Nadere regelgeving:
- Aanwijzingsbesluit
Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
- Besluit voorkeursrecht gemeenten
(vervallen)
- Besluit
voorkeursrecht gemeenten 2010
WET van 22 april 1981, houdende regeling
van een voorkeursrecht van gemeenten bij de verwerving van onroerende
zaken
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, een
regeling te treffen voor de totstandkoming van een voorkeursrecht van
gemeenten bij de verwerving van onroerend goed;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. bestemmingsplan: bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
van de Wet ruimtelijke ordening;
b. inpassingsplan: inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26
onderscheidenlijk 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening;
c. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
d. structuurvisie: structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, 2.2
onderscheidenlijk 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening;
e. vervreemder: eigenaar van een onroerende zaak of rechthebbende
op een beperkt recht als bedoeld in onderdeel f die tot vervreemding
wenst over te gaan, alsmede degene die bij ontbinding van een
gemeenschap met de vereffening is belast en tot vervreemding wenst
over te gaan;
f. vervreemding: overdracht in eigendom of verdeling van een
onroerende zaak alsmede overdracht of verdeling dan wel vestiging
van een recht van opstal, erfpacht, beklemming of vruchtgebruik,
waaraan een onroerende zaak is onderworpen.
Artikel 2
De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en
met 15, 24 en 26 van toepassing zijn.
Artikel 3
1. Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het
bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is
toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan.
2. Een besluit tot aanwijzing vermeldt ten aanzien van de
onroerende zaken waarop het betrekking heeft:
a. de kadastrale aanduiding;
b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de
kadastrale registratie;
c. de grootte van een perceelsgedeelte, indien de aanwijzing
betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak, en
d. de namen van de eigenaren van de desbetreffende onroerende
zaken en van de rechthebbenden op de beperkte rechten waaraan die
zaken zijn onderworpen.
3. Bij het besluit behoort een kadastraal overzicht waarop
duidelijk zijn aangegeven de gronden waarop de aanwijzing betrekking
heeft en de bijbehorende percelen of perceelsgedeelten.
Artikel 4
1.In afwijking van artikel 3, eerste lid, komen voor aanwijzing
voorts in aanmerking:
a. gronden die zijn begrepen in een structuurvisie, waarbij
aanwijzingen zijn gegeven voor de bestemming en waaraan bij de
structuurvisie een niet-agrarische bestemming is toegedacht en
waarvan het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming;
b. gronden die bij een structuurvisie zijn aangewezen tot
moderniseringsgebied als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet
ruimtelijke ordening, ongeacht of het gebruik van de gronden in
die gebieden al dan niet afwijkt van die visie.
2.Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 5
1. In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid,
komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn
opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie,
maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden
een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik
afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt
aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van
een structuurvisie.
2. Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 6
1. Burgemeester en wethouders kunnen gronden voorlopig aanwijzen,
mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een
niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de
toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie
maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de
gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5in werking
treedt.
2. De artikelen 3, tweede en derde lid, 10 tot en met 15, 24 en 26
zijn van overeenkomstige toepassing.
3. Indien bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot
voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de
gemeenteraad tot aanwijzing in werking is getreden, wordt het bezwaar
of beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de
gemeenteraad.
Artikel 7
1.Het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing ligt voor
eenieder ter inzage op een door burgemeester en wethouders aangewezen
plaats. Zij maken de terinzagelegging bekend in de Staatscourant, in
één of meer dag- of nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden
en voorts op de gebruikelijke wijze. Het besluit treedt in werking de
dag na dagtekening van de Staatscourant waarin de terinzagelegging
bekend is gemaakt.
2.Burgemeester en wethouders zenden een mededeling van de
aanwijzing aan ieder van de in het besluit vermelde eigenaren en
beperkt gerechtigden. De mededeling bevat een zakelijke beschrijving
van de betekenis van de aanwijzing.
