Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

             

 
vorige

 

INVOERINGSWET  WET  RUIMTELIJKE  ORDENING  (IWro)

Tekst zoals deze geldt op 14 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 22 mei 2008 tot aanpassing van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening alsmede regeling van overgangsrecht (Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, ter bevordering van een goede inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening, wenselijk is een aantal wetten aan te passen, de Wet ruimtelijke ordening op onderdelen aan te vullen, waaronder het hoofdstuk over Intergemeentelijke samenwerking in stedelijke gebieden, de vestigingsgrondslagen van het voorkeursrecht in de Wet voorkeursrecht gemeenten te vereenvoudigen, alsmede te voorzien in overgangsregels;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk I. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

 

Artikel 1.1

[Wijzigt de Gemeentewet]

 

Artikel 1.2

[Wijzigt de Provinciewet]

 

Artikel 1.3

[Wijzigt de Wet algemene regels herindeling]

 

Hoofdstuk II. Economische Zaken

 

Artikel 2.1

[Wijzigt de Elektriciteitswet 1998]

 

Hoofdstuk III. Financin

 

Artikel 3.1

[Wijzigt de Wet Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen]

 

Hoofdstuk IV. Justitie

 

Artikel 4.1

[Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht]

 

Artikel 4.2

[Wijzigt de Onteigeningswet]

 

Artikel 4.3

[Wijzigt de Pachtwet]

 

Artikel 4.4

[Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7]

 

Artikel 4.5

[Wijzigt de Wet op de economische delicten]

 

Hoofdstuk V. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

 

Artikel 5.1

[Wijzigt de Boswet]

 

Artikel 5.2

[Wijzigt de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkolonin]

 

Artikel 5.3

[Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998]

 

Artikel 5.4

[Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden]

 

Artikel 5.5

[Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer]

 

Hoofdstuk VI. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

 

Artikel 6.1

[Wijzigt de Monumentenwet 1988]

 

Artikel 6.2

[Wijzigt de Monumentenwet 1988]

 

Artikel 6.3

(vervallen)

 

Hoofdstuk VII. Verkeer en Waterstaat

 

Artikel 7.1

[Wijzigt de Luchtvaartwet]

 

Artikel 7.2

[Wijzigt de Luchtvaartwet]

 

Artikel 7.3

[Wijzigt de Wet luchtvaart]

 

Artikel 7.4

[Wijzigt de Wet luchtvaart]

 

Artikel 7.5

[Wijzigt de Ontgrondingenwet]

 

Artikel 7.6

[Wijzigt de Ontgrondingenwet]

 

Artikel 7.7

[Wijzigt de Planwet verkeer en vervoer]

 

Artikel 7.8

[Wijzigt de Spoedwet wegverbreding]

 

Artikel 7.9

[Wijzigt de Tracwet]

 

Artikel 7.10

[Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit]

 

Artikel 7.11

[Wijzigt de Wet op de waterkering]

 

Hoofdstuk VIII. Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

 

Artikel 8.1

[Wijzigt de Huisvestingswet]

 

Artikel 8.2

[Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering]

 

Artikel 8.2.a

[Wijzigt de Reconstructiewet Midden-Delfland]

 

Artikel 8.3

[Wijzigt de Waterleidingwet]

 

Artikel 8.4

[Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij]

 

Artikel 8.5

[Wijzigt de Wet bodembescherming]

 

Artikel 8.6

[Wijzigt de Wet buitenspeelruimte]

 

Artikel 8.7

[Wijzigt de Wet geluidhinder]

 

Artikel 8.8

[Wijzigt de Wet milieubeheer]

 

Artikel 8.9

[Wijzigt deze wet]

 

Artikel 8.10

[Wijzigt de Wet milieubeheer]

 

Artikel 8.11

[Wijzigt de Wet op de Raad voor de Wadden]

 

Artikel 8.12

[Wijzigt de Wet op de VROM-raad]

 

Artikel 8.13

[Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening]

 

Artikel 8.14

[Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening]

 

Artikel 8.15

[Wijzigt de Wijzigingswet Huisvestingswet, enz. (integratie van de woonwagen- en woonschepenregelgeving)]

 

Artikel 8.16

[Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten]

 

Artikel 8.17

[Wijzigt de Woningwet]

 

Artikel 8.18

Vervallen.

 

Artikel 8.19

[Wijzigt de Woningwet]

 

Artikel 8.20

De Woningwet 1962 wordt ingetrokken.

 

Hoofdstuk IX. Overgangsrecht

 

Afdeling 9.1. Overgangsrecht Wet op de Ruimtelijke Ordening WRO

 

Artikel 9.1.1

De Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt ingetrokken.

 

Artikel 9.1.2

1.Een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een streekplan als bedoeld in artikel 4a van die wet, een structuurplan als bedoeld in artikel 7 van die wet of een regionaal structuurplan als bedoeld in artikel 36c van die wet wordt gelijkgesteld met een structuurvisie als bedoeld in de artikelen 2.3, 2.2, 2.1 onderscheidenlijk 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening.

2.Het recht zoals dat gold vr het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip, totdat de geldingsduur van de planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of anderszins bij wet bepaald, is verstreken. Indien bij de planologische kernbeslissing geen termijn is bepaald en hierin evenmin bij wet is voorzien, blijft het recht zoals dat gold vr het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, nog gedurende twee jaar na dat tijdstip van toepassing.

3.Het tweede lid is niet van toepassing op een herziening of intrekking van de planologische kernbeslissing binnen de in dat lid bedoelde geldingsduur.

4.Het recht zoals dat gold vr het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een streekplan als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een structuurplan als bedoeld in artikel 7 van die wet of een regionaal structuurplan als bedoeld in artikel 36c van die wet, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip, totdat de termijn ingevolge artikel 5, onderscheidenlijk artikel 33 of 36g van die wet is verstreken.

5.Regionale belangen, opgenomen in een regionaal structuurplan, worden voor de toepassing van artikel 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening aangemerkt als provinciale belangen.

 

Artikel 9.1.3

Het recht zoals dat gold vr het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een opdracht en aanwijzingen als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die binnen dertien weken na dat tijdstip zijn bekendgemaakt.

 

Artikel 9.1.4

1. Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vr het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vr dat tijdstip ter inzage is gelegd, met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening kan worden ingediend.

3. Voor gebieden binnen de bebouwde kom, waar op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog geen bestemmingsplan of daarmee gelijkgestelde planologische maatregel van kracht is, wordt binnen vijf jaar na dat tijdstip een bestemmingsplan dan wel een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening vastgesteld.

4. Voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat ten minste vijf jaar voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet onherroepelijk is geworden en waarvoor vr dit tijdstip geen vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wordt binnen vijf jaar na dat tijdstip een bestemmingsplan vastgesteld overeenkomstig artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet. Voor een gebied waarvoor een bestemmingsplan geldt dat minder dan vijf jaar voor genoemd tijdstip onherroepelijk is geworden, wordt binnen tien jaar na de datum van het onherroepelijk worden van dat plan een nieuw bestemmingsplan vastgesteld overeenkomstig artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet. Indien niet aan de verplichting, bedoeld in de eerste of tweede volzin, wordt voldaan is na afloop van bedoelde termijn artikel 3.1, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.

5. [Dit lid is nog niet in werking getreden]

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x