning heeft verkregen, geacht te hebben voldaan aan artikel 32, eerste lid, onder b.

Artikel 116

Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 43 van de Wet toezicht kredietwezen aan een onderneming of instelling die niet ingevolge artikel 52, tweede lid, is geregistreerd, wordt geacht te zijn verleend op grond van artikel 83.

Artikel 117

Het koninklijk besluit van 10 april 1986 (Stb. 189) tot verbindend verklaring van de herziene collectieve garantieregeling op grond van artikel 44 van de Wet toezicht kredietwezen geldt als het koninklijk besluit als bedoeld in artikel 84, tweede lid. De verwijzingen in deze herziene collectieve garantieregeling naar bepalingen in de Wet toezicht kredietwezen worden gelezen als verwijzingen naar de overeenkomstige bepalingen in deze wet.

Artikel 118 [Vervallen per 01-01-1994]

Artikel 119

[Wijzigt deze wet.]

Artikel 120

Indien het bij koninklijke boodschap van 27 juni 1991 ingediende wetsvoorstel houdende bepalingen voor de jaarrekening van banken, nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, wordt, indien artikel VI, eerste lid, van die wet wordt toegepast, het totale bedrag van de onderwaardering alsmede dat van de terugnemingen gemeld aan de Bank.

Artikel 121

[Wijzigt deze wet.]

Artikel 122

De wet van 13 april 1978, Stb. 255, wordt ingetrokken.

Artikel 123

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Artikel 124

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet toezicht kredietwezen 1992.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges, en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te 's-Gravenhage, 23 december 1992

 

BEATRIX

 

De Minister van FinanciŽn,
W. Kok

 

Uitgegeven de dertigste december 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

 

Bijlage, bedoeld in artikel 90d, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992

 

Artikel 1

Voor de overtredingen genoemd in tabel 1 en tabel 2, begaan na het tijdstip van inwerkingtreding van Hoofdstuk XIII B van deze wet, zijn de boetebedragen vastgesteld als volgt:

Tariefnummer:

Bedrag (vast tarief):

1.

Ä 453

2.

Ä 907

3.

Ä 5 445

4.

Ä 21 781

5.

Ä 87 125

Artikel 2

1. Indien een boete wordt opgelegd voor het overtreden van een bepaling als genoemd in tabel 1 1, is bij de vaststelling van de hoogte van deze boete de volgende categorie-indeling naar balanstotaal van toepassing met de daarbij behorende factor:

Categorie-indeling normgeadresseerden

Categorie I: kredietinstellingen en financiŽle instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van minder dan Ä 45 378 000; Factor: 1;

Categorie II: kredietinstellingen en financiŽle instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van ten minste Ä 45 378 000 maar minder dan Ä 453 780 000; Factor: 2;

Categorie III: kredietinstellingen en financiŽle instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van ten minste Ä 453 780 000 maar minder dan Ä 4 537 800.000; Factor: 3;

Categorie IV: kredietinstellingen en financiŽle instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van ten minste Ä 4 537 800.000 maar minder dan Ä 45 378 020.000; Factor: 4;

Categorie V: kredietinstellingen en financiŽle instellingen opgenomen in het register, bedoeld in artikel 52 van deze wet met een balanstotaal van ten minste Ä 45 378 020.000; Factor: 5.

2. De boete wordt vastgesteld door het bedrag, bedoeld in artikel 1, te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de categorie naar balanstotaal, bedoeld in het eerste lid.

3. Indien de gegevens omtrent het balanstotaal niet aan Onze Minister of de Bank beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister of de Bank aan degene aan wie de boete wordt opgelegd verzoeken deze gegevens binnen een door hem, respectievelijk door haar, te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing.

Artikel 3

Op grond van artikel 90f, tweede lid, behoeft de betrokkene niet in de gelegenheid te worden gesteld om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de boete wordt opgelegd, indien het een overtreding betreft waarvoor tariefnummer 1 of 2 is vastgesteld.

