Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  ZEEVARENDEN Ļ

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit opleidingen en bevoegdheden nautische beroepsbeoefenaren
- Besluit zeevarenden handelsvaart en zeilvaart
- Besluit zeevisvaartbemanning
- Regeling tarieven scheepvaart 2005
- Regeling vaarbevoegdheidsbewijzen zeevaart (vervallen)

 

 

WET van 11 december 1997, houdende regels omtrent de bemanning van zeeschepen (Zeevaartbemanningswet) Ļ

1. Redactie: ingevolge artikel I, onderdeel JJ, van de Wet van 6 juli 2011 inzake implementatie van het op 23 februari 2006 te GenŤve tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) is de Zeevaartbemanningswet met ingang van 20 augustus 2013 voorzien van een nieuwe citeertitel, luidende: Wet zeevarenden.

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is nieuwe bepalingen vast te stellen voor het bemannen van Nederlandse zeeschepen;
     Gelet op het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationale Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144), alsmede op Richtlijn nr. 94/58/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 november 1994 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (PbEG L 319);
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Definities en reikwijdte

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

b. Nederlands schip: een schip dat op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren;

c. vissersvaartuig: een Nederlands schip dat bestemd is of gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vangen van vis of van andere levende rijkdommen van de zee;

d. zeilschip: een Nederlands schip dat bestemd en ingericht is om hoofdzakelijk door middel van zeilen te worden voortbewogen;

e. pleziervaartuig: een Nederlands schip dat uitsluitend anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf wordt gebruikt;

f. zeilvaart: de bedrijfsmatige vaart met zeilschepen op zee;

g. scheepslengte: tenzij anders bepaald, 96 procent van de totale lengte op een waterlijn op 85 procent van de kleinste holte gemeten vanaf de kiellijn, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze lengte groter is; bij vissersvaartuigen die met een stuurlast ontworpen zijn, moet de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt, evenwijdig aan de ontwerplastlijn worden genomen;

h. kapitein: de gezagvoerder van een Nederlands schip;

i. scheepsofficier: een lid van de bemanning, niet zijnde de kapitein, die aan boord van een Nederlands schip een functie als stuurman, werktuigkundige, maritiem officier, officier elektrotechniek of radio-operator vervult;

j. opvarende: een ieder die zich gedurende de vaart aan boord van het schip bevindt;

k. bemanning: de kapitein, de scheepsofficieren, de scheepsgezellen, en de overige zeevarenden die in de monsterrol worden genoemd;

l. scheepsbeheerder: de eigenaar of de rompbevrachter van een schip, of een vennootschap als bedoeld in artikel 311, derde lid, van het Wetboek van Koophandel aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgedragen, of indien het een vissersvaartuig betreft, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het vissersvaartuig heeft overgedragen;

m. de ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport: de door Onze Minister aangewezen ambtenaren van de Inspectie Leefomgeving en Transport;

n. vaarbevoegdheid: de bevoegdheid om in een of meer functies waarvoor bij of krachtens deze wet beroepsvereisten zijn gesteld, aan boord van een schip dienst te doen;

o. vaarbevoegdheidsbewijs: een door Onze Minister afgegeven document waaruit de vaarbevoegdheid blijkt;

p. bemanningsplan: een voorstel van de scheepsbeheerder, houdende het aantal bemanningsleden met hun functies aan boord waarmee de scheepsbeheerder het betrokken schip minimaal wenst te bemannen;

q. bemanningscertificaat: een door Onze Minister afgegeven certificaat, houdende het minimumaantal bemanningsleden met hun functies aan boord van het betrokken schip;

r. beroepsvereisten: de krachtens deze wet gestelde vereisten ten aanzien van de kennis, het inzicht, de vaardigheden en de leeftijd voor een functie aan boord of voor werkzaamheden waarop deze wet van toepassing is;

s. geneeskundige verklaring van geschiktheid voor de zeevaart: een verklaring als bedoeld in artikel 40;

t. tuchtcollege: het tuchtcollege voor de scheepvaart als bedoeld in artikel 55a, tweede lid;

u. verwerking van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;

v. verantwoordelijke: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet bescherming persoonsgegevens;

w. bekwaamheidsbewijs: elk geldig document, niet zijnde een vaarbevoegdheidsbewijs, afgegeven aan een zeevarende, waarin wordt verklaard dat door deze wordt voldaan aan een of meer beroepsvereisten.

