Nadere regelgeving:
- Geen
WET van 19 januari 2006, houdende regels
met betrekking tot zuinig en doelmatig ruimtegebruik en optimale
leefomgevingskwaliteit in stedelijk en landelijk gebied en met
betrekking tot coördinatie van procedures (Interimwet
stad-en-milieubenadering)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in
bepaalde gevallen afwijking van wettelijke voorschriften mogelijk te
maken in het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het
bereiken van optimale leefomgevingskwaliteit en dat het voorts wenselijk
is om een procedure in de wet te regelen voor het coördineren van
besluitvorming teneinde die besluitvorming te versnellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. milieugevoelige bestemmingen: gebouwen en terreinen die naar
hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de
dag of nacht of een gedeelte daarvan;
b. projectgebied: gebied waarin op grond van de artikelen 2, 3 of
9 wordt afgeweken van wettelijke voorschriften;
c. milieukwaliteitsnorm: bij wettelijk voorschrift gestelde norm
ten aanzien van de kwaliteit van een onderdeel van het milieu;
d. omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in
artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
e. veehouderij: veehouderij als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
van de Wet ammoniak en veehouderij;
f. zeer kwetsbaar gebied: zeer kwetsbaar gebied als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij;
g. ammoniakemissie: ammoniakemissie als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij;
h. dierenverblijf: dierenverblijf als bedoeld in artikel 1 van de
Wet geurhinder en veehouderij;
i. reconstructiegebied: reconstructiegebied als bedoeld in
artikel 1 van de Reconstructiewet concentratiegebieden;
j. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer, en
k. inspecteur: als zodanig bij besluit van Onze Minister
aangewezen ambtenaar.
§ 2. Bevoegdheid tot afwijking van wettelijke voorschriften
Artikel 2
De gemeenteraad kan ten behoeve van het vestigen van milieugevoelige
bestemmingen en van het vestigen of verplaatsen van kleinschalige
bedrijvigheid bij functiemenging van wonen en werken, ten aanzien van
een door hem aangewezen projectgebied in het belang van zuinig en
doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van optimale
leefomgevingskwaliteit, besluiten:
a. tot afwijking van een milieukwaliteitsnorm met betrekking tot
bodem, geluid en lucht, en
b. tot afwijking van de waarden en afstanden, bedoeld in de
artikelen 3, 4 en 5 van de Wet geurhinder en veehouderij.
Artikel 3
De gemeenteraad kan ten aanzien van een door hem aangewezen
projectgebied in het belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het
bereiken van optimale leefomgevingskwaliteit, besluiten:
a. dat, in afwijking van artikel 4 van de Wet ammoniak en
veehouderij, een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het
oprichten van een veehouderij onder intrekking van de rechtsgeldige
omgevingsvergunning voor een bestaande veehouderij die binnen dat
projectgebied dichter bij een zeer kwetsbaar gebied is gevestigd,
met dien verstande dat:
1°. indien het aantal dieren per diercategorie niet hoger is
dan het aantal dat in de bestaande veehouderij aanwezig mocht
zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven
behorende tot de op te richten veehouderij ten hoogste gelijk is
aan de ammoniakemissie die de bestaande veehouderij zou mogen
veroorzaken, of
2°. indien het aantal dieren per diercategorie van de op te
richten veehouderij hoger is dan het aantal dat in de bestaande
veehouderij aanwezig mocht zijn, de toegestane ammoniakemissie
uit de dierenverblijven behorende tot de op te richten
veehouderij ten hoogste gelijk is aan de ammoniakemissie die de
bestaande veehouderij zou mogen veroorzaken indien daarop
artikel 7 van de Wet ammoniak en veehouderij van toepassing zou
zijn, en
b. dat, in afwijking van artikel 6 van de Wet ammoniak en
veehouderij, een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het
veranderen van een veehouderij onder intrekking van de rechtsgeldige
omgevingsvergunning voor een of meer andere binnen dat projectgebied
bestaande, met de te veranderen veehouderij samen te voegen
veehouderijen die dichter bij een zeer kwetsbaar gebied zijn
gevestigd, met dien verstande dat:
1°. indien het aantal dieren per diercategorie niet hoger is
dan het aantal dat in de samen te voegen veehouderijen aanwezig
mag zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven
behorende tot de te veranderen veehouderij ten hoogste de
ammoniakemissie bedraagt die de samen te voegen veehouderijen
zouden mogen veroorzaken, of
2°. indien het aantal dieren per diercategorie hoger is dan
het aantal dat in de samen te voegen veehouderijen aanwezig mag
zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven
behorende tot de te veranderen veehouderij ten hoogste de
ammoniakemissie bedraagt die de samen te voegen veehouderijen
zouden mogen veroorzaken indien daarop artikel 7 van de Wet
ammoniak en veehouderij van toepassing zou zijn.
