Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  UITKERINGEN  VERVOLGINGSSLACHTOFFERS  1940-1945  (Wuv)

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Beschikking vaststelling grondslagen voor uitkeringen aan vervolgden
- Besluit draagkracht vervolgden
- Besluit inkomen voor de grondslagvaststelling Wuv en Wubo
- Besluit toeslag premie ziektekostenverzekering Wubo en Wuv
- Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen

 

 

WET van 22 november 1972, houdende regelen betreffende de verlening van uitkeringen aan de slachtoffers van vervolging

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen betreffende de verlening van uitkeringen aan de slachtoffers van vervolging tijdens de oorlogsjaren 1940-1945;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. de Raad: de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen;

c. de Sociale verzekeringsbank: de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Artikel 1a

1. Voor de toepassing van deze wet wordt gelijkgesteld met:

a. huwelijk: het geregistreerd partnerschap;

b. gehuwd: als partner geregistreerd;

c. echtgenoot of echtpaar: de geregistreerde partner of het geregistreerde paar;

d. weduwe of weduwnaar: de achtergebleven partij bij het geregistreerd partnerschap;

2. In deze wet en de daarop rustende bepalingen:

a. worden als gehuwd of als echtgenoot aangemerkt, ongehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat;

b. wordt als ongehuwd mede aangemerkt degenen die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

3. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid kan slechts sprake zijn indien twee personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van de eerste volzin.

Artikel 1b

Waar in deze wet in een artikel of artikellid sprake is van ęde Raad of de Sociale verzekeringsbankĽ is de taakverdeling in overeenstemming met de artikelen 4 en 6 van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen.

Artikel 2

1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder vervolging verstaan iedere handeling of maatregel, welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland of het voormalige Nederlands-IndiŽ vijandelijke bezettende machten werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homosexualiteit en welke heeft geleid tot:

a. vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beŽindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen;

b. ondergaan van sterilisatie om aan vrijheidsberoving te ontkomen;

c. onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.

2. Onder vervolging worden tevens verstaan handelingen of maatregelen:

a. van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-IndiŽ, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiŽnteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a;

b. van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen, die zich aan verplichte tewerkstelling hebben onttrokken en welke hebben geleid tot omstandigheden als omschreven in het eerste lid, onder a.

3. Handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van Nederland, welke werden gericht tegen personen wegens het zich onttrekken aan krijgsgevangenschap, worden niet onder vervolging begrepen.

Artikel 3

1. Onder vervolgde wordt verstaan:

a. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 Nederlander zijnde dan wel Nederlands onderdaan in de zin van de toenmalige Wet van 10 februari 1910 (Stb. 55), vervolging onderging;

b.

1. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij sedert 9 mei 1940 tot aan het tijdstip van zijn naturalisatie onafgebroken in Nederland gevestigd is geweest;

2. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij sedert 7 december 1941 tot het tijdstip van zijn naturalisatie onafgebroken in het voormalige Nederlands-IndiŽ, in IndonesiŽ of in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea gevestigd is geweest, dan wel sedert 7 december 1941 onafgebroken in het voormalige Nederlands-IndiŽ, in IndonesiŽ of in het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea was gevestigd en aansluitend daaraan vůůr 1 april 1964 in Nederland is gekomen of vůůr genoemde datum een verzoek om toestemming tot vestiging in Nederland heeft ingediend, waarop gunstig is beslist, en sedert zijn aankomst tot aan het tijdstip van zijn naturalisatie onafgebroken hier te lande gevestigd is geweest.

3. de Nederlander, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vreemdeling zijnde, vervolging onderging, indien hij zich niet later dan 15 augustus 1955 in Nederland heeft gevestigd en tot de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 30, dan wel tot zijn overlijden onafgebroken in Nederland gevestigd is geweest;

c. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vervolging onderging, indien hij sedert 9 mei 1940 onafgebroken in Nederland is gevestigd, dan wel tot zijn overlijden is geweest;

d.

1. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vervolging onderging, indien hij sedert 7 december 1941 tot zijn overlijden, mits dit plaats vond vůůr 1 april 1964, onafgebroken in het voormalig Nederlands-IndiŽ, in IndonesiŽ of in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, was gevestigd;

2. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 vervolging onderging, indien hij sedert 7 december 1941 onafgebroken in het voormalig Nederlands-IndiŽ, in IndonesiŽ of in het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea, was gevestigd en aansluitend daaraan vůůr 1 april 1964 in Nederland is gekomen of vůůr genoemde datum een verzoek om toestemming tot vestiging in Nederland heeft ingediend, waarop gunstig is beslist, en sedert zijn aankomst onafgebroken hier te lande gevestigd is, dan wel tot zijn overlijden is geweest;

e. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 Nederlander zijnde vervolging onderging;

f. de vreemdeling, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 Nederlands onderdaan zijnde in de zin van de Wet van 10 februari 1910 (Stb. 55) vervolging onderging en nadien het Nederlanderschap heeft bezeten.

2. De Raad kan de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid, en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijkstellen indien het niet toepassen van deze wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Artikel 4

1. Behoudens in nader bij algemene maatregel van bestuur te regelen gevallen is deze wet niet van toepassing op:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x