Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             


vorige

 

WET  INRICHTING  LANDELIJK  GEBIED  (Wilg)

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Besluit inrichting landelijk gebied
- Regeling herverkaveling
- Regeling inrichting landelijk gebied
- Uitvoeringsbesluit pacht

 

 

WET van 7 december 2006, houdende regels inzake de inrichting van het landelijke gebied (Wet inrichting landelijk gebied)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen over de verdeling van bevoegdheden tussen Rijk en provincies bij de vaststelling, financiering en uitvoering van het gebiedsgerichte beleid en dat om in het kader van dat beleid te komen tot een doelmatiger toepassing van het instrument van de landinrichting de bepalingen van de Landinrichtingswet zodanig ingrijpend moeten worden herzien dat het wenselijk is hiervoor een geheel nieuwe wettelijke regeling vast te stellen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

blok: geheel van in een herverkaveling begrepen onroerende zaken;

Dienst landelijk gebied: Dienst landelijk gebied van het Ministerie van Economische Zaken;

eigenaar: degene die eigenaar is van een tot het blok behorende onroerende zaak en degene aan wie een recht van opstal, erfpacht, beklemming, vruchtgebruik, gebruik of bewoning toebehoort waaraan een in het blok begrepen onroerende zaak is onderworpen;

herverkaveling: samenvoeging, verkaveling en verdeling van onroerende zaken met toepassing van hoofdstuk 8, titel 3;

landinrichting: maatregelen en voorzieningen gericht op de inrichting van het landelijke gebied met gebruikmaking van de bevoegdheden en instrumenten, bedoeld in de hoofdstukken 4 tot en met 9;

rechthebbende:

1. eigenaar en degene aan wie een niet onder de omschrijving van eigenaar benoemd beperkt recht toebehoort waaraan een tot het blok behorende onroerende zaak is onderworpen,

2. de huurder van zulk een zaak, of

3. degene aan wie met betrekking tot zulk een zaak een recht als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek toebehoort;

openbare registers: openbare registers als bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek;

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.

2. Voor zover niet anders bepaald, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie waarin het in te richten gebied geheel of grotendeels is gelegen;

provincie: provincie waarin het in te richten gebied geheel of grotendeels is gelegen.

Artikel 2

1. Gedeputeerde staten kunnen de op grond van de hoofdstukken 4 tot en met 8 van deze wet aan hen toekomende bevoegdheden delegeren aan een bestuurscommissie als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Provinciewet, of aan een ander orgaan.

2. De Dienst landelijk gebied staat desgevraagd gedeputeerde staten en andere openbare lichamen bij:

a. in de uitoefening van de bij of krachtens deze of enige andere wet aan hen toegekende en op landinrichting betrekking hebbende bevoegdheden, en

b. in de uitvoering van ander beleid gericht op de verbetering van de kwaliteit van het landelijke gebied, voor zover het betreft inrichting, gebruik en beheer van daarvoor specifiek in aanmerking komende delen van het landelijke gebied.

Bijstand wordt uitsluitend verleend na instemming van Onze Minister. Onze Minister kan aan zijn instemming voorwaarden en beperkingen verbinden.

3. Het bestuur van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers besluit na overleg met gedeputeerde staten, onderscheidenlijk het bestuur van het openbaar lichaam omtrent de door de dienst te leveren bijstand bij de uitoefening van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde bevoegdheden en de uitvoering van het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde beleid.

Hoofdstuk 2 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2014]

Hoofdstuk 3 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2014]

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2014]

Hoofdstuk 4. Landinrichting algemene bepalingen

Artikel 16

Landinrichting strekt tot verbetering van de inrichting van het landelijke gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven.

Artikel 17

1. Gedeputeerde staten kunnen besluiten tot toepassing van landinrichting door vaststelling van een inrichtingsplan.

2. Een inrichtingsplan bevat in ieder geval:

a. de begrenzing van het in te richten gebied;

b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de te treffen maatregelen en voorzieningen;

c. in voorkomend geval een aanduiding van te verwerven onroerende zaken;

d. een of meer kaarten die met inachtneming van het derde lid zijn vervaardigd; en

e. indien een van de in onderdeel b bedoelde maatregelen of voorzieningen herverkaveling betreft, een zo nauwkeurig mogelijke raming van de kosten daarvan en het aandeel van die kosten dat ten laste zal worden gebracht van de gezamenlijke eigenaren in het te herverkavelen blok.

3. Op de kaarten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, worden zo nauwkeurig mogelijk aangegeven:

a. de begrenzing van het in te richten gebied;

b. in voorkomend geval de begrenzing van ieder blok, indien een van de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde maatregelen of voorzieningen herverkaveling betreft;

c. in voorkomend geval de te ontwikkelen natuur- en bosgebieden, landschappelijke elementen, waaronder cultuurhistorische, aardkundige en natuurwetenschappelijke elementen, en recreatieve voorzieningen;

d. in voorkomend geval de te verbeteren en nieuw aan te leggen openbare wegen, waterlopen, dijken of kaden met de daarbij behorende kunstwerken;

e. in voorkomend geval de te verwerven onroerende zaken; en

f. in voorkomend geval de maatregelen of voorzieningen voor de verwezenlijking waarvan artikel 56, eerste lid, kan worden toegepast.

Artikel 18

1. Op de voorbereiding van het inrichtingsplan of van een wijziging daarvan is afdeling

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x