Nadere regelgeving:
- Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector
- Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen
- Besluit
uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling
parameters pensioenfondsen (vervallen)
- Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van
terrorisme
WET van 7 december 2006 houdende regels
betreffende pensioenen (Pensioenwet)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is te komen tot een herziening en modernisering van de
regelgeving voor pensioenen, teneinde deze ook voor de toekomst veilig
te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Definities en toepassingsgebied
§ 1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Definities
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
verstaan onder:
– aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet
ingegaan pensioen;
– accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
– afkoop: iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of
pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen;
– arbeidsongeschiktheidspensioen: een geldelijke, vastgestelde
uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer of gewezen
werknemer, waarop recht bestaat na afloop van de periode bedoeld in
artikel 29, eerste lid, van de Ziektewet of, indien de werknemer of
gewezen werknemer Ziektewetuitkering ontvangt, na afloop van de periode
bedoeld in artikel 29, vijfde en negende lid, van de Ziektewet;
– basispensioenregeling: de collectieve pensioenregeling of het deel
van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de
pensioenovereenkomst gehouden is om deel te nemen;
– bedrijfstakpensioenfonds: een pensioenfonds ten behoeve van een of
meer bedrijfstakken of delen van een bedrijfstak;
– beëindiging van de deelneming: het beëindigen van de
pensioenverwerving op basis van een pensioenovereenkomst anders dan
door:
a. het overlijden van de deelnemer; of
b. het ingaan van het ouderdomspensioen;
– bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van andere
lidstaten dan Nederland die op grond van artikel 6, onderdeel g, van
richtlijn 2003/41/EG zijn aangewezen om de in die richtlijn vastgelegde
taken te verrichten;
– bijdrage: iedere geldsom die wordt voldaan aan een
pensioenuitvoerder in het kader van de uitvoering van
pensioenovereenkomsten en uitvoeringsovereenkomsten;
– bijdragende onderneming: een onderneming of ander lichaam, ongeacht
of deze een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die optreden
als werkgever of zelfstandige, dan wel een combinatie daarvan, omvat of
hieruit bestaat, en die aan een pensioenfonds, beroepspensioenfonds,
premiepensioeninstelling of pensioeninstelling uit een andere lidstaat
bijdragen betaalt;
– bijzonder partnerpensioen: de aanspraak op partnerpensioen die op
grond van artikel 57, eerste, tweede of derde lid, verkregen wordt door
de gewezen partner;
– buitenlandse instelling: een instelling met zetel buiten Nederland,
niet zijnde een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, een
verzekeraar met een zetel buiten Nederland, een van de Europese
Gemeenschappen of een instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid;
– deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer die op grond van een
pensioenovereenkomst pensioenaanspraken verwerft jegens een
pensioenuitvoerder;
– dienstbetrekking: de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer;
– directeur-grootaandeelhouder:
a. persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van
het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever
vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is
verbonden;
b. indirect persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende
deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever
vertegenwoordigen en waaraan stemrecht in de algemene vergadering is
verbonden; of
c. houder van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van
een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in
het bestuur vertegenwoordigd is, welke ten minste een tiende deel van
het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen en aan
welke aandelen stemrecht in de algemene vergadering is verbonden;
– elektronisch: door middel van een elektronische informatiedrager die
de ontvanger in staat stelt de verstrekte informatie duurzaam te
bewaren;
– gedetacheerde werknemer: een werknemer die in een andere lidstaat
wordt gedetacheerd om daar te werken en die krachtens titel II van
verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de
socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich
binnen de gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149), onderworpen blijft aan
de wetgeving van de lidstaat van oorsprong;
– gepensioneerde: pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen
is ingegaan;
– gewezen deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer door wie op
grond van een pensioenovereenkomst geen pensioen meer wordt verworven en
die bij beëindiging van de deelneming een pensioenaanspraak heeft
behouden jegens een pensioenuitvoerder;
– groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek;
– kapitaalovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een
vastgesteld kapitaal dat uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in
een pensioenuitkering;
– lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie alsmede een staat, niet
zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de
Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte;
– nabestaandenpensioen: partnerpensioen of wezenpensioen;
– ondernemingspensioenfonds:
a. een pensioenfonds verbonden aan een onderneming of een groep; of
b. een pensioenfonds verbonden aan meerdere ondernemingen of groepen
door samenvoeging van de aan de afzonderlijke ondernemingen of groepen
verbonden pensioenfondsen;
– ondernemingsraad: de ondernemingsraad, bedoeld in de Wet op de
ondernemingsraden;
– ontvangende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder aan wie in het
kader van waardeoverdracht waarde wordt overgedragen;
– Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
– ouderdomspensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor de
werknemer of de gewezen werknemer bij wijze van inkomensvoorziening bij
ouderdom;
– overdrachtswaarde: de ten behoeve van de waardeoverdracht
vastgestelde waarde van de over te dragen pensioenaanspraken of
pensioenrechten;
– overdragende pensioenuitvoerder: de pensioenuitvoerder die in het
kader van waardeoverdracht waarde overdraagt aan een andere
pensioenuitvoerder;
– partner: echtgenoot, geregistreerde partner of partner in de zin van
de pensioenovereenkomst;
– partnerpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor de
echtgenoot, de geregistreerde partner of de partner, de gewezen
echtgenoot, de gewezen geregistreerde partner of gewezen partner wegens
het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;
– partnerrelatie: huwelijk, geregistreerd partnerschap of
partnerrelatie in de zin van de pensioenovereenkomst;
– pensioen: ouderdomspensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of
nabestaandenpensioen, zoals tussen werkgever en werknemer
overeengekomen;
– pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan pensioen,
uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;
– pensioenfonds: een rechtspersoon die niet een
premiepensioeninstelling is, waarin ten behoeve van ten minste twee
deelnemers, gewezen deelnemers of hun nabestaanden gelden worden of
werden bijeengebracht en worden beheerd ter uitvoering van ten minste
een basispensioenregeling;
– pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van een
pensioenovereenkomst het pensioen is ingegaan;
– pensioeninstelling uit een andere lidstaat: een op basis van
kapitaaldekking gefinancierde instelling, ongeacht de rechtsvorm, die
zetel heeft in een andere lidstaat dan Nederland en die onafhankelijk
van enige bijdragende onderneming of bedrijfstak is opgericht met als
doel het verstrekken van arbeidsgerelateerde pensioenuitkeringen op
basis van een als volgt gesloten overeenkomst:
a. individueel of collectief tussen een of meerdere werkgevers en een of
meerdere werknemers of hun respectievelijke vertegenwoordigers; of
b. met zelfstandigen,
en die hiermee rechtstreeks verband houdende werkzaamheden verricht;
– pensioenovereenkomst: hetgeen tussen een werkgever en een werknemer
is overeengekomen betreffende pensioen;
– pensioenrecht: het recht op een ingegaan pensioen, uitgezonderd
overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening;
– pensioenregeling:
a. een pensioenregeling op grond van een pensioenovereenkomst; of
b. indien de bijdragende onderneming zetel heeft in een andere lidstaat
dan Nederland, een overeenkomst, een trustakte of voorschriften waarin
is bepaald welke pensioenuitkeringen worden toegezegd en onder welke
voorwaarden;
– pensioenreglement: de door de pensioenuitvoerder opgestelde regeling
met betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en deelnemer;
– pensioenuitvoerder: een ondernemingspensioenfonds, een
bedrijfstakpensioenfonds, of een premiepensioeninstelling of verzekeraar
die zetel heeft in Nederland;
– pensioenverplichtingen: verplichtingen van de pensioenuitvoerder uit
hoofde van pensioenaanspraken en pensioenrechten;
– premie: de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde structurele
prestatie die verschuldigd is aan de pensioenuitvoerder en die bestemd
is voor de verzekering van pensioen en de daaraan verbonden kosten;
– premieovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde
premie die uiterlijk op de pensioendatum wordt omgezet in een
pensioenuitkering;
– premiepensioeninstelling: een premiepensioeninstelling die op grond
van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van
premiepensioeninstelling mag uitoefenen;
– richtlijn 2003/41/EG: richtlijn nr. 2003/41/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 3 juni 2003 betreffende de
werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor
bedrijfspensioenvoorziening (PbEG L 235/10);
– scheiding: echtscheiding, ontbinding van het huwelijk na scheiding
van tafel en bed, beëindiging van een geregistreerd partnerschap anders
dan door dood, vermissing of omzetting van een geregistreerd
partnerschap in een huwelijk of beëindiging van een partnerrelatie in
de zin van de pensioenovereenkomst;
– schriftelijk: in schrifttekens op papier;
– toeslag: een verhoging van:
a. een pensioenrecht;
b. een pensioenaanspraak van een gewezen deelnemer, mits die verhoging
bij een kapitaalovereenkomst niet voortvloeit uit rente- of winstdeling
of bij een premieovereenkomst niet voorvloeit uit behaald
beleggingsrendement;
c. een pensioenaanspraak van een deelnemer op grond van een
uitkeringsovereenkomst gebaseerd op het middelloonstelsel of gebaseerd
op een vastebedragenregeling, mits de verhoging geen verband houdt met
een verhoging van de pensioengrondslag, de toename van het in aanmerking
te nemen aantal jaren of een wijziging van de pensioenovereenkomst; of
d. een pensioenaanspraak van een gepensioneerde ten behoeve van zijn
partner;
– toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten of De
Nederlandsche Bank N.V., ieder voor zover belast met de uitoefening van
het toezicht bij of krachtensartikel 151;
– uitkeringsovereenkomst: een pensioenovereenkomst inzake een
vastgestelde pensioenuitkering;
– uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst tussen een werkgever en een
pensioenuitvoerder over de uitvoering van een of meer
pensioenovereenkomsten;
– uitvoeringsreglement:
a. de door een bedrijftakpensioenfonds opgestelde regeling met
betrekking tot de verhouding tussen pensioenuitvoerder en werkgever;
b. de door een pensioenuitvoerder opgestelde regeling inzake de
uitvoering van de pensioenovereenkomsten met zijn werknemers;
– verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds: een
bedrijfstakpensioenfonds waarin de deelneming verplicht is gesteld als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in
een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en artikel 21, eerste lid, van de Wet
privatisering ABP;
– verzekeraar: een verzekeraar die op grond van de Wet op het
financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of
schadeverzekeraar mag uitoefenen;
– voorwaarden in verband met de partnerrelatie: huwelijkse
voorwaarden, voorwaarden van een geregistreerd partnerschap of
voorwaarden in verband met een partnerrelatie in de zin van de
pensioenovereenkomst;
– vrijwillige pensioenregeling: het deel van de pensioenregeling
waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst de
mogelijkheid heeft om deel te nemen;
– waardeoverdracht: iedere handeling waarbij de waarde van opgebouwde
pensioenaanspraken of pensioenrechten wordt aangewend ten behoeve van:
1°. andere pensioenaanspraken of pensioenrechten bij dezelfde of een
andere pensioenuitvoerder; of
2°. dezelfde pensioenaanspraken of pensioenrechten bij een andere
pensioenuitvoerder;
– werkgever: degene die een werknemer krachtens arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid laat
verrichten;
– werkgeverspremie: het deel van de premie dat voor rekening komt van
de werkgever;
– werknemer: degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht voor een
werkgever, met uitzondering van de directeur-grootaandeelhouder en de
werknemer die onder de werkingsfeer van een verplichtgestelde
beroepspensioenregeling als bedoeld in de Wet verplichte
beroepspensioenregeling valt;
– werknemerspremie: het deel van de premie dat voor rekening komt van
de werknemer;
– wezenpensioen: een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een kind
tot wie de overleden werknemer of gewezen werknemer als ouder in
familierechtelijke betrekking stond of voor diens stief- of pleegkind,
wegens het overlijden van de werknemer of gewezen werknemer;
– zetel: de plaats waar een rechtspersoon volgens zijn statuten of
reglementen is gevestigd of, indien het een pensioenfonds of
pensioeninstelling uit een andere lidstaat betreft, de plaats waar deze
volgens zijn statuten of reglementen is gevestigd en zijn hoofdbestuur
heeft of, indien het een pensioeninstelling uit een andere lidstaat
betreft die geen rechtspersoon is of een natuurlijke persoon betreft, de
plaats waar die pensioeninstelling of persoon zijn hoofdbestuur heeft.
Artikel 2. Nadere bepalingen definities
1. Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld
over hetgeen onder de directeur-grootaandeelhouder wordt verstaan.
2. Met een pensioenovereenkomst wordt gelijkgesteld:
a. de uit de dienstbetrekking voortvloeiende rechtsbetrekking tussen een
werkgever en een werknemer met betrekking tot pensioen in geval van
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op basis van een
verplichtstelling; en
b. de uit de dienstbetrekking voortvloeiende rechtsbetrekking tussen een
overheidswerkgever en een overheidswerknemer als bedoeld in de Wet
privatisering ABP met betrekking tot pensioen op grond van de
overeenkomst, bedoeld in artikel 4 en 5 van die wet.
3. Bij regeling van Onze Minister kan een categorie van personen, niet
zijnde werknemers, die werkt in een arbeidsverhouding waarbij tegen
beloning persoonlijke arbeid wordt verricht, worden aangewezen die voor
de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt
gelijkgesteld met werknemers.
4. Een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een gewezen werknemer die
wordt gedaan bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom in verband
met vervroegde uittreding is geen pensioen in de zin van deze wet,
indien die uitkering:
a. uiterlijk eindigt op de datum waarop volgens de Algemene Ouderdomswet
recht op ouderdomspensioen ontstaat, bij het bereiken van de
pensioenleeftijd voor het levenslange ouderdomspensioen of bij eerder
overlijden en die gebaseerd is op een overeenkomst die alleen aanspraak
op een uitkering toekent aan degenen die tijdens de looptijd van de
regeling, welke ten hoogste vijf jaar bedraagt, een bepaalde leeftijd
hebben bereikt; of
b. gebaseerd is op de Wet kaderregeling Vut overheidspersoneel.
5. Een geldelijke, vastgestelde uitkering voor een gewezen werknemer bij
wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom is geen pensioen in de zin
van deze wet wanneer deze uitkering is gebaseerd op een regeling:
a. die leidt tot uitkeringen vanaf een bepaalde leeftijd aan werknemers
die werkzaamheden verrichten die door de werkgever als substantieel
bezwarend zijn aangemerkt;
b. die leidt tot een uitkering die uiterlijk eindigt op de datum waarop
volgens de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat,
bij het bereiken van de pensioenleeftijd voor het ouderdomspensioen of
bij eerder overlijden; en
c. die bij regeling van Onze Minister is aangewezen.
6. Een uitkering voor een gemoedsbezwaarde als bedoeld in artikel 64,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen
is geen pensioen in de zin van deze wet.
7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op
grond waarvan aanvullingen op een loonaanvullingsuitkering of een
vervolguitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen die geen arbeidsongeschiktheidspensioen
zijn als bedoeld in artikel 1 worden aangemerkt als
arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in dat artikel.
8. De voordracht voor een krachtens het zevende lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
9. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot kapitaalovereenkomsten of premieovereenkomsten waarbij
het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal wordt gesplitst in
een deel dat wordt aangewend voor aankoop van een direct ingaande
tijdelijke uitkering en een deel dat later wordt aangewend voor de
aankoop van een, op de tijdelijke uitkering aansluitende, levenslange
uitkering. In deze regeling:
a. kunnen dergelijke uitkeringen, en daarbij horende uitkeringen voor
nabestaanden, worden gelijkgesteld met een pensioen als bedoeld
inartikel 1;
b. kan worden bepaald dat dit pensioen voldoet aan de artikelen 15 en
63;
c. kan worden bepaald dat pensioenuitvoerders verplicht zijn mee te
werken aan splitsing zoals beschreven in de aanhef; en
d. kunnen regels worden gesteld betreffende een goede uitvoering.
10. De regeling, bedoeld in het negende lid, is uitsluitend van
toepassing indien de pensioendatum is gelegen na 31 december 2008 en het
op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal nog niet is aangewend
voor aankoop van een levenslange uitkering.
11. Bij samenvoeging van pensioenfondsen als bedoeld in de definitie van
ondernemingspensioenfonds in artikel 1, geldt als voorwaarde dat de
afzonderlijke pensioenfondsen voor de samenvoeging gedurende een periode
van ten minste 5 jaar waren verbonden aan een onderneming of groep,
tenzij de samenvoeging plaatsvindt omdat de ondernemingen of groepen
waaraan de pensioenfondsen waren verbonden een onderneming of groep zijn
geworden.
12. Bij een ondernemingspensioenfonds dat pensioenregelingen uitvoert
voor meerdere ondernemingen of groepen als bedoeld in de definitie
vanartikel 1 kan een uitvoeringsovereenkomst worden beëindigd
overeenkomstig de hierover in de statuten opgenomen bepalingen.
13. Waar in deze wet sprake is van de Nederlandse sociale en
arbeidswetgeving betreft dit in ieder geval de artikelen 1, 2, 4, 7 tot
en met 29, 31, 35 tot en met 53, 55 tot en met 95, 97 en 98 van deze
wet.
§ 1.2. Toepassingsgebied van de wet
Artikel 3. Gedeeltelijke toepasselijkheid bij personen, niet zijnde
werknemer of werkgever, die onder de werkingssfeer van een
verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds vallen
1. Deze wet is met uitzondering van de artikelen 7 en 9 van
overeenkomstige toepassing op de persoon die geen werkgever of werknemer
is, die in een arbeidsverhouding werkt waarbij tegen beloning
persoonlijke arbeid wordt verricht en die onder de werkingssfeer valt
van een door een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds uitgevoerde
pensioenregeling.
2. Deze wet is met uitzondering van de artikelen 7 en 9 van
overeenkomstige toepassing op de persoon die als zelfstandige onder de
werkingssfeer valt van een door een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling.
Artikel 4. Gedeeltelijke toepasselijkheid bij pensioenverevening
Op een pensioenaanspraak die of een pensioenrecht dat een tot verevening
gerechtigde echtgenoot of geregistreerde partner op grond van artikel 5
van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding verwerft, zijn de
artikelen 58, 61, 71 tot en met 74, 78 tot en met 80, 85 tot en met 89
niet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5. Relatie met verzekeringsovereenkomsten
1.De artikelen 929, 935, eerste lid, 936, tweede tot en met zesde lid,
941, vijfde lid, 969, 972, 977, tweede lid, 978, 979, 980, tweede lid en
983 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op
verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een
pensioenovereenkomst als bedoeld in deze wet of
verzekeringsovereenkomsten die worden gesloten in verband met een
rechtsbetrekking die op grond van deze wet is gelijkgesteld met een
pensioenovereenkomst.
2.Het verminderen of vervallen van een uitkering op grond van een
verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid op basis van
artikel 930, derde tot en met vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek is niet mogelijk, tenzij door een persoon met wie een
pensioenovereenkomst is gesloten of door een persoon voor wie een op
grond van deze wet met de pensioenovereenkomst gelijkgestelde
rechtsbetrekking geldt, niet is voldaan aan de in artikel 928 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek omschreven mededelingsplicht betreffende zijn
risico. In dat geval beperkt de vermindering of het verval van de
uitkering zich tot het risico met betrekking tot de in de eerste zin
bedoelde persoon. Voorzover de eerste zin in de weg staat aan
vermindering dan wel verval van een uitkering, heeft het pensioenfonds
of de verzekeraar een recht van verhaal op de werkgever.
3.Een beding als bedoeld in artikel 941, vierde lid, van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek is nietig wanneer dit is opgenomen in een
verzekeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid.
4.Voor zover bepalingen van de titels 17 en 18 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek in strijd zijn met het bij of krachtens deze wet
bepaalde blijven die bepalingen van het Burgerlijk Wetboek buiten
toepassing.
Artikel 6. Relatie met Wet op het financieel toezicht
De Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op de
verhouding tussen een verzekeraar of een premiepensioeninstelling en een
aanspraak- of pensioengerechtigde, tenzij in deze wet anders is bepaald.
Hoofdstuk 2. Pensioenovereenkomst
§ 2.1. De totstandkoming van een pensioenovereenkomst
Artikel 7. Informatie aan werknemer en aanbod pensioenovereenkomst
1. De werkgever informeert de werknemer binnen een maand na aanvang van
de werkzaamheden schriftelijk of hij de werknemer al dan niet een aanbod
tot het sluiten van een pensioenovereenkomst doet, en zo ja, binnen
welke termijn het aanbod wordt gedaan en wie de pensioenuitvoerder is.
2. Indien de werkgever de werknemer op basis van het eerste lid heeft
medegedeeld dat hem geen aanbod tot het sluiten van een
pensioenovereenkomst zal worden gedaan, maar de werkgever op een later
tijdstip alsnog een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst
doet, informeert hij de werknemer hierover schriftelijk.
3. Indien een pensioenovereenkomst is gesloten, maar de werknemer nog
geen pensioen verwerft, informeert de werkgever de werknemer daarover en
geeft de werkgever daarbij aan:
a. aan welke voorwaarden voldaan moet worden om de verwerving van
pensioenaanspraken te laten beginnen; en
b. welke diensttijd in het kader van de pensioenovereenkomst relevant
is.
4. Indien de werkgever niet heeft voldaan aan het eerste of tweede lid,
wordt een werkgever geacht aan een werknemer een onherroepelijk aanbod
tot het sluiten van een pensioenovereenkomst gedaan te hebben, indien
die werknemer behoort tot dezelfde groep van werknemers, aan wie de
werkgever al een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst
heeft gedaan.
Artikel 8. Bescherming deeltijder en jonge werknemer
1. Ingeval een werkgever aan een of meer werknemers een aanbod doet tot
het sluiten van een pensioenovereenkomst, mag deze werkgever het doen
van een aanbod aan een andere werknemer niet achterwege laten vanwege
het enkele feit dat die andere werknemer minder dan de volledige
arbeidstijd werkt.
2. Indien als voorwaarde voor het verwerven van pensioenaanspraken op
basis van een pensioenovereenkomst het overstijgen van een
minimumloongrens wordt gesteld, wordt voor de toepassing van die
loongrens het loon van een werknemer die minder dan de volledige
arbeidstijd werkzaam is, herleid naar het loon dat ingeval van een
volledige arbeidstijd zou zijn verkregen.
3. Bij de vaststelling van aanspraken op ouderdoms- en
nabestaandenpensioen worden aan werknemers die minder dan de volledige
arbeidstijd werkzaam zijn, pensioenaanspraken verleend naar
evenredigheid van de pensioenaanspraken die ingeval van een volledige
arbeidstijd zouden zijn verkregen.
4. Bij de vaststelling van aanspraken op arbeidsongeschiktheidspensioen
die aan de pensioenovereenkomst kunnen worden ontleend, is onderscheid
op grond van het enkele feit van de omvang van de arbeidstijd niet
toegestaan, met dien verstande dat bij de vaststelling van het
arbeidsongeschiktheidspensioen rekening gehouden mag worden met een
uitkering uit hoofde van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
voorzover die uitkering verband houdt met dezelfde dienstbetrekking.
5. In geval een werkgever aan een of meer werknemers een aanbod doet tot
het sluiten van een pensioenovereenkomst, mag deze werkgever het doen
van een aanbod aan een andere werknemer niet achterwege laten vanwege
het enkele feit dat die werknemer een bepaalde leeftijd nog niet heeft
bereikt, tenzij:
a. de werknemer jonger is dan 21 jaar; of
b. het een ouderdomspensioen betreft dat uitsluitend voorziet in een
uitkering tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld
in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, of tot het
bereiken van de pensioenleeftijd voor het levenslange ouderdomspensioen.
Artikel 9. Pensioenovereenkomst bij overgang van onderneming
Door de overgang van een onderneming, bedoeld in artikel 662 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de vervreemder met de aan die
onderneming verbonden werknemers geen pensioenovereenkomst heeft
gesloten, wordt, indien de verkrijger met zijn werknemers vóór het
tijdstip van de overgang een pensioenovereenkomst heeft gesloten, de
verkrijger geacht op het moment van de overgang het aanbod tot het
sluiten van een zelfde pensioenovereenkomst te hebben gedaan aan de
werknemers van de vervreemder.
§ 2.2. Inhoud pensioenovereenkomst
Artikel 10. Karakter pensioenovereenkomst
De pensioenovereenkomst houdt in:
a. een uitkeringsovereenkomst;
b. een kapitaalovereenkomst; of
c. een premieovereenkomst.
Artikel 11. Vaststelling uitkering, kapitaal of premie
De uitkering, het kapitaal en de premie in het kader van een
pensioenovereenkomst worden vastgesteld in Nederlands wettig
betaalmiddel.
Artikel 12. Betalingsvoorbehoud
1. De werkgever kan zich bij het sluiten of bij een wijziging van de
pensioenovereenkomst het recht voorbehouden de premiebetaling, voorzover
deze betrekking heeft op de bijdrage van de werkgever, te verminderen of
beëindigen in geval van een ingrijpende wijziging van omstandigheden.
2. Andere bedingen dan die bedoeld in het eerste lid, waarin een
voorbehoud wordt gemaakt inzake premiebetaling, zijn nietig.
Artikel 13. Verlening van toeslagen
In de pensioenovereenkomst wordt bepaald of er toeslagen worden verleend
en, zo ja, wat het ambitieniveau is en welke voorwaarden gelden bij de
toeslagverlening.
Artikel 14. Beperking onderscheid naar leeftijd bij verwerving en aanbod
1. Het verwerven van ouderdomspensioenaanspraken op basis van een
pensioenovereenkomst begint uiterlijk op de 21-jarige leeftijd van de
werknemer of op de latere datum van indiensttreding, tenzij het een
ouderdomspensioen betreft dat uitsluitend voorziet in een uitkering tot
het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a,
eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, of tot het bereiken van de
pensioenleeftijd voor het levenslange ouderdomspensioen.
2. Het in het eerste lid genoemde tijdstip waarop de verwerving begint
kan, indien in de pensioenovereenkomst is voorzien in een wachttijd of
drempelperiode, met betrekking tot ouderdompensioen worden uitgesteld
met ten hoogste twee maanden of, indien sprake is van een
uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek, tot de werknemer in meer dan 26 weken arbeid heeft
verricht. Voor de berekening van de termijn van 26 weken is artikel 691,
vierde en vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing. Wachttijden of drempelperioden zijn niet
toegestaan voor het nabestaandenpensioen en het
arbeidsongeschiktheidspensioen.
