Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

 

WET  TOT  BEňINDIGING  VAN  OVERHEIDSTAKEN  MET  BETREKKING  TOT  VOORMALIGE  WEES-  EN  MOMBOIRKAMERS

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 30 oktober 1974 tot beŽindiging van de overheidstaken met betrekking tot de zaken van de voormalige wees- en momboirkamers en het beheer van vicarieŽn, alsmede afkoop van onveranderlijke lasten

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de aan Onze Minister van FinanciŽn bij en krachtens de wet van 20 augustus 1859 (Stb. 1859, 95) opgedragen taken met betrekking tot de fondsen en stichtingen, bedoeld in artikel 11 van de wet van 5 maart 1852 (Stb. 1852, 45), alsmede diens beheer van vicarieŽn dienen te worden beŽindigd, terwijl voorts wenselijk is de in de administratie van het Ministerie van FinanciŽn (dienst der Domeinen) voorkomende onveranderlijke lasten af te kopen:
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1

Deze wet verstaat onder "Onze Minister": Onze Minister van FinanciŽn;

"begunstigde": degene die krachtens stichtingsoorkonden, bedoeld in artikel 2, of krachtens bepalingen, geldende voor de bestemming van de opbrengst van vermogens, bedoeld in artikel 4, dan wel uit hoofde van onveranderlijke lasten, bedoeld in artikel 5, voor een uitkering in geld in aanmerking komt.

Artikel 2

1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid draagt Onze Minister het hem bij de wet van 20 augustus 1859 (Stb. 95) opgedragen beheer over de fondsen en stichtingen, bedoeld in artikel 11 van de wet van 5 maart 1852 (Stb. 45), voor zover dit niet bij krachtens de stichtingsoorkonden benoemde bewindvoerders berust, over,

a. indien de begunstigde een rechtspersoon is, aan die rechtspersoon;

b. indien de begunstigde een natuurlijke persoon is, aan een door Onze Minister van geval tot geval aan te wijzen rechtspersoon.

2. Onze Minister ontbindt een fonds of stichting, als in het eerste lid bedoeld, indien er op het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet geen begunstigde blijkt te zijn, noch verwacht mag worden.

3. Onze Minister vereffent het vermogen van het ontbonden fonds en van de ontbonden stichting en stort een na de vereffening overblijvend batig saldo in 's Rijks schatkist.

Artikel 3

1. De in het eerste lid van het vorige artikel bedoelde bewindvoerders, alsmede de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x