Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  VERZELFSTANDIGING  RIJKSMUSEALE  DIENSTEN

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 24 juni 1993, houdende de verzelfstandiging van de rijksmuseale diensten

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de bestaande rijksmuseale diensten te verzelfstandigen in de vorm van een stichting en een machtiging tot oprichting daarvan als bedoeld in artikel 29 van de Comptabiliteitswet te verstrekken;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1

In deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. stichting: stichting als bedoeld in artikel 2;

c. overgangsdatum: datum van oprichting van een stichting;

d. personeelslid: degene die op de dag vr de overgangsdatum tewerkgesteld is bij de dienst die in de op te richten stichting wordt voortgezet, hetzij als ambtenaar, hetzij op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

Artikel 2

Onze Minister wordt gemachtigd tot de oprichting van stichtingen die tot doel hebben de uitoefening van museale en museaal ondersteunende functies als voortzetting van de diensten, vermeld in de bij deze wet behorende bijlage.

Artikel 3

Onze Minister gaat tot oprichting van een stichting niet eerder over dan een maand nadat van het voornemen daartoe, onder overlegging van de ontwerp-statuten, schriftelijk mededeling is gedaan aan beide Kamers der Staten-Generaal.

Artikel 4

Onze Minister is belast met het privaatrechtelijk beheer van de museale verzamelingen of museale voorwerpen die eigendom zijn van de Staat dan wel aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd.

Artikel 5

1. Ieder personeelslid van de dienst die in een stichting wordt voortgezet, gaat, indien Onze Minister niet anders heeft beslist, over in dienst van die stichting op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, ingaande op de overgangsdatum.

Aan ieder personeelslid wordt ten minste n maand voor de overgangsdatum schriftelijk mededeling gedaan van de rechtspositionele gevolgen van een overgang in dienst van die stichting.

2. De arbeidsovereenkomst geldt voor onbepaalde tijd. Indien een personeelslid was aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd of werkzaam was op arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, geldt de arbeidsovereenkomst voor de niet verstreken tijd van de aanstelling voor bepaalde tijd dan wel van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

3. De arbeidsovereenkomst betreft een functie die zoveel mogelijk overeenkomt met de functie die het personeelslid laatstelijk vervulde bij de dienst.

4. De arbeidsvoorwaarden zullen in het geheel niet ongunstiger zijn dan die welke voor het personeelslid golden uit hoofde van zijn dienstverband bij de dienst. Onze Minister stelt nadere regels ter zake.

5. Door het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst is het personeelslid van rechtswege eervol ontslagen uit de dienst van de Staat.

6. In afwijking van het eerste lid komt op de overgangsdatum geen arbeidsovereenkomst tot stand met het personeelslid dat binnen een maand na de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, laatste volzin, aan Onze Minister heeft medegedeeld dat hij bezwaren heeft tegen de overgang in dienst bij de op te richten stichting, tenzij hij voor de overgangsdatum de bezwaren heeft ingetrokken. Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren. Onze Minister beslist op de bezwaren.

7. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren ongegrond heeft verklaard, komt, tenzij het personeelslid binnen een week na de kennisgeving van deze beslissing aan Onze Minister kenbaar heeft gemaakt dit niet te willen, een arbeidsovereenkomst tot stand op de overgangsdatum dan wel, indien het einde van die week valt na de overgangsdatum, op de eerste dag van de volgende maand.

8. Indien Onze Minister voor de overgangsdatum de bezwaren geheel of gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, kan hij daarbij beslissen dat het personeelslid niet overgaat in dienst bij de

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x