3. In geval een werkgever die nog geen enkele pensioenovereenkomst heeft
gesloten of die alleen een pensioenovereenkomst heeft gesloten met
werknemers die tot een bepaalde groep behoren, over gaat tot het sluiten
van een of meer pensioenovereenkomsten, geldt ten aanzien van zijn
werknemers die bij het sluiten van de pensioenovereenkomst ouder zijn
dan 21 jaar, niet de eis dat de verwerving van pensioen op 21-jarige
leeftijd moet zijn begonnen.
4. Elk beding in strijd met het eerste lid en tweede lid is nietig.
Artikel 15. Nadere eisen ouderdomspensioen
1. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een ouderdomspensioen,
wordt in de overeenkomst bepaald dat dat pensioen levenslang wordt
uitgekeerd aan de gepensioneerde, tenzij het ouderdomspensioen
uitsluitend voorziet in een uitkering tot het bereiken van de de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, of tot het bereiken van de pensioenleeftijd voor
het levenslange ouderdomspensioen.
2. Elk beding in strijd met het eerste lid is nietig.
Artikel 16. Nadere eisen partnerpensioen
1. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen ten
behoeve van een partner met wie de deelnemer niet gehuwd is, noch een
geregistreerd partnerschap heeft, gelden voor deze partner ten aanzien
van de wijze van vaststelling van het partnerpensioen dezelfde rechten
en plichten als voor een gehuwde of geregistreerde partner.
2. Elk beding in strijd met het eerste lid is nietig.
Artikel 17. Evenredige verwerving pensioenaanspraken
De verwerving van pensioenaanspraken in het kader van een
uitkeringsovereenkomst of een kapitaalovereenkomst vindt gedurende de
deelneming ten minste evenredig in de tijd plaats.
Artikel 17a. Evenredig doorberekenen van kosten
Het doorberekenen van kosten in het kader van een premieovereenkomst
vindt evenredig in de tijd plaats.
Artikel 18. Behoud aanspraken bij verlaging pensioengevend salaris
1. In geval van verlaging van de pensioengrondslag van een werknemer
worden de op grond van de pensioenovereenkomst tot het tijdstip van
verlaging opgebouwde pensioenaanspraken niet gewijzigd.
2. In geval van verlaging van de pensioengrondslag blijven de opgebouwde
pensioenaanspraken behouden en worden de pensioenaanspraken vastgesteld
overeenkomstig artikel 55.
3. Elk beding in strijd met het eerste of tweede lid is nietig.
§ 2.3. Wijziging pensioenovereenkomst
Artikel 19. Wijziging pensioenovereenkomst
Een werkgever kan de pensioenovereenkomst zonder instemming van de
werknemer wijzigen indien de bevoegdheid daartoe schriftelijk in de
pensioenovereenkomst is opgenomen en er tevens sprake is van een zodanig
zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat
door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid moet wijken.
Artikel 20. Gevolgen van wijziging van een pensioenovereenkomst
In geval van een wijziging van een pensioenovereenkomst worden de voor
de aanspraakgerechtigden tot het tijdstip van wijziging opgebouwde
pensioenaanspraken niet gewijzigd, behoudens het bepaalde in deartikelen
76, 78, 83 en 134.
§ 2.4. Informatie-en hoorplicht werkgever
Artikel 21. Startbrief en melding van wijzigingen
1. De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemer waarmee hij een
pensioenovereenkomst heeft gesloten en die pensioenaanspraken verwerft,
binnen drie maanden na de start van de verwerving door de
pensioenuitvoerder wordt geïnformeerd over:
a. de inhoud van de basispensioenregeling;
b. de toeslagverlening;
c. het recht van de werknemer om bij de pensioenuitvoerder het voor hem
geldende pensioenreglement op te vragen;
d. het bestaan van een vrijwillige pensioenregeling;
e. omstandigheden die betrekking hebben op het functioneren van de
pensioenuitvoerder;
f. het recht van de werknemer om bij de pensioenuitvoerder een verzoek
in te dienen voor een berekening van de effecten van uitruil op zijn
pensioenaanspraak.
2. De werkgever informeert de pensioenuitvoerder over iedere wijziging
in de pensioenovereenkomst, bedoeld in het eerste lid. De
pensioenuitvoerder informeert de werknemer binnen drie maanden na een
wijziging in de pensioenovereenkomst over die wijziging en de
mogelijkheid om het gewijzigde pensioenreglement op te vragen bij de
pensioenuitvoerder.
3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de werkgever uiterlijk
zes maanden voor het sluiten van de pensioenovereenkomst met de
werknemer een eerdere pensioenovereenkomst met dezelfde werknemer heeft
gesloten op grond waarvan de werknemer de in het eerste lid bedoelde
informatie heeft ontvangen. Informatie die sinds de vorige verstrekking
is gewijzigd wordt wel verstrekt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de inhoud en de wijze van verstrekking van de in dit artikel
bedoelde informatie.
Artikel 22. Hoorrecht vereniging van pensioengerechtigden bij uitvoering
door verzekeraar
1. De werkgever stelt een vereniging van pensioengerechtigden in de
gelegenheid haar oordeel uit te spreken over een voorgenomen besluit van
de werkgever in het kader van een uitvoeringsovereenkomst met een
verzekeraar indien:
a. dit besluit van invloed is op de uitvoering of de hoogte van
pensioenrechten van gepensioneerden; en
b. de som van het aantal werknemers en het aantal gepensioneerden dat
een pensioenovereenkomst heeft gesloten met de werkgever op dat moment
gelijk is of meer bedraagt dan 250.
2. Een vereniging van pensioengerechtigden als bedoeld in het eerste lid
dient volledige rechtsbevoegdheid te bezitten en tevens te voldoen aan
de volgende voorwaarden:
a. haar statutaire doel omvat in elk geval het behartigen van de
belangen van de gepensioneerden die in dienst zijn geweest bij de
werkgever;
b. ten minste 10% van alle gepensioneerden die in dienst zijn geweest
bij de werkgever is lid van de vereniging;
c. de vereniging meldt haar bestaan bij de werkgever en de verzekeraar.
3. Het oordeel van een vereniging van pensioengerechtigden wordt op een
zodanig tijdstip gevraagd dat het van invloed kan zijn op het in het
eerste lid bedoelde besluit.
4. Bij het vragen van een oordeel wordt aan de vereniging van
pensioengerechtigden een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor
het besluit en van de gevolgen die het besluit naar verwachting voor de
deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden en andere
pensioengerechtigden zal hebben.
5. De werkgever verstrekt desgevraagd aan een vereniging van
pensioengerechtigden tijdig alle inlichtingen en gegevens, die deze voor
het vormen van haar oordeel redelijkerwijze nodig heeft. De inlichtingen
worden desgevraagd schriftelijk verstrekt.
6. De verzekeraar informeert de pensioengerechtigden, die pensioen
ontvangen op grond van een pensioenovereenkomst met de in het eerste lid
bedoelde werkgever, over het bestaan van een vereniging van
pensioengerechtigden als bedoeld in het eerste lid.
Hoofdstuk 3. Uitvoeringsovereenkomst
§ 3.1. Sluiten uitvoeringsovereenkomst
Artikel 23. Onderbrengingsplicht werkgever
1. De werkgever brengt een pensioenovereenkomst, uiterlijk wanneer een
werknemer pensioenaanspraken verwerft, onder door onmiddellijk een
schriftelijke uitvoeringsovereenkomst te sluiten met en in stand te
houden bij:
a. een pensioenuitvoerder;
b. een pensioeninstelling uit een andere lidstaat die beschikt over een
daartoe verleende vergunning als bedoeld in artikel 199 en de bevoegde
autoriteiten in kennis heeft gesteld overeenkomstigartikel 199; of
c. een verzekeraar met een zetel buiten Nederland, mits die verzekeraar
op grond van de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf
van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen.
De werkgever kan bij een premiepensioeninstelling uitsluitend
onderbrengen een premieovereenkomst waarbij de premiepensioeninstelling
geen risico draagt.
2. De in het eerste lid opgenomen verplichting van de werkgever tot het
sluiten en instandhouden van een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst
geldt niet bij uitvoering door een bedrijfstakpensioenfonds:
a. mits de werkgever gehouden is of zich verbonden heeft door lid te
zijn van een werkgeversvereniging tot naleving van de statuten en
reglementen van dit bedrijfstakpensioenfonds; en
b. een uitvoeringsreglement door het bedrijfstakpensioenfonds is
opgesteld dat voldoet aan de eisen die inartikel 25 ten aanzien van de
uitvoeringsovereenkomst zijn gesteld.
3. De in het eerste lid opgenomen verplichtingen van de werkgever tot
onderbrenging en het sluiten en in stand houden van een schriftelijke
uitvoeringsovereenkomst gelden niet wanneer een pensioenovereenkomst is
gesloten door een werkgever die tevens pensioenuitvoerder is, mits:
a. de pensioenovereenkomsten van deze werknemers worden ondergebracht
bij de werkgever in zijn hoedanigheid van pensioenuitvoerder; en
b. een uitvoeringsreglement door de werkgever is opgesteld.
4. Wanneer een werkgever het voornemen heeft een pensioenovereenkomst
onder te brengen bij een pensioeninstelling uit een andere lidstaat, een
premiepensioeninstelling of bij een pensioenfonds dat op grond van
artikel 212 ontheffing heeft gekregen van het bepaalde in de artikelen
99, 100, 101, 109 en 110, is artikel 27 van de Wet op de
ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24. Premie aan pensioenuitvoerder door werkgever
De werkgever voldoet de pensioenuitvoerder de verschuldigde premie,
tenzij er sprake is van voldoening door de gewezen werknemer in geval
van een vrijwillige voortzetting als bedoeld in artikel 54.
§ 3.2. Inhoud uitvoeringsovereenkomst
Artikel 25. Eisen inzake inhoud uitvoeringsovereenkomst
1. In de uitvoeringsovereenkomst wordt in ieder geval een regeling
opgenomen met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a. de wijze waarop de verschuldigde premie wordt vastgesteld;
b. de wijze waarop en termijnen waarin de verschuldigde premie moet
worden voldaan met inachtneming van artikel 26;
c. de informatie welke door de werkgever aan de pensioenuitvoerder wordt
verstrekt;
d. de procedures welke gelden bij het niet nakomen van
premiebetalingsverplichtingen door de werkgever;
e. de procedures welke gelden bij het opstellen en wijzigen van het
pensioenreglement in verband met het sluiten en wijzigen van een
pensioenovereenkomst;
f. de voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt;
g. de uitgangspunten en procedures welke gelden ten aanzien van de
besluitvorming over vermogenstekorten en vermogensoverschotten dan wel
winstdeling;
h. de voorwaarden die gelden bij beëindiging van een met een
verzekeraar of premiepensioeninstelling gesloten
uitvoeringsovereenkomst. In deze regeling worden de belangen van zowel
de verzekeraar of de premiepensioeninstelling als de werkgever vanuit
actuarieel en bedrijfseconomisch oogpunt op evenwichtige wijze
gewaarborgd door rekening te houden met:
1°. de overige voorwaarden in de uitvoeringsovereenkomst;
2°. de gehanteerde tarieven; en
3°. de winstdelingsvorm.
De regeling kan geen uitsluiting van collectieve waardeoverdracht
inhouden; en
i. de criteria die de premiepensioeninstelling hanteert bij de keuze
voor een verzekeraar voor de inkoop van een pensioenuitkering.
2. In de uitvoeringsovereenkomst wordt, voor zover overeengekomen, een
regeling opgenomen met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a. een voorbehoud van de werkgever als bedoeld inartikel 12;
b. in geval van premiekorting of terugstorting: de voorwaarden waaronder
sprake is van premiekorting of terugstorting, de wijze van vaststelling
van de hoogte van de premiekorting of terugstorting en de bestemming
ervan;
c. ingeval van een bijstortingsverplichting van de werkgever: onder
welke voorwaarden sprake is van een bijstortingsverplichting en hoe de
hoogte ervan wordt bepaald;
d. de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling
na beëindiging van het dienstverband;
e. de aansluitingscriteria op grond waarvan de vrijwillige aansluiting
bij een bedrijfstakpensioenfonds heeft plaatsgevonden; of
f. de rechten en verplichtingen met betrekking tot vrijwillige
pensioenregelingen.
Artikel 26. Eisen inzake premiebetaling
In de uitvoeringsovereenkomst wordt vastgelegd hoe de betaling van de
premies door de werkgever aan de pensioenuitvoerder geschiedt, waarbij
aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. een werkgever voldoet uiterlijk binnen een maand na afloop van elk
kwartaal de werkgeverspremie en de op het loon van de werknemer
ingehouden werknemerspremie, welke over dat kwartaal zijn verschuldigd,
aan de pensioenuitvoerder;
b. wanneer de premie op basis van een langere termijn dan een kwartaal
wordt vastgesteld en in rekening gebracht, is deze termijn ten hoogste
gelijk aan een jaar en voldoet de werkgever uiterlijk binnen een maand
na afloop van elk kwartaal een vierde gedeelte van de door hem op basis
van zijn eigen bijdrage verschuldigde jaarpremie op basis van een
schatting van de pensioenuitvoerder en de op het loon van de werknemer
ingehouden werknemerspremie, aan de pensioenuitvoerder; en
c. de totale jaarpremie, bestaande uit de werkgeverspremie en de
werknemerspremies, wordt uiterlijk binnen zes maanden na afloop van het
kalenderjaar voldaan aan de pensioenuitvoerder.
Artikel 27. Premiebetaling bij beëindiging deelneming
De in artikel 26genoemde termijnen gelden niet indien sprake is van een
beëindiging van de deelneming. In dat geval wordt de ten tijde van de
beëindiging nog verschuldigde premie binnen dertien weken voldaan.
Artikel 28. Melding door pensioenfonds inzake premieachterstand en
tekort minimaal vereist eigen vermogen
1. Een pensioenfonds informeert elk kwartaal schriftelijk de
deelnemersraad en, bij het ontbreken daarvan, de deelnemers, gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden wanneer sprake is van een
premieachterstand ter grootte van 5% van de totale door het
pensioenfonds te ontvangen jaarpremie en tevens niet voldaan wordt aan
de bij of krachtens artikel 131 geldende eisen inzake het minimaal
vereist eigen vermogen.
2. Gedurende de in het eerste lid bedoelde situatie informeert een
pensioenfonds tevens elk kwartaal de ondernemingsraad van de onderneming
die nog premie aan het pensioenfonds verschuldigd is.
3. Indien een ondernemingspensioenfonds op grond van artikel 123, tweede
of derde lid, gescheiden vermogens aanhoudt, worden de voorgaande twee
leden toegepast per afgescheiden vermogen.
Artikel 29. Melding door verzekeraar bij premieachterstand en gevolgen
van premieachterstand
1. Een verzekeraar informeert de deelnemers en de werkgever wanneer de
premieachterstand het noodzakelijk maakt de opbouw van
pensioenaanspraken te beëindigen door premievrijmaking of
pensioenaanspraken zonder premievrije waarde te laten vervallen.
2. Een verzekeraar kan de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de
deelnemers pas doen indien hij zich aantoonbaar heeft ingespannen om de
achterstallige premie te innen.
3. De verzekeraar kan op zijn vroegst drie maanden na de in het eerste
lid bedoelde mededeling de opbouw van pensioenaanspraken beëindigen
door premievrijmaking of pensioenaanspraken zonder premievrije waarde
laten vervallen.
4. De premievrijmaking, bedoeld in het derde lid, vindt op zijn vroegst
plaats per de datum die vijf maanden voor het tijdstip van informeren
van de deelnemers is gelegen.
5. De dekking van het arbeidsongeschiktheidsrisico of het
overlijdensrisico blijft volledig in stand tot drie maanden na de in het
eerste lid bedoelde mededeling.
6. Bij de premievrijmaking wordt de verzekering premievrij voortgezet
zonder verrekening van premie en rente met de pensioenaanspraken.
Kosten, voor zover voortvloeiend uit het premievrij maken, worden
evenmin verrekend met de pensioenaanspraken.
7. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een
premiepensioeninstelling.
Artikel 30. Toepasselijk recht
In een uitvoeringsovereenkomst met een verzekeraar met zetel buiten
Nederland waarin bij de totstandkoming of op een later tijdstip wordt
gekozen voor ander dan Nederlands recht, wordt de volgende clausule
opgenomen:
Ongeacht het gekozen rechtsstelsel is ten aanzien van deze
uitvoeringsovereenkomst in ieder geval de Pensioenwet van toepassing.
§ 3.3. Overig
Artikel 31. Verbod verpanding en andere handelingen
Verpanding van de uit de uitvoeringsovereenkomst voortvloeiende rechten
door de werkgever of andere handelingen die door hem worden verricht
waardoor aan anderen dan de aanspraak- of pensioengerechtigden rechten
worden verleend, is nietig.
Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen met betrekking tot de
pensioenuitvoerder
§ 4.1. Taken pensioenuitvoerder
Artikel 32. Algemene taak
Een pensioenuitvoerder heeft tot taak een pensioenovereenkomst uit te
voeren op basis van een uitvoeringsovereenkomst of een
uitvoeringsreglement.
Artikel 33. Waarborging goed bestuur
1. Een pensioenuitvoerder richt zijn organisatie zodanig in dat een goed
bestuur is gewaarborgd waardoor er in ieder geval:
a. verantwoording wordt afgelegd aan de aanspraak- en
pensioengerechtigden en de werkgever; waarvoor bij pensioenfondsen een
verantwoordingsorgaan is ingesteld; en
b. intern toezicht is.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het
eerste lid regels worden gesteld. Die regels kunnen in het bijzonder
betrekking hebben op de naleving van in die algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen principes voor goed pensioenfondsbestuur.
Artikel 34. Uitbesteding
1. Indien een pensioenuitvoerder werkzaamheden uitbesteedt aan een derde
draagt hij er zorg voor dat deze derde de bij of krachtens deze wet
gestelde regels, die van toepassing zijn op de uitbestedende
pensioenuitvoerder, naleeft.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen:
a. werkzaamheden worden aangewezen die niet mogen worden uitbesteed;
b. regels worden gesteld met betrekking tot de uitbesteding in verband
met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet
bepaalde; en
c. regels worden gesteld met betrekking tot de beheersing van risico’s
die verband houden met de uitbesteding.
Artikel 35. Opstellen en inhoud pensioenreglement
1. De pensioenuitvoerder stelt een pensioenreglement vast in
overeenstemming met de pensioenovereenkomst en de
uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement.
2. In het pensioenreglement worden in ieder geval bepalingen opgenomen
betreffende:
a. de wijze waarop de pensioenuitvoerder omgaat met inkomende waarden in
het kader van waardeoverdracht;
b. de hoogte van de ruilvoet en de opbouwkeuzevoet, bedoeld in artikel
60 en 61, en de afkoopvoet, bedoeld in artikel 66; en
c. de kortingsregel, bedoeld inartikel 134.
Artikel 36. Registreren deelnemingsjaren
1. De pensioenuitvoerder registreert de deelnemingsjaren van de
deelnemers en verstrekt hierover informatie aan de deelnemers en gewezen
deelnemers.
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot het eerste lid, waaronder de perioden die in aanmerking
komen als deelnemingsjaren.
Artikel 37. Melding arbeidsongeschiktheid
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen meldt de
arbeidsongeschiktheid van een deelnemer aan de pensioenuitvoerder.
2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ten aanzien van
het eerste lid.
Artikel 38. Verstrekken informatie aan deelnemers jaarlijks
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer jaarlijks:
a. een opgave van de verworven pensioenaanspraken;
b. een opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken;
c. informatie over toeslagverlening; en
d. een opgave van de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen
waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig artikel 3.127 van
de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen.
2. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt verstrekt in de vorm
van een door de pensioenuitvoerders op te stellen uniform
pensioenoverzicht.
3. De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van het
bepaalde inartikel 49 elektronisch ter beschikking worden gesteld indien
de verworven pensioenaanspraak minder bedraagt dan het op basis
vanartikel 66 bepaalde bedrag, tenzij de deelnemer hiertegen bezwaar
maakt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgaven en
informatie en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 39. Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging
deelneming
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de
deelneming:
a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken op grond van artikel
55;
b. informatie over toeslagverlening;
c. informatie die voor de deelnemer specifiek in het kader van de
beëindiging relevant is; en
d. informatie over omstandigheden die betrekking hebben op het
functioneren van de pensioenuitvoerder.
2. De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van het
bepaalde inartikel 49 elektronisch ter beschikking worden gesteld indien
de verworven pensioenopbouw minder bedraagt dan het op basis van artikel
66 bepaalde bedrag, tenzij de deelnemer hiertegen bezwaar maakt.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en informatie en
de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 40. Verstrekken informatie aan gewezen deelnemers periodiek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer ten minste een
keer in vijf jaar:
a. een opgave van zijn opgebouwde pensioenaanspraken; en
b. informatie over toeslagverlening.
2. De pensioenuitvoerder informeert de gewezen deelnemer binnen drie
maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die wijziging.
3. De in het eerste lid bedoelde informatie kan in afwijking van het
bepaalde inartikel 49 elektronisch ter beschikking worden gesteld indien
de verworven pensioenopbouw minder bedraagt dan het op basis van artikel
66 bepaalde bedrag, tenzij de gewezen deelnemer hiertegen bezwaar maakt.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en informatie en
de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 41. Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding
1. De pensioenuitvoerder verstrekt degene die gewezen partner wordt en
een aanspraak verkrijgt op bijzonder partnerpensioen:
a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraak op partnerpensioen;
b. informatie over toeslagverlening; en
c. informatie die voor de gewezen partner specifiek van belang is.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en informatie en
de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 42. Verstrekken informatie aan gewezen partner periodiek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen partner ten minste een
keer in de vijf jaar:
a. een opgave van zijn opgebouwde aanspraak op partnerpensioen op grond
van artikel 41; en
b. informatie over toeslagverlening.
2. De pensioenuitvoerder informeert de gewezen partner binnen drie
maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die wijziging.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en informatie en
de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 43. Verstrekken informatie aan pensioengerechtigden bij
pensioeningang
1. De pensioenuitvoerder verstrekt degene die pensioengerechtigde wordt:
a. een opgave van zijn pensioenrecht;
b. een opgave van de opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen
wanneer de pensioenregeling daarin voorziet; en
c. informatie over toeslagverlening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgaven en informatie
en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 44. Verstrekken informatie aan pensioengerechtigden periodiek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de pensioengerechtigde jaarlijks:
a. een opgave van zijn pensioenrecht;
b. een opgave van de opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen
wanneer de pensioenregeling daarin voorziet; en
c. informatie over toeslagverlening.
2. De pensioenuitvoerder informeert de pensioengerechtigde binnen drie
maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die wijziging.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgaven en informatie
en de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 45. Verstrekken informatie aan deelnemers inzake vrijwillige
pensioenregeling
1. De pensioenuitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de
deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over:
a. de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling;
b. een opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken uit
hoofde van de vrijwillige pensioenregeling; en
c. de toeslagverlening.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde opgave en informatie en
de wijze waarop deze worden verstrekt.
Artikel 46. Informatie op verzoek
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer,
de gewezen partner en de pensioengerechtigde op verzoek:
a. het voor hem geldende pensioenreglement;
b. het jaarverslag en de jaarrekening van de pensioenuitvoerder;
c. de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement;
d. de voor hem relevante informatie over beleggingen; en
e. informatie over andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
onderwerpen.
2. De pensioenuitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer en
de gewezen partner op verzoek informatie die specifiek voor hem relevant
is waaronder een indicatie van het mogelijk te bereiken kapitaal op de
pensioendatum bij premieovereenkomsten waarbij de premie wordt belegd en
een indicatie van de hoogte van de in te kopen periodieke uitkeringen
bij aanwending van het mogelijk te bereiken kapitaal bij
kapitaalovereenkomsten en premieovereenkomsten.
3. De pensioenuitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer op verzoek een
opgave van de hoogte van zijn opgebouwde pensioenaanspraken.
4. De pensioenuitvoerder verstrekt de in het eerste lid bedoelde
informatie op verzoek ook aan vertegenwoordigers van deelnemers, van
gewezen deelnemers, van gewezen partners of van pensioengerechtigden.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in dit artikel bedoelde informatie en de wijze
waarop deze wordt verstrekt.
Artikel 47. Verstrekken informatie bij vertrek naar een andere lidstaat
1. De pensioenuitvoerder verstrekt deelnemers, gewezen deelnemers en
gepensioneerden die zich in een andere lidstaat vestigen informatie over
hun pensioenaanspraken en pensioenrechten en over de mogelijkheden die
hun op grond van de pensioenregeling worden geboden.
2. De informatie die op grond van het eerste lid wordt verstrekt is ten
minste overeenkomstig de informatie die wordt verstrekt aan deelnemers,
gewezen deelnemers en gepensioneerden die in Nederland blijven.
Artikel 48. Informatie tijdig en duidelijk
1. De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie, bedoeld in de
artikelen 21en 38 tot en met 47, tijdig. De informatie, bedoeld in de
artikelen 21,38 tot en met 45, 46, eerste lid, onderdeel d, tweede tot
en met vierde lid, en 47 verstrekt de pensioenuitvoerder in duidelijke
en begrijpelijke bewoordingen.
2. De informatie over toeslagverlening, bedoeld in deartikelen 21 en 38
tot en met 45, wordt in ieder geval uitgedrukt in een kwalitatieve en
beeldende maatstaf.
3. De in het tweede lid bedoelde maatstaf houdt in ieder geval rekening
met:
a. de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening,
zoals deze uit de continuïteitsanalyse volgen en welke onderdeel zijn
van de voorwaardelijkheidsverklaring, bedoeld in artikel 95; en
b. de te verwachten toeslagverlening in de pensioenovereenkomst afgezet
tegen het minimale percentage van het gemiddelde prijsindexcijfer,
bedoeld in artikel 144, eerste lid, onderdeel a.
4. Onze Minister kan regels stellen ten aanzien van het tweede en derde
lid.
Artikel 49. Informatie schriftelijk tenzij
De pensioenuitvoerder verstrekt de informatie schriftelijk, tenzij de
deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner
instemt met elektronische verstrekking.
Artikel 50. Verstrekken informatie door pensioenuitvoerder
1. De pensioenuitvoerder kan zich voor het schriftelijk verstrekken van
de informatie, bedoeld in de artikelen 38 tot en met 44, houden aan het
laatst hem bekende adres van de deelnemer, gewezen deelnemer,
pensioengerechtigde of gewezen partner.
