Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  VERZELFSTANDIGING  STAATSBOSBEHEER

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 11 september 1997 tot verzelfstandiging van Staatsbosbeheer (Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is Staatsbosbeheer te verzelfstandigen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK I. ALGEMEEN

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;

b. raad van toezicht: raad van toezicht, bedoeld in artikel 4;

c. raad van advies: raad van advies, bedoeld in artikel 9;

d. directeur: directeur, bedoeld in artikel 13;

e. object: terrein, gebouw, complex van gebouwen, of water, dan wel een combinatie van één of meer terreinen, gebouwen, complexen van gebouwen of één of meer waters, met bestaande dan wel potentieel aanwezige natuurwetenschappelijke, bosbouwkundige, landschappelijke, recreatieve, archeologische, aardkundige of cultuurhistorische waarden, dan wel met die waarden verband houdende bestaande of potentieel aanwezige educatieve waarden.

Artikel 2

1.Er is een Staatsbosbeheer, gevestigd te Driebergen-Rijsenburg in de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

2.Staatsbosbeheer bezit rechtspersoonlijkheid.

3.In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister, op voordracht van de raad van toezicht, een andere gemeente aanwijzen waar Staatsbosbeheer is gevestigd.

HOOFDSTUK II. TAKEN EN DOELSTELLING VAN STAATSBOSBEHEER

Artikel 3

1.Staatsbosbeheer is belast met het beheer van de bij deze dienst krachtens eigendom of enig ander zakelijk dan wel enig persoonlijk recht berustende objecten en het verkrijgen van objecten, met als doelstelling bestaande, onderscheidenlijk potentiële, natuurwetenschappelijke, bosbouwkundige, landschappelijke, recreatieve, archeologische, aardkundige of cultuurhistorische waarden, dan wel de met die waarden verband houdende bestaande of potentieel aanwezige educatieve waarden, in het algemeen belang duurzaam in stand te houden, onderscheidenlijk met het oog daarop te ontwikkelen, een en ander in overeenstemming met het ten aanzien van de instandhouding en ontwikkeling van de voornoemde waarden door Onze Minister geformuleerd beleid. Onder beheer wordt mede verstaan de bevoegdheid tot vervreemding.

2.Staatsbosbeheer is voorts belast met andere door Onze Minister opgedragen taken.

3.Ten behoeve van de uitvoering van zijn taken is Staatsbosbeheer bevoegd goederen te verkrijgen en te vervreemden, alsmede alle andere handelingen te verrichten die voor een goede vervulling van zijn taken noodzakelijk zijn. Tot het verrichten van handelingen behoort ook het desgevraagd of uit eigen beweging verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister omtrent de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens en vastgesteld beleid, voor zover betrekking hebbend op onderwerpen die verband houden met deze wet.

4.Vervreemding van objecten behoeft de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister, tenzij het betreft een object dat is verkregen met het oog op een doelmatig beheer van een ander object en voor dat beheer niet meer noodzakelijk is.

5.Onverminderd het vierde lid, behoeft vervreemding van objecten en andere onroerende zaken de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister van Financiën.

6.Staatsbosbeheer kan andere werkzaamheden uitvoeren, dan die welke rechtstreeks voortvloeien uit de in het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde taken, mits die werkzaamheden:

a. samenhangen met de bij het eerste respectievelijk krachtens het tweede lid aan Staatsbosbeheer opgedragen taken;

b. niet leiden tot concurrentievervalsing ten opzichte van private aanbieders van vergelijkbare diensten, en

c. tegen tenminste kostendekkende prijzen worden verricht.

HOOFDSTUK III. DE ORGANEN

Paragraaf 1. De raad van toezicht

Artikel 4

1.Staatsbosbeheer heeft een raad van toezicht.

2.De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van de directeur en staat hem met raad en daad terzijde.

3.Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van toezicht zich naar het belang van de behoorlijke vervulling van de taken, bedoeld in artikel 3.

Artikel 5

1.De raad van toezicht bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste vier andere leden.

2.De leden van de raad van toezicht wijzen uit hun midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

3.De leden hebben op persoonlijke titel zitting in de raad van toezicht en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.

Artikel 6

1.De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen.

2.Het medezeggenschapsorgaan, bedoeld in artikel 13, vierde lid, kan aan Onze Minister personen voor plaatsing op de voordracht aanbevelen. Onze Minister deelt hem daartoe tijdig mede wanneer en ten gevolge waarvan in de raad van toezicht een plaats moet worden vervuld.

3.Onze Minister geeft aan het medezeggenschapsorgaan kennis van een voorgenomen voordracht. Binnen acht weken na verzending van deze kennisgeving kan het medezeggenschapsorgaan bezwaar maken tegen benoeming van de voor te dragen persoon op grond van de verwachting dat die persoon ongeschikt zal zijn voor de vervulling van de taak van lid van de raad van toezicht, of dat de raad bij benoeming van die persoon niet naar behoren zal zijn samengesteld.

4.Indien het medezeggenschapsorgaan binnen de in het derde lid genoemde termijn geen bezwaar maakt, draagt Onze Minister de betrokken persoon voor. Onze Minister draagt een persoon, tegen de benoeming waarvan het medezeggenschapsorgaan bezwaar heeft gemaakt, niet voor dan nadat hij daarover overleg heeft gevoerd met het medezeggenschapsorgaan.

5.De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen ten hoogste twee malen worden herbenoemd.

6.Aan de leden van de raad van toezicht kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend.

7.Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad, met de bevoegdheid van de voltallige raad.

8.Degene die wordt benoemd in de plaats van een lid wiens zittingsperiode van vier jaren nog niet is verstreken, wordt benoemd tot het einde van die periode.

Artikel 7

Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht, ten laste van Staatsbosbeheer, een vergoeding toekennen volgens door

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x