Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  TOT  REGELING  VAN  HET  MILITAIR  ONDERWIJS  BIJ  DE  LANDMACHT

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 21 juli 1890 tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht, voor zoover daarbij de opleiding voor den officiersrang en de hoogere vorming van den officier zijn betrokken

 

     WIJ WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
     Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het noodig is - ter vervanging van de voorloopige regeling van het onderwijs bij de Koninklijke Militaire Academie, vastgesteld bij de Wet van 30 Mei 1877 (Staatsblad nį. 141), met intrekking van die Wet en van de Wetten van 11 Juli 1882 (Staatsblad nį. 100), van 25 December 1887 (Staatsblad nį. 217), van 4 Augustus 1888 (Staatsblad nį. 107) en van 28 Augustus 1889 (Staatsblad nį. 111) - eene algemeene regeling vast te stellen van het Militair Onderwijs bij de Landmacht, voor zoover daarbij de opleiding voor den officiersrang en de hoogere vorming van den officier zijn betrokken;
     Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Eerste Hoofdstuk. Inrichtingen van Militair Onderwijs

 

Artikel 1

De opleiding voor den officiersrang bij de Landmacht, ook - voor zooveel die opleiding in Nederland plaats heeft - ten behoeve van den dienst in de KoloniŽn en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, geschiedt:

a. voor de Infanterie, de Cavalerie, de Artillerie en de Genie, aan de Koninklijke Militaire Academie;

b. voor de Infanterie en de Militaire Administratie, aan den Hoofdcursus.

 

Artikel 1bis

Aan de Koninklijke Militaire Academie en aan den Hoofdcursus is tijdelijk tevens verbonden een applicatieschool tot het voltooien der studiŽn van de na 1914 tot officier benoemde cadetten en onderofficieren-leerlingen voor zooverre zij, naar Ons oordeel, ten gevolge van de schorsing bedoeld in Artikel 12, niet de volledige opleiding als bedoeld in deze Wet, hebben kunnen ontvangen.

 

Artikel 2

Voorbereidend onderwijs wordt gegeven:

a. voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie: aan de Cadettenschool;

b. voor toelating tot den Hoofdcursus: aan eenen Cursus bij het Wapen der Infanterie.

 

Artikel 3

Er is eene Hoogere Krijgsschool, bestemd tot vorming van officieren:

a. in algemeen krijgskundige richting; alsmede voor de hoogere troepenleiding en voor den dienst bij den Generalen Staf;

b. voor den Intendance-dienst.

Door Ons worden in het belang van de hoogere vorming van officieren - bepaaldelijk ook in technische richting - nog andere voorzieningen getroffen.

 

Artikel 4

De Hoogere Krijgsschool is gevestigd te 's Gravenhage; de Koninklijke Militaire Academie te Breda; de Hoofdcursus te Kampen of te Breda.

Bij Algemeenen Maatregel van Bestuur worden aangewezen:

a. de plaats waar de Cadettenschool wordt gevestigd;

b. de korpsen van het Wapen der Infanterie, waarbij een Cursus als onder b van art. 2 bedoeld, wordt ingesteld.

 

Artikel 4bis

In Nederlandsch-IndiŽ verblijf houdende, tot de Hoogere Krijgsschool, de Koninklijke Militaire Academie, de Cadettenschool of den Hoofdcursus toegelaten leerlingen kunnen, wanneer buitengewone omstandigheden daartoe nopen, naar door Ons te stellen regelen het ingevolge deze wet aan die inrichtingen te geven onderwijs in Nederlandsch-IndiŽ ontvangen.

 

Tweede Hoofdstuk. Algemeene bepalingen

 

Artikel 5

Aan de vakken, waarin, volgens de bepalingen dezer Wet, aan de bij de artt. 1, 2 en 3 bedoelde Inrichtingen onderwijs wordt gegeven, kunnen bij Algemeenen Maatregel van Bestuur andere vakken worden toegevoegd.

De omvang van het leerplan; de wijze waarop het over de verschillende studiejaren wordt verdeeld; de eischen, waaraan bij den overgang naar een hooger studiejaar en bij dien van de Cadettenschool naar de Koninklijke Militaire Academie moet worden voldaan; en de regelen, welke bij de overgangs-examens behooren te worden in acht genomen, worden voor al de bij de artt. 1, 2 en 3 bedoelde Inrichtingen door Onzen Minister van Oorlog bepaald.