Artikel 4
1. Van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2, wordt geen gebruik
gemaakt:
a. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld bij of
krachtens de Luchtvaartwet of de Wet luchtvaart;
b. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld bij of
krachtens artikel 5.2b of titel 5.2 van de Wet milieubeheer;
c. met betrekking tot milieukwaliteitsnormen, gesteld krachtens
artikel 108 van de Wet geluidhinder voorzover die normen
betrekking hebben op luchtvaartterreinen, of
d. voorzover dat leidt tot een geluidsbelasting binnen een
woning met gesloten ramen, die hoger is dan 33 dB.
2. Van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 3, wordt geen gebruik
gemaakt met betrekking tot een deel van een reconstructiegebied waarop
artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden van toepassing
is.
3. De gemeenteraad maakt van de bevoegdheid, bedoeld in de
artikelen 2 en 3, uitsluitend gebruik, indien:
a. hij tot het oordeel is gekomen dat het rekening houden met
milieukwaliteit in de ruimtelijke planvorming, het nemen van
brongerelateerde maatregelen en het optimaal benutten van
wettelijke voorschriften niet toereikend zijn om zuinig en
doelmatig ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit te
bereiken, en
b. een melding als bedoeld in artikel 11 is gedaan.
Artikel 5
1. Een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en3 bevat ten minste:
a. een omschrijving van het projectgebied en een of meerdere
kadastrale kaarten waarop de begrenzing van dat gebied is
aangegeven;
b. de milieukwaliteitsnorm of het andere wettelijke voorschrift
ten aanzien waarvan het besluit een afwijking bevat;
c. de norm met betrekking tot de kwaliteit van het milieu of
het andere wettelijke voorschrift, welke geldt ter vervanging van
de milieukwaliteitsnorm of het andere wettelijke voorschrift
waarvan wordt afgeweken;
d. de wijze waarop nadelige gevolgen voor het milieu van een
besluit als bedoeld in de artikelen 2en 3 worden beperkt en
voorzover nodig gecompenseerd, en
e. de termijn waarvoor de afwijking geldt.
2. Onverminderd het eerste lid bevat een besluit als bedoeld in
artikel 2 onder verwijzing naar de bijgevoegde kadastrale kaart:
a. een beschrijving van de onroerende zaken waarop dat besluit
betrekking heeft;
b. de kadastrale aanduiding van die onroerende zaken;
c. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de
basisregistratie kadaster, en
d. indien een in de beschrijving opgenomen onroerende zaak een
gedeelte van een perceel uitmaakt, de grootte van dat gedeelte.
3. Op de bijgevoegde kadastrale kaart, bedoeld in het tweede lid,
zijn de desbetreffende onroerende zaken en de bijhorende percelen en
perceelsgedeelten duidelijk aangegeven.
Artikel 6
De motivering van het besluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3, bevat
ten minste een beschrijving van:
a. de visie van de gemeenteraad op de gewenste
leefomgevingskwaliteit van het projectgebied, mede in relatie tot
het ruimtegebruik en de leefomgevingskwaliteit in het gebied
waarbinnen het projectgebied is gelegen;
b. de wijze waarop getracht of overwogen is door rekening te
houden met milieukwaliteit in de ruimtelijke planvorming,
brongerelateerde maatregelen en optimale benutting van wettelijke
voorschriften zuinig en doelmatig ruimtegebruik en optimale
leefomgevingskwaliteit te bereiken;
c. de daarbij ondervonden of te voorziene beperkingen ten aanzien
van een milieukwaliteitsnorm of ander wettelijk voorschrift en een
uiteenzetting over de meerwaarde die de afwijking daarvan met zich
brengt met het oog op het bereiken van zuinig en doelmatig
ruimtegebruik en optimale leefomgevingskwaliteit;
d. de gevolgen die de uitvoering van het besluit met zich brengt
voor de onderscheiden onderdelen van het milieu, de volksgezondheid
en de objecten binnen het projectgebied;
e. de overwegingen met betrekking tot het beperken en voorzover
nodig compenseren van de nadelige gevolgen voor het milieu
veroorzaakt door de afwijking van een milieukwaliteitsnorm of een
ander wettelijk voorschrift;
f. de wijze waarop bij de voorbereiding van het besluit
belanghebbenden en bestuursorganen die het aangaat, zijn betrokken;
g. de naar voren gebrachte zienswijzen en uitgebrachte adviezen
en de overwegingen van de gemeenteraad omtrent de naar voren
gebrachte zienswijzen en uitgebrachte adviezen, en
h. indien het besluit een bepaalde termijn bevat, de overwegingen
die hebben geleid tot de in het besluit aangegeven termijn waarvoor
de afwijking geldt en de maatregelen die zullen worden getroffen
teneinde die termijn niet te overschrijden.