2. Indien dit adres onjuist blijkt te zijn doet de pensioenuitvoerder
navraag bij de gemeentelijke basisadministratie in de laatst bekende
woonplaats van de deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde of
gewezen partner.
3. Indien de pensioenuitvoerder kosten maakt in verband met
werkzaamheden die voortvloeien uit het feit dat de deelnemer, gewezen
deelnemer, pensioengerechtigde of gewezen partner verzuimd heeft de
pensioenuitvoerder omtrent een wijziging van adres te informeren, kan de
pensioenuitvoerder deze kosten bij deze in rekening brengen, maar kunnen
deze kosten niet direct in mindering worden gebracht op de uitkering.
4. Indien het bij de pensioenuitvoerder bekende adres voor de
elektronische verstrekking van informatie onjuist blijkt, verstrekt de
pensioenuitvoerder de informatie schriftelijk.
Artikel 51
1. Er is een pensioenregister, ingericht en in stand gehouden door de
pensioenuitvoerders, dat tot doel heeft op duidelijke en begrijpelijke
wijze de aanspraakgerechtigde in de gelegenheid te stellen gegevens over
zijn pensioenaanspraken te raadplegen. Onder pensioenaanspraken in de
zin van dit artikel wordt tevens verstaan aanspraken op
ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet.
2. De pensioenuitvoerder verstrekt op verzoek van de
aanspraakgerechtigde tijdig zijn gegevens met betrekking tot
pensioenaanspraken door middel van het pensioenregister.
3. De Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekt op verzoek
van de aanspraakgerechtigde tijdig zijn gegevens over
verzekeringstijdvakken en daarop gebaseerde aanspraak op
ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet door middel van
het pensioenregister.
4. De gegevens die op grond van het tweede en derde lid worden verstrekt
door middel van het pensioenregister worden in dat kader uitsluitend
gebruikt voor het in het eerste lid omschreven doel.
5. Een door Onze Minister aan te wijzen instelling ontwikkelt en beheert
het pensioenregister en draagt zorg voor de tijdige verwerking van de
gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, en het goed functioneren
van het pensioenregister.
6. De instelling, bedoeld in het vijfde lid, is bewerker in de zin van
de Wet bescherming persoonsgegevens voor het verwerken van de gegevens
die door de pensioenuitvoerders en de Sociale verzekeringsbank, genoemd
in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, door middel van het pensioenregister worden verstrekt.
7. De instelling, bedoeld in het vijfde lid, stelt in verband met haar
rol als bewerker als bedoeld in het zesde lid een reglement vast waarin
regels worden gesteld met betrekking tot het ontwikkelen en beheren van
het pensioenregister. Dit reglement bevat in ieder geval regels over de
gegevens die verstrekt worden, de wijze waarop deze gegevens verstrekt
worden en de bekostiging en beveiliging van het pensioenregister.
8. Het reglement alsmede elke wijziging daarvan behoeft de goedkeuring
van Onze Minister.
9. Hetgeen bij of krachtens hoofdstuk 7 van toepassing is bij het
toezicht op de uitvoering van dit artikel door pensioenuitvoerders is
van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van dit artikel door de
instelling, bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 52. Zorgplicht pensioenuitvoerder bij premieovereenkomsten met
beleggingsvrijheid
1. Bij de uitvoering van een premieovereenkomst met beleggingsvrijheid
is de pensioenuitvoerder verantwoordelijk voor de beleggingen en handelt
daarbij overeenkomstig artikel 135.
2. De pensioenuitvoerder biedt de deelnemer en de gewezen deelnemer de
mogelijkheid de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te nemen.
3. Indien de deelnemer of de gewezen deelnemer de verantwoordelijkheid
voor de beleggingen heeft overgenomen, adviseert de pensioenuitvoerder
de deelnemer of de gewezen deelnemer over de spreiding van de
beleggingen in relatie tot de duur van de periode tot pensioendatum,
waarbij het beleggingsrisico kleiner wordt naarmate de pensioendatum
nadert.
4. De pensioenuitvoerder onderzoekt ten minste een keer per jaar of de
beleggingen van de deelnemer of gewezen deelnemer zich binnen de op
basis van het derde lid gestelde grenzen bevinden en informeert de
deelnemer en de gewezen deelnemer hierover.
5. Afdeling 4.2.3 van de Wet op het financieel toezicht is van
overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde
premieovereenkomsten ingeval de deelnemer of gewezen deelnemer de
verantwoordelijkheid over de beleggingen heeft overgenomen.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld
worden met betrekking tot dit artikel.
Artikel 53. Verstrekken uitkeringen (in andere lidstaten)
De pensioenuitvoerder betaalt de uitkering uit hoofde van een
pensioenrecht op verzoek van de pensioengerechtigde in een andere
lidstaat van de Europese Unie dan de lidstaat waar die
pensioenuitvoerder is gevestigd, waarbij transactiekosten op de
uitkering uit hoofde van het pensioenrecht in mindering kunnen worden
gebracht.
Artikel 54. Uitvoeren vrijwillige voortzetting
1. Een pensioenuitvoerder kan voor de deelnemer die gewezen werknemer
wordt een vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling uitvoeren
indien de vrijwillige voortzetting gedurende ten hoogste drie jaar vanaf
de beëindiging van de dienstbetrekking voortduurt.
2. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van tien jaar voor
zover de genoemde gewezen werknemer, aansluitend aan de beëindiging van
de dienstbetrekking, gedurende die periode winst uit onderneming geniet
als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3. Van de in het eerste lid genoemde termijn kan worden afgeweken
indien:
a. de deelnemer ten tijde van de beëindiging van de dienstbetrekking
arbeidsongeschikt is. De periode waarin sprake kan zijn van vrijwillige
voortzetting is dan ten hoogste drie jaar of de duur van de
arbeidsongeschiktheid indien deze langer is; of
b. de deelnemer na de beëindiging van de dienstbetrekking een
periodieke uitkering ontvangt ter vervanging van in verband met de
beëindiging van de dienstbetrekking gederfde inkomsten op grond van een
tussen één of meer werkgevers en één of meer werknemers afgesproken
regeling. De periode waarin sprake kan zijn van vrijwillige voortzetting
is dan ten hoogste drie jaar of de periode waarin de uitkering wordt
ontvangen indien deze langer is.
4. De vrijwillige voortzetting begint uiterlijk negen maanden na
beëindiging van de dienstbetrekking. Artikel 14, tweede lid, is niet
van toepassing op de periode vanaf de beëindiging van de
dienstbetrekking tot het begin van de vrijwillige voortzetting.
§ 4.2. Behoud aanspraak
Artikel 55. Behoud aanspraak op pensioen bij beëindiging deelneming
1. Bij beëindiging van de deelneming behoudt de gewezen deelnemer de
tot dat moment opgebouwde pensioenaanspraken indien er sprake is van een
uitkeringsovereenkomst of een kapitaalovereenkomst. Deze
pensioenaanspraak dient volledig gefinancierd te zijn op het moment van
beëindiging. In geval van premievrijmaking op grond van artikel 29,
vierde lid, wordt daarmee bij de vaststelling van de opgebouwde
aanspraken rekening gehouden.
2. Bij een premieovereenkomst wordt bij beëindiging van de deelneming
de vaststelling van de pensioenaanspraken als volgt uitgevoerd: het tot
op dat moment ontstane kapitaal voortvloeiend uit de tot de beëindiging
beschikbaar gestelde premies wordt:
a. belegd tot de pensioendatum;
b. aangewend voor de aankoop van een verzekerd kapitaal dat beschikbaar
komt op de pensioendatum; of
c. aangewend voor een verzekerde levenslange uitkering vanaf de
pensioendatum, al dan niet in combinatie met een aanspraak op
nabestaandenpensioen.
3. Indien de opzet van de premieovereenkomst zodanig is dat de
beschikbaar gestelde premie direct, en niet pas bij de beëindiging van
de deelneming, wordt aangewend voor een uitkering of kapitaal, dan geldt
het eerste lid.
4. Deelnemers en andere aanspraakgerechtigden die na beëindiging van de
deelneming aan een pensioenregeling naar een andere lidstaat van de
Europese Unie verhuizen behouden hun pensioenaanspraak in dezelfde mate
als deelnemers en andere aanspraakgerechtigden die na beëindiging van
de deelneming in Nederland blijven.
5. Indien de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen op
risicobasis behoudt de deelnemer, die na beëindiging van de deelneming
recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende
de periode dat hij de uitkering ontvangt, aanspraak op partnerpensioen
ten behoeve van zijn partner. De hoogte van het partnerpensioen wordt
vastgesteld alsof hetzelfde pensioen op opbouwbasis zou zijn
overeengekomen, waarbij rekening wordt gehouden met het partnerpensioen
verkregen op grond van artikel 61. Dit lid is van overeenkomstige
toepassing op de deelnemer, die na beëindiging van de deelneming recht
heeft op werkloosheidsuitkering van zijn woonland.
Artikel 56. Behoud aanspraak op partnerpensioen bij verlof
Indien de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen is het
opnemen van onbetaald verlof tot een maximum van 18 maanden door de
deelnemer tijdens de deelneming niet van invloed op de dekking uit
hoofde van het partnerpensioen.
Artikel 57. Behoud aanspraak in geval van scheiding
1. Indien de partnerrelatie van een deelnemer eindigt door scheiding
verkrijgt de gewezen partner van de deelnemer een zodanige aanspraak op
partnerpensioen als de deelnemer ten behoeve van die gewezen partner zou
hebben behouden indien op het tijdstip van scheiding zijn deelneming zou
zijn geëindigd.
2. Indien de partnerrelatie van een gewezen deelnemer eindigt door
scheiding, en de gewezen deelnemer ten behoeve van die partner een
aanspraak op partnerpensioen heeft behouden bij beëindigen van de
deelneming, gaat de aanspraak over op de gewezen partner van de gewezen
deelnemer.
3. Indien de partnerrelatie van een gepensioneerde eindigt door
scheiding, en de gepensioneerde ten behoeve van die partner een
aanspraak op partnerpensioen heeft behouden bij het ingaan van het
ouderdomspensioen, gaat die aanspraak over op de gewezen partner van de
gepensioneerde.
4. Het eerste, tweede en derde lid vindt geen toepassing indien de
partners bij voorwaarden in verband met de partnerrelatie of een
schriftelijk gesloten overeenkomst met betrekking tot de scheiding
anders overeenkomen. Deze voorwaarden of overeenkomst zijn
respectievelijk is slechts geldig indien de pensioenuitvoerder zich
bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen en bereid is een uit de
afwijking voortvloeiend risico te dekken dan wel het niveau van de
uitkering aan te passen.
5. Een gewezen partner met een recht op bijzonder partnerpensioen als
bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, heeft het recht dit te
vervreemden aan een eerdere of latere partner van de overleden
deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, mits:
a. de pensioenuitvoerder bereid is een eventueel uit die overdracht
voortvloeiende wijziging van het risico te dekken;
b. de vervreemding onherroepelijk is; en
c. dit wordt overeengekomen bij notarieel verleden akte.
Artikel 58. Gelijke behandeling bij toeslagen
1. Indien een ouderdomspensioenrecht van een gepensioneerde die geen
gewezen deelnemer is geweest wordt verhoogd door middel van een toeslag,
wordt het ouderdomspensioenrecht van een gepensioneerde die wel gewezen
deelnemer is geweest in dezelfde mate verhoogd indien zij in dezelfde
pensioenregeling hebben deelgenomen.
2. Indien een recht op partnerpensioen van de partner van een overleden
gepensioneerde die geen gewezen deelnemer is geweest wordt verhoogd door
middel van een toeslag, worden de partnerpensioenrechten:
a. ten behoeve van de partners van overleden gepensioneerden die gewezen
deelnemer zijn geweest;
b. ten behoeve van de partners van overleden gewezen deelnemers;
c. ten behoeve van de partners van overleden deelnemers; en
d. van de gewezen partners met een bijzonder partnerpensioen;
in dezelfde mate verhoogd, mits deze rechten voortvloeien uit een
pensioenovereenkomst die gebaseerd is op dezelfde pensioenregeling als
die van de overleden gepensioneerde die geen gewezen deelnemer is
geweest.
3. Indien een ouderdomspensioenrecht wordt verhoogd door middel van een
toeslag, wordt de aanspraak op ouderdomspensioen van een gewezen
deelnemer die in dezelfde pensioenregeling heeft deelgenomen in dezelfde
mate verhoogd.
4. Indien een aanspraak op partnerpensioen van een gepensioneerde die
geen gewezen deelnemer is geweest wordt verhoogd door middel van een
toeslag, worden de partnerpensioenaanspraken:
a. ten behoeve van de partner van een gepensioneerde die wel gewezen
deelnemer is geweest;
b. ten behoeve van de partner van een gewezen deelnemer; en
c. van de gewezen partner van de gewezen deelnemer met een bijzonder
partnerpensioen;
in dezelfde mate verhoogd, mits deze aanspraken voortvloeien uit een
pensioenovereenkomst die is gebaseerd op dezelfde pensioenregeling als
die van de gepensioneerde die geen gewezen deelnemer is geweest.
5. Bij de verlening van toeslagen op partnerpensioen wordt geen
onderscheid gemaakt tussen partners.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gewezen deelnemer niet
verstaan de werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Wet
privatisering FVP die recht heeft op een bijdrage van de Stichting
Financiering Voortzetting Pensioenverzekering.
Artikel 59. Geen verjaring ten gunste van de pensioenuitvoerder
Een rechtsvordering tegen een pensioenuitvoerder tot het doen van een
uitkering verjaart niet bij leven van de pensioengerechtigde.
§ 4.3. Beschikken over pensioen
Artikel 60. Keuzerecht hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen
1. Indien een pensioenregeling op basis van een pensioenovereenkomst
voorziet in de opbouw van een ouderdomspensioen en een partnerpensioen,
biedt de pensioenregeling aan de deelnemer of gewezen deelnemer met
betrekking tot perioden van opbouw vanaf 1 januari 2002, ongeacht zijn
burgerlijke staat, het recht in elk geval met ingang van de datum waarop
het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan, in plaats van
partnerpensioen te kiezen voor één van de volgende wijzigingen van het
ouderdomspensioen:
a. een hoger ouderdomspensioen;
b. een eerder ingaand ouderdomspensioen; of
c. een hoger en een eerder ingaand ouderdomspensioen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de aanspraak op bijzonder
partnerpensioen van de gewezen partner.
3. Indien er in de pensioenovereenkomst geen recht op de
keuzemogelijkheid als bedoeld in het eerste lid is opgenomen heeft de
deelnemer of gewezen deelnemer het recht om te kiezen voor één van
deze mogelijkheden.
4. De pensioenuitvoerder waarborgt dat bij gebruikmaking van het
keuzerecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen door
vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet.
5. De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van een ruilvoet
of opbouwkeuzevoet dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve
actuariële gelijkwaardigheid hetgeen inhoudt dat de collectieve
actuariële waarde van het ouderdomspensioen, bedoeld in het eerste lid,
dat wordt gekozen in plaats van het partnerpensioen, bedoeld in het
eerste lid, ongeacht de datum waarop de keuze wordt gemaakt, ten minste
gelijkwaardig is aan de op dezelfde grondslagen berekende collectieve
actuariële waarde van dat partnerpensioen.
6. Bij de keuze, bedoeld in het eerste of derde lid, is de toestemming
vereist van de partner die begunstigde is voor het in het eerste lid
bedoelde partnerpensioen.
7. Het vierde en vijfde lid zijn:
a. met betrekking tot uitkeringsovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten
van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2002 zijn
opgebouwd;
b. met betrekking tot premieovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
8. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken
betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die
pensioenaanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid van toepassing
indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1
januari 2002.
9. In afwijking van het zevende lid kunnen het vierde en vijfde lid van
toepassing zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari
2002 respectievelijk 1 januari 2005 indien dit is overeengekomen in de
pensioenovereenkomst.
10. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het eerste tot en met het vijfde lid.
Artikel 61. Keuzerecht uitruil ouderdomspensioen in partnerpensioen
1. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een ouderdomspensioen,
heeft de deelnemer of gewezen deelnemer het recht, in plaats van
ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen te kiezen voor
partnerpensioen in elk geval:
a. bij beëindiging van de deelneming; en
b. met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan
ingaan;
waarbij de hoogte van het partnerpensioen maximaal 70 percent
bedraagt van het ouderdomspensioen dat na de uitruil resteert.
2. Indien een pensioenovereenkomst voorziet in een ouderdomspensioen,
biedt de pensioenuitvoerder de deelnemer bij beëindiging van de
deelneming en in het laatste jaar voor ingang van het ouderdomspensioen
standaard de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aan.
3. De pensioenuitvoerder waarborgt dat bij gebruikmaking van het
keuzerecht geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen door
vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet.
4. De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van een ruilvoet
of opbouwkeuzevoet dat voldaan wordt aan het vereiste van collectieve
actuariële gelijkwaardigheid hetgeen inhoudt dat de collectieve
actuariële waarde van het partnerpensioen, bedoeld in het eerste lid,
dat wordt gekozen in plaats van het ouderdomspensioen, bedoeld in het
eerste lid, ongeacht de datum waarop de keuze wordt gemaakt, ten minste
gelijkwaardig is aan de op dezelfde grondslagen berekende collectieve
actuariële waarde van dat ouderdomspensioen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de inhoud van de keuzemogelijkheid, de wijze waarop
de keuzemogelijkheid wordt geboden en de collectieve actuariële
gelijkwaardigheid, bedoeld in het vierde lid.
6. De in het eerste lid omschreven mogelijkheid heeft geen betrekking op
het deel van een ouderdomspensioen waarop een recht op uitbetaling rust
als bedoeld in artikel 2 van de Wet verevening pensioenrechten bij
scheiding.
7. Indien de deelnemer of gewezen deelnemer niet binnen de door de
pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op de keuzemogelijkheid die
hem ingevolge het tweede lid in het laatste jaar voor de ingang van het
ouderdomspensioen is aangeboden, gaat de pensioenuitvoerder over tot het
uitruilen van het ouderdomspensioen in partnerpensioen indien:
a. de pensioenovereenkomst niet voorziet in een aanspraak op
partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat; en
b. de deelnemer of gewezen deelnemer gehuwd is of een geregistreerde
partnerrelatie heeft.
8. In de pensioenregeling wordt bepaald wat de verhouding is tussen
ouderdomspensioen en partnerpensioen na uitruil als bedoeld in het
zevende lid.
9. Indien de uitruil, bedoeld in het zevende lid, ertoe zou leiden dat
het ouderdomspensioen op jaarbasis lager wordt dan het op grond van
artikel 66 bepaalde bedrag wordt de in het achtste lid bedoelde
verhouding tussen ouderdomspensioen en partnerpensioen zodanig aangepast
dat het ouderdomspensioen op jaarbasis meer bedraagt dan het op grond
van artikel 66 bepaalde bedrag.
10. Indien de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen op
risicobasis kan in de pensioenregeling worden bepaald dat het zevende
lid, aanhef en onderdeel b, van overeenkomstige toepassing is bij
beëindiging van de deelneming. Het achtste en negende lid is van
toepassing.
Artikel 62. Keuzemogelijkheden andere vormen van uitruil
1. Indien de pensioenovereenkomst de deelnemer of gewezen deelnemer de
mogelijkheid biedt:
a. in plaats van een bepaald soort pensioen geheel of gedeeltelijk te
kiezen voor een ander soort pensioen, dan het pensioen, bedoeld in de
artikelen 60 en 61;
b. de ingangsdatum van het ouderdomspensioen te vervroegen of uit te
stellen;
c. de hoogte van het ouderdomspensioen te laten variëren; of
d. tot een keuze anders dan bedoeld in de voorgaande onderdelen;
waarborgt de pensioenuitvoerder dat bij gebruikmaking van de
keuzemogelijkheid geen onderscheid gemaakt wordt tussen mannen en
vrouwen door vaststelling van een ruilvoet of opbouwkeuzevoet per
keuzerecht die voldoet aan het vereiste van collectieve actuariële
gelijkwaardigheid.
2. Bij gebruikmaking van een in het eerste lid bedoelde
keuzemogelijkheid is de toestemming vereist van de partner die
begunstigde is voor partnerpensioen indien de hoogte daarvan door
gebruikmaking van de keuzemogelijkheid wordt verlaagd.
3. Het eerste lid is:
a. met betrekking tot uitkeringsovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten
van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2002 zijn
opgebouwd;
b. met betrekking tot premieovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
4. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken
betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die
aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid van toepassing indien het
recht op die premievrije voortzetting is ontstaan op of na 1 januari
2002.
5. In afwijking van het derde lid kan het eerste lid van toepassing zijn
op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2002
respectievelijk 1 januari 2005 indien dit is overeengekomen in de
pensioenovereenkomst.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot het eerste lid.
Artikel 63. Variatie hoogte pensioenuitkering
1. De hoogte van een pensioen kan na ingang variëren mits:
a. de laagste uitkering niet minder bedraagt dan 75% van de hoogste
uitkering; en
b. de mate van variatie uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen
wordt vastgesteld.
2. Voor de toepassing van het eerste lid blijft in de periode tussen de
ingangsdatum van het pensioen en het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, van de uitkering buiten aanmerking het gedeelte dat
overeenkomt met het bedrag bedoeld in artikel 18d, derde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
3. In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel b, kan de mate
van variatie uiterlijk bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd worden
vastgesteld indien het pensioen is ingegaan vóór 1 januari 2013.
Artikel 64. Verbod van vervreemding en mogelijkheid van volmacht
1. Vervreemding of elke andere handeling, waardoor de
aanspraakgerechtigde of de pensioengerechtigde enig recht op zijn
pensioenaanspraken of pensioenrechten aan een ander toekent is nietig,
tenzij:
a. verpanding plaatsvindt voor het verlenen van zekerheid voor het
verkrijgen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 25, vijfde
lid, van de Invorderingswet 1990;
b. vervreemding plaatsvindt op grond van artikel 57, vijfde lid;
c. verevening plaatsvindt op basis van de Wet verevening pensioenrechten
bij scheiding;
d. in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij scheiding in
plaats van de aanspraakgerechtigde of de pensioengerechtigde diens
gewezen partner respectievelijk diens partner wordt aangewezen als
begunstigde voor het geheel of een deel van het ouderdomspensioen, mits
de pensioenuitvoerder hiermee instemt; of
e. in het kader van een verrekening van pensioenrechten bij scheiding de
waarde van het geheel of een deel van het ouderdomspensioen van de
aanspraakgerechtigde of de pensioengerechtigde bij dezelfde
pensioenuitvoerder wordt aangewend voor een ouderdomspensioen op het
leven van diens gewezen partner respectievelijk diens partner, mits de
pensioenuitvoerder hiermee instemt.
2. Een volmacht tot invordering van uitkeringen uit hoofde van een
pensioenrecht, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
Artikel 65. Afkoop
1. Afkoop is slechts mogelijk in bij of krachtens de artikelen 66 tot en
met 69en 134 bedoelde situaties of in geval van toepassing van artikel
3:161 van de Wet op het financieel toezicht.
2. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
Artikel 66. Afkoop klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming
1. De pensioenuitvoerder heeft het recht om op zijn vroegst twee jaar na
beëindiging van de deelneming pensioenaanspraken van een gewezen
deelnemer af te kopen, indien op basis van de tot het tijdstip van
beëindiging opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van
het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder
zal bedragen dan € 400 [Red: per 1 januari 2013: € 451,22] per jaar,
tenzij:
a. dit recht op afkoop in de pensioen- en uitvoeringsovereenkomst is
beperkt of uitgesloten; of
b. de gewezen deelnemer binnen twee jaar na beëindiging van de
deelneming een procedure tot waardeoverdracht is gestart.
2. Indien de reguliere ingangsdatum van het ouderdomspensioen ligt voor
het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van twee jaar,
heeft de pensioenuitvoerder het recht om bij de ingang van het
ouderdomspensioen een aanspraak op ouderdomspensioen en eventuele andere
aanspraken ten behoeve van de gepensioneerde of zijn nabestaanden af te
kopen, indien de uitkering van het ouderdomspensioen op de ingangsdatum
minder bedraagt dan € 400 [Red: per 1 januari 2013: € 451,22] per
jaar.
3. De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het eerste lid
bedoelde recht informeert de gewezen deelnemer over zijn besluit
hieromtrent binnen zes maanden na afloop van de periode van twee jaar na
beëindiging van de deelneming en gaat over tot de uitbetaling van de
afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.
4. De pensioenuitvoerder die gebruik wil maken van het in het tweede lid
bedoelde recht informeert de gepensioneerde over zijn besluit
hieromtrent binnen zes maanden na de ingang van het pensioen en gaat
over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes
maanden.
5. De pensioenuitvoerder stelt de afkoopwaarde van de pensioenaanspraken
ter beschikking aan de gewezen deelnemer dan wel de gepensioneerde, met
uitzondering van de afkoopwaarde van een bijzonder partnerpensioen, die
ter beschikking wordt gesteld aan de gewezen partner.
6. De pensioenuitvoerder betaalt de uitkering op de dag dat de
aanspraken of rechten vervallen in verband met de afkoop.
7. De pensioenuitvoerder kan na de in het derde lid bedoelde termijn van
2 jaar en zes maanden afkopen indien:
a. de gewezen deelnemer of gepensioneerde daarmee instemt; en
b. de hoogte van het ouderdomspensioen op jaarbasis per 1 januari van
dat jaar lager is dan het in het eerste lid bedoelde grensbedrag.
8. Het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag wordt bij regeling
van Onze Minister telkens herzien met ingang van 1 januari op basis van
de consumentenprijsindex Alle Huishoudens, zoals berekend door het
Centraal Bureau voor de Statistiek. De herziening wordt bepaald door de
procentuele wijziging die dat indexcijfer over de maand oktober,
voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand
oktober van het daaraan voorafgaande jaar.
9. De pensioenuitvoerder waarborgt met betrekking tot perioden van
opbouw vanaf 1 januari 2005 bij de vaststelling van de afkoopwaarde door
vaststelling van een afkoopvoet dat geen onderscheid gemaakt wordt
tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
10. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er nadere
regels worden gesteld aan het vaststellen van de afkoopwaarde, bedoeld
in het zesde lid.
