Nadere regelgeving:
- Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering
- Uitvoeringsregeling S&O-afdrachtvermindering 2006
WET van 15 december 1995, houdende
vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in het
belang van de werkgelegenheid maatregelen te treffen ter vermindering
van bepaalde loonkosten;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. inhoudingsplichtige: hetgeen
daaronder wordt verstaan voor de heffing van de loonbelasting;
b. loontijdvak: hetgeen
daaronder wordt verstaan voor de heffing van de loonbelasting;
c. loon: loon in de zin van de
Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met daarin begrepen:
1°. tantièmes,
gratificaties en andere beloningen die in de regel slechts
eenmaal of eenmaal per jaar worden toegekend;
2°. overwerkloon;
3°. loon uit vroegere
dienstbetrekking;
4°. loon in de vorm van
krachtens een publiekrechtelijke regeling of collectieve
arbeidsovereenkomst regelmatig bij de betaling van het
loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of
van daarmee overeenkomende aanspraken;
5°. loon ter zake waarvan
de belasting ingevolge artikel 31 van die wet wordt
geheven van de inhoudingsplichtige;
d. toetsloon: het in het
desbetreffende hoofdstuk van deze wet opgenomen bedrag aan
loon waarboven of waaronder de inhoudingsplichtige niet in
aanmerking komt voor de in dat hoofdstuk voorziene
afdrachtvermindering;
e. aangiftetijdvak: het tijdvak
waarover krachtens artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen de loonbelasting moet
worden betaald;
f. assistent in opleiding:
degene die tijdelijk is aangesteld bij een universiteit
teneinde zich door het verrichten van wetenschappelijk
onderzoek alsmede door het volgen van onderwijs verder te
bekwamen tot wetenschappelijk onderzoeker of technologisch
ontwerper;
g. onderzoeker in opleiding:
degene die na een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen
bij een universiteit dan wel een afsluitend examen bij een
instelling voor hoger beroepsonderwijs, in tijdelijke dienst
is aangesteld teneinde zich door het verrichten van
wetenschappelijk onderzoek alsmede door het volgen van
onderwijs verder te bekwamen tot wetenschappelijk onderzoeker
of technologisch ontwerper;
ga. promovendus: degene die
tijdelijk is aangesteld bij een universiteit teneinde zich
door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek alsmede
door het volgen van onderwijs verder te bekwamen tot
wetenschappelijk onderzoeker of technologisch ontwerper;
h. zeeschip: een schip ten
aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is,
dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Zeebrievenwet en dat in het kader van een
onderneming grotendeels op zee wordt geëxploiteerd voor het
vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer
over zee, het vervoer van zaken of personen over zee ten
behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke
rijkdommen op zee, het verrichten van sleep- en
hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in
artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, het verrichten van
baggerwerkzaamheden of overige bij ministeriële regeling
nader te bepalen activiteiten op zee, met uitzondering van:
1°. een schip dat wordt
gebruikt voor de loodsdienst;
2°. een schip dat wordt
gebruikt voor de zeilvaart, niet zijnde een schip dat
voldoet aan de in het derde lid genoemde voorwaarden;
2bis°. een schip dat wordt
gebruikt voor de sportvisserij;
3°. een schip in
havensleepdienst als bedoeld in onderdeel ha;
4°. een schip dat wordt
gebruikt voor baggerwerkzaamheden dat niet over eigen
voortstuwing beschikt of dat niet is ingericht voor het
vervoer van lading over zee, en
5°. een schip dat bestemd
is of gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis
of van andere levende rijkdommen van de zee;
ha. havensleepdienst: het
geheel van werkzaamheden en activiteiten door een sleepboot
als bedoeld in onderdeel hb grotendeels in en rond havens en
op binnenwateren van de Europese Gemeenschap verricht, ten
behoeve van het assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen
van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing en die
inkomen van of uitgaan naar zee;
hb. sleepboot: een schip ten
aanzien waarvan de Zeevaartbemanningswet van toepassing is,
dat is voorzien van een zeebrief als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, van de Zeebrievenwet en is bestemd voor het
verrichten van sleep- en hulpverleningswerkzaamheden op zee;
i. zeevarende: degene die als
kapitein, scheepsofficier of scheepsgezel werkzaam is op een
zeeschip dat in Nederland is geregistreerd en de Nederlandse
vlag voert, tenzij hij werkzaam is op een schip dat een
geregelde passagiersdienst onderhoudt tussen havens van de
Europese Gemeenschap en hij niet de nationaliteit heeft van
een van de Lidstaten van de Europese Gemeenschap of de
Europese Economische Ruimte;
ia. zee: alle wateren die zich
bevinden voorbij de laagwaterlijn van de kust. Indien een
transport over zee plaatsvindt met inbegrip van transport door
een waterweg van maritieme aard in de zin vanverordening (EG)
nr. 13/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschap van 8
december 2003 (Pb EU, nr. L3), wordt het transport voor het
gehele traject geacht transport over zee te zijn;
ib. binnenwateren: wateren
anders dan bedoeld in onderdeel ia;
j. onderneming: een onderneming
in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 of de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969;
k. fiscale eenheid: een eenheid
in de zin van de artikelen 15 en 15a van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969;
l. S&O-inhoudingsplichtige:
1°. een
inhoudingsplichtige die tevens een onderneming drijft;
2°. een
inhoudingsplichtige die niet tevens een onderneming
drijft, voor zover hij speur- en ontwikkelingswerk
verricht krachtens een schriftelijk vastgelegde
overeenkomst met en voor rekening van een onderneming, een
samenwerkingsverband van degenen die een onderneming
drijven of een lichaam als bedoeld in de Wet op de
bedrijfsorganisatie;
m. S&O-belastingplichtige:
een natuurlijke persoon die voldoet aan het urencriterium,
bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
n. speur- en ontwikkelingswerk:
door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige,
systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese
Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht
op:
1°.
technisch-wetenschappelijk onderzoek;
2°. de ontwikkeling van
voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige
technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten,
(onderdelen van) fysieke productieprocessen, of
(onderdelen van) programmatuur;
3°. het uitvoeren van een
systematisch opgezette analyse van de technische
haalbaarheid van het zelf verrichten van het speur- en
ontwikkelingswerk, bedoeld onder 1°of 2°, of
4°. het uitvoeren van een
technisch onderzoek naar een substantiële wijziging van
een productiemethode, indien de wijziging kan leiden tot
een significante verbetering van het fysieke
productieproces dat reeds wordt toegepast in de
onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige,
dan wel naar modellering van processen, indien deze kan
leiden tot een significante verbetering van programmatuur
die reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige
of S&O-belastingplichtige.