Artikel 7
Voorzover de nadelige gevolgen voor het milieu van een besluit als
bedoeld in deartikelen 2 en 3 niet kunnen worden voorkomen of beperkt,
worden die nadelige gevolgen gecompenseerd in of in de directe omgeving
van het projectgebied op een wijze die de belangen, genoemd in de aanhef
van deartikelen 2 en 3, dient.
Artikel 8
Indien de uitvoering van een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en
3onvoorziene en ontoelaatbare effecten heeft op het milieu of de
volksgezondheid, neemt de gemeenteraad noodzakelijke maatregelen
teneinde die effecten tot een toelaatbaar niveau terug te brengen.
§ 3. Bevoegdheid tot afwijking van wettelijke voorschriften in
reconstructiegebieden
Artikel 9
Indien op een deel van een reconstructiegebied artikel 27 van de
Reconstructiewet concentratiegebieden van toepassing is, kunnen
provinciale staten van de provincie waarin dat reconstructiegebied
geheel of grotendeels is gelegen ten aanzien van een door hen aan te
wijzen projectgebied binnen dat deel van het reconstructiegebied in het
belang van zuinig en doelmatig ruimtegebruik en het bereiken van
optimale leefomgevingskwaliteit, besluiten:
a. dat, in afwijking van artikel 4 van de Wet ammoniak en
veehouderij, een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het
oprichten van een veehouderij onder intrekking van de rechtsgeldige
omgevingsvergunning voor een bestaande veehouderij die binnen het
projectgebied, bedoeld in de aanhef, dichter bij een zeer kwetsbaar
gebied is gevestigd, met dien verstande dat:
1°. indien het aantal dieren per diercategorie niet hoger is
dan het aantal dat in de bestaande veehouderij aanwezig mocht
zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven
behorende tot de op te richten veehouderij ten hoogste gelijk is
aan de ammoniakemissie die de bestaande veehouderij zou mogen
veroorzaken, of
2°. indien het aantal dieren per diercategorie in de op te
richten veehouderij hoger is dan het aantal dat in de bestaande
veehouderij aanwezig mocht zijn, de toegestane ammoniakemissie
uit de dierenverblijven behorende tot de op te richten
veehouderij ten hoogste gelijk is aan de ammoniakemissie die de
bestaande veehouderij zou mogen veroorzaken indien daarop
artikel 7 van de Wet ammoniak en veehouderij van toepassing zou
zijn, en
b. dat, in afwijking van artikel 6 van de Wet ammoniak en
veehouderij, een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het
veranderen van een veehouderij onder intrekking van de rechtsgeldige
omgevingsvergunning voor een of meer andere binnen het
projectgebied, bedoeld in de aanhef, bestaande, met de te veranderen
veehouderij samen te voegen veehouderijen die dichter bij een zeer
kwetsbaar gebied zijn gevestigd, met dien verstande dat:
1°. indien het aantal dieren per diercategorie niet hoger is
dan het aantal dat in de samen te voegen veehouderijen aanwezig
mag zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven
behorende tot de te veranderen veehouderij ten hoogste de
ammoniakemissie bedraagt die de samen te voegen veehouderijen
zouden mogen veroorzaken, of
2°. indien het aantal dieren per diercategorie hoger is dan
het aantal dat in de samen te voegen veehouderijen aanwezig mag
zijn, de toegestane ammoniakemissie uit de dierenverblijven
behorende tot de te veranderen veehouderij ten hoogste de
ammoniakemissie bedraagt die de samen te voegen veehouderijen
zouden mogen veroorzaken indien daarop artikel 7 van de Wet
ammoniak en veehouderij van toepassing zou zijn.