x. bemanningsrichtlijn: richtlijn nr. 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (PbEU L 323);

y. Maritiem Arbeidsverdrag: het op 23 februari 2006 in GenŤve tot stand gekomen Maritiem Arbeidsverdrag, 2006 (Trb. 2007, 93) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen en aanhangselen;

z. zeevarende: de natuurlijke persoon die in enige hoedanigheid werkzaamheden verricht aan boord van een schip;

aa. visser: een zeevarende werkzaam op een vissersvaartuig;

ab. certificaat maritieme arbeid: het certificaat, bedoeld in voorschrift 5.1.3, derde lid, van het Maritiem Arbeidsverdrag;

ac. verklaring naleving maritieme arbeid: de verklaring, bedoeld in norm A 5.1.3, tiende lid, van het Maritiem Arbeidsverdrag, bestaande uit deel I en deel II;

ad. internationale reis: een reis tussen twee verschillende landen of tussen havens in een ander land, waarbij een gebied voor welks buitenlandse betrekkingen een buiten dat gebied zetelende regering verantwoordelijk is of waarvan de Verenigde Naties het besturend lichaam zijn, mede als een afzonderlijk land wordt aangemerkt, en waarbij een transatlantische reis tussen delen van het Koninkrijk met een internationale reis gelijk wordt gesteld;

ae. IMO-nummer: het scheepsidentificatienummer, bedoeld in voorschrift XI-1/3 van het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157);

af. STCW-Verdrag: het op 7 juli 1978 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978 (Trb. 1981, 144) en de bij dat verdrag behorende bindende bijlagen;

ag. STCW-Code: de Code inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van zeevarenden, behorend bij het STCW-Verdrag (Trb. 1996, 249);

ah. SOLAS-verdrag: het op 1 november 1974 te Londen tot stand gekomen Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Trb. 1976, 157) en de bij dat verdrag behorende bindende protocollen, aanhangsels en bijlagen;

ai. beveiligingstaak: elke functie of werkzaamheid met betrekking tot de beveiliging aan boord van een schip, zoals omschreven in hoofdstuk XI-2 van het SOLAS-verdrag en in de bij resolutie 2 van de Conferentie van verdragsluitende regeringen die partij zijn bij het SOLAS-verdrag op 12 december 2002 aangenomen Internationale Code voor de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (International Ship and Port Facility Security Code);

aj. ervaring: de diensttijd in maanden, in een bepaalde functie aan boord van in de vaart zijnde zeeschepen, gerekend met ingang van de dag van aanmonstering tot en met de dag van afmonstering;

ak. GT: de maateenheid brutotonnage waarin de totale inhoud van een schip, vastgesteld overeenkomstig het op 23 juni 1969 te Londen tot stand gekomen Verdrag betreffende de meting van schepen (Trb. 1970, 122), wordt uitgedrukt;

al. schipper: de kapitein van een vissersvaartuig;

am. Caribisch-Nederlands schip: een schip dat op grond van de Vaartuigenwet 1930 BES is geregistreerd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

2. Bij regeling van Onze Minister kunnen, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, categorieŽn van personen worden aangewezen die in afwijking van het eerste lid, onderdeel z, niet worden aangemerkt als zeevarenden.

Artikel 2

1. Het bepaalde bij of krachtens deze wet is van toepassing ten aanzien van Nederlandse schepen, voor zover ten aanzien van vissersvaartuigen niet anders is bepaald, en, in de bij of krachtens deze wet aangewezen gevallen, op Caribisch-Nederlandse schepen.

2. Deze wet is niet van toepassing ten aanzien van:

a. schepen die uitsluitend varen op Nederlandse binnenwateren of wateren binnen, of dicht grenzend aan beschutte wateren of gebieden waar Nederlandse havenvoorschriften gelden;

b. onbemande schepen die niet van middelen tot werktuiglijke voortstuwing zijn voorzien;

c. oorlogsschepen en marinehulpschepen;

d. reddingsvaartuigen;

e. onoverdekte vissersvaartuigen die in de regel niet buiten het zicht van de Nederlandse kust worden gebracht, en

f. pleziervaartuigen.

3. Het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 4B, en hoofdstuk 7, paragrafen 8 en 9, is niet van toepassing op niet commercieel gebruikte schepen.

4. Voor de toepassing van het derde lid kunnen bij ministeriŽle regeling nadere regels worden gesteld en kan nader worden bepaald welke categorieŽn van schepen in ieder geval vallen onder de in het derde lid bedoelde uitzonderingen.

5. Bij regeling van Onze Minister kunnen na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden categorieŽn van schepen worden aangewezen waarop het bepaalde bij of krachtens deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is.

6. Voor de toepassing van het vijfde lid kunnen bij ministeriŽle regeling voor niet commercieel gebruikte overheidsschepen nadere regels worden gesteld. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende categorieŽn schepen.

7. Bij regeling van Onze Minister kan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, voor categorieŽn schepen van minder dan 200 GT die geen internationale reizen maken, worden bepaald dat van het bepaalde bij of krachtens deze wet onder daarbij te stellen regels vrijstelling wordt verleend.

Hoofdstuk 2. De bemanning van zeeschepen

ß 1. Algemene bepalingen met betrekking tot de aanstelling en handhaving van een veilige bemanning

Artikel 3

1.De zorg voor het bemannen van een schip met inachtneming van deze wet berust bij de scheepsbeheerder.

2.De scheepsbeheerder verschaft de kapitein de middelen die hem in staat stellen om aan zijn verplichtingen ingevolge deze wet te voldoen.

3.De scheepsbeheerder houdt, ten behoeve van de met het toezicht op de naleving van deze wet belaste autoriteiten, per schip van elk daarop dienstdoend bemanningslid een overzicht bij van ten minste het volgende:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x