o. programmatuur: het
niet-fysieke, logische deelsysteem van een informatiesysteem
dat de structuur van de gegevens en van de
verwerkingsprocessen bepaalt;
p. S&O-referentiejaar: het
tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarop
de S&O-afdrachtvermindering betrekking heeft;
q. S&O-verklaring: de door
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op
de voet van artikel 23 aan een S&O-inhoudingsplichtige of
artikel 27 aan een S&O-belastingplichtige afgegeven
verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk;
r. EVC-procedure: procedure
erkenning verworven competenties.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel c, wordt:
a. loon genoten wegens
tijdelijke arbeidsongeschiktheid, anders dan ingevolge de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen, en de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, niet
aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking;
b. voorzover ingevolge artikel
12a van de Wet op de loonbelasting 1964 het loon hoger is dan
het werkelijk genoten loon, in afwijking van artikel 13a,
derde lid, van die wet het meerdere geacht te zijn genoten
gedurende het gehele kalenderjaar, waarbij aan elke maand een
twaalfde deel van het meerdere wordt toegerekend.
3. Voor toepassing van het eerste
lid, onderdeel h, onder 2°, dient:
a. door of namens de
Nederlandse Inspectie Verkeer en Waterstaat voor het schip een
veiligheidscertificaat met onbeperkt vaargebied te zijn
afgegeven, welk certificaat vermeldt dat het schip voldoet
aan:
1°. de krachtens artikel
5, tweede lid, van de Schepenwet uitgevaardigde
voorschriften voor Commercial Cruising Vessels;
2°. de voorschriften van
het SOLAS-verdrag;
3°. de voorschriften van
de Special Purpose Ship (SPS) Code, of
4°. de voorschriften van
de Special Purpose Ship Code 2008;
b. het schip een lengte te
hebben van ten minste 24 meter, bepaald op basis van de
International Convention on Load Lines.
4. Voor de toepassing van het
eerste lid, onderdeel n, wordt niet tot speur- en
ontwikkelingswerk gerekend:
a. marktonderzoek;
b. organisatorische en
administratieve werkzaamheden;
c. door Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie bij ministeriële
regeling aangewezen andere werkzaamheden.
5. De in deze wet bedoelde
ministeriële regelingen worden, voor zover niet anders is
bepaald, uitgevaardigd door Onze Minister, wat betreft de
regelingen bedoeld in:
a. artikel 6 in overeenstemming
met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. artikel 14 in
overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen;
c. de artikelen 17, 18 en 20 in
overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu
en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel 2
1. Werknemer is de natuurlijke
persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
2. Artikel 2, derde, vierde en
vijfde lid, en artikel 5 van de Wet op de loonbelasting 1964 zijn
van overeenkomstige toepassing.
3. Als dienstbetrekking worden mede
beschouwd de arbeidsverhoudingen, bedoeld in de artikelen 3,
eerste lid, onderdelen c, d, f en h, en 4, onderdelen a, b en e,
van de Wet op de loonbelasting 1964.
4. Als werknemer worden mede
beschouwd de in artikel 14, eerste lid, onderdelen f en g,
bedoelde personen.
Hoofdstuk II. Verminderingen af te
dragen loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen
Artikel 3
1. De inhoudingsplichtige kan de
over een tijdvak af te dragen loonbelasting, dan wel af te dragen
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen verminderen,
doch niet verder dan tot nihil, met:
a. [vervallen;]
b. [vervallen;]
c. de afdrachtvermindering
onderwijs;
d. [vervallen;]
e. [vervallen;]
f. [vervallen;]
g. de afdrachtvermindering
zeevaart;
h. de S&O-afdrachtvermindering.
2. De S&O-afdrachtvermindering
komt in mindering op de af te dragen loonbelasting. Uitsluitend
voor de toepassing van de vorige volzin door de
inhoudingsplichtige wordt af te dragen premie voor de
volksverzekeringen gelijkgesteld met af te dragen loonbelasting.
3. De afdrachtvermindering
onderwijs en de afdrachtvermindering zeevaart komen in mindering
op de af te dragen loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen.
Artikel 4
Voor zover loon in aanmerking is
genomen voor de toepassing van de S&O-afdrachtvermindering vindt
de afdrachtvermindering zeevaart geen toepassing.
Artikel 5
1. De afdrachtvermindering
onderwijs bedraagt met betrekking tot:
a. de in artikel 14, eerste
lid, onderdeel a, bedoelde werknemer:€ 2700 per
kalenderjaar;
b. de inartikel 14, eerste lid,
onderdelen b en c, bedoelde werknemers:€ 2728 per
kalenderjaar;
c. de inartikel 14, eerste lid,
onderdeel d, bedoelde werknemer:€ 2700 per kalenderjaar;
d. de inartikel 14, eerste lid,
onderdeel e, bedoelde werknemer:€ 3274 per kalenderjaar;
e. de inartikel 14, eerste lid,
onderdeel f, bedoelde werknemer:€ 2728 per kalenderjaar;
f. de inartikel 14, eerste lid,
onderdeel g, bedoelde werknemer:€ 1297 per kalenderjaar;
g. de inartikel 14, eerste lid,
onderdeel h, bedoelde werknemer:€ 327 per EVC-procedure.
2. De afdrachtvermindering zeevaart
beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VII.
3. De S&O-afdrachtvermindering
beloopt een bedrag te bepalen op de voet van hoofdstuk VIII.
4. De in het eerste lid, onderdelen
a, b, c, d, e en f, opgenomen bedragen, alsmede het toetsloon,
worden naar tijdsgelang verdeeld over de loontijdvakken van het
kalenderjaar. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de werknemer wiens dienstbetrekking
niet gedurende het gehele kalenderjaar heeft bestaan.