Artikel 67. Afkoop klein partnerpensioen of wezenpensioen bij ingang
1. De pensioenuitvoerder heeft jegens de nabestaanden het recht om een
recht op partnerpensioen of wezenpensioen ten behoeve van de
nabestaanden van dezelfde deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde
af te kopen, indien de uitkering van het partnerpensioen of
wezenpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum minder bedraagt dan het op
basis van artikel 66 bepaalde bedrag, tenzij dit recht op afkoop in de
pensioen- en uitvoeringsovereenkomst is beperkt of uitgesloten.
2. De pensioenuitvoerder die gebruik maakt van het in het eerste lid
bedoelde recht informeert de nabestaande hierover binnen zes maanden na
de ingangsdatum en gaat binnen die termijn over tot uitbetaling van de
afkoopwaarde aan de nabestaande.
3. De pensioenuitvoerder kan na de in het tweede lid bedoelde termijn
het partnerpensioen of wezenpensioen afkopen indien:
a. de nabestaande daarmee instemt; en
b. indien de hoogte van het partnerpensioen of wezenpensioen op
jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan het op basis van
artikel 66 bepaalde bedrag.
4. Artikel 66, zesde en negende tot en met elfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 68. Afkoop klein bijzonder partnerpensioen bij scheiding
1. De pensioenuitvoerder heeft jegens de gewezen partner het recht om
een aanspraak op bijzonder partnerpensioen af te kopen indien de
uitkering van het partnerpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum minder
zal bedragen dan het op basis van artikel 66 bepaalde bedrag, tenzij dit
recht op afkoop in de pensioen- en uitvoeringsovereenkomst is beperkt of
uitgesloten.
2. De pensioenuitvoerder die gebruik maakt van het in het eerste lid
bedoelde recht informeert de gewezen partner hierover binnen zes maanden
na de melding van de scheiding en gaat binnen die termijn over tot
uitbetaling van de afkoopwaarde aan de gewezen partner.
3. De pensioenuitvoerder kan na de in het tweede lid bedoelde termijn
afkopen indien:
a. de gewezen partner daarmee instemt; en
b. indien de hoogte van het partnerpensioen op jaarbasis per 1 januari
van dat jaar lager is dan het op basis van artikel 66 bepaalde bedrag.
4. Artikel 66, zesde en negende tot en met elfde lid, is van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 69. Bevoegdheid tot afkoop van fiscaal bovenmatig pensioen
1. De pensioenuitvoerder is bevoegd om over te gaan tot afkoop van het
deel van de pensioenaanspraken:
a. dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van
ingang van het pensioen uitgaat boven de begrenzingen, bedoeld in de
artikelen 18a, zevende lid, 18b, zevende lid, 18c, vijfde en zesde lid,
en 18e, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, met
inachtneming van artikel 18d, eerste lid, onderdelen a, b en d, van die
wet; of
b. dat op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop
de deelnemer of de gewezen deelnemer ophoudt binnenlands
belastingplichtige te zijn uitgaat boven de begrenzingen, bedoeld in
onderdeel a.
2. De afkoopwaarde wordt door de pensioenuitvoerder aan de deelnemer of
gewezen deelnemer ter beschikking gesteld, met uitzondering van de
afkoopwaarde voor een bijzonder partnerpensioen die ter beschikking
wordt gesteld aan de gewezen partner.
3. De pensioenuitvoerder waarborgt bij de vaststelling van de
afkoopwaarde door vaststelling van een afkoopvoet dat geen onderscheid
gemaakt wordt tussen mannen en vrouwen waarbij voldaan wordt aan het
vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid.
4. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing op
pensioenaanspraken als bedoeld in de artikelen 38d, 38e en 38f van de
Wet op de loonbelasting 1964.
5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen er regels
worden gesteld aan het vaststellen van de afkoopwaarde.
Artikel 70. Begrip en reikwijdte waardeoverdracht
1. Voor de toepassing van deartikelen 71 tot en met 92 wordt onder
ontvangende pensioenuitvoerder mede verstaan:
1°. een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling; en
2°. de Stichting Notarieel pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a,
eerste lid, van de Wet op het notarisambt.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen instellingen worden aangewezen
jegens wie een pensioenuitvoerder een verplichting tot waardeoverdracht
heeft.
3. Waardeoverdracht is slechts mogelijk in de in deartikelen 71 tot en
met 92 bedoelde situaties.
4. Voor de toepassing van de artikelen 71 tot en met 92 wordt onder een
pensioenfonds dat optreedt als ontvangende pensioenuitvoerder mede
verstaan een beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet
verplichte beroepspensioenregeling of de Stichting Notarieel
pensioenfonds, bedoeld in artikel 113a, eerste lid, van de Wet op het
notarisambt.
Artikel 71. Plicht tot waardeoverdracht op verzoek gewezen deelnemer bij
wisseling van werkgever of toetreding tot een beroepspensioenregeling
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de gewezen
deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen indien:
a. er sprake is van een individuele beëindiging van de dienstbetrekking
dan wel individuele beëindiging van de deelneming; en
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer mogelijk
te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende
pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever of de
beroepspensioenregeling;
tenzij sprake is van een van de in de artikelen 72, 72a en 73
omschreven situaties.
Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van dit
partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor
het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. De ontvangende pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek tot
waardeoverdracht van een deelnemer de overdrachtswaarde aan te wenden
ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer.
3. De plicht van de overdragende pensioenuitvoerder om de waarde
rechtstreeks over te dragen en de plicht van de ontvangende
pensioenuitvoerder om de waarde aan te wenden ontstaat indien de
deelnemer binnen zes maanden na aanvang van de verwerving van
pensioenaanspraken in de door de ontvangende pensioenuitvoerder
uitgevoerde pensioenregeling een opgave heeft gevraagd van zijn
pensioenaanspraken aan de ontvangende pensioenuitvoerder en daarna het
verzoek tot waardeoverdracht doet aan de ontvangende pensioenuitvoerder.
4. De ontvangende pensioenuitvoerder waarborgt dat de actuariële waarde
van de door de deelnemer te verwerven pensioenaanspraken ten minste
gelijk is aan de op dezelfde grondslagen berekende waarde van de over te
dragen pensioenaanspraken.
5. De overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerder brengen in het
kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de gewezen
deelnemer.
6. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde, de waarde van
met de overdrachtswaarde te verwerven pensioenaanspraken alsmede de in
acht te nemen procedures.
Artikel 71a. Uitzondering op de plicht tot waardeoverdracht in verband
met afkoop
De in artikel 71 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien
na de waardeoverdracht de voor de bedrijfspensioenvoorziening geldende
wetgeving van een andere staat dan Nederland op de overgedragen
pensioenaanspraken van toepassing is en de mogelijkheden tot afkoop van
de waarde van de overgedragen pensioenaanspraken na de waardeoverdracht
ruimer zijn dan op basis van deze wet.
Artikel 72. Uitzondering op de plicht tot waardeoverdracht in verband
met financiële positie pensioenuitvoerder of werkgever
De in artikel 71 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet zolang:
a. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een pensioenfonds
is waarbij de technische voorzieningen niet meer volledig door waarden
worden gedekt;
b. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een verzekeraar is:
1°. waarop de noodregeling, bedoeld in artikel 3:161 van de Wet op het
financieel toezicht van toepassing is; of
2°. die failliet is; of
c. de overdragende pensioenuitvoerder een verzekeraar is en aanvullende
bijdragen van de werkgever noodzakelijk zijn maar de financiële
toestand van die werkgever blijkens een schriftelijke verklaring van een
niet aan de onderneming van de werkgever verbonden registeraccountant of
accountant-administratieconsulent die aanvullende bijdragen niet
toelaat.
Artikel 72a. Uitzondering op de plicht tot waardeoverdracht in verband
met bijbetaling
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over
de tijdelijke inperking van de in artikel 71 genoemde plicht tot
waardeoverdracht in verband met aanvullende bijdragen van de oude of de
nieuwe werkgever.
2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 73. Uitzondering op plicht tot waardeoverdracht in verband met
datum
De in artikel 71genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet met
betrekking tot pensioenaanspraken ondergebracht bij:
a. een pensioenfonds, indien de deelneming is geëindigd vóór 8 juli
1994;
b. een verzekeraar, indien de dienstbetrekking van de gewezen deelnemer
is geëindigd vóór 8 juli 1994.
Artikel 74. Herleving van de plicht tot waardeoverdracht bij wisseling
van werkgever of toetreding tot een beroepspensioenregeling
1. Indien de in artikel 72 genoemde omstandigheden niet meer van
toepassing zijn:
a. herleven de in artikel 71 bedoelde plichten van de overdragende
pensioenuitvoerder en de ontvangende pensioenuitvoerder;
b. wordt de inartikel 71, derde lid, omschreven verplichting van de
deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen en daarna een
verzoek tot waardeoverdracht te doen verlengd tot zes maanden na
ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid.
2. Een overdragende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de in
artikel 72 bedoelde omstandigheden op hem van toepassing zijn verzoeken
tot waardeoverdracht heeft gekregen, informeert, wanneer deze
omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die in die
periode gewezen deelnemer zijn geworden en de betrokken ontvangende
pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog waarde over te dragen.
3. Een ontvangende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de in
artikel 72 genoemde omstandigheden op hem van toepassing zijn verzoeken
tot waardeoverdracht heeft gekregen, informeert wanneer deze
omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die in die
periode een verzoek tot waardeoverdracht hebben gedaan en de betrokken
overdragende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog waarde over
te dragen.
Artikel 75. Bevoegdheid tot waardeoverdracht op verzoek gewezen
deelnemer bij wisseling werkgever of toetreding tot een
beroepspensioenregeling
1. Indien in de in artikel 71 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat omdat:
a. de deelnemer niet voldaan heeft aan de in artikel 71, derde lid,
omschreven verplichting om binnen zes maanden een opgave te vragen; of
b. sprake is van de inartikel 73 bedoelde situatie;
is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht indien
voldaan wordt aan de in artikel 71, eerste en vierde lid, genoemde
voorwaarden.
2. Indien in de in artikel 71 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat, omdat er geen sprake is van een individuele
beëindiging, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht
indien:
a. wordt voldaan aan de in artikel 71, eerste lid, onderdeel b en tweede
zin, en vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. de overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerders aan wie door
een groep gewezen deelnemers verzoeken tot waardeoverdracht worden
gedaan, dit schriftelijk hebben gemeld aan de toezichthouder; en
c. de toezichthouder binnen drie maanden na de melding geen verbod tot
waardeoverdracht heeft opgelegd aan een van beide pensioenuitvoerders.
3. Indien de financiering van de aanspraken van de gewezen deelnemer bij
de overdragende pensioenuitvoerder nog niet is voltooid overeenkomstig
artikel 55 kan de pensioenuitvoerder ondanks de lagere waarde en de
daaruit bij de ontvangende pensioenuitvoerder resulterende lagere
pensioenaanspraken de waarde overdragen indien de gewezen deelnemer en
zijn partner schriftelijk hiermee instemmen en mits sprake is van de in
artikel 72, onderdeel c, of de in artikel 73 bedoelde situatie.
4. Indien in de in artikel 71 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat omdat sprake is van de in artikel 72a bedoelde
situatie is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht indien:
a. voldaan wordt aan de in artikel 71, eerste en vierde lid, genoemde
voorwaarden; en
b. de oude of nieuwe werkgever bereid is de aanvullende bijdragen te
betalen.
Artikel 76. Plicht tot waardeoverdracht op verzoek deelnemer bij andere
pensioenovereenkomst met dezelfde werkgever
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de gewezen
deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen indien:
a. sprake is van een individuele beëindiging van de deelneming bij een
nieuwe of voortgezette dienstbetrekking bij dezelfde werkgever; en
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer mogelijk
te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende
pensioenuitvoerder;
tenzij de overdragende en ontvangende pensioenuitvoerder niet
identiek zijn en sprake is van de in artikel 72 omschreven situaties.
Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van dit
partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor
het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. De ontvangende pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek tot
waardeoverdracht van een deelnemer de overdrachtswaarde aan te wenden
ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer.
3. De plicht van de overdragende pensioenuitvoerder om de waarde
rechtstreeks over te dragen en de plicht van de ontvangende
pensioenuitvoerder om de waarde aan te wenden ontstaat indien de
deelnemer binnen zes maanden na aanvang van de verwerving van
pensioenaanspraken in de door de ontvangende pensioenuitvoerder
uitgevoerde pensioenregeling een opgave heeft gevraagd van zijn
pensioenaanspraken aan de ontvangende pensioenuitvoerder en daarna het
verzoek tot waardeoverdracht doet aan de ontvangende pensioenuitvoerder.
4. De overdrachtswaarde wordt door de overdragende pensioenuitvoerder
zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven
pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve
actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt
voldaan.
5. Het vierde lid is:
a. met betrekking tot uitkeringsovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2002 zijn of worden opgebouwd;
b. met betrekking tot premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten van
toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn of worden
opgebouwd.
6. In afwijking van het vijfde lid kan het vierde lid van toepassing
zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2002
respectievelijk 1 januari 2005 indien dit is overeengekomen in de
pensioenovereenkomst.
7. De overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerder brengen in het
kader van de waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de gewezen
deelnemer.
8. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ten aanzien van de berekening van de overdrachtswaarde, de
waarde van met de overdrachtswaarde te verwerven pensioenaanspraken
alsmede de in acht te nemen procedures.
Artikel 77. Herleving van de plicht tot waardeoverdracht bij andere
pensioenovereenkomst met zelfde werkgever
Indien in de in artikel 76 bedoelde situatie de in artikel 72 genoemde
omstandigheden niet meer van toepassing zijn herleeft de plicht tot
waardeoverdracht overeenkomstig artikel 74.
Artikel 78. Bevoegdheid tot waardeoverdracht op verzoek deelnemer bij
andere pensioenovereenkomst met zelfde werkgever
1. Indien in de in artikel 76 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat omdat de deelnemer niet voldaan heeft aan de in
artikel 76, derde lid, omschreven verplichting om binnen zes maanden een
opgave te vragen, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht
indien voldaan wordt aan de in artikel 76, eerste en vierde lid,
opgenomen voorwaarden.
2. Indien in de in artikel 76 bedoelde situatie geen plicht tot
waardeoverdracht bestaat omdat er geen sprake is van een individuele
beëindiging, is de pensioenuitvoerder bevoegd tot waardeoverdracht
indien:
a. wordt voldaan aan de in artikel 76, eerste lid, onderdeel b en tweede
zin, en vierde lid, genoemde voorwaarden;
b. de overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerders aan wie door
een groep gewezen deelnemers verzoeken tot waardeoverdracht worden
gedaan niet identiek zijn hetgeen zij schriftelijk hebben gemeld aan de
toezichthouder; en
c. de toezichthouder binnen drie maanden na de melding geen verbod tot
waardeoverdracht heeft opgelegd aan een van beide pensioenuitvoerders.
Artikel 79. Plicht tot waardeaanwending bij keuzerecht of
keuzemogelijkheid
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de deelnemer of
gewezen deelnemer de waarde van diens pensioenaanspraken aan te wenden
in het kader van het keuzerecht overeenkomstig de artikelen 60 en 61 of
de keuzemogelijkheden overeenkomstig artikel 62.
2. De pensioenuitvoerder brengt in het kader van de waardeoverdracht
geen kosten in rekening bij de deelnemer of gewezen deelnemer.
Artikel 80. Bevoegdheid tot waardeoverdracht voor pensioenfondsen bij
bereiken pensioendatum op grond van de pensioenovereenkomst
1. Een pensioenfonds is bevoegd om op verzoek van de deelnemer, gewezen
deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde van zijn
pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalovereenkomst of
een premieovereenkomst die voorziet in de uitkering van een aan te
wenden kapitaal op de pensioendatum, per de pensioendatum rechtstreeks
over te dragen aan een andere pensioenuitvoerder indien:
a. de pensioenovereenkomst hierin voorziet;
b. de overdrachtswaarde zodanig door het overdragende pensioenfonds
wordt vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven
pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve
actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt
voldaan; en
c. indien de ontvangende pensioenuitvoerder een pensioenfonds is, de
deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde reeds
pensioenaanspraken heeft jegens dat pensioenfonds.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van
dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is
voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is van toepassing op pensioenaanspraken
die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
3. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken
betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die
aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid, onderdeel b, van
toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan
op of na 1 januari 2002.
4. In afwijking van het tweede lid kunnen de in het eerste lid,
onderdeel b, opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op
pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2005 indien dit is
overeengekomen in de pensioenovereenkomst.
5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 81. Verplichting tot waardeoverdracht voor verzekeraars bij
bereiken pensioendatum
1. De verzekeraar is verplicht om op verzoek van de deelnemer, gewezen
deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde van zijn
pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalovereenkomst of
een premieovereenkomst die voorziet in de uitkering van een aan te
wenden kapitaal op de pensioendatum, per de pensioendatum rechtstreeks
over te dragen aan een andere pensioenuitvoerder indien:
a. de overdrachtswaarde zodanig door de overdragende verzekeraar wordt
vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten
gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële
gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan; en
b. indien de ontvangende pensioenuitvoerder een pensioenfonds is, de
deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde reeds
pensioenaanspraken heeft jegens dat pensioenfonds.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van
dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is
voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. Het eerste lid, onderdeel a, is van toepassing op pensioenaanspraken
die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
3. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken
betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die
aanspraken worden opgebouwd, is het eerste lid, onderdeel a, van
toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is ontstaan
op of na 1 januari 2002.
4. In afwijking van het tweede lid kunnen de in het eerste lid,
onderdeel a, opgenomen voorwaarden van toepassing zijn op
pensioenaanspraken die zijn opgebouwd voor 1 januari 2005 indien dit is
overeengekomen in de pensioenovereenkomst.
5. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 81a. Verplichting tot waardeoverdracht voor
premiepensioeninstellingen op datum van omzetting in pensioenuitkering
dan wel bereiken pensioendatum
1. De premiepensioeninstelling is verplicht de waarde van de
pensioenaanspraken van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde op de datum van omzetting van de aanspraken in een
pensioenuitkering rechtstreeks over te dragen aan een door de
premiepensioeninstelling aan te wijzen verzekeraar.
2. In afwijking van het eerste lid is de premiepensioeninstelling
verplicht op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde de waarde van zijn pensioenaanspraken per de
pensioendatum rechtstreeks over te dragen aan een pensioenuitvoerder die
door de deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde is
aangewezen. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:
a. indien de door de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde aangewezen pensioenuitvoerder een pensioenfonds is,
de deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde al
pensioenaanspraken heeft jegens dat pensioenfonds; en
b. de ontvangende pensioenuitvoerder hanteert dezelfde methode als de
premiepensioeninstelling om aan het vereiste van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen te voldoen.
Indien het verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer tot
waardeoverdracht partnerpensioen betreft, is voor de waardeoverdracht
van dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is
voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
3. De overdrachtswaarde wordt door de premiepensioeninstelling zodanig
vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten
gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële
gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan.
4. Het derde lid is van toepassing op pensioenaanspraken die vanaf 1
januari 2005 zijn opgebouwd.
5. Voor zover het pensioenaanspraken betreft die als gevolg van een
premievrije voortzetting van die aanspraken worden opgebouwd, is het
derde lid van toepassing indien het recht op die premievrije
voortzetting is ontstaan op of na 1 januari 2002.
6. In afwijking van het vierde lid kunnen de in het derde lid opgenomen
voorwaarden van toepassing zijn op pensioenaanspraken die zijn opgebouwd
voor 1 januari 2005 indien dit is overeengekomen in de
pensioenovereenkomst.
7. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 82. Overdracht pensioenkapitaal op pensioendatum
1. In geval van overdracht van pensioenkapitaal op de pensioendatum ten
behoeve van aankoop van een periodieke pensioenuitkering, draagt de
overdragende pensioenuitvoerder het pensioenkapitaal over:
a. aan de door de deelnemer of gewezen deelnemer aangewezen ontvangende
pensioenuitvoerder op de pensioendatum of binnen acht weken na het
verzoek hiertoe van de deelnemer of gewezen deelnemer indien deze dat
verzoek minder dan acht weken voor de pensioendatum heeft gedaan;
b. aan de door de aanspraakgerechtigde, niet zijnde de deelnemer of
gewezen deelnemer, aangewezen ontvangende pensioenuitvoerder binnen acht
weken na het verzoek hiertoe van die aanspraakgerechtigde.
2. De overdragende pensioenuitvoerder is verplicht tot vergoeding van de
schade die de deelnemer, gewezen deelnemer of andere
aanspraakgerechtigde ondervindt ten gevolge van de aan die
pensioenuitvoerder toerekenbare niet tijdige overdracht; de schade is
ten minste gelijk aan de wettelijke rente op het over te dragen
pensioenkapitaal.
Artikel 83. Bevoegdheid tot collectieve waardeoverdracht op verzoek
werkgever
1. De pensioenuitvoerder is op verzoek van de werkgever bevoegd tot
collectieve waardeoverdracht indien:
a. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met de beëindiging van
de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en de overdragende
pensioenuitvoerder de waarde onder te brengen bij de ontvangende
pensioenuitvoerder met wie de werkgever een uitvoeringsovereenkomst
heeft gesloten;
b. de werkgever wordt overgenomen als gevolg van een overgang van een
onderneming als bedoeld in artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek, en de overnemende onderneming een uitvoeringsovereenkomst heeft
gesloten of gaat sluiten met een andere pensioenuitvoerder of dezelfde
pensioenuitvoerder; of
c. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met een collectieve
wijziging van de pensioenovereenkomsten de waarde van pensioenaanspraken
of pensioenrechten aan te wenden bij dezelfde pensioenuitvoerder
overeenkomstig die gewijzigde pensioenovereenkomsten.
2. Bij een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid
wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de
pensioengerechtigden hebben geen bezwaren jegens de pensioenuitvoerder
kenbaar gemaakt tegen de waardeoverdracht nadat zij over het voornemen
schriftelijk zijn geïnformeerd;
b. de overdrachtswaarde wordt door de overdragende pensioenuitvoerder
zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven
pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve
actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt
voldaan; en
c. het voornemen tot waardeoverdracht aan een pensioenuitvoerder wordt
door de overdragende pensioenuitvoerder uiterlijk drie maanden voor de
beoogde datum van waardeoverdracht schriftelijk gemeld aan de
toezichthouder en de toezichthouder heeft binnen die periode geen verbod
tot waardeoverdracht opgelegd.
3. Het tweede lid, onderdeel b, is met betrekking tot:
a. uitkeringsovereenkomsten van toepassing op pensioenaanspraken die
vanaf 1 januari 2002 zijn opgebouwd;
b. premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
4. Op pensioenaanspraken die voor de in het derde lid genoemde data zijn
opgebouwd is de eis van individuele actuariële gelijkwaardigheid,
bedoeld in artikel 71, vierde lid, van toepassing, tenzij in de
pensioenovereenkomst is overeengekomen dat de voorwaarden, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, van toepassing zijn.
5. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken
betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die
pensioenaanspraken worden opgebouwd is onderdeel b van het tweede lid
van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is
ontstaan op of na 1 januari 2002.
6. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 84. Verplichting tot collectieve waardeoverdracht bij liquidatie
van de pensioenuitvoerder
1. De pensioenuitvoerder is verplicht tot waardeoverdracht aan een
andere pensioenuitvoerder bij liquidatie van de eerstgenoemde
pensioenuitvoerder.
2. In geval van een waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid
gelden de volgende voorwaarden:
a. het voornemen tot waardeoverdracht aan een pensioenuitvoerder wordt
door de overdragende pensioenuitvoerder uiterlijk drie maanden voor de
beoogde datum van waardeoverdracht schriftelijk gemeld aan de
toezichthouder en de toezichthouder heeft binnen die periode geen verbod
tot waardeoverdracht opgelegd;
b. de overdrachtswaarde wordt zodanig door de overdragende
pensioenuitvoerder vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te
verwerven pensioenrechten gelijk zijn, waarbij aan het vereiste van
collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde
grondslagen wordt voldaan.
3. Het tweede lid, onderdeel b, is met betrekking tot:
a. uitkeringsovereenkomsten van toepassing op pensioenaanspraken die
vanaf 1 januari 2002 zijn opgebouwd;
b. premieovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten van toepassing op
pensioenaanspraken die vanaf 1 januari 2005 zijn opgebouwd.
4. Op pensioenaanspraken die voor de in het derde lid genoemde data zijn
opgebouwd is de eis van individuele actuariële gelijkwaardigheid,
bedoeld in artikel 71, vierde lid, van toepassing tenzij in de
pensioenovereenkomst is overeengekomen dat de voorwaarden, bedoeld in
het tweede lid, onderdeel b, van toepassing zijn.
5. Voorzover het bij de toepassing van het eerste lid pensioenaanspraken
betreft die als gevolg van een premievrije voortzetting van die
pensioenaanspraken worden opgebouwd is onderdeel b van het tweede lid
van toepassing indien het recht op die premievrije voortzetting is
ontstaan op of na 1 januari 2002.
6. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld aan het vaststellen van de overdrachtswaarde.
Artikel 85. Plicht tot waardeoverdracht aan een pensioeninstelling uit
een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland op verzoek
gewezen deelnemer
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de gewezen
deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen aan een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat of een verzekeraar met een zetel buiten Nederland als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, indien voldaan wordt aan de in
artikel 71 genoemde voorwaarden, met dien verstande dat:
a. de in artikel 72 gestelde eis inzake de ontvangende
pensioenuitvoerder niet van toepassing is; en mits
b. de mogelijkheden tot afkoop van de waarde van de overgedragen
pensioenaanspraken na de waardeoverdracht niet ruimer zijn dan op basis
van deze wet.
2. Indien op grond van de in artikel 72 genoemde omstandigheden
tijdelijk geen plicht tot waardeoverdracht bestaat, maar deze plicht
overeenkomstig artikel 74herleeft, is artikel 74, derde lid, niet van
toepassing.
3. De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de gewezen deelnemer.
Artikel 86. Plicht tot waardeoverdracht aan een van de Europese
Gemeenschappen of aangewezen instelling
1. De pensioenuitvoerder is verplicht om na een verzoek van de gewezen
deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van diens
pensioenaanspraken over te dragen aan een van de Europese Gemeenschappen
of aan een op grond van artikel 70, tweede lid, door Onze Minister
aangewezen instelling, indien:
a. er sprake is van beëindiging van de dienstbetrekking dan wel
beëindiging van de deelneming;
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer mogelijk
te maken pensioenaanspraken te verwerven bij een van de Europese
Gemeenschappen of de aangewezen genoemde instelling; en
c. de waarde rechtstreeks wordt overgedragen aan de betrokken Europese
Gemeenschap of de aangewezen instelling.
Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht
partnerpensioen betreft is voor de waardeoverdracht van dit
partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor
het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. De overdragende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de gewezen deelnemer.
3. De op grond van artikel 71, zevende lid, bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur gestelde regels ten aanzien van de berekening van
de overdrachtswaarde zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 87. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een andere instelling
1. De pensioenuitvoerder die een verzoek tot waardeoverdracht ontvangt
van een gewezen deelnemer waarbij beoogd wordt de waarde over te dragen
aan een buitenlandse instelling, meldt dit aan de toezichthouder.
2. Waardeoverdracht aan een buitenlandse instelling is alleen mogelijk
wanneer ten genoegen van de toezichthouder wordt aangetoond dat:
a. voldaan wordt aan de in artikel 71, eerste lid, genoemde voorwaarden;
b. de in artikel 72 bedoelde omstandigheden op de overdragende
pensioenuitvoerder niet van toepassing zijn;
c. de buitenlandse instelling de pensioenregeling uitvoert van de nieuwe
werkgever;
d. de buitenlandse instelling in het land van vestiging is onderworpen
aan een vorm van overheidstoezicht;
e. de vermogens van de instelling en de werkgever juridisch zijn
gescheiden door het bestaan van een aparte juridische entiteit van de
instelling, door een speciale preferentieregeling ten gunste van
pensioengerechtigden of anderszins; en
f. de mogelijkheden tot afkoop van de overgedragen pensioenaanspraken na
de waardeoverdracht niet ruimer zijn dan op basis van deze wet.
Artikel 88. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een pensioeninstelling
uit een andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland op
verzoek gewezen deelnemer bij wisseling werkgever of toetreding tot een
beroepspensioenregeling
De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de gewezen deelnemer
de waarde van zijn pensioenaanspraken over te dragen aan een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel
buiten Nederland als bedoeld in artikel 23, eerste lid, indien wordt
voldaan aan de inartikel 75 opgenomen voorwaarden.
Artikel 89. Bevoegdheid tot waardeoverdracht aan een pensioeninstelling
uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland
bij bereiken pensioendatum op grond van de pensioenovereenkomst
De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de deelnemer, gewezen
deelnemer of andere aanspraakgerechtigde de waarde van zijn
pensioenaanspraken welke voortvloeien uit een kapitaalovereenkomst of
een premieovereenkomst per de pensioendatum rechtstreeks over te dragen
aan een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar
met zetel buiten Nederland als bedoeld inartikel 23, eerste lid, indien
wordt voldaan aan de in artikel 80opgenomen voorwaarden.
Artikel 90. Collectieve waardeoverdracht naar pensioeninstelling uit een
andere lidstaat of verzekeraar met zetel buiten Nederland
1. De pensioenuitvoerder is bevoegd om op verzoek van de werkgever over
te gaan tot collectieve waardeoverdracht overeenkomstig artikel 83
indien de werkgever een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten met een
pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met zetel
buiten Nederland als bedoeld in artikel 23, eerste lid.
2. Aan de in artikel 84 geformuleerde verplichting tot waardeoverdracht
in geval van liquidatie kan ook worden voldaan door waardeoverdracht aan
een pensioeninstelling uit een andere lidstaat of een verzekeraar met
zetel buiten Nederland als bedoeld inartikel 23, eerste lid, in plaats
van aan een pensioenuitvoerder.
Artikel 91. Verplichting tot medewerking aan inbreng van waarde
1. Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader van
waardeoverdracht een waarde van een pensioeninstelling uit een andere
lidstaat of een verzekeraar met zetel buiten Nederland aan te nemen die
verband houdt met een pensioenovereenkomst waarop deze wet tot het
tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is de
pensioenuitvoerder gehouden daarvoor als ontvangende pensioenuitvoerder
op te treden, mits:
a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende werknemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende
pensioenuitvoerder;
b. op de pensioenuitvoerder de in artikel 72 genoemde omstandigheden
niet van toepassing zijn; en
c. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de
waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.
Indien het verzoek tot waardeoverdracht partnerpensioen betreft is voor
de waardeoverdracht van dit partnerpensioen tevens vereist dat de
partner die begunstigde is voor het partnerpensioen met de
waardeoverdracht instemt.
2. De ontvangende pensioenuitvoerder brengt in het kader van de
waardeoverdracht geen kosten in rekening bij de deelnemer.
Artikel 92. Bevoegdheid tot medewerking aan inbreng van waarde
Indien een pensioenuitvoerder het verzoek krijgt om in het kader van
waardeoverdracht een waarde van een buitenlandse instelling aan te nemen
die verband houdt met een pensioenovereenkomst waarop deze wet tot het
tijdstip van waardeoverdracht niet van toepassing is, is de
pensioenuitvoerder bevoegd daarvoor als ontvangende pensioenuitvoerder
op te treden, mits:
a. die waardeoverdracht ertoe strekt het de verzoekende werknemer
mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende
pensioenuitvoerder;
b. op de pensioenuitvoerder de in artikel 72 genoemde omstandigheden
niet van toepassing zijn; en
c. aan de pensioenuitvoerder geen voorwaarden in verband met de
waardeoverdracht worden gesteld die in strijd zijn met deze wet.
Indien het verzoek tot waardeoverdracht partnerpensioen betreft is voor
de waardeoverdracht van dit partnerpensioen tevens vereist dat de
partner die begunstigde is voor het partnerpensioen met de
waardeoverdracht instemt.
§ 4.4. Rechten van de pensioenuitvoerder in het kader van de uitvoering
Artikel 93. Informatie uit de gemeentelijke basisadministratie
persoonsgegevens
Inlichtingen uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en
inlichtingen en uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand,
die de pensioenuitvoerder nodig heeft met het oog op de uitvoering van
zijn taak, zijn vrij van leges.
Artikel 94. Burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan,
sociaal-fiscaalnummer
1. Het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het
sociaal-fiscaalnummer kan door de pensioenuitvoerder in een door hem
beheerde persoonsregistratie worden opgenomen en bij het verstrekken van
gegevens daaruit worden gebruikt.
2. De pensioenuitvoerder gebruikt dit burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, dit sociaal-fiscaalnummer uitsluitend:
a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking heeft; of
b. in contacten met personen en instanties voor zover deze zelf
gemachtigd zijn tot het opnemen van het burgerservicenummer of, bij het
ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer in een persoonsregistratie.
§ 4.5. Overige bepalingen
Artikel 95. Voorwaardelijke toeslagverlening
1. Bij voorwaardelijke toeslagverlening dient er een consistent geheel
te zijn tussen de gewekte verwachtingen, de financiering en het
realiseren van voorwaardelijke toeslagen.
2. Bij regeling van Onze Minister wordt invulling gegeven aan het begrip
consistentie, bedoeld in het eerste lid. Een regeling als bedoeld in de
eerste volzin kan worden vastgesteld vier weken nadat het ontwerp is
overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.
3. Een toeslag is alleen voorwaardelijk indien in de
pensioenovereenkomst, de uitvoeringsovereenkomst, het pensioenreglement,
de opgaven op grond van de artikelen 21, 38 tot en met 46 en in de
overige informatieverstrekking door de pensioenuitvoerder een
voorwaardelijkheidsverklaring is opgenomen.
4. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de inhoud
van de voorwaardelijkheidsverklaring.
Artikel 96. Informatie in jaarverslag over dwangsommen en bestuurlijke
boeten
Een pensioenuitvoerder vermeldt in zijn jaarverslag of in het afgelopen
boekjaar:
a. aan de pensioenuitvoerder dwangsommen en bestuurlijke boeten zijn
opgelegd, en zo ja, hoeveel deze in totaal hebben bedragen;
b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 aan de pensioenuitvoerder
is gegeven;
c. een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 is aangesteld;
d. een kortetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 140 van toepassing
is;
e. een langetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 138 van toepassing
is;
f. de beëindiging van de situatie, bedoeld inartikel 172, waarin de
bevoegdheidsuitoefening van alle of bepaalde organen van een
pensioenfonds is gebonden aan toestemming van de toezichthouder.
Artikel 97. Deelneming tijdens detachering
1. Een gedetacheerde werknemer kan tijdens de detachering blijven
deelnemen aan de pensioenregeling.
2. Indien tijdens detachering in Nederland de betaling van bijdragen in
een andere lidstaat wordt voortgezet, worden de in Nederland
gedetacheerde werknemer en diens werkgever vrijgesteld van de
verplichting tot het betalen van bijdragen in Nederland.
3. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op detacheringen die op
of na 25 juli 2001 zijn aangevangen.
Artikel 98. Overlijden ten gevolge van een uitgesloten oorzaak
Overlijdt een deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde ten gevolge
van een van het risico uitgesloten oorzaak en betrof het een
partnerpensioen op opbouwbasis, dan keert de pensioenuitvoerder aan de
partner een periodieke uitkering van partnerpensioen uit die gebaseerd
is op de premievrije waarde berekend naar de dag voorafgaande aan het
overlijden.
Artikel 98a. Uitvoering buitenlandse pensioenregeling
De Nederlandse sociale en arbeidswetgeving is niet van toepassing voor
zover een pensioenuitvoerder een pensioenregeling uitvoert waarop de
voor de bedrijfspensioenvoorziening geldende regels van een andere staat
dan Nederland van toepassing zijn.
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen met betrekking tot pensioenfondsen
§ 5.1. Pensioenfondsen algemeen
Artikel 99. Samenstelling bestuur pensioenfonds
1. In het bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds bezetten de
vertegenwoordigers van werkgeversverenigingen en de vertegenwoordigers
van werknemersverenigingen in de betrokken bedrijfstak of bedrijfstakken
evenveel zetels.
2. Indien de statuten van een bedrijfstakpensioenfonds voorzien in
stemgerechtigde vertegenwoordigers in het bestuur van anderen dan
werknemers- of werkgeversverenigingen binnen de betrokken bedrijfstak of
bedrijfstakken, worden die vertegenwoordigers voor de toepassing van het
eerste lid gelijkgesteld met vertegenwoordigers van
werknemersverenigingen.
3. In het bestuur van een ondernemingspensioenfonds bezetten de
werknemersvertegenwoordigers ten minste evenveel zetels als de
werkgeversvertegenwoordigers, met dien verstande dat indien
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden zetels bezetten, zij tezamen
met werknemersvertegenwoordigers ten minste evenveel zetels bezetten als
de werkgeversvertegenwoordigers.
4. Indien een ondernemingspensioenfonds pensioenregelingen uitvoert voor
meerdere ondernemingen of groepen wordt elke onderneming of groep door
ten minste een werknemersvertegenwoordiger en een
werkgeversvertegenwoordiger vertegenwoordigd in het bestuur.
5. De benoeming van de werknemersvertegenwoordigers in het bestuur van
een ondernemingspensioenfonds vindt plaats:
a. na verkiezing van de vertegenwoordigers door en uit de deelnemers;
b. op voordracht van de vertegenwoordigers van de deelnemers in een
deelnemersraad als bedoeld in artikel 110;
c. op voordracht van de ondernemingsraad; of
d. op een andere wijze, mits de ondernemingsraad heeft ingestemd met
deze benoemingswijze.
6. Indien de statuten van een ondernemingspensioenfonds voorzien in
stemgerechtigde vertegenwoordigers in het bestuur van anderen dan
werknemers of de werkgever, worden die vertegenwoordigers voor de
toepassing van het derde en vierde lid gelijkgesteld met de
werknemersvertegenwoordigers.
7. Het derde tot en met zesde lid is niet van toepassing voor zover een
onderneming of groep waaraan het pensioenfonds verbonden was heeft
opgehouden te bestaan.
Artikel 100. Keuze medezeggenschap bij ondernemingspensioenfonds
1. Een ondernemingspensioenfonds waarvan:
a. het aantal pensioengerechtigden ten minste 10% bedraagt van de som
van het aantal deelnemers en het aantal pensioengerechtigden en waarvan
het aantal pensioengerechtigden ten minste 25 personen bedraagt; of
b. het aantal pensioengerechtigden ten minste 1000 personen bedraagt;
stelt een deelnemersraad in waarin vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden zitting hebben of heeft een bestuur waarin
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden zitting hebben.
2. Het ondernemingspensioenfonds raadpleegt schriftelijk de
pensioengerechtigden over de wijze waarop de medezeggenschap van
pensioengerechtigden, bedoeld in het eerste lid, wordt vorm gegeven,
tenzij bij het ondernemingspensioenfonds al is voorzien in een
deelnemersraad en een bestuur waarin vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden zitting hebben.
3. Het ondernemingspensioenfonds volgt met betrekking tot de wijze
waarop de medezeggenschap van pensioengerechtigden vorm wordt gegeven de
wens van de meerderheid van de responderende pensioengerechtigden, mits
ten minste de helft van het aantal pensioengerechtigden zijn voorkeur
kenbaar heeft gemaakt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om af te
wijken van de door de meerderheid van de pensioengerechtigden gemaakte
keuze.
Artikel 101. Vertegenwoordigers van pensioengerechtigden in bestuur
ondernemingspensioenfonds
1. De verdeling van de zetels van werknemersvertegenwoordigers en
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden vindt plaats op basis van de
onderlinge getalsverhoudingen, met dien verstande dat de
vertegenwoordigers van pensioengerechtigden ten hoogste de helft van het
aantal zetels in het bestuur van een ondernemingspensioenfonds bezetten
dat werknemersvertegenwoordigers en vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden gezamenlijk bezetten.
2. In afwijking van het eerste lid kunnen vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden meer zetels bezetten dan
werknemersvertegenwoordigers, indien het aantal deelnemers minder
bedraagt dan 10% van de som van het aantal deelnemers en
pensioengerechtigden.
3. In afwijking van het eerste lid kunnen vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden minder zetels bezetten dan het aantal op basis van
de onderlinge getalsverhoudingen, bedoeld in het eerste lid, indien
pensioengerechtigden bij de raadpleging, bedoeld in artikel 100, tweede
lid, hebben gekozen voor een deelnemersraad en de vertegenwoordigers van
pensioengerechtigden al voor die raadpleging zetels in het bestuur
bezetten.
4. De benoeming van de vertegenwoordigers van pensioengerechtigden in
het bestuur van een ondernemingspensioenfonds vindt plaats na verkiezing
van de vertegenwoordigers door en uit de pensioengerechtigden.
Artikel 102. Melding oprichting van een pensioenfonds
1. Het pensioenfonds meldt binnen drie maanden na zijn oprichting deze
oprichting aan de toezichthouder door middel van een door de
toezichthouder vastgesteld formulier.
2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden gevoegd:
a. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van het
pensioenfonds;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van het reglement of de
reglementen van het pensioenfonds;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de
uitvoeringsovereenkomst;
d. een actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel
145; en
e. een eventuele overeenkomst tot verzekering, overdracht of
onderbrenging.
Artikel 103. Toezending wijziging officiële stukken
Het pensioenfonds zendt:
a. een authentiek afschrift van de akte houdende wijziging van de
statuten;
b. een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van wijziging van de
reglementen;
c. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen in de
uitvoeringsovereenkomst;
d. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen in de
actuariële en bedrijfstechnische nota als bedoeld in artikel 145; en
e. een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen in de
eventuele overeenkomst tot verzekering, overdracht of onderbrenging;
binnen twee weken na totstandkoming van die wijziging aan de
toezichthouder.
Artikel 104. Bescherming leden pensioenfondsbestuur, deelnemersraad en
verantwoordingsorgaan
1. De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemers die staan of
gestaan hebben op een kandidatenlijst voor de deelnemersraad of het
verantwoordingsorgaan alsmede de leden en de gewezen leden van het
pensioenfondsbestuur, de deelnemersraad of het verantwoordingsorgaan
niet uit hoofde van hun kandidaatstelling voor of hun lidmaatschap van
het pensioenfondsbestuur, de deelnemersraad of het verantwoordingsorgaan
worden benadeeld in hun positie als werknemer.
2. Indien het pensioenfonds in zijn hoedanigheid als werkgever aan de
deelnemersraad of het verantwoordingsorgaan een secretaris heeft
toegevoegd is het eerste lid op die secretaris van overeenkomstige
toepassing.
3. Op degene die het initiatief neemt of heeft genomen tot het instellen
van een deelnemersraad is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
4. De deelnemersraad, het verantwoordingsorgaan en een werknemer als
bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen de kantonrechter
verzoeken te bepalen dat de werkgever gevolg dient te geven aan hetgeen
in deze leden is bepaald.
5. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met de
werknemer die lid is van een bestuur van een pensioenfonds, een
deelnemersraad of van een verantwoordingsorgaan. Indien de werkgever aan
een pensioenfonds, deelnemersraad of een verantwoordingsorgaan een
secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin op die secretaris van
overeenkomstige toepassing.
6. De werkgever kan zonder voorafgaande toestemming van de kantonrechter
de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met een werknemer die geplaatst is
op een kandidatenlijst voor een bestuur van een pensioenfonds, een
deelnemersraad of een verantwoordingsorgaan of die korter dan twee jaar
geleden lid is geweest van een bestuur van een pensioenfonds, een
deelnemersraad of een verantwoordingsorgaan.
7. De toestemming van de kantonrechter wordt gevraagd bij
verzoekschrift. De kantonrechter verleent de toestemming slechts indien
de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat opzegging geen verband houdt
met een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid. Van de uitspraak
staat geen hoger beroep of beroep in cassatie open.
8. Ten aanzien van personen die krachtens publiekrechtelijke aanstelling
bij de werkgever werkzaam zijn, treedt een andere kamer van de rechtbank
in de plaats van de kantonrechter.
9. Het vijfde tot en met achtste lid zijn niet van toepassing bij een
opzegging gedurende de proeftijd, wegens een dringende reden, indien de
werknemer schriftelijk met de opzegging instemt of indien de opzegging
geschiedt wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming
of van het onderdeel van de onderneming, waarin de werknemer uitsluitend
of in hoofdzaak werkzaam is.
Artikel 105. Eisen ten aanzien van beleid, deskundigheid en
betrouwbaarheid
1. Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van
een pensioenfonds.
2. De personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen of mede
bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van
de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers,
andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever en
zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze
vertegenwoordigd kunnen voelen.
3. Het beleid van een pensioenfonds wordt bepaald of mede bepaald door
personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het
bedrijf van het pensioenfonds.
4. Iedere bestuurder van een pensioenfonds is bevoegd een deskundige te
raadplegen, of zich krachtens een bestuursbesluit, waarbij ten minste
één vierde van de bestuurders zich daarvoor heeft uitgesproken, ter
vergadering door een deskundige te laten bijstaan.
5. Het bestuur van een pensioenfonds draagt er zorg voor dat de
betrouwbaarheid van de personen die het beleid van het pensioenfonds
bepalen of mede bepalen buiten twijfel staat.
6. Het bestuur van het pensioenfonds meldt elke wijziging in de
samenstelling van de personen die het beleid van het pensioenfonds
bepalen of mede bepalen vooraf aan de toezichthouder.
7. Een wijziging als bedoeld in het zesde lid wordt niet doorgevoerd
indien:
a. de toezichthouder binnen zes weken na ontvangst van de melding van de
wijziging aan het pensioenfonds bekend maakt dat het niet met de
voorgenomen wijziging instemt; of
b. de toezichthouder om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht
en binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of inlichtingen aan
het pensioenfonds bekend maakt dat het niet met de voorgenomen wijziging
instemt.
8. Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten die van
invloed is op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het vijfde
lid, stelt het pensioenfonds de toezichthouder daarvan onverwijld
schriftelijk in kennis.
9. De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat
eenmaal door de toezichthouder voor de toepassing van deze wet is
vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of
omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe
beoordeling.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels
gesteld met betrekking tot het derde en het vijfde tot en met het
achtste lid.
Artikel 106. Statuten
1. In de statuten van een pensioenfonds worden bepalingen opgenomen
betreffende:
a. het doel van het pensioenfonds, waaronder een omschrijving van de
werkingssfeer;
b. de bestemming van de middelen van het pensioenfonds;
c. het beheer van het pensioenfonds;
d. de inkomsten van het pensioenfonds;
e. de belegging van de gelden;
f. de wijze waarop de bestuursleden worden benoemd;
g. de wijze waarop de leden van de deelnemersraad worden gekozen;
h. de wijziging van de statuten;
i. de liquidatie van het pensioenfonds, waaronder begrepen de
verplichtingen van de liquidateuren en de bestemming van de bezittingen
van het pensioenfonds;
j. de wijze waarop het intern toezicht is georganiseerd;
k. de wijze waarop de leden van het verantwoordingsorgaan worden benoemd
en ontslagen; en
l. de wijze waarop beëindiging van een uitvoeringsovereenkomst als
bedoeld in artikel 2, twaalfde lidgeschiedt.
2. De omschrijving van de werkingssfeer, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, vindt ten aanzien van een bedrijfstakpensioenfonds plaats
door het omschrijven van de bedrijfsactiviteiten van de bedrijfstak.
3. Een bedrijfstakpensioenfonds dat aan werkgevers de mogelijkheid biedt
om zich vrijwillig aan te sluiten bepaalt in zijn statuten onder welke
voorwaarden deze vrijwillige aansluiting mogelijk is.
Artikel 107. Verbod leeftijdsgrens
Iedere bepaling die het lidmaatschap van het bestuur, een deelnemersraad
of een verantwoordingsorgaan onmogelijk maakt op grond van het bereikt
hebben van een bepaalde leeftijd is nietig.
Artikel 108. Instemmingrecht
Iedere bepaling die een instemmingsrecht inhoudt van een partij, die
geen orgaan is van het pensioenfonds, inzake een besluit of voorgenomen
besluit van het pensioenfonds is nietig, tenzij in deze wet anders is
bepaald.
Artikel 108a. Omzetting pensioenfonds
1. Voor omzetting van een pensioenfonds in een andere rechtsvorm als
bedoeld in artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is een
verklaring van geen bezwaar van de toezichthouder vereist. De
toezichthouder verleent de verklaring indien hij van oordeel is dat de
belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, andere
aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever voldoende
gewaarborgd zijn.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld terzake van het eerste lid.
§ 5.2. Deelnemersraad
Artikel 109. Instelling deelnemersraad bij bedrijfstakpensioenfonds
1. Een bedrijfstakpensioenfonds stelt een deelnemersraad in.
2. In de deelnemersraad zijn de deelnemers en de pensioengerechtigden
evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen vertegenwoordigd.
3. Op grond van door het bestuur van het pensioenfonds vast te stellen
criteria kunnen naast de in het tweede lid bedoelde vertegenwoordigers
ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen deelnemers in de
deelnemersraad zitting hebben.
4. In geval van verkiezing van de leden van de deelnemersraad door
deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden kandidaten
voorgedragen door een of meer verenigingen van wie:
a. ten minste 1% van de geleding, voor welke die vereniging een
kandidaat voordraagt, lid is; of
b. ten minste 250 personen van die geleding, voor welke die vereniging
een kandidaat voordraagt, lid zijn.
5. Voor zover geen verkiezing door de deelnemers, gewezen deelnemers en
pensioengerechtigden plaatsvindt, zijn verenigingen, die voldoen aan de
in het vierde lid bedoelde criteria, evenredig aan hun ledentallen
binnen het pensioenfonds vertegenwoordigd in de deelnemersraad binnen de
betreffende geleding.
6. Een vereniging als bedoeld in het vierde en vijfde lid, bezit
volledige rechtsbevoegdheid. Haar statutair doel omvat mede het
behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een
bedrijfstakpensioenfonds.
7. Bij regeling van Onze Minister kunnen verenigingen worden aangewezen
op wie het vierde, vijfde en zesde lid, voor een bij die aanwijzing te
bepalen periode niet van toepassing zijn.
Artikel 110. Instelling deelnemersraad bij ondernemingspensioenfonds
1. Het bestuur van een ondernemingspensioenfonds gaat over tot het
instellen van een deelnemersraad:
a. op eigen initiatief van het ondernemingspensioenfonds;
b. indien dit wordt verzocht door ten minste 5% van de deelnemers,
gewezen deelnemers en pensioengerechtigden; of
c. indien de pensioengerechtigden in de raadpleging, bedoeld in artikel
100, zich overeenkomstig artikel 100, tweede en derde lid, hebben
uitgesproken voor instelling van een deelnemersraad.
2. In de deelnemersraad zijn de deelnemers en de pensioengerechtigden
evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen vertegenwoordigd.
Indien een ondernemingspensioenfonds pensioenregelingen uitvoert voor
meerdere ondernemingen of groepen wordt elke onderneming of groep door
ten minste een deelnemer en een pensioengerechtigde vertegenwoordigd in
de deelnemersraad.
3. Op grond van door het bestuur van het pensioenfonds vast te stellen
criteria kunnen naast de in het tweede lid bedoelde vertegenwoordigers
ook één of meer vertegenwoordigers van gewezen deelnemers in de
deelnemersraad zitting hebben.
4. In geval van verkiezing van de leden van de deelnemersraad door
deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden kunnen kandidaten
worden voorgedragen door verenigingen en door individuele deelnemers,
gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.
5. Voor zover geen verkiezing door de deelnemers, gewezen deelnemers en
pensioengerechtigden plaatsvindt, maar de leden worden benoemd door
verenigingen, zijn deze verenigingen evenredig aan hun ledenaantallen
binnen hun geleding binnen het ondernemingspensioenfonds
vertegenwoordigd in de deelnemersraad.
6. Een vereniging als bedoeld in het vierde en vijfde lid bezit
volledige rechtsbevoegdheid; haar statutair doel omvat mede het
behartigen van de belangen van haar leden als belanghebbenden bij een
ondernemingspensioenfonds.
Artikel 111. Adviesrecht deelnemersraad
1. De deelnemersraad adviseert het pensioenfonds desgevraagd of uit
eigen beweging over aangelegenheden die het pensioenfonds betreffen.
