Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  TUCHTRECHTSPRAAK  BEDRIJFSORGANISATIE  2004

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 29 januari 2004, houdende nieuwe regelen inzake tuchtrechtspraak in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de verbreding van de toepassing van het tuchtrecht in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie wenselijk is het tuchtprocesrecht te herzien;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemeen

 

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. bedrijfslichaam: een bedrijfslichaam als bedoeld in artikel 66, vierde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie;

b. het College: het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

 

Hoofdstuk II. Tuchtrechtelijke maatregelen

 

Artikel 2

1.De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

a. berisping;

b. geldboete;

c. openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de betrokkene;

d. het onder verscherpte controle stellen van het bedrijf van de betrokkene op zijn kosten voor ten hoogste twee jaren.

2.De maatregel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, kan slechts worden opgelegd op vordering van de voorzitter van het bedrijfslichaam die de zaak aanhangig heeft gemaakt. De vordering omschrijft de in het kader van de verscherpte controle te nemen maatregelen en bevat een raming van de kosten daarvan.

3.De kosten van de verscherpte controle worden in de uitspraak op een bepaald bedrag geschat.

 

Artikel 3

De tuchtrechtelijke maatregel van berisping bestaat uit een schriftelijke of mondelinge vermaning tot de betrokkene in verband met het begane feit.

 

Artikel 4

1.De geldboete bedraagt ten minste € 3 en ten hoogste een bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2.Indien de waarde van de goederen, met betrekking tot welke een overtreding is begaan, of de waarde van het wederrechtelijk genoten voordeel dat geheel of gedeeltelijk door middel van de overtreding is verkregen, hoger is dan een kwart van de geldboete van de derde categorie, kan een geldboete worden opgelegd van ten hoogste de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

3.De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.

 

Artikel 5

1.In de gevallen, waarin het tuchtgerecht de openbaarmaking van zijn uitspraak gelast, bepaalt het tevens de wijze, waarop aan die last uitvoering wordt gegeven.

2.De kosten van openbaarmaking worden in de uitspraak op een bepaald bedrag geschat.

 

Artikel 6

1.Indien een feit, dat tuchtrechtelijk kan worden afgedaan, wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, wordt de tuchtrechtelijke vervolging ingesteld en worden maatregelen genomen tegen:

a. die rechtspersoon of die vennootschap,

b. hen, die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, of

c. beiden.

2.Een feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon of een vennootschap, indien het begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon of de vennootschap, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het feit hebben begaan, dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.

3.Indien een tuchtrechtelijke vervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon of een vennootschap, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en, indien er meer bestuurders zijn, door één dezer.

 

Hoofdstuk III. De tuchtgerechten

 

Artikel 7

1.Een hoofdproductschap, een hoofdbedrijfschap en een product- of bedrijfschap dat geen onderdeel uitmaakt van een hoofdproduct- of hoofdbedrijfschap hebben een tuchtgerecht.

2.Het tuchtgerecht oordeelt over feiten waarop een tuchtrechtelijke maatregel is gesteld:

a. bij verordening van het bedrijfslichaam waarvoor het is ingesteld dan wel, indien het een hoofdproductschap of hoofdbedrijfschap betreft, van een bedrijfslichaam dat van dat hoofdproductschap of hoofdbedrijfschap onderdeel uitmaakt, voor zover in die verordening die bevoegdheid niet aan een ander tuchtgerecht is toebedeeld;

b. bij verordening van een ander bedrijfslichaam, voor zover bij die verordening het tuchtgerecht daartoe is aangewezen;

c. bij of krachtens de wet.

3.De aanwijzing van een tuchtgerecht als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, behoeft de instemming van het bedrijfslichaam waarvoor dat tuchtgerecht is ingesteld.

 

Artikel 8

Een tuchtgerecht heeft een voorzitter, leden en een secretaris.

 

Artikel 9

1. De voorzitter en de secretaris voldoen aan

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x