5. Met betrekking tot de in artikel
14a, eerste lid, bedoelde werknemer wordt de afdrachtvermindering
voor het loontijdvak waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 14a,
derde lid, in behandeling wordt genomen tot en met het laatste
loontijdvak dat eindigt voor de datum waarop de verklaring,
bedoeld in artikel 14a, eerste lid, wordt afgegeven, per
loontijdvak gesteld op een evenredig deel van de in het eerste
lid, onderdeel a, onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel f,
opgenomen bedragen. Het op grond van de eerste volzin vastgestelde
bedrag wordt in aanmerking genomen in het loontijdvak waarin de
verklaring, bedoeld in artikel 14a, eerste lid, wordt afgegeven of
in het daaropvolgende loontijdvak.
6. Het in het eerste lid, onderdeel
g, opgenomen bedrag wordt in aanmerking genomen in het loontijdvak
waarin de werknemer, bedoeld inartikel 14, eerste lid, onderdeel
h, aanvangt met het volgen van de EVC-procedure of in het
daaropvolgende loontijdvak.
Artikel 6
1. De in artikel 5, eerste lid,
onderdelen a, b, c, d en f, opgenomen bedragen alsmede het
toetsloon worden naar evenredigheid verminderd met betrekking tot:
a. de werknemer met een
overeengekomen arbeidsduur die korter is dan de volledige
arbeidsduur;
b. de werknemer zonder
overeengekomen vaste arbeidsduur.
2. Voor de toepassing van het
eerste lid wordt de volledige arbeidsduur voor een kalenderweek
gesteld op 36 uren. Bij ministeriële regeling kan voor bijzondere
gevallen een afwijkende volledige arbeidsduur worden vastgesteld.
3. Bij de toepassing van het eerste
lid, onderdeel b, vindt de vermindering plaats aan de hand van het
aantal uren waarover loon is verschuldigd. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
vorige volzin, alsmede voor het geval het loon niet per
tijdseenheid wordt berekend.
4. De inhoudingsplichtige kan een
door hem aan te wijzen categorie werknemers als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, voor de duur van het kalenderjaar
aanmerken als werknemers, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Hoofdstuk III [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2006]
Artikel 7a [Vervallen per 01-01-2006]
Hoofdstuk IV [Vervallen per
01-01-2003]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2003]
Hoofdstuk V. Afdrachtvermindering
onderwijs
Artikel 13a
In aanvulling op artikel 1, eerste
lid, onderdeel c, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk het
loon tevens verminderd met toeslagen die verband houden met
ploegendiensten dan wel met onregelmatige diensten.
Artikel 14
1. De afdrachtvermindering
onderwijs is van toepassing met betrekking tot:
a. de werknemer die de
beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende
leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot
en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde
beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van
die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel
7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door
het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum
beroepsonderwijs bedrijfsleven;
b. de werknemer aangesteld als
assistent in opleiding of als promovendus bij een
universiteit, dan wel aangesteld als onderzoeker in opleiding
bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
onderscheidenlijk de Koninklijke Nederlandse Akademie van
Wetenschappen of als onderzoeker in opleiding in dienst van
een onder deze organisaties ressorterende onderzoekinstelling,
een en ander op de grondslag van een overeenkomst tussen de
universiteit of een van de genoemde onderzoekorganisaties dan
wel een onder deze organisaties ressorterende
onderzoekinstelling enerzijds en een privaatrechtelijke
rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO anderzijds ter
zake van de financiering van de loonkosten van de werknemer
door de desbetreffende privaatrechtelijke rechtspersoon of de
Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk
onderzoek TNO;
c. de werknemer van een
privaatrechtelijke rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie
voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO met een
loon overeenkomstig dat van een assistent in opleiding of
promovendus die een promotie-onderzoek verricht op de
grondslag van een overeenkomst tussen die privaatrechtelijke
rechtspersoon of de Nederlandse Organisatie voor
toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO enerzijds en
een universiteit anderzijds ter zake van de begeleiding van
het promotie-onderzoek van de werknemer;
d. de werknemer die in het
kader van zijn initiële opleiding aan een hogeschool in de
zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk
onderzoek op de grondslag van een
onderwijsarbeidsovereenkomst, gesloten tussen de hogeschool,
de werkgever en hemzelf, op zijn opleiding aansluitende arbeid
verricht in een bij ministeriële regeling aangewezen
bedrijfssector en tevens niet is ingeschreven als student voor
het volgen van in voltijdse vorm verzorgd onderwijs;
e. de werknemer die een bij
ministeriële regeling vast te stellen vorm van scholing volgt
die gericht is op het op een startkwalificatieniveau brengen
van personen die dat niveau missen;
f. degene die bij de
inhoudingsplichtige op basis van een leer-werkovereenkomst het
buitenschoolse praktijkgedeelte volgt van een leer-werktraject,
een en ander als bedoeld in artikel 10b1 en 10b3 van de Wet op
het voortgezet onderwijs;
g. degene die bij de
inhoudingsplichtige gedurende een periode van ten minste twee
maanden de beroepspraktijkvorming volgt van de
beroepsopleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste
lid, onderdelen a of b, van de Wet educatie en
beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag
van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst,
gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde
partijen;
h. de werknemer die een
EVC-procedure volgt waarvoor een verklaring is afgegeven door
een bij ministeriële regeling aangewezen instantie, mits de
inhoudingsplichtige de kosten van de EVC-procedure voor zijn
rekening neemt.
2. Het eerste lid, aanhef en
onderdeel a, is in het geval waarin de inhoudingsplichtige niet
tevens is het bedrijf dat of de organisatie die bevoegd als
bedoeld in artikel 7.2.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs
de beroepspraktijkvorming verzorgt, slechts van toepassing indien
er tussen de inhoudingsplichtige en dat bedrijf of die organisatie
een overeenkomst van opdracht is gesloten die voldoet aan bij
ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
3. Het eerste lid, aanhef en
onderdelen a en d, is niet van toepassing ingeval het loon van die
werknemer die jonger is dan 25 jaar in het desbetreffende
loontijdvak meer bedraagt dan diens toetsloon voor dat tijdvak.
Het toetsloon voor de afdrachtvermindering onderwijs bedraagt €
22 923 per kalenderjaar.
4. De afdrachtvermindering
onderwijs op de voet van het eerste lid, onderdelen b en c, is met
betrekking tot een werknemer gedurende ten hoogste 48 maanden van
toepassing. De afdrachtvermindering onderwijs op de voet van het
eerste lid, onderdeel d, is met betrekking tot een werknemer ten
hoogste 24 maanden van toepassing. Indien artikel 6, eerste lid,
aanhef en onderdeel a, met betrekking tot een werknemer toepassing
vindt, wordt de termijn van 48 maanden onderscheidenlijk 24
maanden met betrekking tot deze werknemer naar evenredigheid
verlengd.