Artikel 8
1. Voor zover een aanwijzing niet meer voldoet aan de eisen,
gesteld in artikel 3, eerste lid, 4, eerste lid, onderscheidenlijk 5,
eerste lid, besluiten burgemeester en wethouders tot het intrekken van
die aanwijzing. In het besluit worden vermeld de percelen of
perceelsgedeelten waarop de intrekking betrekking heeft. Het besluit
tot intrekking wordt gevoegd bij de ingevolge artikel 7, eerste lid,
ter inzage gelegde stukken en in kopie gezonden naar de desbetreffende
eigenaren en beperkt gerechtigden.
2. Degene die een recht heeft op aangewezen gronden uit hoofde van
eigendom of een beperkt recht als bedoeld in artikel 1, onderdeel f
kan bij burgemeester en wethouders een aanvraag indienen tot
intrekking van het besluit tot aanwijzing. Zij nemen een besluit
uiterlijk vier weken na de dag van ontvangst van de aanvraag.
3. In geval van onherroepelijke vernietiging in beroep van het in
artikel 3, eerste lid, bedoelde bestemmingsplan of inpassingsplan,
geldt de in artikel 3 bedoelde aanwijzing tot een jaar na de datum van
de vernietiging als zijnde in overeenstemming met de eisen gesteld in
artikel 3, eerste lid, behoudens eerdere intrekking door burgemeester
en wethouders.
Artikel 9
1. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 3 of artikel
9a in samenhang met artikel 3 vervalt van rechtswege tien jaar na de
inwerkingtreding van het bestemmingsplan onderscheidenlijk
inpassingsplan.
2. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4, vervalt van
rechtswege drie jaar na dagtekening van dat besluit, tenzij voordien
een bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld.
3. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5 vervalt van
rechtswege drie jaar na dagtekening, tenzij voor dat tijdstip een
structuurvisie, bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld.
4. Indien artikel 8, derde lid, van toepassing is, vervalt het
besluit tot aanwijzing, bedoeld in artikel 3, van rechtswege na afloop
van de in het derde lid van artikel 8 genoemde termijn, tenzij voor
dat tijdstip voor de in de aanwijzing begrepen gronden een
bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld, dat voldoet aan de
in artikel 3, eerste lid, gestelde eisen. In dat geval vervalt het
besluit tot aanwijzing van rechtswege tien jaar na de inwerkingtreding
van het bestemmingsplan onderscheidenlijk inpassingsplan.
5. Een mededeling van het van rechtswege vervallen van een besluit
tot aanwijzing wordt gevoegd bij de ingevolge artikel 7, eerste lid,
ter inzage gelegde stukken en in kopie gezonden naar de desbetreffende
eigenaren en beperkt gerechtigden.
Artikel 9a
1. Indien provinciale staten het voornemen hebben toepassing te
geven aan artikel 3.26, eerste en vierde lid, van de Wet ruimtelijke
ordening kunnen zij, op gelijke wijze als de gemeenteraad,
overeenkomstig artikel 2 in samenhang met artikel 3, 4 of 5, gronden
aanwijzen, met dien verstande dat voor een aanwijzing in samenhang met
artikel 4 uitsluitend een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2
van de Wet ruimtelijke ordening in aanmerking komt. In een besluit tot
aanwijzing overeenkomstig artikel 4 of 5 geven provinciale staten aan
op welke wijze invulling gegeven zal worden aan een inpassingsplan.
Gedeputeerde staten kunnen op gelijke wijze als burgemeester en
wethouders overeenkomstig artikel 6 gronden voorlopig aanwijzen.
2. Indien Onze Minister het voornemen heeft toepassing te geven aan
artikel 3.28, eerste en vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening
kan deze, op gelijke wijze als de gemeenteraad, overeenkomstig artikel
2 in samenhang met artikel 3, 4 of 5 gronden aanwijzen, met dien
verstande dat voor een aanwijzing in samenhang met artikel 4
uitsluitend een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet
ruimtelijke ordening in aanmerking komt. Bij een aanwijzing
overeenkomstig de artikelen 4 en 5 geeft Onze Minister aan op welke
wijze invulling gegeven zal worden aan een inpassingsplan.
3. De artikelen 6, derde lid, 7 tot en met 15, 24 en 26 zijn van
overeenkomstige toepassing.