Artikel 10
1. In een reconstructiegebied vindt de voorbereiding, het nemen, de
goedkeuring van het besluit, bedoeld inartikel 9, en het beroep tegen
het besluit omtrent goedkeuring van dat besluit, gelijktijdig plaats
met de voorbereiding, het nemen en de goedkeuring van het besluit tot
vaststelling van het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11, eerste
lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden, het gewijzigde
reconstructieplan, bedoeld in artikel 17, vierde lid, van die wet, of
de uitwerking van het reconstructieplan, bedoeld in artikel 18, eerste
lid, van die wet, en het beroep tegen een van die besluiten.
2. Bij de toepassing van het eerste lid zijn deartikelen 4, derde
lid, 5, eerste lid, 6, 7, 8, 11, 14 en 15 van deze wet en de artikelen
15, 16, eerste lid, en 28 van de Reconstructiewet concentratiegebieden
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. onder «gemeenteraad» telkens wordt verstaan «provinciale
staten van de provincie waarin het reconstructiegebied geheel of
grotendeels is gelegen»;
b. onder«burgemeester en wethouders» telkens wordt
verstaan«gedeputeerde staten van de provincie waarin het
reconstructiegebied geheel of grotendeels is gelegen»;
c. onder«gedeputeerde staten» telkens wordt verstaan «Onze
Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit»;
d. de mededeling, bedoeld in artikel 11, derde lid, van deze
wet tevens in de Staatscourant wordt geplaatst, en
e. ook in het geval, bedoeld in artikel 16, derde lid, of 17,
zesde lid, van de Reconstructiewet concentratiegebieden,
gedeputeerde staten van de provincie waarin het
reconstructiegebied geheel of grotendeels is gelegen, een besluit
als bedoeld in artikel 9van deze wet bekendmaken.
3. Het niet tijdig bekendmaken van een besluit omtrent goedkeuring
van een besluit als bedoeld in artikel 9 van deze wet of van een
besluit tot verdaging van de beslissing omtrent goedkeuring heeft niet
tot gevolg dat een besluit tot goedkeuring is genomen.
4. Indien goedkeuring wordt onthouden aan het reconstructieplan dat
betrekking heeft op het projectgebied, wordt tevens goedkeuring
onthouden aan het besluit, bedoeld in artikel 9 van deze wet.
§ 4. Totstandkoming van een besluit tot afwijking van wettelijke
voorschriften
Artikel 11
1. Burgemeester en wethouders melden het voornemen om een besluit
als bedoeld in de artikelen 2 en 3 te nemen aan gedeputeerde staten.
2. De melding, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. een omschrijving van het projectgebied en een of meerdere
kadastrale kaarten waarop de begrenzing van dat gebied is
aangegeven;
b. het gewenste ruimtegebruik in het projectgebied, voorzover
dat verband houdt met de toepassing van artikel 2 of 3;
c. een beschrijving van de omstandigheden op grond waarvan
wordt verwacht dat het rekening houden met milieukwaliteit in de
ruimtelijke planvorming, het nemen van brongerelateerde
maatregelen en het optimaal benutten van wettelijke voorschriften
niet toereikend zijn om zuinig en doelmatig ruimtegebruik en
optimale leefomgevingskwaliteit te bereiken;
d. de milieukwaliteitsnorm of het andere wettelijke voorschrift
waarvan afwijking wordt overwogen, en
e. een beschrijving op hoofdlijnen van de te verwachten
gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid in het
projectgebied.
3. Van de melding, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijktijdig
mededeling gedaan door kennisgeving van de melding of van de inhoud
ervan in een van overheidswege uitgegeven blad, een dag- of nieuwsblad
of huis-aan-huisblad en langs elektronische weg.
4. Burgemeester en wethouders zenden een afschrift van de melding,
bedoeld in het eerste lid, aan de inspecteur.
Artikel 12
1. In dit artikel wordt onder bevoegd gezag verstaan:
bestuursorgaan dat ten aanzien van een projectgebied belast is met
toepassing van een milieukwaliteitsnorm of ander wettelijk voorschrift
waarvan op grond van artikel 2 of 3 afwijking wordt overwogen.