5. Het eerste lid, aanhef en
onderdeel e, is niet van toepassing indien:
a. het loon van de werknemer in
het desbetreffende loontijdvak meer bedraagt dan het in het
derde lid, tweede volzin, genoemde toetsloon, of
b. de werkgever niet over een
verklaring beschikt waarin het UWV WERKbedrijf verklaart dat
de werknemer vóór aanvang van de scholing, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel e:
1°. een werkloze is, of
2°. een voormalig werkloze
is en uitsluitend als gevolg van deelname aan een
re-integratietraject van een gemeente in het kader van de
Wet werk en bijstand of van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in het kader van de
Werkloosheidswet, niet langer een werkloze is.
6. De inhoudingsplichtige bewaart
een afschrift van de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f
en g, het tweede lid en artikel 14a, tweede lid, bedoelde
overeenkomsten bij de loonadministratie.
7. Bij ministeriële regeling kan
worden bepaald welke gegevens de in het eerste lid, onderdelen a,
b, c, d, f en g, en artikel 14a, tweede lid, bedoelde
overeenkomsten ten minste dienen te bevatten voor de toepassing
van deze wet alsmede welke partij of partijen de administratie
voert onderscheidenlijk voeren die voortvloeit uit de
overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, en artikel
14a, tweede lid.
8. De inhoudingsplichtige bewaart
een afschrift van de in het eerste lid, onderdeel h, het vijfde
lid, onderdeel b, en artikel 14a, eerste lid, bedoelde
verklaringen bij de loonadministratie.
Artikel 14a
1. Artikel 14, eerste lid,
onderdelen a, d of g, is van overeenkomstige toepassing met
betrekking tot de werknemer die een met de opleiding, bedoeld in
artikel 14, eerste lid, onderdeel a, onderdeel d,
onderscheidenlijk onderdeel g, vergelijkbare opleiding volgt in
een andere lidstaat van de Europese Unie of een andere staat die
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte, indien de inhoudingsplichtige beschikt over een verklaring
van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat die
opleiding wat betreft niveau en kwaliteit vergelijkbaar is met de
opleiding, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a,
onderdeel d, onderscheidenlijk onderdeel g.
2. In afwijking in zoverre van
artikel 14, eerste lid, onderdelen a en g, dient de
inhoudingsplichtige voor de overeenkomstige toepassing van artikel
14, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel g, te
beschikken over een tussen hem, het opleidingsinstituut en de in
artikel 14, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel
g, bedoelde werknemer gesloten onderwijsarbeidsovereenkomst,
onderscheidenlijk stageovereenkomst.
3. Bij regeling van Onze Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden in ieder geval regels
gesteld met betrekking tot de gegevens en bescheiden die bij een
aanvraag voor een verklaring als bedoeld in het eerste lid moeten
worden overgelegd en met betrekking tot de bekendmaking van het
tijdstip met ingang waarvan die aanvraag voldoet aan de daaraan
gestelde wettelijke eisen.
4. Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap beslist binnen acht weken op een aanvraag
als bedoeld in het derde lid.
5. In afwijking in zoverre van het
eerste lid is de afdrachtvermindering onderwijs voor de werknemer,
bedoeld in het eerste lid, waarvoor de inhoudingsplichtige
beschikt over een verklaring als bedoeld in het eerste lid, reeds
van toepassing vanaf de datum waarop de ingediende aanvraag,
bedoeld in het derde lid, voldoet aan de daaraan gestelde
wettelijke eisen.
Artikel 15
Bij ministeriële regeling kan Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, na overleg met
Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, regels stellen ter bevordering van een goede
uitvoering van dit hoofdstuk, alsmede met betrekking tot het
verschaffen van inlichtingen aan door Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen ten behoeve van het verkrijgen van inzicht
in de werking van dit hoofdstuk aan te wijzen instanties.
Hoofdstuk VA [Vervallen per
01-01-2004]
Artikel 15a [Vervallen per
01-01-2004]
Hoofdstuk VI [Vervallen per
01-01-2005]
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 16a [Vervallen per
01-01-2005]
Hoofdstuk VIA [Vervallen per
01-01-2006]
Artikel 16b [Vervallen per
01-01-2006]
Hoofdstuk VII. Afdrachtvermindering
zeevaart
Artikel 17
1. De afdrachtvermindering zeevaart
is van toepassing met betrekking tot zeevarenden. De
afdrachtvermindering beloopt een bedrag ter grootte van het in het
tweede lid genoemde percentage van het loon van de zeevarenden in
het loontijdvak. Bij zeevarenden op schepen bestemd voor
baggerwerkzaamheden, onderscheidenlijk schepen bestemd voor sleep-
en hulpverleningswerkzaamheden wordt als loon niet in aanmerking
genomen het gedeelte van het loon dat toerekenbaar is aan andere
werkzaamheden dan vervoer van opgebaggerd materiaal over zee,
onderscheidenlijk andere werkzaamheden dan sleep- en
hulpverleningswerkzaamheden op zee.
2. Het in het eerste lid bedoelde
percentage bedraagt:
a. met betrekking tot de in
Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte wonende zeevarende: 40 percent;
b. met betrekking tot de niet
in Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de Europese Economische Ruimte wonende
zeevarende die aan de loonbelasting is onderworpen of
premieplichtig is voor de volksverzekeringen: 10 percent.
3. Op het in het eerste lid
bedoelde loon is niet van toepassing artikel 1, eerste lid,
onderdeel c, onder 1°, 2° en 4°, alsmede artikel 1, eerste lid,
onderdeel c, onder 5°, voorzover sprake is van loon dat in
geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge een spaarloonregeling.
4. De in het tweede lid vermelde
percentages kunnen bij ministeriële regeling met ingang van een
kalenderkwartaal worden vervangen door andere.
5. Uiterlijk binnen drie maanden na
het tijdstip waarop de krachtens het vierde lid vastgestelde
ministeriële regeling in werking treedt, wordt een voorstel van
wet tot goedkeuring van die regeling aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of
indien een van de Kamers der Staten-Generaal besluit tot het niet
aannemen van het voorstel, worden bij ministeriële regeling de
krachtens het vierde lid vervangen percentages met ingang van het
eerstvolgende kalenderkwartaal vervangen door de percentages zoals
die golden onmiddellijk vóór het in de eerste volzin bedoelde
tijdstip.