4. Bij toepassing van het eerste of tweede lid verstrekken
gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister onverwijld een
exemplaar van het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing en
de bijbehorende kadastrale kaart aan de Dienst voor het kadaster en de
openbare registers, ter inschrijving van die stukken in de openbare
registers en doen mededeling van de aanwijzing of voorlopige
aanwijzing aan burgemeester en wethouders van de gemeente en
gedeputeerde staten van de provincie waarin de gronden waarop de
aanwijzing betrekking heeft zijn gelegen. Artikel 24, eerste lid, van
Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing. Evenzo doen
gedeputeerde staten, onderscheidenlijk Onze Minister mededeling van
het intrekken of van het van rechtswege vervallen van een besluit tot
aanwijzing aan:
a. de Dienst voor het kadaster en de openbare registers;
b. de desbetreffende eigenaren en beperkt gerechtigden, en
c. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gronden
waarop de aanwijzing betrekking had, zijn gelegen.
5. Bij toepassing van het eerste lid worden de in de artikelen 10,
11, 12, 24, 26 en 27 geregelde bevoegdheden en verplichtingen met
uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van burgemeester en
wethouders, uitgeoefend door gedeputeerde staten en neemt de provincie
de plaats in van de gemeente.
6. Bij toepassing van het tweede lid worden de in de artikelen 10,
11, 12, 24, 26 en 27 geregelde bevoegdheden en verplichtingen met
uitsluiting van de bevoegdheid ter zake van burgemeester en wethouders
of van gedeputeerde staten uitgeoefend door Onze Minister en neemt de
Staat de plaats in van de gemeente, onderscheidenlijk de provincie.
Artikel 9b
1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van een besluit als bedoeld
in artikel 9a, eerste of tweede lid, vervalt een eerder besluit tot
aanwijzing of voorlopige aanwijzing van de betrokken grond van de
gemeenteraad of van burgemeester en wethouders van rechtswege, met
dien verstande dat indien aan burgemeester en wethouders reeds een
opgave is gedaan als bedoeld in artikel 11, eerste lid, die opgave in
stand blijft en wordt aangemerkt als een opgave aan gedeputeerde
staten onderscheidenlijk Onze Minister. Gedeputeerde staten nemen,
onderscheidenlijk Onze Minister neemt bij de toepassing van de
artikelen 11 tot en met 15 de plaats in van burgemeester en
wethouders, en de provincie onderscheidenlijk de Staat de plaats van
de gemeente.
2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van een besluit als bedoeld
in artikel 9a, tweede lid, vervalt een eerder besluit tot aanwijzing
of tot voorlopige aanwijzing van de betrokken grond van provinciale
staten of gedeputeerde staten van rechtswege, met dien verstande dat
indien aan gedeputeerde staten reeds een opgave is gedaan als bedoeld
in artikel 11, eerste lid, die opgave in stand blijft en wordt
aangemerkt als een opgave aan Onze Minister. Onze Minister neemt bij
de toepassing van de artikelen 11 tot en met 15 de plaats in van
gedeputeerde staten, en de Staat de plaats van de provincie.
3. Bij toepassing van artikel 9a, eerste of tweede lid, kunnen de
gemeenteraad en burgemeester en wethouders geen gebruik meer maken van
de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2 in samenhang met artikel 3, 4 of
5 enartikel 6.
4. Bij toepassing vanartikel 9a, tweede lid, kunnen provinciale en
gedeputeerde staten geen gebruik meer maken van de bevoegdheid,
bedoeld in artikel 9a, eerste lid.
Artikel 9c
Gronden die zijn aangewezen ingevolge artikel 2 in samenhang met
artikel 3, 4of 5, artikel 6 of artikel 9a, eerste of tweede lid, kunnen
niet binnen twee jaar na het intrekken of het van rechtswege vervallen
van zodanige aanwijzing opnieuw ingevolge een zodanig besluit worden
aangewezen.
Artikel 10
1. Een vervreemder kan eerst tot vervreemding overgaan nadat de
gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te
verkrijgen.
2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet ingeval de
vervreemding geschiedt ingevolge
a. een overeenkomst tussen bloed- of aanverwanten in de rechte
lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of met een pleegkind.
Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een eigen
kind is onderhouden en opgevoed;
b. verdeling van een huwelijksgemeenschap of een nalatenschap;
c. een uiterste wilsbeschikking;
d. een overeenkomst met de Staat, een provincie, een waterschap
of een door Ons aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het
openbaar belang werkzame rechtspersoon. Onze aanwijzing wordt in
de Staatscourant bekendgemaakt;
e. een verkoop krachtens wetsbepaling of bevel des rechters of
een executoriale verkoop, met dien verstande dat ingeval van een
onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 3: 268,
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de voorzieningenrechter
niet beslist omtrent het verzoek tot onderhandse verkoop zolang
niet het bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld om, gelet op
het gunstiger bod, een bod te doen;
f. een overeenkomst, betrekking hebbende op gronden die zijn
aangewezen bij een besluit als bedoeld in artikel 5 of 6 dan wel
artikel 9a, eerste of tweede lid, in samenhang met artikel 5 of 6,
gesloten met een pachter aan wie ten aanzien van deze gronden ten
tijde van de inwerkingtreding van dit besluit een voorkeursrecht
toekwam als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek.
3. Voorts geldt het bepaalde in het eerste lid niet ingeval de
vervreemding geschiedt ingevolge een overeenkomst betreffende een
onroerende zaak, dan wel een overeenkomst behelzende een verplichting
van de vervreemder betreffende een onroerende zaak, voorzover:
a. vervreemding geschiedt aan een in die overeenkomst met name
genoemde partij, en een tegen een in die overeenkomst met name
genoemde prijs, dan wel tegen een volgens die overeenkomst
bepaalbare prijs, en
b. de overeenkomst is ingeschreven in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek, voordat een besluit tot aanwijzing of voorlopige
aanwijzing in werking is getreden, en
c. de vervreemding geschiedt binnen zes maanden na de dag van
de inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers als
bedoeld onder b.
4. Een overeenkomst als bedoeld in het derde lid, aanhef, kan
worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in het derde
lid, mits deze is vervat in een akte. De inschrijving heeft het
rechtsgevolg dat voor de vervreemder niet de verplichting zoals
bedoeld in het eerste lid ontstaat, voorzover is voldaan aan de in het
derde lid, onder a, b en c, genoemde vereisten.
5. Het derde lid is telkens gedurende een periode van drie jaar op
een overeenkomst als bedoeld in dat lid met betrekking tot een
bepaalde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, en de daarin met
name genoemde vervreemder of verkrijger, slechts één maal van
toepassing. De periode van drie jaar vangt aan op de datum van eerste
inschrijving in de openbare registers. Onder verkrijger wordt in dit
geval verstaan de partij waarmee een overeenkomst is gesloten.
6. Het eerste lid geldt eveneens niet indien burgemeester en
wethouders op aanvraag van een vervreemder op grond van door die
vervreemder aannemelijk gemaakte gewichtige redenen daartoe besluiten.
Zij kunnen daarbij beperkingen opleggen.
Artikel 11
1. Ter voldoening aan artikel 10, eerste lid, bericht de
vervreemder aan burgemeester en wethouders bij aangetekende brief dat
hij in beginsel bereid is over te gaan tot vervreemding van het
desbetreffende goed aan de gemeente tegen nader overeen te komen
voorwaarden.
2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, bevat een opgave van het
goed dat onderwerp uitmaakt van de voorgenomen vervreemding alsmede
ten aanzien van de desbetreffende onroerende zaken:
a. de kadastrale aanduiding;
b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de
kadastrale registratie;
c. de grootte van een perceelsgedeelte, indien het aanbod
betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak.
3. Indien de opgave betrekking heeft op onroerende zaken die
slechts ten dele in de aanwijzing of voorlopige aanwijzing zijn
opgenomen maar een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder
onverminderd afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, eisen dat dit geheel van onroerende zaken wordt betrokken in
de mogelijke vervreemding aan de gemeente.
4. De vervreemder kan eisen dat in de vervreemding wordt betrokken
het bedrijf of de onderneming waarin de onroerende zaken als onderdeel
daarvan worden geëxploiteerd.