 

 

Tabel 1

 

Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel:

Tariefnummer:

4, eerste lid

3

7

3

7a, eerste lid

3

7a, tweede lid

3

7b

4

10, eerste lid

3

10, tweede lid

3

10, derde lid

3

10, vierde lid

3

10, vijfde lid

3

11, eerste lid

4

11, vijfde lid

3

12, tweede lid

3

13

2

14, eerste lid

4

14, negende lid

3

14, tweede lid

4

16, eerste lid

1

16, tweede lid

1

16, vijfde lid

1

16, zesde lid

4

16, achtste lid

4

16a, eerste lid

1

16a, tweede lid

1

16a, vijfde lid

1

16a, zesde lid

4

16b, eerste lid

1

16b, tweede lid

1

16b, derde lid

1

16c, eerste lid

1

16c, tweede lid

1

16c, vierde lid

1

17, eerste lid

1

17, tweede lid

1

20, eerste lid

4

20, tweede lid, vierde volzin

4

20, vierde lid

3

21, eerste lid

4

21, tweede lid, vierde volzin

4

22, eerste lid

4

22, tweede lid, vierde volzin

4

23, eerste lid

3

23, derde lid

3

23, vierde lid

4

23, vijfde lid

4

26, achtste lid

3

27, tweede lid

2

28, tweede lid

4

29, tweede lid

4

30, eerste lid

1

30, tweede lid

1

30b, eerste lid

4

30c, eerste lid

4

30d, vierde lid

2

31, tweede lid

4

31, derde lid

1

32, tweede lid

4

36

3

37

1

38, tweede lid

4

43

3

44

1

48, eerste lid

1

48, tweede lid

1

48, vijfde lid

1

49, eerste lid

1

49, tweede lid

1

50, eerste lid

4

50, tweede lid

1

51

1

54, tweede lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht

3

55, eerste lid

3

55, tweede lid

4

55, derde lid

4

55, vijfde lid

1

56, eerste lid

4

56, tweede lid

4

62, eerste lid

3

56, derde lid

4

69

3

81, vijfde lid

4

84, tweede lid

4

84, derde lid

4

84, vierde lid

4

85

4

85b, eerste lid

4

 

 

Tabel 2

 

Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel:

Tariefnummer:

6, eerste lid

5

6, tweede lid

3

6, derde lid

3

14, zevende lid

3

14, achtste lid

3

15, vijfde lid

3

24, eerste lid

3

24, derde lid

3

24, vierde lid

3

24, zesde lid

3

25, eerste lid

3

25a, tweede lid

3

25a, derde lid

3

26, achtste lid

3

27, eerste lid

2

28, vijfde lid, onder a

3

30, vierde lid

3

30, vijfde lid

3

30d, eerste lid

3

30d, tweede lid

2

31, eerste lid, onder a

5

31, vierde lid

3

31, vijfde lid

3

32, eerste lid, onder a

4

32, eerste lid, onder b

1

32, derde lid

3

32, vierde lid

3

32a, eerste lid, onder a

4

32a, onder b

1

38, eerste lid

5

38, derde lid

3

38, vierde lid

3

38a, eerste lid

4

38a, tweede lid

3

38a, derde lid

3

54, tweede lid, voor zover het betreft het voorschrift van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het voorschrift inzage te verlenen in zakelijke gegevens en bescheiden

3

55, zesde lid

3

55, zevende lid

3

56a

3

58, eerste lid

2

58, tweede lid

3

61, derde lid, eerste volzin

3

62, eerste lid

3

62, tweede lid

3

62, derde lid

3

63

1

66, tweede lid

3

66a, tweede lid

3

72, derde lid

3

82, eerste lid

5

82, vierde lid

3

82, vijfde lid

2

82, zesde lid

2

82, zevende lid

2

83, eerste lid

4

83, vierde lid

3

 

 

Voetnoot:

1. 

In tabel 1 zijn die bepalingen opgesomd die zich uitsluitend richten tot de instellingen (kredietinstellingen en financiŽle instellingen).In tabel 2 zijn de bepalingen opgesomd die zich in beginsel tot een ieder (al dan niet instellingen) richten.

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x