Artikel 18
1. Volgens bij ministeriële
regeling te stellen regels maakt de inhoudingsplichtige per
loontijdvak een berekening van het in artikel 17, eerste lid,
bedoelde loon alsmede het gedeelte van dat loon dat niet in
aanmerking is genomen en van het bedrag van de
afdrachtvermindering zeevaart.
2. De inhoudingsplichtige bewaart
en registreert met betrekking tot het schip of de schepen waarop
een of meer zeevarenden werkzaam zijn met betrekking tot wie de
afdrachtvermindering zeevaart wordt toegepast:
a. afschriften van
monsterrollen als bedoeld in artikel 33 van de
Zeevaartbemanningswet;
b. afschriften van zeebrieven
als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Zeebrievenwet.
3. De inhoudingsplichtige legt vast
met betrekking tot welke zeevarenden hij in het kalenderjaar de
afdrachtvermindering zeevaart heeft toegepast, alsmede het schip
of de schepen waarop die zeevarenden werkzaam zijn geweest onder
vermelding van de periode waarin dit plaatsvond.
4. De inhoudingsplichtige legt met
betrekking tot zeeschepen die zijn bestemd voor sleep-en
hulpverleningswerkzaamheden op zee en die tevens, in en rond
havens gelegen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap en
op binnenwateren van de Europese Gemeenschap, worden ingezet voor
het assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen
die inkomen van of uitgaan naar zee en gebruik maken van eigen
voortstuwing, de bedrijfstijd vast die is gemoeid met de
onderscheidene werkzaamheden. De wachttijd mag evenredig worden
toegedeeld aan de bedrijfstijd van de onderscheidene
werkzaamheden.
5. De inhoudingsplichtige bewaart
de in het tweede lid bedoelde gegevens, alsmede de in het tweede
lid bedoelde afschriften en de in het derde en vierde lid bedoelde
vastleggingen, bij de loonadministratie.
6. Bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de in dit artikel
genoemde verplichtingen.
Artikel 19
Indien de inhoudingsplichtige niet
voldoet aan de in artikel 18 bedoelde verplichtingen, wordt de
afdrachtvermindering zeevaart geacht ten onrechte te hebben
plaatsgevonden.
Artikel 20
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld ter bevordering van een goede uitvoering van
dit hoofdstuk.
Hoofdstuk VIII. S&O-afdrachtvermindering
Artikel 21
1. De S&O-afdrachtvermindering
is met betrekking tot een aangiftetijdvak van toepassing indien de
S&O-inhoudingsplichtige beschikt over een ten name van hem
afgegeven S&O-verklaring die betrekking heeft op een periode
waarin het aangiftetijdvak eindigt. Het totaal van de S&O-afdrachtvermindering
beloopt het bij die S&O-verklaring ter zake vastgestelde
bedrag.
2. Per aangiftetijdvak wordt
maximaal een evenredig deel van het bij de S&O-verklaring
vastgestelde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering in aanmerking
genomen. De evenredigheid is gerelateerd aan het aantal
aangiftetijdvakken die vanaf het desbetreffende aangiftetijdvak
nog eindigen in de periode waarop de S&O-verklaring betrekking
heeft.
3. Ingeval na afloop van de periode
waarop de S&O-verklaring betrekking heeft een nog niet
verrekend bedrag aan S&O-afdrachtvermindering resteert, en er
in een aangiftetijdvak dat is geëindigd in de periode waarop de
S&O-verklaring betrekking heeft nog ruimte voor
afdrachtvermindering is, wordt het niet verrekende bedrag daar
zoveel mogelijk mee verrekend. Voorzover toepassing van de eerste
volzin tot gevolg heeft dat een nog niet verrekend bedrag met een
reeds verstreken aangiftetijdvak wordt verrekend, wordt de
aangifte over dat reeds verstreken tijdvak voor de toepassing van
artikel 28a van de Wet op de loonbelasting 1964 aangemerkt als een
onjuiste of onvolledige aangifte.
Artikel 22
1. De S&O-inhoudingsplichtige
kan voor een aaneengesloten periode van ten minste drie
kalendermaanden en ten hoogste zes kalendermaanden vallende binnen
één kalenderjaar en in totaal voor niet meer dan drie perioden
per kalenderjaar, een S&O-verklaring aanvragen. Een
kalendermaand waarop een aanvraag betrekking heeft kan niet meer
worden betrokken in een latere aanvraag.
2. De S&O-inhoudingsplichtige
kan, in afwijking van het eerste lid, een aanvraag indienen voor
een periode van een heel kalenderjaar als hij beschikt over een
onderzoek- of een ontwikkelafdeling en:
a. aan de S&O-inhoudingsplichtige
in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring is
verstrekt, of
b. indien de S&O-inhoudingsplichtige
deel uitmaakt van een fiscale eenheid, aan een ander binnen de
fiscale eenheid in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring
is verstrekt.
Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie kan bij ministeriële regeling nadere
regels stellen omtrent de toepassing van de eerste volzin.
3. Bij ministeriële regeling van
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden
regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag van een S&O-verklaring
en de wijze waarop deze moet worden ingediend, waarbij in het
algemeen of voor groepen van gevallen kan worden bepaald dat de
aanvraag uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
4. De aanvraag moet worden
ingediend ten minste een kalendermaand voorafgaande aan de periode
waarop de aanvraag betrekking heeft. De beslissing op de aanvraag
wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na de aanvang van de
periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan bij ministeriële
regeling in het algemeen of voor groepen van gevallen, een latere
datum vaststellen waarop de beslissing op de aanvraag uiterlijk
moet zijn gegeven.
5. De aanvraag wordt in de situatie
waarin de S&O-inhoudingsplichtige in het S&O-referentiejaar
speur- en ontwikkelingswerk heeft verricht waarvoor een S&O-verklaring
is verstrekt, slechts in behandeling genomen indien hij uiterlijk
bij de indiening van de aanvraag opgave heeft gedaan van de
burgerservicenummers van zijn werknemers die dat speur- en
ontwikkelingswerk hebben verricht.
6. Bij ministeriële regeling van
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden
regels gesteld omtrent de wijze waarop de opgave van de
burgerservicenummers, bedoeld in het vijfde lid, moet worden
gedaan, waarbij in het algemeen of voor groepen van gevallen kan
worden bepaald dat de opgave van die burgerservicenummers
uitsluitend op elektronische wijze kan worden gedaan.