Artikel 12
1. Burgemeester en wethouders besluiten binnen zes weken na
ontvangst van de opgave of de gemeente al dan niet in beginsel bereid
is het goed tegen nader overeen te komen voorwaarden te kopen of op
grond van een andere titel te verkrijgen.
2. Indien burgemeester en wethouders binnen de termijn, genoemd in
het eerste lid, beslissen niet bereid te zijn het goed te kopen of op
grond van een andere titel te verkrijgen heeft de vervreemder
gedurende drie jaar na die beslissing de vrijheid tot vervreemding aan
derden voorzover het betreft het in zijn aanbod vermelde goed. De
vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met
inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming,
waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolge
artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de
verkoop zou worden betrokken.
3. Bij overschrijding van de termijn, genoemd in het eerste lid, is
het tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat
de in dat lid genoemde periode van drie jaar aanvangt na verloop van
die termijn.
Artikel 13
1. Indien burgemeester en wethouders en de vervreemder in
onderhandeling zijn getreden ter bepaling van de
vervreemdingsvoorwaarden en gehandeld is overeenkomstig de artikelen
11 en 12, eerste lid, kan de vervreemder aan burgemeester en
wethouders verzoeken om binnen vier weken de rechter te verzoeken een
oordeel over de prijs te geven.
2. Bij hun verzoekschrift overleggen burgemeester en wethouders een
gewaarmerkt afschrift van het verzoek van de vervreemder.
3. Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn of
indien burgemeester en wethouders schriftelijk weigeren een
verzoekschrift in te dienen, is artikel 12, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
4. De rechtbank benoemt een of meer deskundigen die zo spoedig
mogelijk aan de rechtbank advies over de prijs uitbrengen. Bij het ten
behoeve van het advies uit te voeren onderzoek wordt onder meer de
ligging en de gesteldheid van de desbetreffende onroerende zaak
betrokken. De rechtbank oordeelt met overeenkomstige toepassing van de
artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet.
5. De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het
verzoekschrift bij beschikking uitspraak. Van de beschikking van de
rechtbank staat uitsluitend beroep in cassatie open.
6. De kosten van de rechterlijke procedure, het deskundigenadvies
alsmede de redelijkerwijs door de vervreemder voor rechtsbijstand en
andere deskundige bijstand gemaakte kosten komen ten laste van de
gemeente. Indien de rechter daartoe termen vindt in de omstandigheden
van het geval, is deze bevoegd de kosten geheel of gedeeltelijk te
compenseren.
7. Indien door schriftelijke intrekking van het verzoek door
burgemeester en wethouders de procedure tussentijds wordt beëindigd,
heeft de vervreemder gedurende drie jaar na de intrekking de vrijheid
tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn opgave
vermelde goed. De rechter beslist dan bij beschikking over de kosten,
bedoeld in het zesde lid.
Artikel 14
Indien de vervreemder binnen drie maanden, te rekenen van de dag van
onherroepelijk worden van de beschikking, bedoeld in artikel 13, vijfde
lid, bij aangetekende brief aan de gemeente verlangt dat deze het
betrokken goed verkrijgt, is de gemeente verplicht haar medewerking te
verlenen aan de totstandkoming van een notariële akte tot levering aan
haar van het betrokken goed tegen betaling aan de vervreemder van de bij
onherroepelijke rechterlijke beschikking bepaalde prijs.
Artikel 15
1. De vervreemder kan de rechtbank verzoeken te bepalen dat de
gemeente wegens de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de
vervreemder gehouden is medewerking te verlenen aan de overdracht
tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs van het goed, dat is
vervat in de opgave, bedoeld in artikel 11, eventueel met inbegrip van
de ingevolge het derde en vierde lid van dat artikel mede in die
opgave vermelde bestanddelen.
2. Het met redenen omkleed verzoekschrift kan worden gedaan binnen
twee maanden te rekenen van de dag:
a. waarop burgemeester en wethouders de termijn, bedoeld in
artikel 13, eerste lid, hebben overschreden of indien zij
schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen;
b. waarop de intrekking, bedoeld in artikel 13, zevende lid,
van het verzoek ter griffie is ontvangen.
