Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

 

WET  OP  HET  KINDGEBONDEN  BUDGET  (Wkb)

Tekst zoals deze geldt op 21 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012

 

 

WET van 1 november 2007, houdende regels inzake de aanspraak op een inkomensafhankelijke financiŽle bijdrage in de kosten van kinderen (Wet op het kindgebonden budget)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat personen voor wie de kosten van kinderen in verhouding tot hun inkomen een te zware last vormen, een financiŽle bijdrage in die kosten ontvangen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1. Algemene bepalingen

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

b. kindgebonden budget: een financiŽle bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen;

c. ouder: de verzekerde in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet.

2. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.

3. Artikel 4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is niet van toepassing.

4. In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bestaat geen aanspraak op kindgebonden budget indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder in het berekeningsjaar meer bedraagt dan Ä 81.360 dan wel, ingeval de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de ouder en zijn partner in het berekeningsjaar meer bedraagt dan Ä 81.360. Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 2. Aanspraak en hoogte kindgebonden budget

1. Aanspraak op een kindgebonden budget heeft de ouder voor een kind voor wie aan die ouder op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid van die wet niet van toepassing zou zijn, met dien verstande dat de aanspraak op een kindgebonden budget bestaat met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt.

2. Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar:

a. indien de ouder aanspraak heeft voor ťťn kind : Ä

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x