Artikel 23
1. Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie verstrekt aan een S&O-inhoudingsplichtige
die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en
ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van
artikel 22 een S&O-verklaring.
2. De S&O-verklaring bevat:
a. een omschrijving van het
werk dat wordt aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk;
b. de periode waarvoor de
S&O-verklaring wordt verstrekt;
c. het aantal uren dat
werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige in die periode
aan het speur- en ontwikkelingswerk naar verwachting zullen
besteden;
d. het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering
met een berekening van dat bedrag.
3. Het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering
beloopt 14 percent van het product van het aantal uren, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel c, en het gemiddelde uurloon als bedoeld
in het vierde lid, vermeerderd met 24 percent van dat product
voorzover dat product in het kalenderjaar niet uitgaat boven €
200 000. De vermeerdering met 24 percent blijft achterwege
voorzover die vermeerdering reeds toepassing heeft gevonden bij
een S&O-verklaring betreffende een eerdere periode van het
kalenderjaar.
4. Het gemiddelde uurloon wordt
gesteld op het uurloon dat de S&O-inhoudingsplichtige in het
S&O-referentiejaar gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers
die in dat jaar speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht
waarvoor een S&O-verklaring is verstrekt. Het gemiddelde
uurloon wordt daarbij gesteld op de som van de door de S&O-inhoudingsplichtige
aan deze werknemers in het S&O-referentiejaar betaalde lonen
gedeeld door de som van de in het S&O-referentiejaar door de
S&O-inhoudingsplichtige aan deze werknemers verloonde uren
nadat de som van de verloonde uren is vermenigvuldigd met 0,85; de
uitkomst van deze deling wordt naar boven afgerond op een bedrag
in hele euro’s. Het gemiddelde uurloon wordt aldus bepaald aan
de hand van de gegevens zoals die blijken uit de
polisadministratie van het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen op een bij ministeriële regeling van Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie vast te
stellen peildatum gelegen in het kalenderjaar volgende op het
S&O-referentiejaar. Indien de berekening aan de hand van de
gegevens op de peildatum leidt tot een evident onjuist gemiddeld
uurloon, wordt het gemiddelde uurloon bepaald aan de hand van de
juiste gegevens zoals die blijken na uitvraag daarvan bij de
S&O-inhoudingsplichtige door Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie. Ingeval de S&O-inhoudingsplichtige
in het S&O-referentiejaar geen speur- en ontwikkelingswerk
heeft verricht waarvoor hij over een S&O-verklaring beschikt,
geldt een gemiddeld uurloon van € 29.
5. Het totaal van de S&O-afdrachtvermindering
over een kalenderjaar bedraagt per S&O-inhoudingsplichtige
maximaal € 14 000 000 dan wel, ingeval de inhoudingsplichtige
deel uitmaakt of in een deel van het kalenderjaar heeft
uitgemaakt, van een fiscale eenheid, per fiscale eenheid. In het
laatste geval wordt in de S&O-verklaring vastgesteld welk deel
van het bedrag van € 14 000 000, betrekking heeft op de S&O-inhoudingsplichtige.
6. De inhoudingsplichtige die deel
uitmaakt van een fiscale eenheid en voor speur- en
ontwikkelingswerk werknemers ter beschikking stelt aan een
onderneming binnen die fiscale eenheid, wordt geacht dat speur- en
ontwikkelingswerk zelf te verrichten. Op deze inhoudingsplichtige
is het bij of krachtens deze wet bepaalde zoveel mogelijk van
overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de
inhoudingsplichtige de verplichtingen in voorkomende gevallen zal
doen uitvoeren door de onderneming die het speur- en
ontwikkelingswerk uitvoert.
7. Het in het derde lid vermelde
percentage van 24 wordt vervangen door 36 indien de S&O-inhoudingsplichtige
in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen
inhoudingsplichtige was en voor die periode met betrekking tot ten
hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven.
Indien de voor rekening van de inhoudingsplichtige gedreven
onderneming een voortzetting is van een onderneming die, of een
gedeelte van een onderneming dat direct of indirect is gedreven
door een met hem verbonden vennootschap in de zin van artikel 10a,
zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel voor
rekening van een natuurlijk persoon die op het moment van aanvraag
een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting 2001 heeft in de inhoudingsplichtige, wordt
voor de toepassing van de eerste volzin een ten aanzien van de
verbonden vennootschap, onderscheidenlijk natuurlijk persoon,
reeds voor de voortzetting afgegeven S&O-verklaring aangemerkt
als een ten aanzien van de inhoudingsplichtige afgegeven
verklaring. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel
van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring
afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar.
8. In afwijking vanartikel 1,
eerste lid, onderdeel c, is het loon, bedoeld in het vierde lid,
het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, zonder de
verminderingen als bedoeld in dat onderdeel.
Artikel 24
1. De S&O-inhoudingsplichtige
aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, houdt over de periode
vermeld in de verklaring een overeenkomstig bij ministeriële
regeling van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie vast te stellen regels ingerichte administratie bij
omtrent de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het werk
dat in de verklaring is aangemerkt als speur- en
ontwikkelingswerk.
2. De S&O-inhoudingsplichtige
aan wie een S&O-verklaring is afgegeven doet van het aantal
uren dat zijn werknemers hebben besteed aan het speur- en
ontwikkelingswerk in de periode waarop de verklaring betrekking
heeft, mededeling aan Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie, indien het aantal bestede uren minder is
dan het in de S&O-verklaring opgenomen aantal. Indien het
aantal bestede uren aan het speur- en ontwikkelingswerk ten minste
gelijk is aan het in de S&O-verklaring opgenomen aantal, doet
de S&O-inhoudingsplichtige aan wie de S&O-verklaring is
afgegeven daarvan mededeling aan Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie.
3. De S&O-inhoudingsplichtige
doet de mededeling, bedoeld in het tweede lid, gezamenlijk voor
alle op een kalenderjaar betrekking hebbende S&O-verklaringen
binnen drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop
de in dat lid bedoelde S&O-verklaringen betrekking hebben of,
indien dat later is, binnen drie kalendermaanden na de afgifte van
de laatste S&O-verklaring die betrekking heeft op dat
kalenderjaar.
