Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  UITVOERING  RECHTSVORDERINGSVERDRAG  GROOT-BRITTANNIň

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 6 april 1933, houdende voorzieningen tot uitvoering van het op 31 mei 1932 te Londen tusschen Nederland en Groot-BrittanniŽ gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen

 

     WIJ WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:
     Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is voorzieningen te treffen tot uitvoering van het op 31 Mei 1932 te Londen tusschen Nederland en Groot-BritanniŽ gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken;
     Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Algemeene bepaling

 

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. het verdrag: het op 31 Mei 1932 te Londen tusschen Nederland en Groot-BritanniŽ gesloten verdrag, houdende bepalingen tot het vergemakkelijken van het voeren van rechtsgedingen in burgerlijke en handelszaken;

b. de bevoegde Nederlandsche consulaire ambtenaar: indien mededeeling van stukken of uitvoering van rogatoire commissies in Engeland moet geschieden, de Nederlandsche consul-generaal te Londen of degeen die hem vervangt; moet mededeeling of uitvoering buiten Engeland geschieden, de door Onzen Minister van Buitenlandsche Zaken aangewezen consulaire ambtenaar.

 

Mededeeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in Nederland

 

Artikel 2

Oordeelt de officier van justitie, wien eene aanvrage om mededeeling van eenig stuk overeenkomstig artikel 3 van het verdrag is toegezonden of doorgezonden, dat het geval, bedoeld bij letter f van dat artikel, aanwezig is, dan zendt hij de bescheiden onder opgaaf van redenen aan Onzen Minister van Justitie, die, zoo noodig na overleg met zijn ambtgenoot van Buitenlandsche Zaken, beslist.

 

Artikel 3

1. De mededeeling van eenig stuk door den officier van justitie ingevolge artikel 3 van het verdrag geschiedt door eenvoudige afgifte tegen bewijs van ontvangst.

2. Is bij de aanvrage om mededeeling van het stuk verzocht deze op eene bijzondere wijze te doen geschieden, dan volgt de officier van justitie deze wijze van mededeeling, mits deze niet in strijd is met het geldende recht.

 

Artikel 4

Alle stukken, opgemaakt om gevolg te geven aan het verzoek om mededeeling van een gerechtelijk of buitengerechtelijk stuk, zijn

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x