Voor zooveel een en ander de opleiding voor den officiersrang en de hoogere vorming van den officier, ten behoeve van den dienst in de KoloniŽn en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen betreft, wordt door dien Minister daaromtrent met Onzen Minister van KoloniŽn overleg gehouden.

Aan de leerlingen van de bij de artt. 1 en 2 genoemde Inrichtingen wordt gelegenheid gegeven, overeenkomstig het verlangen en de keuze der ouders of voogden, onderwijs in den godsdienst te bekomen.

 

Artikel 6

Jaarlijks wordt door Onzen Minister van Oorlog het aantal leerlingen bepaald, die aan de Hoogere Krijgsschool, de Koninklijke Militaire Academie, den Hoofdcursus en de Cadettenschool kunnen worden toegelaten en dat wel voor zooveel meer bepaaldelijk betreft den dienst in de KoloniŽn en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen, na gehouden overleg met Onzen Minister van KoloniŽn.

Daarbij wordt vastgesteld, hoeveel van de opengestelde plaatsen ter beschikking komen:

a. bij de Hoogere Krijgsschool:

voor de officieren van elk Wapen of Dienstvak;

b. bij de Koninklijke Militaire Academie:

voor elk der beide categorieŽn van adspiranten, bedoeld in de artt. 25 en 26 en wel voor elk Wapen afzonderlijk; en met dien verstande, dat het gezamenlijk aantal voor eerstgemelde categorie beschikbaar te stellen plaatsen gelijk zal moeten wezen aan het aantal te verwachten adspiranten van deze categorie;

c. bij den Hoofdcursus:

voor de Infanterie en voor de Militaire Administratie, met dien verstande, dat, behoudens buitengewone omstandigheden, voor de Infanterie het aantal opengestelde plaatsen niet meer bedraagt dan ongeveer de helft van het aantal plaatsen, voor dat Wapen aan de Koninklijke Militaire Academie opengesteld.

Het aantal en de verdeeling dier plaatsen worden in de Staatscourant bekend gemaakt. Voor zooveel de Koninklijke Militaire Academie en de Cadettenschool aangaat, worden daarbij tevens de eischen medegedeeld, waaraan voor toelating tot deze Inrichtingen moet worden voldaan.

 

Artikel 7

Bij Reglement worden vastgesteld:

a. de inwendige regeling van de Hoogere Krijgsschool, van de Koninklijke Militaire Academie, van den Hoofdcursus en van de Cadettenschool, daaronder begrepen de werkkring en de bevoegdheid van de hoofden dezer Inrichtingen, en, voor zooveel de Koninklijke Militaire Academie betreft, van den bij art. 46 genoemden Raad van Bijstand;

b. de voorschriften volgens welke de toelating tot de Hoogere Krijgsschool, de Koninklijke Militaire Academie, den Hoofdcursus en de Cadettenschool zal geschieden, die, volgens welke de eindexamens aan de Koninklijke Militaire Academie en den Hoofdcursus zullen worden afgenomen, zoomede die betreffende de wijze van samenstellen van de CommissiŽn, welke met de toelating en het afnemen van de eindexamens zullen worden belast.

 

Artikel 8

De toelatings- en de eindexamens, alsmede het rangschikkingsexamen voor toelating tot de Koninklijke Militaire Academie, worden in het openbaar afgenomen.

Omtrent den loop en de uitkomsten dier examens wordt, voor zoover zij op de Koninklijke Militaire Academie, den Hoofdcursus en de Cadettenschool betrekking hebben, een verslag opgemaakt.

 

Artikel 9

Leerlingen van eene der in art. 8 genoemde Inrichtingen, mogen niet langer dan twee jaren in hetzelfde studiejaar doorbrengen.

Van deze bepaling kan worden afgeweken ten gunste van hen, die wegens ziekte verhinderd waren het onderwijs geregeld te volgen.

Overigens worden bij Reglement bepaald de regelen, waarnaar de leerlingen:

a. wegens hunne gedragingen als anderszins van bedoelde Inrichtingen verwijderd kunnen worden;

b. van de overeenkomstig de artt. 18, 30 en 37 aangegane dienstverbintenis ontheven kunnen worden.

 

Artikel 10

Tot tegemoetkoming in de kosten van de Koninklijke Militaire Academie moet jaarlijks voor iederen leerling een door Ons vast te stellen som - het bedrag van vierhonderd gulden niet te boven gaande - worden bijgedragen. De sommen,

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x