2. Het pensioenfonds stelt de deelnemersraad in ieder geval in de
gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit van het
pensioenfonds tot:
a. het nemen van maatregelen van algemene strekking;
b. wijziging van de statuten en reglementen van het pensioenfonds;
c. vaststelling van het jaarverslag, de jaarrekening, de actuariële en
bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 145en een
langetermijnherstelplan als bedoeld in artikel 138;
d. vermindering van de verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten
indien toepassing wordt gegeven aan artikel 134;
e. het vaststellen en wijzigen van het toeslagbeleid;
f. gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het
pensioenfonds of de overname van verplichtingen door het pensioenfonds;
g. liquidatie van het pensioenfonds;
h. het sluiten, wijzigen of beëindigen van een uitvoeringsovereenkomst;
i. het terugstorten van premie of geven van premiekorting, bedoeld in
artikel 129;
j. samenvoeging van pensioenfondsen als bedoeld in de definitie van
ondernemingspensioenfonds in artikel 1;
k. het omzetten van het pensioenfonds in een andere rechtsvorm, bedoeld
in artikel 18 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Het advies van de deelnemersraad wordt op een zodanig tijdstip
gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de in het tweede lid
bedoelde besluiten.
4. Het pensioenfonds stelt de deelnemersraad na de in artikel 114,
aanhef en onderdeel a, bedoelde mededeling over het
kortetermijnherstelplan in de gelegenheid advies uit te brengen over dit
kortetermijnherstelplan.
5. Bij het vragen van advies wordt aan de deelnemersraad een overzicht
verstrekt van de beweegredenen voor het besluit en van de gevolgen die
het besluit naar verwachting voor de deelnemers, gewezen deelnemers en
pensioengerechtigden zal hebben.
6. Het bestuur van het pensioenfonds en de deelnemersraad komen ten
minste tweemaal per kalenderjaar in vergadering bijeen. Tijdens deze
vergaderingen worden de aangelegenheden aan de orde gesteld waarover het
bestuur van het pensioenfonds of de deelnemersraad
overleg wenselijk acht.
7. Het pensioenfonds verstrekt desgevraagd aan de deelnemersraad tijdig
alle inlichtingen en gegevens, die deze voor de vervulling van zijn taak
redelijkerwijze nodig heeft. De inlichtingen worden desgevraagd
schriftelijk verstrekt.
Artikel 112. Verdere bevoegdheden deelnemersraad
In de statuten van het pensioenfonds kunnen aan de deelnemersraad
verdere bevoegdheden dan de in deze wet genoemde worden toegekend.
Artikel 113. Informatie omtrent advies
Het pensioenfonds deelt de deelnemersraad zo spoedig mogelijk
schriftelijk mee, of het een advies niet of niet geheel volgt, waarbij
tevens wordt meegedeeld waarom van het advies of van een daarin vervat
minderheidsadvies wordt afgeweken.
Artikel 114. Informatie aan deelnemersraad
Een pensioenfonds informeert de deelnemersraad onverwijld schriftelijk
over:
a. de verplichting tot opstelling van een kortetermijnherstelplan als
bedoeld in artikel 140;
b. de verplichting tot opstelling van een langetermijnherstelplan als
bedoeld in artikel 138;
c. de aanstelling van een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173; en
d. de beëindiging van de situatie, bedoeld in artikel 172, waarin de
bevoegdheiduitoefening van alle of bepaalde organen van een
pensioenfonds is gebonden aan toestemming van een of meer door de
toezichthouder aangewezen personen.
Artikel 115. Voorzieningen deelnemersraad
1. Een bedrijfstakpensioenfonds en een ondernemingspensioenfonds staan
de leden van een deelnemersraad het gebruik toe van de voorzieningen
waarover het kan beschikken, voor zover dat redelijkerwijs voor de
vervulling van hun taken nodig is.
2. Ten aanzien van de rechten en bevoegdheden van een deelnemersraad in
verhouding tot het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds en
ondernemingspensioenfonds zijn de artikelen 10, 16, 17, 18, 22 van de
Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing.
§ 5.3. Taakafbakening
Artikel 116. Verbod van nevenactiviteiten
1. Een pensioenfonds verricht slechts activiteiten in verband met
pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ter zake van activiteiten die door pensioenfondsen kunnen worden
verricht.
Artikel 117. Uitvoering vrijwillige pensioenregeling
Een pensioenfonds kan uitsluitend een vrijwillige pensioenregeling
uitvoeren indien dit een aanvulling op een door datzelfde pensioenfonds
uitgevoerde basispensioenregeling betreft.
Artikel 118. Eisen uitkeringsovereenkomsten
1. Een basispensioenregeling in de vorm van een uitkeringsovereenkomst
welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds voldoet aan de volgende
voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de actuariële kosten
van de basispensioenregeling bij; of
b. de werknemerspremie voor de basispensioenregeling is voor alle
deelnemers gelijk of bedraagt een gelijk percentage van het loon dan wel
van het gedeelte van het loon dat voor de pensioenberekening in
aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat voor verschillende
soorten pensioen en voor verschillende pensioenregelingen verschillende
premies kunnen worden vastgesteld.
2. Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een
uitkeringsovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de actuariële kosten
van de vrijwillige pensioenregeling bij;
b. de werknemerspremie voor de vrijwillige pensioenregeling is voor alle
deelnemers gelijk of bedraagt een gelijk percentage van het loon dan wel
van het gedeelte van het loon dat voor de pensioenberekening in
aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat voor verschillende
soorten pensioen en voor verschillende pensioenregelingen verschillende
premies kunnen worden vastgesteld; of
c. de kosten verbonden aan het toeslagbeleid worden niet ten laste
gebracht van de individuele deelnemers, maar ten laste van de
collectiviteit van het pensioenfonds en voor de toeslagverlening gelden
dezelfde voorwaarden die van toepassing zijn op de
basispensioenregeling.
3. Indien de vrijwillige pensioenregeling voldoet aan de voorwaarde,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, deelt het pensioenfonds dit
schriftelijk aan de deelnemers en de toezichthouder mee.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds.
Artikel 119. Eisen kapitaalovereenkomsten
1. Een basispensioenregeling in de vorm van een kapitaalovereenkomst
welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds voldoet aan de volgende
voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de actuariële kosten
van de basispensioenregeling bij; of
b. de werknemerspremie voor de basispensioenregeling is voor alle
deelnemers gelijk of bedraagt een gelijk percentage van het loon dan wel
van het gedeelte van het loon dat voor de pensioenberekening in
aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat voor verschillende
soorten pensioen en voor verschillende pensioenregelingen verschillende
premies kunnen worden vastgesteld.
2. Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een
kapitaalovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds
voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de actuariële kosten
van de vrijwillige pensioenregeling bij; of
b. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of gewezen
deelnemer wordt, wordt het opgebouwde kapitaal omgezet in een
pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke
uitkering indien dat ook met betrekking tot de basispensioenregeling
geschiedt of de basispensioenregeling een uitkeringsovereenkomst betreft
en zijn daarop overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke
gelden bij de basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming
door deze omstandigheden.
3. Indien de vrijwillige pensioenregeling voldoet aan de voorwaarde,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, deelt het pensioenfonds dit
schriftelijk mee aan de deelnemers en de toezichthouder.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds.
Artikel 120. Eisen premieovereenkomsten
1. Voor een basispensioenregeling in de vorm van een premieovereenkomst
welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds geldt dat de
werkgeverspremie ten minste 10 procent van de premie van de
basispensioenregeling bedraagt.
2. Een vrijwillige pensioenregeling in de vorm van een
premieovereenkomst welke wordt uitgevoerd door een pensioenfonds voldoet
aan de volgende voorwaarden:
a. de werkgever draagt ten minste 10 procent van de premie van de
vrijwillige pensioenregeling bij;
b. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of gewezen
deelnemer wordt, wordt het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de
beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen omgezet
in een pensioenrecht of pensioenaanspraak in de vorm van een periodieke
uitkering, indien dat ook met betrekking tot de basispensioenregeling
geschiedt of de basispensioenregeling een uitkeringsovereenkomst betreft
en zijn daarop overeenkomstige voorwaarden van toepassing als welke
gelden bij de basispensioenregeling bij beëindiging van de deelneming
door deze omstandigheden; of
c. indien de deelnemer overlijdt dan wel gepensioneerde of gewezen
deelnemer wordt, wordt het kapitaal dat is ontstaan uit de som van de
beschikbaar gestelde premies en de daarop behaalde rendementen omgezet
in een verzekerd kapitaal, indien dat ook met betrekking tot de
basispensioenregeling geschiedt of de basispensioenregeling een
kapitaalovereenkomst betreft en zijn daarop overeenkomstige voorwaarden
van toepassing als welke gelden bij de basispensioenregeling bij
beëindiging van de deelneming door deze omstandigheden.
3. Indien de vrijwillige pensioenregeling voldoet aan de voorwaarde,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, deelt het pensioenfonds dit
schriftelijk mee aan de deelnemers en de toezichthouder.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds.
Artikel 121. Vrijwillige aansluiting bij een bedrijfstakpensioenfonds
Een bedrijfstakpensioenfonds kan een uitvoeringsovereenkomst sluiten met
een werkgever die niet onder de werkingssfeer van het
bedrijfstakpensioenfonds valt, maar die zich op vrijwillige basis bij
het bedrijfstakpensioenfonds wil aansluiten, indien:
a. de loonontwikkeling bij deze werkgever ten minste gelijk is aan die
in een bedrijfstak waarin het bedrijfstakpensioenfonds werkzaam is en de
werkgever deelneemt in de sociale fondsen van dezelfde bedrijfstak;
b. er sprake is van een groepsverhouding tussen de werkgever die zich
vrijwillig wil aansluiten en een andere werkgever die onder de
werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds valt; of
c. dit aansluitend gebeurt aan een periode waarin de werkgever wel onder
de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds viel.
Artikel 122. Beëindiging verbondenheid met groep
Indien een onderneming niet langer deel uitmaakt van een groep waaraan
een ondernemingspensioenfonds verbonden is, of een groep die valt onder
de werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds, kan dit pensioenfonds
blijven optreden als pensioenuitvoerder voor deze onderneming, tenzij de
onderneming onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld
bedrijfstakpensioenfonds valt.
Artikel 123. Uitvoeren van meerdere pensioenregelingen
1. Indien een pensioenfonds meerdere pensioenregelingen uitvoert vormen
deze pensioenregelingen financieel één geheel.
2. In afwijking van het eerste lid houdt een ondernemingspensioenfonds
dat pensioenregelingen uitvoert voor meerdere ondernemingen of groepen
gescheiden vermogens aan per onderneming of groep.
3. In afwijking van het eerste en, indien van toepassing, het tweede lid
kan een ondernemingspensioenfonds, indien de bij een onderneming of
groep horende pensioenregelingen waren ondergebracht bij verschillende
pensioenfondsen die zijn samengevoegd met het ondernemingspensioenfonds,
een gescheiden vermogen aanhouden voor de pensioenregelingen die voor de
samenvoeging bij een afzonderlijk pensioenfonds waren ondergebracht.
Artikel 124. Inkoop van pensioenopbouw
Een pensioenfonds kan de mogelijkheid bieden tot verhoging van de
pensioenaanspraken indien het deel van de pensioenaanspraken dat
voortvloeit uit deze inkoop overeenkomstig de pensioenaanspraken op
grond van de basispensioenregeling wordt behandeld.
Artikel 125. Vergunning en kennisgeving grensoverschrijdende activiteit
1. Het is een pensioenfonds verboden bijdragen te ontvangen van een
bijdragende onderneming die zetel heeft in een andere lidstaat dan
Nederland:
a. zonder een daartoe door de toezichthouder verleende vergunning; en
b. zonder de toezichthouder van het voornemen daartoe in kennis te
hebben gesteld, op de wijze, bedoeld in artikel 194, en met inachtneming
van artikel 196.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, artikel 140, derde lid,
onderdeel b,artikel 141, tweede lid, en de paragrafen 7.4.2 en 7.4.3
wordt onder het ontvangen van bijdragen verstaan het ontvangen van
bijdragen voor de uitvoering van een pensioenregeling die afkomstig is
uit een andere lidstaat dan de lidstaat waar het pensioenfonds gevestigd
is.
Hoofdstuk 6. Financieel toetsingskader inzake pensioenfondsen
Artikel 125a. Financieel toetsingskader bij afgescheiden vermogens
Indien een ondernemingspensioenfonds op grond vanartikel 123, tweede of
derde lid, gescheiden vermogens aanhoudt, wordt hetgeen bij of krachtens
de artikelen 126, 128 tot en met 142, 143, voor zover het de
continuïteitsanalyse betreft, 145, 147 en 149 is bepaald, toegepast per
afgescheiden vermogen.
Artikel 125b. Inbreng gehele vermogen
Bij samenvoeging van pensioenfondsen als bedoeld in de definitie van
ondernemingspensioenfonds in artikel 1, brengt een deelnemend
pensioenfonds zijn gehele vermogen in.
Artikel 126. Vaststelling technische voorzieningen
1. Een pensioenfonds stelt toereikende technische voorzieningen vast met
betrekking tot het geheel van pensioenverplichtingen.
2. De berekening wordt uitgevoerd met inachtneming van de volgende
beginselen:
a. de technische voorzieningen worden berekend op basis van
marktwaardering;
b. de voor de berekening van de technische voorzieningen gebruikte
grondslagen inzake overlijden of arbeidsongeschiktheid en
levensverwachting worden gebaseerd op prudente beginselen; en
c. de methode en de grondslag van de berekening van de technische
voorzieningen blijven van boekjaar tot boekjaar ongewijzigd, tenzij
wijzigingen daarin gerechtvaardigd zijn als gevolg van een verandering
van de juridische, demografische of economische omstandigheden die aan
de hypothesen ten grondslag liggen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
over de wijze van berekening van het minimum bedrag van de technische
voorzieningen, de daarbij in acht te nemen voorzichtigheidsmarges en
kunnen regels worden gesteld over de frequentie waarmee de technische
voorzieningen worden berekend.
Artikel 127. Financiering ouderdomspensioen
Ouderdomspensioen wordt gefinancierd op basis van kapitaaldekking.
Artikel 128. Hoogte kostendekkende premie
1. Een pensioenfonds stelt een kostendekkende premie vast die bestaat
uit:
a. de premie die actuarieel benodigd is in verband met de aangroei van
de pensioenverplichtingen;
b. de opslag die nodig is voor het bij de aangroei van de
pensioenverplichtingen behorende vereist eigen vermogen als bedoeld in
artikel 132;
c. de opslag die nodig is voor de bij de aangroei van de
pensioenverplichtingen behorende uitvoeringskosten van het
pensioenfonds; en
d. de premie die actuarieel benodigd is ten behoeve van toeslagverlening
indien gekozen is voor financiering op de wijze, bedoeld in artikel 137,
onderdeel a, b of d;
2. De kostendekkende premie kan worden gedempt.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld inzake het eerste en het tweede lid.
Artikel 129. Terugstorting of premiekorting
1. Het pensioenfonds kan uitsluitend korting verlenen op de
kostendekkende premie of de gedempte premie indien ten aanzien van de
pensioenverplichtingen wordt voldaan aan de artikelen 126, 132 en 133 en
de eventuele voorwaardelijke toeslagen kunnen worden nagekomen
overeenkomstig de artikelen 95 en 137.
2. Het pensioenfonds kan uitsluitend terugstorten indien:
a. ten aanzien van de pensioenverplichtingen wordt voldaan aan de
artikelen 126, 132 en 133;
b. de voorwaardelijke toeslagen met betrekking tot de voorgaande tien
jaar zijn verleend en kunnen worden verleend overeenkomstig de artikelen
95 en 137;
c. de korting op de pensioenaanspraken en pensioenrechten op grond van
artikel 134 in de voorgaande tien jaar gecompenseerd is.
Artikel 130. Vermelding premie in jaarrekening en jaarverslag
Een pensioenfonds vermeldt in zijn jaarrekening en jaarverslag:
a. de hoogte van de totale kostendekkende premie, bedoeld in artikel
128, eerste lid;
b. de hoogte van de totale gedempte premie, bedoeld in artikel 128,
tweede lid; en
c. de hoogte van de totale feitelijke premie.
Artikel 131. Minimaal vereist eigen vermogen
1. Een pensioenfonds beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen,
tenzij:
a. een pensioenfonds tot volledige overdracht of onderbrenging is
overgegaan; en
b. de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het pensioenfonds
daarom niet beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de omvang en
de samenstelling van het minimaal vereist eigen vermogen bepaald.
Artikel 132. Vereist eigen vermogen
1. Een pensioenfonds beschikt over een vereist eigen vermogen.
2. Een pensioenfonds stelt het vereist eigen vermogen zodanig vast dat
met een zekerheid van 971/2 procent wordt voorkomen dat het
pensioenfonds binnen een periode van één jaar over minder waarden
beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels
gesteld inzake de berekening en de samenstelling van het vereist eigen
vermogen, bedoeld in het eerste lid, en het bepaalde in het tweede lid.
Artikel 133. Dekking door waarden
De technische voorzieningen en de aan het pensioenfonds verstrekte
leningen worden volledig door waarden gedekt.
Artikel 134. Korting pensioenaanspraken en pensioenrechten door
pensioenfonds
1. Een pensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten
uitsluitend verminderen indien:
a. de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen
niet meer volledig door waarden zijn gedekt;
b. het pensioenfonds niet in staat is binnen een redelijke termijn de
technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen door
waarden te dekken zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen
deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden of de
werkgever onevenredig worden geschaad; en
c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het
beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het
kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 140.
2. Een pensioenfonds informeert de deelnemers, gewezen deelnemers,
pensioengerechtigden en de werkgever schriftelijk over het besluit tot
vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten.
3. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, kan op zijn vroegst een
maand nadat de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden,
werkgever en toezichthouder hierover geïnformeerd zijn, worden
gerealiseerd.
Artikel 135. Eisen ten aanzien van beleggingen
1. Een pensioenfonds voert een beleggingsbeleid dat in overeenstemming
is met de prudent-person regel en met name gebaseerd is op de volgende
uitgangspunten:
a. de waarden worden belegd in het belang van aanspraak- en
pensioengerechtigden; en
b. beleggingen in de bijdragende onderneming worden beperkt tot ten
hoogste 5% van de portefeuille als geheel, en ingeval de bijdragende
onderneming tot een groep behoort, worden beleggingen in de
ondernemingen die tot dezelfde groep als de bijdragende onderneming
behoren, beperkt tot ten hoogste 10% van de portefeuille. Wanneer een
groep van ondernemingen aan het pensioenfonds premies betaalt,
geschieden beleggingen in deze bijdragende ondernemingen prudent,
waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een behoorlijke
diversificatie;
c. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter
waarborging van het prudente beleggingsbeleid nadere regels gesteld.
3. De eisen die zijn opgenomen in het eerste lid, aanhef en onderdeel b,
en de regels die op grond van het tweede lid worden gesteld ten aanzien
van de diversificatie van waarden zijn niet van toepassing op
beleggingen in staatsobligaties.
Artikel 136. Leningen
1. Een pensioenfonds gaat geen leningen aan, tenzij de lening tijdelijk
wordt aangegaan voor liquiditeitsdoelstellingen en treedt niet namens
derde partijen op als garant.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld ten aanzien van het eerste lid met betrekking tot de
tijdelijkheid van de lening en de liquiditeitsdoelstellingen.
Artikel 137. Financiering voorwaardelijke toeslagverlening
1. Pensioenfondsen kunnen de voorwaardelijke toeslagverlening
financieren door:
a. het creëren van technische voorzieningen;
b. het creëren van eigen vermogen boven het vereist eigen vermogen ten
behoeve van de toeslagverlening;
c. het putten uit het eigen vermogen boven het vereist eigen vermogen
ten behoeve van de toeslagverlening;
d. het hanteren van een opslag op de premie; of
e. overrendement.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
inzake het eerste lid.
Artikel 138. Langetermijnherstelplan
1. Wanneer een pensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan voorzien dat
het niet meer voldoet of zal voldoen aan de bij of krachtens artikel
132gestelde vereisten ten aanzien van het eigen vermogen, meldt het
pensioenfonds dit onverwijld aan de toezichthouder.
2. In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het pensioenfonds
binnen drie maanden of zoveel eerder als de toezichthouder bepaalt ter
instemming bij de toezichthouder een concreet en haalbaar
langetermijnherstelplan in. In dit langetermijnherstelplan werkt het
pensioenfonds uit hoe het uiterlijk binnen 15 jaar zal voldoen aan
artikel 132.
3. Het pensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het
langetermijnherstelplan.
4. Het pensioenfonds rapporteert gedurende de uitvoering van het
langetermijnherstelplan de toezichthouder jaarlijks of het herstel
verloopt overeenkomstig de doelstellingen van het
langetermijnherstelplan; waarbij wordt aangegeven:
a. welke activiteiten het pensioenfonds in het afgelopen jaar heeft
uitgevoerd;
b. welke resultaten deze activiteiten tot dan toe hebben gehad; en
c. hoe de actuele positie van het pensioenfonds is.
5. De toezichthouder beoordeelt ten minste eenmaal per drie jaar of
aanvullende maatregelen nodig zijn zodat het langetermijnherstelplan ook
daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de inhoud en opstelling van een langetermijnherstelplan.
Artikel 139. Ingrijpende wijzigingen tijdens uitvoering
langetermijnherstelplan
1. Wanneer gedurende de looptijd van het langetermijnherstelplan,
bedoeld inartikel 138, ingrijpende wijzigingen plaatsvinden in:
a. de samenstelling van de technische voorzieningen; of
b. de samenstelling, de omvang en de waarde van de beleggingen;
meldt het pensioenfonds dit onverwijld aan de toezichthouder.
2. De toezichthouder geeft aan of:
a. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden gehandhaafd;
b. het bestaande langetermijnherstelplan binnen drie maanden dan wel
eerder moet worden vervangen door een nieuw langetermijnherstelplan,
waarbij rekening gehouden wordt met de reeds verstreken looptijd van het
te vervangen langetermijnherstelplan. Dit nieuwe langetermijnherstelplan
wordt ter instemming bij de toezichthouder ingediend; dan wel
c. het bestaande langetermijnherstelplan kan worden ingetrokken en niet
vervangen hoeft te worden door een nieuw langetermijnherstelplan.
Artikel 140. Kortetermijnherstelplan
1. Wanneer een pensioenfonds voorziet of redelijkerwijs kan voorzien dat
het niet meer voldoet of niet zal voldoen aan de bij of krachtens
artikel 131 gestelde vereisten ten aanzien van het minimaal vereist
eigen vermogen, meldt het pensioenfonds dit onverwijld aan de
toezichthouder.
2. In de in het eerste lid bedoelde situatie dient het pensioenfonds
binnen twee maanden of zoveel eerder als de toezichthouder bepaalt, een
concreet en haalbaar kortetermijnherstelplan ter instemming bij de
toezichthouder in. In dit kortetermijnherstelplan werkt het
pensioenfonds uit hoe het uiterlijk binnen drie jaar zal voldoen aan
artikel 131waarbij:
a. de kans op herstel verbetert;
b. de risico’s voor de aanspraak- en pensioengerechtigden niet
toenemen; en
c. de kans op toeslagverlening niet negatief wordt beïnvloed.
3. In afwijking van het tweede lid geldt voor het
kortetermijnherstelplan een termijn van een jaar indien:
a. niet is voldaan aan de voorwaarden in het tweede lid, sub a, b en c;
of
b. het pensioenfonds bijdragen ontvangt van een in een andere lidstaat
gevestigde bijdragende onderneming.
4. Het pensioenfonds handelt onverwijld overeenkomstig het
kortetermijnherstelplan.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de inhoud en opstelling van een kortetermijnherstelplan.
Artikel 141. Mogelijkheid tot ontheffing
1. De toezichthouder kan, rekening houdend met de specifieke situatie
van het pensioenfonds en in het belang van de aanspraak- en
pensioengerechtigden, op aanvraag van een pensioenfonds geheel of
gedeeltelijk, ontheffing verlenen van het bij of krachtens de artikelen
131, 132, 134, eerste lid, onderdeel a, 137 en 138 bepaalde, indien het
pensioenfonds aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden
voldaan en dat de doeleinden die deze artikelen beogen te bereiken
anderszins worden bereikt.
2. De toezichthouder kan in bijzondere gevallen, rekening houdend met de
specifieke situatie van het pensioenfonds en in het belang van de
aanspraak- en pensioengerechtigden, op aanvraag van een pensioenfonds
dat geen bijdragen ontvangt van een in een andere lidstaat gevestigde
bijdragende onderneming, geheel of gedeeltelijk, ontheffing verlenen van
het bij of krachtens artikel 140bepaalde.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld waaraan de houder van een ontheffing dient te voldoen en met
betrekking tot het verlenen van de ontheffing.
Artikel 142. Langere termijnen bij uitzonderlijke situatie
Onze Minister kan na overleg met de toezichthouder vrijstelling verlenen
van de in artikel 138 en140 genoemde termijnen van 15 jaar
respectievelijk drie en een jaar, indien er sprake is van een
uitzonderlijke economische situatie waardoor een groot aantal
pensioenfondsen niet kan voldoen aan de bij of krachtens deze wet
gestelde vereisten inzake het vereiste eigen vermogen en het minimaal
vereist eigen vermogen.
Artikel 143. Beheerste en integere bedrijfsvoering
1. Een pensioenfonds richt zijn organisatie zodanig in dat deze een
beheerste en integere bedrijfsvoering waarborgt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot het eerste lid. De regels hebben in ieder geval
betrekking op:
a. het beheersen van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s;
b. integriteit;
c. de soliditeit van het pensioenfonds, waaronder wordt verstaan:
1°. het beheersen van financiële risico’s; en
2°. het beheersen van andere risico’s die de soliditeit van het
pensioenfonds kunnen aantasten;
d. het beheersen van de financiële positie over de lange termijn door
periodiek een continuïteitsanalyse te maken.
Artikel 144. Parameters
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden, ten behoeve van de
berekeningen, bedoeld bij de artikelen 126, 128, 138, 140 en 143, regels
gesteld over:
a. het minimale percentage van het gemiddelde loon-of prijsindexcijfer;
b. het maximaal te hanteren gemiddelde rendement op vastrentende
waarden; en
c. de maximaal te hanteren risicopremies op onder andere aandelen en
onroerend goed.
2. De in het eerste lid bedoelde regels worden iedere drie jaren
getoetst, rekening houdend met financieel-economische ontwikkelingen in
het verleden en realistische inzichten ten aanzien van toekomstige
financieel-economische verwachtingen.
3. Voordat de voordracht van de in het eerste lid bedoelde algemene
maatregel van bestuur wordt gedaan vraagt Onze Minister het oordeel van
een commissie bestaande uit een vertegenwoordiger van De Nederlandsche
Bank N.V., van het Centraal Planbureau, twee leden op voordracht van de
Stichting van de Arbeid en een door Onze Minister aan te wijzen lid.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot de in het derde lid bedoelde commissie.
5. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen
algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken
nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 145. Actuariële en bedrijfstechnische nota
1. Het pensioenfonds stelt een actuariële en bedrijfstechnische nota
vast waarin in elk geval een omschrijving is opgenomen van de wijze
waarop uitvoering wordt gegeven aan het bij of krachtens de artikelen
25, 95, 126 tot en met 137 en 143 bepaalde. De actuariële en
bedrijfstechnische nota bevat voorts een verklaring inzake
beleggingsbeginselen en een beschrijving van de sturingsmiddelen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
ten aanzien van de actuariële en bedrijfstechnische nota.
3. Voorzover risico’s zijn overgedragen, verzekerd of ondergebracht
kan de omschrijving, bedoeld in het eerste lid, beperkt blijven tot een
verwijzing naar hetgeen daarover in de betreffende overeenkomsten is
opgenomen.
4. De verklaring inzake beleggingsbeginselen wordt om de drie jaren en
voorts onverwijld na iedere belangrijke wijziging van het
beleggingsbeleid herzien.
Artikel 146. Jaarrekening en jaarverslag
Een pensioenfonds met zetel in Nederland stelt binnen zes maanden na
afloop van het boekjaar de jaarrekening en het jaarverslag
overeenkomstig titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek vast, met dien
verstande dat artikel 390 van genoemd wetboek niet van toepassing is en
dat de in artikel 360, derde lid, 396 en 397 van genoemd wetboek
geformuleerde uitzonderingen niet van toepassing zijn.
Artikel 147. Staten
1. Een pensioenfonds doet het boekjaar gelijk lopen met het
kalenderjaar.
2. Een pensioenfonds verstrekt periodiek binnen de daartoe vastgestelde
termijnen staten aan de toezichthouder die de toezichthouder nodig heeft
voor de juiste uitoefening van zijn taak, bedoeld in artikel 151.
3. De staten omvatten uitsluitend:
a. informatie over de organisatie van het pensioenfonds;
b. een bestuursverslag;
c. een balans;
d. informatie over financiële relaties en transacties van het
pensioenfonds;
e. een rekening van baten en lasten;
f. informatie inzake de dekkingsgraad;
g. informatie inzake het vereist eigen vermogen;
h. actuariële staten, gewaarmerkt door een bevoegde actuaris, waaronder
een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van een actuaris;
i. informatie over het deelnemersbestand;
j. informatie inzake de uitgevoerde pensioenregeling en eventueel andere
door het pensioenfonds uitgevoerde regelingen;
k. premiegegevens;
l. informatie inzake verzekering;
m. informatie inzake verplichtingen van het pensioenfonds voor risico
van de deelnemers.
4. Met zijn verklaring bedoeld in het derde lid, onderdeel h, bevestigt
de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat voldaan is aan de
artikelen 126 tot en met 140. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe
te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.
5. De staten zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de
getrouwheid, afgegeven door een accountant. Ten bewijze dat de staten
door hem zijn onderzocht, waarmerkt de accountant de staten.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
met betrekking tot:
a. de inhoud en de modellen van de staten; en
b. de wijze, de periodiciteit en de termijnen van de verstrekking.
Artikel 148. Onafhankelijkheid actuaris
1. De bevoegde actuaris die het actuarieel verslag waarmerkt, is
onafhankelijk van het pensioenfonds en verricht geen andere
werkzaamheden voor het pensioenfonds.
2. Het is de waarmerkende actuaris niet toegestaan de werkzaamheden,
bedoeld inartikel 147, vierde lid, uit te oefenen voor een pensioenfonds
wanneer een andere actuaris of andere deskundige die behoort tot
dezelfde organisatie als de waarmerkende actuaris, andere werkzaamheden
verricht voor hetzelfde pensioenfonds, tenzij de organisatie van de
waarmerkende actuaris een door de toezichthouder goedgekeurde
gedragscode heeft over de onafhankelijkheid van de waarmerkende
actuaris.
Artikel 148a. Verbod kapitaalcontracten
Een pensioenfonds kan niet overgaan tot verzekering bij een verzekeraar
indien de verzekering gebaseerd is op een kapitaalcontract. Een
kapitaalcontract is een overeenkomst tussen een pensioenfonds en een
verzekeraar waarbij geldt dat:
a. risico’s van het pensioenfonds gedurende de contractsperiode worden
verzekerd;
b. de daarbij behorende pensioenaanspraken en pensioenrechten na afloop
van de contractsperiode niet op verzoek van het pensioenfonds premievrij
bij de verzekeraar achter kunnen worden gelaten; en
c. de waarden die behoren bij het ouderdomspensioen of
nabestaandenpensioen op kapitaalbasis gedurende de contractsperiode
geheel of gedeeltelijk in juridisch eigendom van de verzekeraar zijn.
Artikel 149. Verplichting tot overdracht, verzekering of onderbrenging
De toezichthouder kan een pensioenfonds de verplichting opleggen om
binnen een door de toezichthouder te stellen termijn over te gaan tot
verzekering bij een verzekeraar, overdracht aan een verzekeraar of
onderbrenging bij een pensioenfonds indien dit naar het oordeel van de
toezichthouder noodzakelijk is in verband met:
a. de actuariële en bedrijfstechnische opzet van het pensioenfonds; of
b. de deskundigheid en betrouwbaarheid van het bestuur.
Artikel 150. Overdracht, verzekering of onderbrenging bij eindigen
pensioenregeling
Wanneer een pensioenregeling eindigt tijdens de periode waarin een
kortetermijnherstelplan van kracht is:
a. stelt het pensioenfonds de toezichthouder hiervan op de hoogte;
b. gaat het pensioenfonds binnen een door de toezichthouder te stellen
termijn over tot het verzekeren bij een verzekeraar, overdragen aan een
verzekeraar of onderbrengen bij een pensioenfonds van de
pensioenverplichtingen op basis van een procedure welke ter kennis en
instemming van de toezichthouder wordt gebracht; en
c. stelt het pensioenfonds een algemeen overzicht van de procedure,
bedoeld in onderdeel b, beschikbaar voor de deelnemers, gewezen
deelnemers en pensioengerechtigden of de vertegenwoordigers van de
genoemde personen in overeenstemming met het vertrouwelijkheidbeginsel.
Hoofdstuk 7. Toezicht, handhaving en overige taken toezichthouder
§ 7.1. De toezichthouder
Artikel 151. Toezichthouders
1. De Stichting Autoriteit Financiële Markten is belast met het
gedragstoezicht.
2. Gedragstoezicht is toezicht gericht op de naleving van de normen ten
aanzien van voorlichting door pensioenuitvoerders aan deelnemers,
gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden en de
normen ten aanzien van de advisering van de deelnemer of gewezen
deelnemer bij de uitvoering van premieovereenkomsten met
beleggingsvrijheid waarbij de deelnemer of gewezen deelnemer de
verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen.
3. De Nederlandsche Bank N.V. is belast met het prudentieel toezicht en
het materieel toezicht.
4. Prudentieel toezicht is toezicht gericht op de normen ten aanzien van
de financiële soliditeit van pensioenfondsen en het bijdragen aan de
financiële stabiliteit van de sector van pensioenfondsen.
5. Materieel toezicht is toezicht gericht op alle normen in deze wet die
geen onderdeel uitmaken van gedrags- of prudentieel toezicht.
6. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze wet zijn de bij besluit van de toezichthouder aangewezen personen
belast. Van een besluit als bedoeld in de eerste volzin wordt mededeling
gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
7. Bij algemene maatregel van bestuur:
a. worden regels gesteld omtrent de toedeling van de taken en
bevoegdheden met betrekking tot het prudentieel toezicht, het
gedragstoezicht en het materieel toezicht van deze wet aan de
toezichthouders;
b. worden regels gesteld over de wijze waarop de toezichthouders
samenwerken; en
c. worden eisen gesteld aan de toezichthouders, waaronder voorschriften
gericht op een zodanige besluitvorming binnen de toezichthouder dat een
onafhankelijke vervulling van de uit deze wet voortvloeiende taken en
bevoegdheden is gewaarborgd.
Artikel 152. Geen beoordeling individuele gevallen
1. De toezichthouder treedt bij de uitoefening van het toezicht op de
naleving van deze wet niet in de beoordeling van de individuele
rechtsverhouding tussen:
a. een werkgever en een werknemer;
b. een pensioenuitvoerder en een werkgever; en
c. een pensioenuitvoerder en een aanspraak- of pensioengerechtigde.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de uitvoeringsovereenkomst
en het pensioenreglement.
Artikel 153. Kwaliteitseisen
1. De toezichthouder draagt met betrekking tot de uitoefening van zijn
taken en bevoegdheden uit hoofde van deze wet zorg voor:
a. een tijdige voorbereiding en een voor de onder toezicht staanden
kenbare, transparante en consistente uitvoering;
b. de kwaliteit van de daarbij gebruikte procedures;
c. de zorgvuldige behandeling van een ieder die met hem in aanraking
komt;
d. de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten die
worden ontvangen.
2. De toezichthouder treft voorzieningen, waardoor een ieder die met hem
in aanraking komt in de gelegenheid is voorstellen tot verbetering van
werkwijzen en procedures te doen.
§ 7.2 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 154 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 155 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 156 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 157 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 158 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 159 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 160 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 161 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 162 [Vervallen per 01-01-2013]
§ 7.3. Bevoegdheden Onze Minister
Artikel 163. Uitvoeringstoezicht: Inspectie Werk en Inkomen
1. Onze Minister houdt toezicht op:
a. de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet door de
toezichthouder;
b. de doeltreffendheid van de uitvoering van deze wet door de
toezichthouder.
2. Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt onder gezag van Onze
Minister uitgeoefend door de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in
hoofdstuk 7 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
onder leiding van het hoofd van die inspectie. De artikelen 37, 38 en 44
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 164. Verstrekking informatie ten behoeve van toezicht door Onze
Minister
1. Onze Minister is bevoegd aan de toezichthouder de gegevens of
inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn voor een
onderzoek naar de wijze waarop de toezichthouder de uit deze wet
voortvloeiende taken en bevoegdheden uitvoert of heeft uitgevoerd.
2. De toezichthouder verstrekt kosteloos aan Onze Minister de in het
eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen. Indien Onze Minister de
toezichthouder vraagt bepaalde gegevens of inlichtingen te verstrekken
die op grond van deze wet omtrent afzonderlijke pensioenuitvoerders,
werkgevers of natuurlijke personen zijn verstrekt of zijn verkregen, is
de toezichthouder niet verplicht deze gegevens of inlichtingen te
verstrekken, indien deze betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot
een afzonderlijke pensioenuitvoerder, werkgever of natuurlijke persoon,
met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op
of herleidbaar zijn tot een pensioenuitvoerder of werkgever ten aanzien
waarvan surséance van betaling is verleend, die in staat van
faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is
ontbonden.
3. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die
hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem
verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn
opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te
winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige
toepassing zijn.
4. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge
het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van
zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de
toezichthouder de bij of krachtens deze wet opgedragen taken en
toegekende bevoegdheden uitoefent of heeft uitgeoefend.
5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht
tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid, tweede volzin,
ontvangen gegevens of inlichtingen.
6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de
gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken
conclusies aan de Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene
zin uit het onderzoek openbaar maken.
7. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet Nationale ombudsman zijn
niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde
gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht
werkende derde onder zich heeft.
Artikel 165. Aanwijzing door Onze Minister
1. Onze Minister kan aan de toezichthouder een aanwijzing geven over de
uitoefening van de aan de toezichthouder bij of krachtens deze wet
opgedragen taken en toegekende bevoegdheden wanneer de toezichthouder
hierin naar het oordeel van Onze Minister tekort schiet. Onze Minister
treedt daarbij niet in individuele gevallen.
2. De toezichthouder is gehouden overeenkomstig de aanwijzing te
handelen.
Artikel 166. Taakverwaarlozing
1. Indien naar het oordeel van Onze Minister de toezichthouder een of
meerdere van zijn bij of krachtens deze wet opgedragen taken ernstig
verwaarloost, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen.
2. Ter uitvoering van het eerste lid kan Onze Minister besluiten een of
meer onderdelen van de taken van de toezichthouder zelf uit te voeren of
door een andere organisatie te laten uitvoeren. Alsdan komen de
desbetreffende bevoegdheden van de toezichthouder toe aan Onze Minister
onderscheidenlijk de andere toezichthouder.
3. De voorzieningen worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, niet
eerder getroffen dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is
gesteld om binnen een door Onze Minister te stellen termijn alsnog zijn
taak naar behoren uit te voeren.
4. Onze Minister stelt beide kamers der Staten-Generaal onverwijld in
kennis van door hem getroffen voorzieningen als bedoeld in het eerste
lid.
§ 7.4. Handhaving
§ 7.4.1. Algemeen– in Nederland zetel hebbende pensioenuitvoerders
Artikel 167. Kosteloze informatieverstrekking
De pensioenuitvoerder, de werkgever, de accountant en de actuaris
verstrekken aan de toezichthouder kosteloos de door deze gevorderde
inlichtingen, gegevens en bescheiden.
Artikel 168. Inlichtingenbevoegdheid toezichthouder
1. De toezichthouder kan ten behoeve van het toezicht op de naleving van
deze wet van een ieder inlichtingen vorderen.
2. De artikelen 5:13 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van
overeenkomstige toepassing.
3. Voorzover de toezichthouder voor het uitoefenen van het
gedragstoezicht ten aanzien van pensioenfondsen waaraan de andere
toezichthouder een vergunning heeft verleend of welke in het register is
opgenomen, gegevens nodig heeft over aspecten van de bedrijfsvoering,
bedoeld in artikel 143, tweede lid, onderdeel a en b, vordert de
eerstgenoemde toezichthouder geen inlichtingen, dan nadat de andere
toezichthouder is verzocht deze gegevens te verstrekken en is gebleken
dat de andere toezichthouder niet aan dit verzoek tegemoet kan komen.
4. Van het derde lid kan, na overleg met de andere toezichthouder,
worden afgeweken indien sprake is van een redelijk vermoeden van een
overtreding van de regels bij of krachtens deze wet gesteld en
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Artikel 169. Bewaarplicht gegevens ten behoeve van toezichthouder
1. De pensioenuitvoerder en de werkgever zijn verplicht de zakelijke
gegevens en bescheiden die betrekking hebben op pensioenregelingen en
andere bij of krachtens deze wet geregelde onderwerpen in Nederland
beschikbaar te hebben en deze gedurende ten minste zeven jaren na het
boekjaar waarop ze betrekking hebben beschikbaar te houden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een verzekeraar met zetel in
een andere lidstaat van de Europese Unie.
Artikel 170. Informatie- en meldingsverplichting accountant en actuaris
1. Een accountant die het onderzoek naar de staten, bedoeld in artikel
147, vijfde lid, uitvoert meldt de toezichthouder zo spoedig mogelijk
elke omstandigheid waarvan hij bij de uitvoering van het onderzoek
kennis heeft gekregen en die:
a. in strijd is met deze wet;
b. de nakoming van de door het pensioenfonds aangegane verplichtingen
bedreigt; of
c. leidt tot de weigering van het afgeven van de verklaring omtrent de
getrouwheid of tot het maken van voorbehouden.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, is van overeenkomstige
toepassing op de actuaris die het onderzoek naar de staten, bedoeld
inartikel 147, vierde lid, uitvoert.
3. De accountant of actuaris verstrekt zo spoedig mogelijk kosteloos
alle inlichtingen aan de toezichthouder die deze redelijkerwijs nodig
heeft voor het toezicht op de naleving van deze wet. De toezichthouder
stelt het betrokken pensioenfonds in de gelegenheid aanwezig te zijn bij
het verstrekken van inlichtingen door de accountant of actuaris.
4. De accountant of actuaris biedt desgevraagd de toezichthouder inzicht
in zijn controlewerkzaamheden.
5. De accountant of actuaris die op grond van dit artikel tot een
melding of het verstrekken van inlichtingen aan de toezichthouder is
overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde als gevolg
daarvan lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat, gelet op alle
feiten en omstandigheden, in redelijkheid niet tot melding of het
verstrekken van inlichtingen had mogen worden overgegaan.
Artikel 171. Aanwijzing
1. De toezichthouder kan een pensioenuitvoerder die niet voldoet aan
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van het geven
van een aanwijzing verplichten om binnen een door de toezichthouder
gestelde redelijke termijn ten aanzien van in de aanwijzingsbeschikking
aangegeven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
2. De toezichthouder kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid
eveneens aan een pensioenfonds geven indien hij tekenen ontwaart van een
ontwikkeling die het eigen vermogen, de solvabiliteit, de liquiditeit of
de bedrijfsvoering van het pensioenfonds in gevaar kunnen brengen.
Artikel 172. Benoeming curator
1. De toezichthouder kan besluiten een of meer personen te benoemen als
curator ten aanzien van alle of bepaalde organen van het pensioenfonds
indien dat pensioenfonds niet voldoet aan hetgeen ingevolge deze wet is
bepaald.
2. Het besluit ingevolge het eerste lid wordt slechts genomen:
a. nadat door het pensioenfonds niet of niet volledig binnen de gestelde
termijn aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 gevolg is gegeven;
b. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding een adequate
functionering van het pensioenfonds ernstig in gevaar brengt en dat
pensioenfonds voorafgaand in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze
naar voren te brengen over het voorgenomen besluit; of
c. indien de in het eerste lid bedoelde overtreding de belangen van de
aanspraak- en pensioengerechtigden ernstig in gevaar brengt en dat
pensioenfonds voorafgaand in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze
naar voren te brengen over het voorgenomen besluit.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid kan de toezichthouder besluiten
een of meer personen te benoemen als curator ten aanzien van alle of
bepaalde organen of vertegenwoordigers van een pensioenfonds indien hij
bij dat pensioenfonds tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het
eigen vermogen, de solvabiliteit, of de liquiditeit van dat
pensioenfonds in gevaar kunnen brengen.
4. Het benoemingsbesluit bevat onder meer een beschrijving van de
belangen waardoor de curator zich dient te laten leiden. De
toezichthouder benoemt de curator voor ten hoogste twee jaren, met de
mogelijkheid om deze termijn telkens voor ten hoogste een jaar te
verlengen; de verlenging wordt terstond van kracht. Met ingang van het
tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan het
pensioenfonds is bekendgemaakt mogen de desbetreffende organen of
vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts uitoefenen na goedkeuring
door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator.
5. Na de benoeming van een curator:
a. verlenen de organen en de vertegenwoordigers van het pensioenfonds de
curator alle medewerking;
b. kan de toezichthouder de betrokken organen of vertegenwoordigers van
het pensioenfonds toestaan bepaalde rechtshandelingen zonder goedkeuring
te verrichten;
c. kan de toezichthouder te allen tijde de door hem aangewezen curator
vervangen;
d. is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in
strijd met een besluit als bedoeld in het eerste of derde lid, elke
persoon die deel uitmaakt van het orgaan van het pensioenfonds dat deze
handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover het
pensioenfonds, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem
is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van
maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden;
e. zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel d, voorzover deze
rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of
behoorde te weten dat de vereiste goedkeuring ontbrak.
6. Zodra de omstandigheid, bedoeld in het eerste of derde lid niet
langer aanwezig is, trekt de toezichthouder het besluit tot benoeming
van de curator in. De toezichthouder maakt het besluit tot intrekking
onverwijld bekend aan het pensioenfonds.
7. De toezichthouder kent aan een op grond van het eerste lid aangewezen
persoon een bezoldiging toe. De bezoldiging komt ten laste van:
a. het pensioenfonds of, wanneer de financiële omstandigheden van het
pensioenfonds dit niet toestaan;
b. de werkgever of, wanneer de financiële omstandigheden van de
werkgever dit niet toestaan;
c. de toezichthouder.
Artikel 173. Bewindvoerder over een pensioenfonds
1. Op verzoek van de toezichthouder kan de ondernemingskamer van het
gerechtshof Amsterdam over een pensioenfonds een bewindvoerder
aanstellen, indien:
a. een pensioenfonds blijk geeft van een zodanig wanbeleid dat de
belangen van de aanspraak- en pensioengerechtigden een onmiddellijke
voorziening vereisen; of
b. het bestuur is komen te ontbreken.
2. De toezichthouder dient zijn verzoekschrift tot aanstelling van een
bewindvoerder in tweevoud in. De griffier doet een exemplaar van het
verzoekschrift onverwijld aan het pensioenfonds toekomen.
3. Indien de ondernemingskamer het verzoek toewijst, bepaalt zij de duur
waarvoor de bewindvoerder wordt aangesteld. Zij kan deze duur op verzoek
van de toezichthouder of van de bewindvoerder verlengen dan wel
verkorten. De ondernemingskamer kent de bewindvoerder een bezoldiging
toe ten laste van:
a. het pensioenfonds of, wanneer de financiële omstandigheden van het
pensioenfonds dit niet toestaan;
b. de werkgever of, wanneer de financiële omstandigheden van de
werkgever dit niet toestaan;
c. de toezichthouder.
4. De bewindvoerder treedt in de plaats van het bestuur of een of
meerdere door de ondernemingskamer aangewezen leden van het bestuur van
het pensioenfonds.
5. De voorlopige tenuitvoerlegging van de beschikking tot aanstelling
van een bewindvoerder kan worden bevolen, indien het verzoek daartoe is
gedaan op een van de gronden, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en
b.
Artikel 174. Onbevoegd verklaring accountant of actuaris
1. Indien een accountant of actuaris niet of niet meer de nodige
waarborgen biedt dat deze zijn taak met betrekking tot het pensioenfonds
naar behoren zal kunnen vervullen, kan de toezichthouder ten aanzien van
deze accountant of actuaris bepalen dat hij niet langer bevoegd is de in
deze wet bedoelde verklaringen met betrekking tot dat pensioenfonds af
te leggen.
2. De toezichthouder doet mededeling van het besluit, bedoeld in het
eerste lid, aan het pensioenfonds.
Artikel 175. Last onder dwangsom
1. De toezichthouder kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van
een overtreding van de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet
en van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter zake
van de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een last
onder dwangsom.
Artikel 176. Bestuurlijke boete
1. De toezichthouder kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van
een overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens de artikelen
21, eerste lid, tweede lid, tweede volzin en vierde lid, 23, 25, 26, 28,
29, eerste lid, 29, zevende lid, voor zover het betreft de
overeenkomstige toepassing van artikel 29, eerste lid, 34 tot en met 48,
49, 50, tweede en vierde lid, 51, 52, 58, 60, 61,62, 63, 66, derde tot
en met zesde, negende en elfde lid, 67, tweede lid, 68, tweede lid,
artikel 69, tweede, derde en zesde lid, 71, eerste tot en met vijfde en
zevende lid, 74, tweede en derde lid, 76, eerste tot en met vierde en
negende lid, 83, tweede en zevende lid, 84, tweede en zevende lid, 85,
eerste lid, 86, eerste en tweede lid, 87, 91, 94, tweede lid, 95, 96,
99, 100, 101, 102, 103, 105, eerste tot en met derde, vijfde tot en met
achtste en tiende lid, 106, 109, 110, 111,113, 114, 115, 116, 117, 118,
eerste tot en met derde lid, 119, eerste tot en met derde lid, 120,
eerste tot en met derde lid, 125, 128, 129,130, 134, tweede, vierde en
vijfde lid, 135, 136, 137, 138, eerste tot en met vierde en zesde lid,
139, 140, 143, 145, 146, 147, eerste tot en met derde, vijfde en zesde
lid, 150, 167, 169, 170, eerste tot en met vierde lid, 171, eerste lid,
172, vijfde lid, 194, 197, 199, 203, derde en vierde lid, 204 en van
artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met
betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid.
Artikel 177 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 178 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 179. Hoogte bestuurlijke boete
1. Het bedrag van de bestuurlijke boete wordt bepaald bij algemene
maatregel van bestuur, met dien verstande dat de bestuurlijke boete voor
een afzonderlijke overtreding ten hoogste € 4 000 000 bedraagt. Indien
tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn verlopen
sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de overtreder ter
zake van eenzelfde overtreding, wordt het bedrag van de bestuurlijke
boete, bedoeld in de eerste volzin, voor een afzonderlijke overtreding
verdubbeld.
2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, bepaalt
bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te
leggen bestuurlijke boete. De overtredingen worden gerangschikt in
categorieën naar zwaarte van de overtreding met de daarbij behorende
basisbedragen, minimumbedragen en maximumbedragen. Daarbij wordt de
volgende indeling gebruikt:
|
Categorie
|
Basisbedrag
|
Minimumbedrag
|
Maximumbedrag
|
|
1
|
€ 10 000,–
|
€ 0,–
|
€ 10 000,–
|
|
2
|
€ 500 000,–
|
€ 0,–
|
€ 1 000 000,–
|
|
3
|
€ 2 000 000,–
|
€ 0,–
|
€ 4 000 000,–
|
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan de toezichthouder de
hoogte van de bestuurlijke boete vaststellen op ten hoogste twee keer
het bedrag van het voordeel dat de overtreder door de overtreding heeft
verkregen indien diens voordeel groter is dan € 2 000 000.
Artikel 180 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 181 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 182 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 183 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 184. Schorsende werking bij bestuurlijke boete
1. Indien tegen een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete
bezwaar of beroep wordt aangetekend, schorst dit de verplichting tot
betaling van de bestuurlijke boete totdat de beroepstermijn is
verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. De schorsing van een verplichting tot betaling schorst niet de
berekening van de wettelijke rente.
Artikel 185 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 186 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 187 [Vervallen per 01-07-2009]
Artikel 188. Mogelijkheid van openbaarmaking
1. De toezichthouder kan met het oog op de bescherming van de belangen
van de pensioen- of aanspraakgerechtigden ter openbare kennis brengen,
indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die
kennisgeving hebben geleid:
a. overtreding van de verbodsbepalingen uit deze wet en de
overtredingen, bedoeld in artikel 201;
b. het feit ter zake waarvan een aanwijzing is gegeven, het overtreden
voorschrift, het feit dat de aanwijzing is gegeven en de door de
pensioenuitvoerder te volgen gedragslijn, alsmede de naam, het adres en
de vestigingsplaats van de pensioenuitvoerder aan wie de aanwijzing is
gegeven;
c. het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke
boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, het feit dat de last
onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede de naam,
het adres en de vestigingsplaats van de overtreder aan wie de last onder
dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd;
d. het feit dat een herstelplan als bedoeld inartikel 138 of artikel 140
is ingediend, alsmede de naam, het adres en de vestigingsplaats van het
pensioenfonds dat het herstelplan heeft ingediend.