4. Bij het eindigen van de
inhoudingsplicht vóór het tijdstip, bedoeld in het derde lid,
wordt in afwijking van dat lid de mededeling gedaan binnen één
kalendermaand nadat de inhoudingsplicht is geëindigd.
5. Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie kan bij ministeriële regeling nadere
regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling en de
indiening daarvan, waarbij in het algemeen of voor groepen van
gevallen kan worden bepaald dat de mededeling uitsluitend op
elektronische wijze kan worden gedaan.
Artikel 25
1. Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige
die de mededeling, bedoeld in artikel 24, tweede lid, eerste
volzin, deed, een correctie-S&O-verklaring af voor alle op het
kalenderjaar betrekking hebbende S&O-verklaringen gezamenlijk,
waarbij hij het bedrag van de correctie-S&O-verklaring,
gespecificeerd per S&O-verklaring, vaststelt op basis van het
volgens de mededeling niet gerealiseerde aantal uren.
2. Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie geeft aan de S&O-inhoudingsplichtige
een correctie-S&O-verklaring af met het bedrag dat op de
S&O-verklaring ten onrechte is vermeld als bedrag aan S&O-afdrachtvermindering,
indien:
a. aannemelijk is dat ter
verkrijging van de S&O-verklaring gegevens of bescheiden
zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op
de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij
de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig
bekend zouden zijn geweest;
b. aannemelijk is geworden, dat
de S&O-inhoudingsplichtige de verplichting, bedoeld in
artikel 24, tweede lid, eerste volzin, niet is nagekomen.
3. Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie kan, indien blijkt dat de in artikel
24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of
krachtens dat artikel bepaalde aan de S&O-inhoudingsplichtige
een correctie-S&O-verklaring afgeven tot een omvang waarvan
onvoldoende aannemelijk is dat speur- en ontwikkelingswerk zoals
opgenomen in de S&O-verklaring, is verricht.
4. Een bedrag vastgesteld bij een
correctie-S&O-verklaring komt zoveel mogelijk in mindering op
het bij één of meer S&O-verklaringen waarop de correctie-S&O-verklaring
betrekking heeft, vastgestelde bedrag aan S&O-afdrachtvermindering
dat nog niet in mindering is gebracht op de af te dragen belasting
en premie. Voorzover dat niet mogelijk is, is sprake van een
negatieve S&O-afdrachtvermindering welke er toe leidt dat de
over het aangiftetijdvak waarin de correctie-S&O-verklaring is
gedagtekend of het daaropvolgende aangiftetijdvak af te dragen
loonbelasting, dan wel af te dragen loonbelasting en premie voor
de volksverzekeringen, wordt vermeerderd met dat bedrag aan
negatieve S&O-afdrachtvermindering.
Artikel 26
1. Bij overtreding van het bij of
krachtensartikel 24, eerste lid of tweede lid, tweede volzin,
bepaalde of indien sprake is van het geval, bedoeld in artikel 25,
tweede lid, onderdeel a, kan Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie aan de S&O-inhoudingsplichtige een
bestuurlijke boete opleggen ter hoogte van maximaal € 100 000,
of, wanneer dat meer is, 20% van het in de S&O-verklaring als
afdrachtvermindering vastgestelde bedrag.
2. Bij overtreding van het bij of
krachtens artikel 24, tweede lid, eerste volzin, of derde lid,
bepaalde, legt Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie aan de S&O-inhoudingsplichtige een bestuurlijke
boete op ter hoogte van het bedrag van de correctie-S&O-verklaring
die is vastgesteld op de voet van artikel 25, tweede lid,
onderdeel b. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie kan de boete lager vaststellen op grond van geringe
ernst van de overtreding.
3. Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie brengt opgelegde boeten tot
uitdrukking door deze op te nemen in een correctie-S&O-verklaring.
Artikel 25, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 27
1. Aan een S&O-belastingplichtige
die voornemens is in een kalenderjaar ten minste 500 uren van zijn
voor werkzaamheden beschikbare tijd te besteden aan speur- en
ontwikkelingswerk geeft Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie op aanvraag een S&O-verklaring af.
2. Aanvragen kunnen voor het laatst
worden ingediend drie kalendermaanden voor het einde van het
kalenderjaar. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen
drie kalendermaanden na indiening van de aanvraag.
3. De S&O-verklaring die ten
name van een S&O-belastingplichtige wordt afgegeven, bevat:
a. een omschrijving van het
werk dat wordt aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk;
b. het kalenderjaar waarvoor de
S&O-verklaring wordt verstrekt.
4. De S&O-belastingplichtige
aan wie een S&O-verklaring is afgegeven en die in het
kalenderjaar minder dan 500 uren van zijn voor werkzaamheden
beschikbare tijd heeft besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk
waarop de S&O-verklaring betrekking heeft, doet daarvan binnen
drie kalendermaanden na afloop van het kalenderjaar waarop de
S&O-verklaring betrekking heeft mededeling aan Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
5. Artikel 3.6, vijfde lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
6. Artikel 24, eerste lid, is van
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de S&O-belastingplichtige
aan wie een S&O-verklaring is afgegeven.
7. Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie trekt de S&O-verklaring in
indien:
a. blijkt dat de in artikel 24,
eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of
krachtens dat artikel bepaalde;
b. de S&O-belastingplichtige
de mededeling, bedoeld in het vierde lid, deed, of aannemelijk
is dat hij dat had behoren te doen;
c. aannemelijk is dat ter
verkrijging van de S&O-verklaring gegevens of bescheiden
zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op
de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij
de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig
bekend zouden zijn geweest.
8. Bij ministeriële regeling van
Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie worden
regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag en de wijze
waarop deze moet worden ingediend. Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie kan bij ministeriële regeling nadere
regels stellen ten aanzien van de inhoud van de mededeling,
bedoeld in het vierde lid, en de indiening daarvan.
Artikel 28
1. De in de artikelen 47 tot en met
51 en 53, eerste en vierde lid, tot en met 56 van Algemene wet
inzake rijksbelastingen jegens de inspecteur opgelegde
verplichtingen gelden mede jegens de door Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie met betrekking tot de
toepassing van in dit hoofdstuk aangewezen ambtenaren.