2. Op de voorbereiding, het nemen en de terinzagelegging van het
besluit, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of 9, zijn artikel 3.8 van de
Wet ruimtelijke ordening en de krachtens die wet gestelde
voorschriften omtrent totstandkoming en inhoud van het bestemmingsplan
van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
a. burgemeester en wethouders gelijktijdig met de
terinzagelegging van het ontwerpbesluit, bedoeld in de artikelen 2
en 3, het bevoegd gezag in de gelegenheid stellen advies uit te
brengen over het ontwerpbesluit, tenzij een orgaan van de gemeente
als bevoegd gezag of adviseur is aangewezen;
b. gedeputeerde staten gelijktijdig met de terinzagelegging van
het ontwerpbesluit, bedoeld in artikel 9, het bevoegd gezag in de
gelegenheid stellen advies uit te brengen over het ontwerpbesluit,
tenzij een orgaan van de provincie als bevoegd gezag of adviseur
is aangewezen;
c. het bevoegd gezag bij de voorbereiding van zijn advies de
bestuursorganen betrekt, die ingevolge wettelijk voorschrift zijn
aangewezen om hem terzake van advies te dienen;
d. naar voren gebrachte zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit,
bedoeld in artikel 9, zo spoedig mogelijk doch in elk geval daags
na afloop van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit aan Onze
Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
worden gestuurd.
Artikel 13 [Vervallen per 01-10-2012]
Artikel 14
1. Op een besluit van de gemeenteraad tot wijziging van een besluit
als bedoeld in de artikelen 2 en 3 zijn deartikelen 5 tot en met 8,
11, 12, eerste en tweede lid, onderdelen a, c en d, 16 en 18 van
overeenkomstige toepassing.
2. Op een besluit van de gemeenteraad tot intrekking van een
besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 zijn de artikelen 11,
eerste, derde en vierde lid, 12, eerste en tweede lid, onderdelen a, c
en d, 16 en18 van overeenkomstige toepassing.
§ 5. Uitvoering van een besluit tot afwijking van wettelijke
voorschriften
Artikel 15
1. Het bestuursorgaan dat is belast met de uitvoering van en het
toezicht op de naleving van de milieukwaliteitsnormen, bedoeld in
artikel 2, onderdeel a, of de andere wettelijke voorschriften, bedoeld
in de artikelen 2, onderdeel b, en 3, neemt bij de uitoefening van
zijn taak ten aanzien van een projectgebied het besluit, bedoeld in de
artikelen 2 en 3, in acht.
2. Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit
ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor
activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel
2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht neemt een besluit als bedoeld in de artikelen 2 en 3 in
acht bij:
a. het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, en
b. het toepassen van artikel 2.31, eerste lid, onder b, en
tweede lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
Artikel 16
1. Burgemeester en wethouders zenden een afschrift van het besluit,
bedoeld in artikel 2, aan het betrokken kantoor van de Dienst voor het
kadaster en de openbare registers ter inschrijving van dat besluit in
de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3
van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, en artikel 26 van
Boek 3 van dat wetboek zijn niet van toepassing.
2. Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid ingevolge een
besluit of uitspraak in rechte is vernietigd, ingetrokken of
gewijzigd, doen burgemeester en wethouders daarvan mededeling aan het
kantoor, bedoeld in het eerste lid. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing.
§ 5a. Toezicht op de uitvoering en de handhaving
Artikel 16a [Vervallen per 01-10-2012]
§ 6 [Vervallen per 31-03-2010]
Artikel 17 [Vervallen per 31-03-2010]
§ 7. Beroep
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 19
1. Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de
Algemene wet bestuursrecht worden als één besluit aangemerkt een
besluit als bedoeld in artikel 9 en een reconstructieplan of een
gewijzigd reconstructieplan. Artikel 29, tweede lid, van de
Reconstructiewet concentratiegebieden is van overeenkomstige
toepassing.
2. Het beroep tegen een besluit ter uitvoering van een besluit als
bedoeld in artikel 9 kan geen grond vinden in bedenkingen tegen het
laatstbedoelde besluit.
§ 8. Overige bepalingen
Artikel 20
[Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij]
Artikel 21
[Wijzigt de Wet geluidhinder]
Artikel 22 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 23 [Vervallen per 01-07-2008]
§ 9. Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 24
1. De Experimentenwet Stad en Milieu wordt ingetrokken.
2. De Experimentenwet Stad en Milieu blijft van toepassing op voor
1 januari 2004 genomen besluiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
van die wet, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 14,
eerste lid, eerste volzin en derde lid, van die wet gedeputeerde
staten in de plaats treden van Onze Minister.
Artikel 25
1. Deze wet vervalt met ingang van 1 januari 2014.
2. Deze wet blijft van toepassing op besluiten als bedoeld in de
artikelen 2, 3 en 9 die voor het tijdstip waarop deze wet vervalt,
genomen zijn.
Artikel 26
Deze wet wordt aangehaald als: Interimwet stad-en-milieubenadering.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en
dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks
aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 19 januari 2006
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de eenendertigste januari 2006
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
|