3. De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het
verzoekschrift bij beschikking uitspraak over het verzoek en bij
toewijzing daarvan tevens over de prijs. Zij beoordeelt of het
redelijk is dat vervreemding aan de gemeente, gezien de bijzondere
persoonlijke omstandigheden die terzake van belang kunnen zijn,
achterwege zou blijven. Van de beschikking staat uitsluitend beroep in
cassatie open.
4. Bij afwijzing van het verzoek heeft de vervreemder gedurende
drie jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beschikking
de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover betreft het in zijn
opgave, bedoeld in artikel 11, vermelde goed. De vervreemding betreft
alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het
gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de vervreemder
bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, derde of
vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden
betrokken.
5. Deartikelen 13, vierde en zesde lid, en 14 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 16 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 17 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 18 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 19 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 20 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 21 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 22 [Vervallen per 01-02-1990]
Artikel 23 [Vervallen per 01-02-1990]
Artikel 24
1. De inschrijving in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers van een akte,
behelzende een vervreemding anders dan aan de gemeente, vindt alleen
plaats indien op het in te schrijven stuk is opgenomen een notariële
verklaring, houdende dat op de betrokken onroerende zaak geen
aanwijzing of voorlopige aanwijzing in de zin van deze wet van
toepassing is, hetzij dat de vervreemding niet in strijd is met deze
wet.
2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt met de daar bedoelde
notariële verklaring gelijkgesteld de verklaring van een persoon
bedoeld in artikel 91 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek,
die overeenkomstig het daar bepaalde een onderhandse akte tot levering
heeft opgesteld.
Artikel 25
1. Voor zover na de overdracht aan de gemeente van een onroerende
zaak of van een beperkt recht waaraan zo’n zaak is onderworpen
ingevolge de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26vanwege een besluit
tot aanwijzing overeenkomstig artikel 2 in samenhang met artikel 3 of
4, zonder dat de in artikel 3, eerste lid, of 4, eerste lid, bedoelde
andere bestemming is verwezenlijkt, bij een onherroepelijk
bestemmingsplan een bestemming is aangewezen waarmee de totstandkoming
van de aanwijzing zou zijn uitgesloten, kan de vervreemder vorderen
dat de gemeente hem de schade zal vergoeden die hij als gevolg van die
overdracht mocht hebben geleden.
2. Gelijke bevoegdheid heeft de vervreemder na de overdracht
ingevolge de artikelen 10 tot en met 15, 24 en26 vanwege een besluit
tot aanwijzing overeenkomstig artikel 2 in samenhang met 5, of een
besluit tot voorlopige aanwijzing overeenkomstig artikel 6, voor zover
de bij die overdracht betrokken onroerende zaak niet binnen de
desbetreffende termijn, genoemd inartikel 6 of 9 is opgenomen in een
besluit als bedoeld inartikel 5, onderscheidenlijk in een
bestemmingsplan of structuurvisie, waarbij de bij de aanwijzing of
voorlopige aanwijzing aan de betrokken onroerende zaak toegedachte
bestemming is gehandhaafd.
3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 9a, eerste of tweede
lid, treedt voor de toepassing van het eerste of tweede lid de
provincie onderscheidenlijk de Staat in de plaats van de gemeente.
Artikel 26
1.Een gemeente kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die
zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in
deze wet geregelde voorkeurspositie.
2.Het verzoek moet worden gedaan binnen acht weken nadat de
gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de
desbetreffende rechtshandeling is vervat bij de rechtbank van het
arrondissement waarbinnen de gemeente is gelegen. De gemeente is niet
ontvankelijk in haar verzoek indien zij met de desbetreffende
rechtshandeling schriftelijk heeft ingestemd.
Artikel 27 [Vervallen per 01-07-2010]
Artikel 28
Wij geven bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften
voor de uitvoering van deze wet.
Artikel 29
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving]
Artikel 30
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet voorkeursrecht gemeenten.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten,
colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven te Lage Vuursche, 22 april 1981
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
Beelaerts van Blokland
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
Uitgegeven de veertiende mei 1981
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
|