2. De artikelen 68, 69 en 72 van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 29
Teneinde zo veel mogelijk evenwicht
te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderingen en het hiervoor
in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kan bij regeling van Onze
Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onder
overeenkomstige aanpassing van dit artikel, met ingang van 1 januari
van enig jaar:
a. het in artikel 23, derde lid,
vermelde percentage van 14, worden verhoogd tot ten hoogste 25,
worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld;
b. het in artikel 23, derde en
zevende lid, vermelde percentage van 24, worden verhoogd tot ten
hoogste 33,5, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld;
c. het in artikel 23, zevende
lid, vermelde percentage van 36, worden verhoogd tot ten hoogste
46, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld.
De nieuwe percentages gelden met
betrekking tot S&O-verklaringen die betrekking hebben op een
periode die aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking
treedt.
Hoofdstuk IX [Vervallen per
01-01-2006]
Hoofdstuk X. Bijzondere bepalingen
inzake beroep en bevoegdheden
Artikel 30
1. De Algemene wet inzake
rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 63 en 67, is
niet van toepassing met betrekking tot de uitvoering van deze wet
door andere dan de in artikel 2, derde lid, onderdelen a en b, van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen genoemde bestuursorganen.
2. Voor de toepassing van de
artikelen 63 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
betreffende de uitvoering van deze wet door Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onderscheidenlijk Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, of de door hem
aangewezen ambtenaren, treedt Onze Minister van Economische Zaken,
Landbouw en Innovatie, onderscheidenlijk Onze Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in de plaats van Onze Minister.
3. Tegen een uitspraak van het
College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende
en het bestuursorgaan beroep in cassatie instellen ter zake van
schending van de artikelen 1 en 2 met betrekking tot het bepaalde
omtrent de begrippen 'inhoudingsplichtige', 'aangiftetijdvak',
'loon', 'onderneming', 'fiscale eenheid' en 'werknemer'.
4. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken
van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van
overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor
het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.
Hoofdstuk XI. Aanvullende regelingen
Artikel 30a
Bij het begin van het kalenderjaar
worden de in artikel 5, eerste lid, genoemde bedragen vervangen door
andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen
te vermenigvuldigen met de verhouding van het bedrag genoemd in
artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag zoals dat luidt bij het begin van het
kalenderjaar tot dat bedrag zoals dat luidt op 1 januari van het
voorafgaande kalenderjaar, en vervolgens de nodig geachte
afrondingen aan te brengen.
Artikel 31
1. Bij het begin van het
kalenderjaar wordt het in artikel 14, derde lid, vermelde
toetsloon vervangen door een ander toetsloon.
2. Het inartikel 14, derde lid,
vermelde toetsloon wordt gesteld op 130 percent van het twaalfvoud
van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag.
Artikel 32
Ter bevordering van een goede
uitvoering van deze wet kunnen bij ministeriële regeling nadere
regels worden gesteld.
Hoofdstuk XII. Overgangs- en
slotbepalingen
Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 34
Artikel 26a, vierde lid, zoals dit
luidde op 31 december 2004 blijft van toepassing met betrekking tot
arbo-bedrijfsmiddelen ter zake waarvan de inhoudingsplichtige
arbo-afdrachtvermindering heeft genoten.
Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 36
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 37
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 38
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 39
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 40 [Vervallen per 30-12-2010]
Artikel 41 [Vervallen per 30-12-2010]
Artikel 41a
De op 1 januari 2006 vervallen
regeling inzake de afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof
blijft doorlopen tot uiterlijk 31 december 2006 met betrekking tot
een werknemer die in het kalenderjaar 2006 ouderschapsverlof geniet
waarbij loon wordt doorbetaald krachtens een op de laatste dag van
het kalenderjaar 2005 bestaande:
a. collectieve
arbeidsovereenkomst;
b. regeling door of namens een
daartoe bevoegd bestuursorgaan of
c. regeling van de
inhoudingsplichtige welke geldt voor ten minste driekwart van de
werknemers van de inhoudingsplichtige.
Artikel 42
De Wet belasting- en premiefaciliteit
voor de zeevaart 1995 wordt ingetrokken.
Artikel 43
1. Met betrekking tot gevallen
waarin een verrekeningsbijdrage zeevaart als bedoeld in artikel
III van de Wet faciliteit voor de zeevaart zoals deze luidde op 31
december 1994, is ingehouden, blijven de bepalingen welke
ingevolge de Wet belasting- en premiefaciliteit voor de zeevaart
1995 zijn vervallen, ingetrokken of gewijzigd, van kracht zoals
deze luidden op 31 december 1994.
2. Met betrekking tot gevallen
waarin artikel 2 van de Wet belasting- en premiefaciliteit voor de
zeevaart 1995 toepassing heeft gevonden, blijven de bepalingen van
die wet van kracht naar de tekst zoals die luidde op 31 december
1995.
Artikel 44
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 45
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 46
De Wet bevordering speur- en
ontwikkelingswerk wordt ingetrokken.
Artikel 47
1. Met betrekking tot de toepassing
van deze wet terzake van speur- en ontwikkelingswerk dat is
verricht voor 1 januari 2006, blijven de bepalingen bij of
krachtens dehoofdstukken VIII en IX zoals deze luidden voor de
wijzigingen ingevolge het Belastingplan 2006, van toepassing.
2. Aanvragen voor een S&O-verklaring
met betrekking tot kalendermaanden in 2006 die zijn of worden
ingediend op de voet van artikel 24, derde lid, zoals dat luidde
voor de wijzigingen ingevolge het Belastingplan 2006, worden
behandeld als aanvragen die zijn ingediend met inachtneming van
artikel 22, eerste lid, of, indien de aanvrager een S&O-belastingplichtige
is, artikel 27, tweede lid, zoals deze luiden na de wijzigingen
ingevolge het Belastingplan 2006.
3. Met betrekking tot aanvragen als
bedoeld in het tweede lid, is voor de wijze van indiening en de
inhoud van de aanvragen van toepassing hetgeen is bepaald bij of
krachtens artikel 24 zoals dat luidde voor de wijzigingen
ingevolge het Belastingplan 2006.
Artikel 48
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 49
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 50
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 51 [Vervallen per 01-01-2008]
Artikel 52 [Vervallen per 01-01-2005]
Artikel 53
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 54
[Bevat wijzigingen in andere
regelgeving]
Artikel 55
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.
2. Deze wet wordt aangehaald als: Wet vermindering afdracht
loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 15 december 1995
BEATRIX
De Staatssecretaris van Financiën,
W.A.F.G. Vermeend
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J.M.M. Ritzen
Uitgegeven de zevenentwintigste december 1995
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
|