2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ter zake
van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 189. Kennisgeving openbaarmaking en inhoud beschikking
1. De toezichthouder stelt, indien hij besluit een openbare kennisgeving
uit te zullen vaardigen als bedoeld in artikel 188 de betrokken
pensioenuitvoerder in kennis van het besluit.
2. De beschikking vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding,
de inhoud van de kennisgeving, de gronden waarop het besluit berust
alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare kennisgeving
zal worden uitgevaardigd.
Artikel 190. Schorsende werking bij openbaarmaking
1. Het ter openbare kennis brengen geschiedt niet eerder dan nadat vijf
werkdagen zijn verstreken na de bekendmaking van de beschikking, bedoeld
in artikel 189, aan de betrokkene.
2. Indien de betrokkene verzoekt om een voorlopige voorziening, bedoeld
in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de werking van
de beschikking opgeschort totdat er een uitspraak is van de
voorzieningenrechter van de rechtbank.
Artikel 191. Verplichting tot openbaarmaking
De toezichthouder maakt een besluit tot het aanstellen van een
bewindvoerder ingevolge deze wet na bekendmaking openbaar, tenzij de
openbaarmaking van het besluit in strijd is of zou kunnen komen met het
doel van het door de toezichthouder uit te oefenen toezicht op de
naleving van deze wet.
§ 7.4.2. Vergunningverlening en toezicht grensoverschrijdende
activiteiten van in Nederland zetel hebbende pensioenfondsen
Artikel 192. Vergunningverlening
De vergunning, bedoeld in artikel 125, onderdeel a, wordt op aanvraag
door de toezichthouder verleend wanneer het pensioenfonds:
a. is ingeschreven in het register, bedoeld inartikel 210; en
b. voldoet aan de artikelen 105, 126, 143 en 147, tweede lid en artikel
11 van richtlijn 2003/41/EG.
Artikel 193. Nadere voorschriften en intrekking vergunning
De toezichthouder kan de vergunning, bedoeld in artikel 125, onderdeel
a, geheel of gedeeltelijk intrekken of daaraan nadere voorschriften
verbinden wanneer:
a. het pensioenfonds niet langer voldoet aan artikel 192;
b. de bij de aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn en
de verstrekking van de juiste of volledige gegevens tot een andere
beschikking op de aanvraag tot verlening van de vergunning zou hebben
geleid;
c. de verlening van de vergunning anderszins onjuist was en het fonds
dit wist of behoorde te weten; of
d. van de vergunning gedurende twee jaren, na de dagtekening van de
beschikking waarbij de vergunning is verleend, geen gebruik is gemaakt.
Artikel 194. Kennisgeving voornemen grensoverschrijdende activiteit
1. Een pensioenfonds stelt de toezichthouder in kennis van een voornemen
bijdragen te gaan ontvangen van een bijdragende onderneming met zetel in
een andere lidstaat dan Nederland.
2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een
opgave van:
a. de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende
sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de rechtsverhouding
tussen de bijdragende onderneming en de werknemers of op degene die een
vrij beroep uitoefent;
b. de naam van de bijdragende onderneming; en
c. de voornaamste kenmerken van de pensioenregeling die voor die
onderneming zal worden uitgevoerd.
Artikel 195. Toetsing en mededeling van kennisgeving
1. De toezichthouder doet binnen drie maanden na ontvangst van de
gegevens, bedoeld inartikel 194, tweede lid, mededeling van deze
gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan de voor
bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving van
toepassing is op de rechtsverhouding tussen de bijdragende onderneming
en de werknemers, tenzij het pensioenfonds niet beschikt over de
vergunning, bedoeld in artikel 125, of de toezichthouder reden heeft te
betwijfelen dat de administratieve structuur of de financiële positie
van het pensioenfonds, of de deskundigheid en betrouwbaarheid van de
personen die het fonds besturen met de in die lidstaat voorgenomen
activiteiten verenigbaar zijn.
2. De toezichthouder doet gelijktijdig mededeling aan het fonds van de
verstrekking van de gegevens aan de bevoegde autoriteiten, bedoeld in
het eerste lid.
3. De toezichthouder doet mededeling aan het fonds van informatie over
de toepasselijke bepalingen van sociale en arbeidswetgeving, ontvangen
van de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 196. Uitvoering grensoverschrijdende activiteit
1. Een pensioenfonds kan na ontvangst van de mededeling, bedoeld in
artikel 195, derde lid, dan wel nadat twee maanden zijn verstreken na
ontvangst van de mededeling, bedoeld in artikel 195, tweede lid,
beginnen met het uitvoeren van de voorgenomen pensioenregeling.
2. Het pensioenfonds neemt bij de uitvoering van de pensioenregeling de
op bedrijfspensioenvoorziening toepasselijke sociale en arbeidswetgeving
en de voorschriften die krachtens de artikelen 11 en 18, zevende lid,
van richtlijn 2003/41/EG moeten worden nageleefd, in acht. De
Nederlandse sociale en arbeidswetgeving is niet van toepassing op de
uitvoering van de pensioenregeling.
Artikel 197. Verbod uitvoering grensoverschrijdende activiteit
1. De toezichthouder verbiedt een pensioenfonds bijdragen te ontvangen
van een onderneming met een zetel in een andere lidstaat wanneer de
toezichthouder reden heeft tot twijfel als bedoeld in artikel 195,
eerste lid, of het fonds niet beschikt over een vergunning als bedoeld
in artikel 125, onderdeel a.
2. De toezichthouder kan een fonds verbieden nog langer bijdragen te
ontvangen van een bijdragende onderneming met zetel in een andere
lidstaat wanneer door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarvan
de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende sociale en arbeidswetgeving
van toepassing is, melding heeft gemaakt van een door het fonds gemaakte
inbreuk op de toepasselijke sociale en arbeidswetgeving.
3. De toezichthouder legt een verbod als bedoeld in dit artikel op in de
vorm van een aanwijzing als bedoeld in artikel 171.
Artikel 198. Maatregelen tegen inbreuk sociale en arbeidswetgeving
De toezichthouder neemt, in coördinatie met de bevoegde autoriteiten
van de lidstaat waarvan de voor bedrijfspensioenvoorziening geldende
sociale en arbeidswetgeving van toepassing is op de pensioenregeling, de
nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een pensioenfonds een einde
maakt aan een vastgestelde inbreuk op de toepasselijke regelgeving.
§ 7.4.3. Toezicht grensoverschrijdende activiteiten
pensioeninstellingen uit andere lidstaat
Artikel 199. Voorwaarden uitvoering Nederlandse pensioenregeling
Het is een pensioeninstelling uit een andere lidstaat verboden bijdragen
te aanvaarden van een in Nederland zetel hebbende bijdragende
onderneming zonder:
a. een daartoe verleende vergunning van de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat haar zetel
heeft; en
b. de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling
zetel heeft in kennis te hebben gesteld van het voornemen een
pensioenregeling uit te voeren voor een in Nederland gevestigde
bijdragende onderneming.
Artikel 200. Informatie over toepasselijke sociale en arbeidswetgeving
1. De toezichthouder informeert, binnen twee maanden na de datum van
ontvangst van gegevens als bedoeld in artikel 194, tweede lid, de
bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pensioeninstelling uit een
andere lidstaat haar zetel heeft en die deze gegevens hebben verstrekt,
over de bepalingen van de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving die
van toepassing zijn op de pensioenregeling waaraan wordt bijgedragen
door de in Nederland zetel hebbende bijdragende onderneming.
2. De toezichthouder stelt de bevoegde autoriteiten, bedoeld in het
eerste lid, in kennis van elke significante wijziging in de op de
pensioenregeling toepasselijke sociale en arbeidswetgeving die gevolgen
kan hebben voor de kenmerken van de pensioenregeling.
Artikel 201. Niet-naleving toepasselijke regelgeving
Wanneer de toezichthouder blijkt dat een pensioeninstelling uit een
andere lidstaat bij de uitvoering van een pensioenregeling waaraan wordt
bijgedragen door een in Nederland zetel hebbende bijdragende onderneming
in strijd met de Nederlandse sociale en arbeidswetgeving handelt, stelt
de toezichthouder de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de
pensioeninstelling haar zetel heeft hiervan onverwijld in kennis, onder
mededeling van deze kennisgeving aan de pensioeninstelling uit een
andere lidstaat.
Artikel 202. Handhavingsbevoegdheden
1. Indien een pensioeninstelling uit een andere lidstaat inbreuk blijft
maken op de op de pensioenregeling toepasselijke Nederlandse sociale en
arbeidswetgeving, in weerwil van de door de bevoegde autoriteiten van de
lidstaat waar de pensioeninstelling uit een andere lidstaat haar zetel
heeft getroffen maatregelen of omdat die bevoegde autoriteiten geen
passende maatregelen hebben getroffen, kan de toezichthouder, na die
bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te hebben gesteld, passende
maatregelen nemen om de inbreuk op de toepasselijke regelgeving door de
pensioeninstelling te beëindigen en, voorzover zulks volstrekt
noodzakelijk is, de pensioeninstelling te beletten activiteiten te
verrichten voor de Nederlandse bijdragende onderneming.
2. De toezichthouder kan, ter uitvoering van het eerste lid, de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 171, 175 en 176 toepassen.
3. De toezichthouder kan, na toepassing van artikel 201, de
bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 171, 175 en 176 toepassen wanneer
een pensioeninstelling uit een andere lidstaat artikel 199 niet naleeft.
§ 7.5. Overige taken en bevoegdheden
Artikel 203. Verstrekken, verzamelen en bewerken van beleidsmatige
informatie
1. De toezichthouder verstrekt op verzoek, kosteloos, aan Onze Minister
alle gegevens en inlichtingen die voor het door Onze Minister te voeren
beleid inzake pensioen en het onderzoek naar de toereikendheid van deze
wet noodzakelijk zijn.
2. De toezichthouder beheert ten behoeve van de uitvoering van de in het
eerste lid bedoelde taak een databank, stelt een informatieplan en een
beheersplan op en zendt deze plannen aan Onze Minister. De
toezichthouder zendt wijzigingen in het informatieplan en het
beheersplan aan Onze Minister.
3. Pensioenuitvoerders en werkgevers verstrekken de toezichthouder
desgevraagd en kosteloos alle gegevens en inlichtingen die deze nodig
heeft voor het vervullen van de in het eerste lid beschreven taak.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld
omtrent de in de databank op te nemen gegevens en inlichtingen, de wijze
waarop de gegevens en inlichtingen worden verwerkt en beheerd en de
instellingen aan wie gegevens uit de databank worden verstrekt.
Artikel 204. Geheimhoudingsplicht
1. Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van
ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft
vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die
ingevolge deze wet dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of
instantie als bedoeld in artikel 203, derde lid, onderscheidenlijk 205,
eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan
verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn
taak of door deze wet wordt geëist.
2. In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder met
gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij
de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen doen,
indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.
Artikel 205. Verstrekking gegevens of inlichtingen aan andere
toezichthouders
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 204, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van
zijn taak op grond van deze wet, verstrekken aan de andere
toezichthouder of een toezichthoudende instantie, tenzij:
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen
worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
niet past in het kader van het toezicht op pensioenuitvoerders;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich
niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet
in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze
wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
2. Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de
toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een andere
toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende instantie waarvan
de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd
met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend
geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor
de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
3. Indien een toezichthoudende instantie aan de toezichthouder die de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of
tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij
zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste of tweede
lid; of
b. voorzover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in
deze wet voorzien vanuit Nederland met inachtneming van de daarvoor
geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over
die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Veiligheid en Justitie indien het in
de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar
strafbare feiten.
4. De Autoriteit Financiële Markten dan wel het organisatieonderdeel
van de Nederlandsche Bank N.V. dat is belast met de in artikel 151,
derde lid, genoemde taak kan vertrouwelijke informatie of gegevens
verstrekken aan het organisatieonderdeel van de Nederlandsche Bank N.V.
dat is belast met het vervullen van haar monetaire taak, voorzover de
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen dienstig zijn voor de
uitoefening van die taak.
5. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op
het uitwisselen van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen tussen de
met verschillende taken belaste organisatieonderdelen van de
toezichthouder.
Artikel 205a. Informatieverstrekking aan de Europese Autoriteit voor
verzekeringen en bedrijfspensioenen
1. De vermelding in het register, bedoeld in artikel 210, in welke
lidstaten een pensioenfonds pensioenregelingen uitvoert wordt door de
toezichthouder meegedeeld aan de Europese Autoriteit voor verzekeringen
en bedrijfspensioenen.
2. De toezichthouder stelt de Europese Autoriteit voor verzekeringen en
bedrijfspensioenen in kennis van een besluit om de activiteiten van een
pensioenfonds te verbieden.
Artikel 206. Verstrekking aan anderen met taak op grond van deze wet
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 204, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van
de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een persoon
als bedoeld in de onderdelen a, b, c, d, of e voorzover de gegevens of
inlichtingen dienstig zijn voor de uitoefening van zijn taak:
a. een bewindvoerder die ingevolge artikel 173 is benoemd;
b. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 223a van de
Faillissementswet is benoemd;
c. een bewindvoerder die ingevolge artikel 215, tweede lid, van de
Faillissementswet is benoemd;
d. een rechter-commissaris die ingevolge artikel 14 van de
Faillissementswet is benoemd;
e. een curator die ingevolge artikel 14 van de Faillissementswet is
aangesteld.
2. De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen als bedoeld in het eerste lid:
a. indien de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze
wet beoogt te beschermen;
b. indien de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zijn verkregen van
de andere toezichthouder of een toezichthoudende instantie, en deze
andere toezichthouder of die toezichthoudende instantie niet instemt met
het verstrekken van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen.
3. De curator die is aangesteld in het faillissement van een
pensioenuitvoerder kan, in afwijking van artikel 204, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen als bedoeld in het eerste lid
verstrekken aan de rechtbank, voorzover die geen betrekking hebben op
een onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij een poging
de pensioenuitvoerder in staat te stellen zijn activiteiten voort te
zetten.
4. Artikel 204, eerste lid, laat onverlet de toepasselijkheid van de
bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering welke
betrekking hebben op het als getuige of als partij in een comparitie van
partijen dan wel als deskundige in burgerlijke zaken afleggen van een
verklaring omtrent gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling
van zijn ingevolge deze wet opgedragen taak, voorzover het gaat om
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen omtrent een pensioenuitvoerder
die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een
rechterlijke uitspraak is ontbonden. De vorige volzin is niet van
toepassing op vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die betrekking
hebben op een onderneming die betrokken is of betrokken is geweest bij
een poging de desbetreffende pensioenuitvoerder in staat te stellen zijn
activiteiten voort te zetten.
Artikel 207. Informatieverstrekking ten behoeve van strafvorderlijk
onderzoek
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 204, vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van de hem
ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan een instantie die is
belast met de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden of aan een
deskundige die door een dergelijke instantie met een opdracht is belast,
voor zover de verlangde gegevens of inlichtingen noodzakelijk zijn voor
de uitvoering van die opdracht.
2. Indien de instantie, bedoeld in het eerste lid, het voornemen heeft
toepassing te geven aan de bevoegdheid tot het bij de toezichthouder
vorderen van de uitlevering van een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp
of aan de bevoegdheid tot het vorderen van de inzage of een afschrift
van bescheiden als bedoeld in artikel 96a, 105 of 126a van het Wetboek
van Strafvordering, of artikel 18 of 19 van de Wet op de economische
delicten, en de vordering betreft vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen als bedoeld in artikel 204, eerste lid, stelt die instantie
voorafgaand aan de uitoefening van haar bevoegdheid de toezichthouder in
de gelegenheid zijn zienswijze hierover kenbaar te maken.
Artikel 208. Verstrekking aan anderen
1. De toezichthouder kan, in afwijking van artikel 204, eerste lid,
vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van
de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, verstrekken aan:
a. een accountant die het onderzoek naar de staten uitvoert, bedoeld in
artikel 147, vijfde lid, of die is belast met de wettelijke controle van
de jaarrekening van een pensioenuitvoerder, voorzover de vertrouwelijke
gegevens of inlichtingen betrekking hebben op die pensioenuitvoerder en
noodzakelijk zijn voor de controle; of
b. een actuaris die het onderzoek naar de staten uitvoert, bedoeld in
artikel 147, vierde lid, of die is belast met de wettelijke controle van
een pensioenuitvoerder, voorzover de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen betrekking hebben op die pensioenuitvoerder en noodzakelijk
zijn voor de controle.
2. De toezichthouder verstrekt geen vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen op grond van het eerste lid indien:
a. het doel waarvoor de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zullen
worden gebruikt onvoldoende bepaald is;
b. het beoogde gebruik van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
niet past in het kader van het toezicht op pensioenuitvoerders;
c. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen zich
niet zou verdragen met de Nederlandse wet of de openbare orde;
d. de geheimhouding van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen niet
in voldoende mate is gewaarborgd;
e. de verstrekking van de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen
redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze
wet beoogt te beschermen; of
f. onvoldoende is gewaarborgd dat de vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan
waarvoor deze worden verstrekt.
3. Voorzover de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid,
zijn verkregen van een toezichthoudende instantie, verstrekt de
toezichthouder deze niet aan de andere toezichthouder of aan een andere
toezichthoudende instantie, tenzij de toezichthoudende instantie waarvan
de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd
met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend
geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor
de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt.
4. Indien een instantie of persoon als bedoeld in het eerste lid aan de
toezichthouder die de vertrouwelijke gegevens of inlichtingen op grond
van dat lid heeft verstrekt, verzoekt om die vertrouwelijke gegevens of
inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij
zijn verstrekt, willigt de toezichthouder dat verzoek slechts in:
a. indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste, tweede
of derde lid; of
b. voorzover die instantie of persoon op een andere wijze dan in deze
wet voorzien met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke
procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of
inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en
c. na overleg met Onze Minister van Veiligheid en Justitie indien het in
de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar
strafbare feiten.
Artikel 209. Periodiek overleg met belanghebbenden
De toezichthouder organiseert ten minste één keer per jaar een overleg
met belanghebbenden aangaande pensioenen.
Artikel 210. Beheren register pensioenfondsen
De toezichthouder beheert een register waarin alle pensioenfondsen met
zetel in Nederland worden ingeschreven. In het register wordt, indien
van toepassing, vermeld in welke lidstaten een fonds pensioenregelingen
uitvoert.
Artikel 211. Samenwerking met toezichthouders andere lidstaten en
Europese Commissie
De toezichthouder is verplicht nauw samen te werken met de Europese
Commissie en de bevoegde autoriteiten uit andere lidstaten dan
Nederland, overeenkomstig richtlijn 2003/41/EG.
Artikel 212. Ontheffing
1. De toezichthouder kan desgevraagd in bijzondere gevallen van het
bepaalde bij of krachtens artikel 147, eerste en tweede lid, ontheffing
verlenen, indien hij van oordeel is, dat de belangen van de personen die
betrokken zijn bij een pensioenregeling voldoende gewaarborgd zijn.
2. De toezichthouder kan desgevraagd in bijzondere gevallen van het
bepaalde bij of krachtens deartikelen 99, 100, 101, 109 en 110
ontheffing verlenen, indien het pensioenfonds ook pensioenregelingen
uitvoert waarop de sociale en arbeidswetgeving van een andere lidstaat
van toepassing is.
3. De ontheffing wordt verleend bij beschikking.
Artikel 213. Nadere voorschriften inzake ontheffing
1.De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.
2.Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
3.De ontheffing kan worden ingetrokken wanneer:
a. een of meer van de redenen waarom zij is verleend is of zijn
vervallen;
b. na de verlening zich zodanige feiten of omstandigheden hebben
voorgedaan of zijn gebleken dat, indien deze ook ten tijde van de
verlening bekend waren geweest, de ontheffing niet of niet in die vorm
zou zijn verleend;
c. een of meer van de daaraan verbonden voorschriften niet wordt
nageleefd.
4.De toezichthouder stelt beleidsregels vast over de verlening van
ontheffing.
§ 7.6. Overige bepalingen
Artikel 214. Informatievoorziening Staten-Generaal
1. Onze Minister zendt alle van belang zijnde door de toezichthouder aan
Onze Minister uitgebrachte toezichtrapportages, in de vorm waarin zij
aan hem zijn voorgelegd, zo nodig voorzien van zijn oordeel, aan de
Staten-Generaal.
2. Onze Minister zendt elke vijf jaar een verslag aan de Staten-Generaal
over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van de
toezichthouder.
Artikel 215. Strafrechtelijke sanctionering
1. Overtreding van deartikelen 23, 102, 167, 169, 170, eerste tot en met
vierde lid, en 172, vijfde lid, onderdeel a, wordt gestraft met een
geldboete van de tweede categorie. Overtreding van artikel 171, eerste
lid, wordt gestraft met een geldboete van de vierde categorie.
2. Met een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft overtreding
van voorschriften, krachtens deze wet bij algemene maatregel van bestuur
gegeven, voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin dezer wet
aangeduid.
3. De in of krachtens dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn
overtredingen.
Hoofdstuk 8. Gerechtelijke procedures
§ 8.1. Burgerrechtelijke geschillen
Artikel 216. Burgerrechtelijke geschillen in het algemeen
Zaken betreffende vorderingen uit hoofde van een pensioenovereenkomst,
een uitvoeringsovereenkomst, een uitvoeringsreglement of een
pensioenreglement worden door de kantonrechter behandeld en beslist.
Artikel 217. Beroep deelnemersraad bij ondernemingskamer
1. De deelnemersraad kan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof
Amsterdam beroep instellen tegen een besluit betreffende een
aangelegenheid als bedoeld in artikel 111, eerste lid, indien:
a. de deelnemersraad met betrekking tot dat besluit niet voorafgaand in
de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen;
b. dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de
deelnemersraad; of
c. feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die, waren zij aan de
deelnemersraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn
advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te
brengen zoals het is uitgebracht.
2. Het beroep wordt ingediend bij verzoekschrift, binnen acht weken
nadat de deelnemersraad van het besluit in kennis is gesteld.
3. Het pensioenfonds wordt van het ingestelde beroep in kennis gesteld.
4. Het verzoek is niet-ontvankelijk indien met betrekking tot dezelfde
aangelegenheid een aanwijzing is gegeven door de toezichthouder.
5. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld terzake dat het
pensioenfonds bij afweging van de betrokken belangen niet in
redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.
6. De ondernemingskamer behandelt het verzoek met de meeste spoed.
Alvorens te beslissen kan zij, ook ambtshalve, deskundigen, alsmede bij
het pensioenfonds werkzame personen horen. Indien de ondernemingskamer
het beroep gegrond bevindt, kan zij, indien de deelnemersraad daarom
heeft verzocht, een of meer van de volgende voorzieningen treffen:
a. het opleggen van de verplichting aan het pensioenfonds om het besluit
geheel of ten dele in te trekken, alsmede om aan te wijzen gevolgen van
dat besluit ongedaan te maken;
b. het opleggen van een verbod aan het pensioenfonds om handelingen te
verrichten of te doen verrichten ter uitvoering van het besluit of
onderdelen daarvan.
7. Het pensioenfonds moet aan de getroffen voorziening voldoen; een
voorziening kan door derden verworven rechten echter niet aantasten.
8. De ondernemingskamer kan haar beslissing op een verzoek tot het
treffen van voorzieningen voor een door haar te bepalen termijn
aanhouden, indien beide partijen daar om verzoeken, dan wel indien het
pensioenfonds op zich neemt het besluit waartegen beroep is ingesteld,
in te trekken of te wijzigen, of bepaalde gevolgen van het besluit
ongedaan te maken.
9. Nadat het verzoekschrift is ingediend kan de ondernemingskamer, zo
nodig onverwijld, voorlopige voorzieningen treffen. De derde zin van het
zesde lid en het zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
10. Van een beschikking van de ondernemingskamer staat uitsluitend
beroep in cassatie open.
11. De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de deelnemersraad
komen ten laste van het pensioenfonds indien zij redelijkerwijs
noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de deelnemersraad
en het pensioenfonds van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.
In rechtsgedingen tussen het pensioenfonds en de deelnemersraad kan de
deelnemersraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
Artikel 218. Beroep geleding deelnemersraad bij ondernemingskamer
1. Een geleding binnen de deelnemersraad kan bij de ondernemingskamer
van het gerechtshof Amsterdam beroep instellen tegen een besluit als
bedoeld in artikel 111, tweede lid, onderdeel f of g, van het
pensioenfonds, wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het
advies van de deelnemersraad.
2. Artikel 217, tweede tot en met elfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 219. Enquêterecht
1. Het verantwoordingsorgaan, bedoeld in artikel 33, eerste lid,
onderdeel a, kan een verzoek in het kader van het recht van enquête,
bedoeld in afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,
indienen bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam indien
voorafgaand aan de indiening van dat verzoek het intern toezicht,
bedoeld in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, zich daarover heeft
uitgesproken.
2. De artikelen 346 tot en met 359 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
zijn van overeenkomstige toepassing.
3. De kosten die verband houden met het indienen van het in het eerste
lid bedoelde verzoek komen ten laste van het pensioenfonds indien zij
redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van het
verantwoordingsorgaan en het pensioenfonds van de te maken kosten vooraf
in kennis is gesteld.
§ 8.2 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 220 [Vervallen per 01-01-2013]
Hoofdstuk 9. Overige- en slotbepalingen
Artikel 220a. Overgangsrecht
Indien een pensioenfonds voor de datum van inwerkingtreding van artikel
I, onderdeel E, van de Verzamelwet pensioenen 2012 is overgegaan tot
verzekering bij een verzekeraar op basis van een kapitaalcontract als
bedoeld in artikel 148a geldt het verbod tot verzekering op basis van
een kapitaalcontract, bedoeld in artikel 148a, na afloop van het
contract of een verlenging daarvan doch uiterlijk vijf jaar na het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel E, van de
Verzamelwet pensioenen 2012.
Artikel 221. Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet
aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de
effecten van deze wet in de praktijk op het terrein van communicatie,
toezicht en administratieve lasten.
Artikel 222. Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 223. Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Pensioenwet.
Lasten en bevelen dat deze in
het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage, 7 december 2006
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|