Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  VERPLICHTE  DEELNEMING  IN  EEN  BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS  (Wet Bpf 2000)

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit bestuurlijke boetes financiŽle sector
- Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000
- Regeling gemoedsbezwaarden Bpf 2000
- Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000

 

 

WET van 21 december 2000, houdende nieuwe regeling voor verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met modernisering van de pensioenwetgeving, de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds in te trekken en te vervangen door een nieuwe wet ter zake;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

ß 1. Definities

 

Artikel 1. Definities

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b. de Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

c. pensioen: het pensioen, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

d. werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

e. werknemer: de werknemer, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

f. bedrijfstakpensioenfonds: het bedrijfstakpensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

g. deelnemer: de deelnemer, bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

h. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;

i. verplichtstelling: de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 2, eerste lid.

 

ß 2. Verplichtstelling

 

Artikel 2. De verplichtstelling

1. Onze Minister kan op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplichtstellen.

2. De aanvraag gaat vergezeld van:

a. een verklaring waaruit blijkt dat de organisaties die de aanvraag doen, een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigen;

b. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het desbetreffende bedrijfstakpensioenfonds;

c. een door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds gewaarmerkt exemplaar van de reglementen;

d. een actuariŽle en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 145 van de Pensioenwet;

e. een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van de statuten indien er een wijziging van de statuten heeft plaatsgevonden, en

f. een door het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds gewaarmerkt exemplaar van de wijzigingen van de reglementen indien er een wijziging van de reglementen heeft plaatsgevonden.

3. Van de verplichtstelling zijn arbitrale bedingen als bedoeld in artikel 1020, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitgesloten.

4. Bij ministeriŽle regeling kunnen met betrekking tot de aanvraag alsmede met betrekking tot het tweede lid nadere regels worden gesteld.

 

ß 3. Gevolgen verplichtstelling

 

Artikel 3. Gevolgen van de verplichtstelling

1. Zolang de verplichtstelling duurt zijn de artikelen 4 tot en met 26 en de daarop berustende bepalingen van toepassing.

2. Na beŽindiging van de verplichtstelling blijven de artikelen 4 tot en met 26 en de daarop berustende bepalingen van toepassing voorzover ze betrekking hebben op de periode waarover de verplichtstelling duurde.

 

Artikel 4. Naleven van statuten en reglementen

De deelnemers alsmede, voorzover het werknemers betreft, hun werkgevers leven de statuten en reglementen en de daarop gebaseerde besluiten van het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds na.

 

Artikel 5

1. Het bedrijfstakpensioenfonds draagt er zorg voor dat in het economisch verkeer geen ander lichaam bij het geven van informatie aan consumenten over financiŽle producten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht gebruik maakt van een naam of het merk dat door het bedrijfstakpensioenfonds wordt gebruikt dan wel gebruik maakt van een naam, merk of daarmee overeenstemmend teken indien door dat gebruik de mogelijkheid bestaat dat bij de consument een associatie wordt gewekt tussen de naam of het merk van het bedrijfstakpensioenfonds en de naam, het merk of het teken dat het lichaam gebruikt.

2. Onder consument als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelende natuurlijke persoon, alsmede de als werkgever in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet handelende natuurlijke- of rechtspersoon.

3. Het eerste lid is niet van toepassing:

a. met betrekking tot het gebruik van een naam als bedoeld in het eerste lid wanneer uitsluitend informatie wordt gegeven over de wijze waarop financiŽle producten zich verhouden tot de bij het bedrijfstakpensioenfonds ondergebrachte pensioenregeling, waarbij geen kwalitatief oordeel wordt gegeven over de relatie van het product tot de betreffende pensioenregeling; of

b. indien artikel 6, derde lid, van toepassing is.

4. Het bedrijfstakpensioenfonds draagt de naam die of het merk dat het bedrijfstakpensioenfonds gebruikt of heeft gebruikt niet over aan een ander lichaam.

 

Artikel 6. Gegevensverstrekking

1. Het bedrijfstakpensioenfonds verstrekt gegevens betreffende een deelnemer, een gewezen deelnemer, een andere aanspraakgerechtigde of een pensioengerechtigde, slechts aan de desbetreffende deelnemer en zijn werkgever, de desbetreffende gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. er sprake is van een wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking;

b. gegevensverstrekking noodzakelijk is voor de uitvoering van de pensioenregeling;

c. gegevensverstrekking noodzakelijk is in verband met waardeoverdracht als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

d. het gegevensverstrekking betreft aan de Nederlandsche Bank voorzover deze gegevensverstrekking nodig is voor de vervulling van haar bij of krachtens deze wet en de Pensioenwet opgelegde taken; of

e. er sprake is van het verstrekken van naam-, adres-, en woonplaatsgegevens aan verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die als statutair doel of mede als statutair doel hebben het behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een bedrijfstakpensioenfonds.

3. De natuurlijke- of rechtspersoon aan wie de gegevensverstrekking, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, heeft plaatsgevonden gebruikt in het kader van de werkzaamheden uit hoofde waarvan de gegevens zijn verstrekt in contacten

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x