Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

BELASTINGREGELING  VOOR  HET  KONINKRIJK  (BRK)

Tekst zoals deze geldt op 11 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Gezamenlijke beschikking plaatselijk aangeworven werkkrachten 
- Gezamenlijke regeling van kwalificerende regelingen 
- Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk 2002 (Aruba) 
- Uitvoeringsvoorschriften artikel 11 Belastingregeling voor het Koninkrijk 2002 (Nederlandse Antillen)  

 

 

RIJKSWET van 28 oktober 1964, houdende Belastingregeling voor het Koninkrijk

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Regeringen van Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen het in onderling overleg raadzaam oordelen, dat op het stuk van de belastingen een onderlinge regeling bij Rijkswet wordt vastgesteld;
     dat het derhalve wenselijk is zulke regelen met toepassing van artikel 38 van het Statuut voor het Koninkrijk vast te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Algemene bepaling

 

Artikel 1

1. In Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten worden vreemdelingen niet onderworpen aan enige belasting of daarmede verband houdende verplichting welke drukkender is dan die, waaraan Nederlanders onder overigens gelijke omstandigheden worden onderworpen.

2. Een lichaam dat is opgericht naar het recht van een land van het Koninkrijk wordt in een ander land van het Koninkrijk niet aan enige belastingheffing of daarmee verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmee verband houdende verplichtingen, waaraan lichamen die naar het recht van het andere land zijn opgericht onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

3. De belasting in een van de landen van niet-inwoners ter zake van een binnen dat land aangehouden vaste inrichting is in beginsel niet drukkender dan de belasting van inwoners die dezelfde werkzaamheden onder overigens gelijke omstandigheden uitoefenen. De vorige volzin heeft geen betrekking op aan de personen of de persoonlijke omstandigheden gebonden tegemoetkomingen, zoals die welke verleend worden op grond van gezinssamenstelling en besteding van het inkomen.

 

Hoofdstuk I. Begripsbepalingen

 

Artikel 2

1. Deze Rijkswet verstaat onder:

a. landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten;

b. personen: natuurlijke personen en lichamen;

c. lichamen: rechtspersonen, maat- of vennootschappen, andere verenigingen van personen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;

d. inwoner van een van de landen: een persoon die, ingevolge de desbetreffende belastingregelingen van een van de landen aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, of enige andere soortgelijke omstandigheid.

Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in dat land slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in dat land, of van vermogen dat in dat land is gelegen.

e. vaste inrichting: een duurzame inrichting waarin of met behulp waarvan werkzaamheden van een onderneming - zelfstandig uitgeoefend beroep daaronder begrepen - worden uitgeoefend;

f. vaste vertegenwoordiger: een persoon die in het bezit is van een duurzame machtiging om namens de onderneming - zelfstandig uitgeoefend beroep daaronder begrepen - overeenkomsten af te sluiten en daarvan gewoonlijk gebruik maakt in het betrokken land - tenzij zijn werkzaamheden zich beperken tot het voor de onderneming aankopen van goederen -, alsmede een persoon die een goederenvoorraad heeft waaruit hij regelmatig bestellingen uitvoert ten behoeve van de onderneming.

2. Een vaste inrichting is onder meer:

a. een plaats waar leiding wordt gegeven;

b. een filiaal;

c. een kantoor;

d. een fabriek;

e. een werkplaats.

3. Als het aanhouden van een vaste inrichting wordt niet aangemerkt:

a. het uitsluitend voor opslag of uitstalling aanhouden van een voorraad goederen, welke tot de onderneming behoren, alsmede van daarvoor bestemde ruimten;

b. het aanhouden van een ruimte uitsluitend om voor de onderneming goederen aan te kopen;

c. het aanhouden van een ruimte uitsluitend voor het maken van reclame, voor het verstrekken en inwinnen van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek en voor soortgelijke werkzaamheden, indien de bedoelde verrichtingen voor de onderneming van voorbereidende aard zijn of hulpwerkzaamheden zijn.

4. Een onderneming wordt niet geacht een vaste vertegenwoordiger te hebben enkel op grond van het feit, dat zij zaken doet door tussenkomst van een makelaar, een commissionnair of een andere agent met een wezenlijk onafhankelijke positie, mits die personen daarbij optreden in de normale uitoefening van hun onderneming.

5. Deze Rijkswet verstaat hierna mede onder:

a. onderneming: zelfstandig uitgeoefend beroep;

b. vaste inrichting: vaste vertegenwoordiger;

c. niet-zelfstandige arbeid: zelfstandige, niet in eigen onderneming verrichte werkzaamheden en diensten;

d. dividend: opbrengst van winstbewijzen en winstdelende obligaties.

6. Een in deze Rijkswet gebezigd doch niet omschreven begrip wordt, tenzij het zinsverband anders vereist, voor elk land verstaan in de zin van de desbetreffende belastingregelingen van dat land.

7. Voor de toepassing van deze Rijkswet geniet winst uit onderneming hij, voor wiens rekening een onderneming wordt gedreven, daaronder begrepen hij die, anders dan als aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van een onderneming.

8. Voor de toepassing van dit artikel, artikel 13a en artikel 24, tiende lid,

a. wordt, tenzij de context anders vereist, verstaan onder:

1°. de Richtlijn 2003/48/EG: de Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten van spaargelden in de vorm van rentebetalingen (PbEU L 157/38);

2°. uiteindelijk gerechtigde: een uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van de Richtlijn 2003/48/EG;

3°. uitbetalende instantie: een uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4 van de Richtlijn 2003/48/EG;

4°. rentebetaling: een rentebetaling als bedoeld in artikel 6 van de Richtlijn 2003/48/EG, met inachtneming van artikel 15 van de Richtlijn 2003/48/EG;

5°. termen, gebruikt in artikel 13a en artikel 24, tiende lid, die niet anderszins in dit artikel zijn omschreven: de betekenis die in de Richtlijn 2003/48/EG daaraan wordt gegeven;

b. wordt in de bepalingen in de Richtlijn 2003/48/EG waarnaar in dit artikel, artikel 13a en artikel 24, tiende lid, wordt verwezen in plaats van «lidstaten» gelezen: Curaçao, Sint Maarten of Nederland, al naar de context vereist.

 

Hoofdstuk II. Vermijding van dubbele belasting

 

Afdeling 1. Belastingen naar inkomen en vermogen

 

Artikel 3

1. Deze afdeling is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, geheven ten behoeve van een van de landen of een staatkundig onderdeel daarvan.

2. Tot de belastingen naar het inkomen en naar het vermogen behoren mede belastingen naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen uit vervreemding van roerende of onroerende goederen, belastingen naar waardevermeerdering, alsmede belastingen naar het gehele bedrag van door ondernemingen betaalde lonen.

3. De bestaande belastingen waarop deze afdeling van toepassing is, zijn:

a. zoveel Nederland betreft:

1°. de inkomstenbelasting;

2°. de loonbelasting;

3°. de vennootschapsbelasting;

4°. de dividendbelasting;

5°. de commissarissenbelasting;

6°. de vermogensbelasting;

b. zoveel Curaçao en Sint Maarten betreft:

1°. de inkomstenbelasting;

2°. de winstbelasting;

c. zoveel Aruba betreft:

1°. de inkomstenbelasting;

2°. de winstbelasting;

3°. de dividendbelasting.

 

Artikel 4

1.Inkomsten genoten door een inwoner van een van de landen uit onroerende goederen gelegen of gevestigd binnen een van de andere landen, mogen in dat andere land worden belast, ook ingeval deze inkomsten deel uitmaken van de winst van een onderneming.

2.De uitdrukking "onroerende goederen" omvat mede:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x