Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

 

WET  BEKOSTIGING  FINANCIEEL  TOEZICHT

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 24 mei 2012, houdende regels met betrekking tot de financiering van het toezicht op de financiėle markten (Wet bekostiging financieel toezicht)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenselijk is om de bekostiging van het financieel toezicht helder en in samenhang met andere bepalingen omtrent het financieel beheer van dit toezicht, overzichtelijk in één wet vast te leggen;
     Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder:

a. Autoriteit Financiėle Markten: Stichting Autoriteit Financiėle Markten;

b. de Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

c. de toezichthouder: Autoriteit Financiėle Markten of de Nederlandsche Bank, ieder voor zover betrokken bij het toezicht ingevolge:

1° de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet;

2° de Pensioenwet;

3° de Pensioenwet BES;

4° de Sanctiewet 1977;

5° de Wet bekostiging financieel toezicht;

6° de Wet financiėle markten BES;

7° de Wet giraal effectenverkeer;

8° de Wet handhaving consumentenbescherming;

9° de Wet inzake de geldtransactiekantoren;

10° de Wet op het financieel toezicht;

11° de Wet op het notarisambt;

12° de Wet privatisering ABP;

13° de Wet privatisering FVP;

14° de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;

15° de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES;

16° de Wet toezicht accountantsorganisaties;

17° de Wet toezicht effectenverkeer 1995;

18° de Wet toezicht financiėle verslaggeving;

19° de Wet toezicht trustkantoren;

20° de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

21° de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;

22° EU-rechtshandelingen;

d. eenmalige toezichthandeling: een in bijlage I genoemde handeling van de toezichthouder, welke handeling plaatsvindt krachtens een van de wetten en besluiten, bedoeld in onderdeel c, uitgezonderd de onder 6° en 15° bedoelde wetten;

e. Onze Ministers: Onze Minister van Financiėn en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

f. overige kosten: alle kosten van de toezichthouder, uitgezonderd:

1° de kosten van eenmalige toezichthandelingen;

2° de kosten verband houdend met de betrokkenheid van de toezichthouder bij de wetten, bedoeld in onderdeel c, onder 6° en 15°;

g. personen: natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen, waaronder personenvennootschappen, of daarmee vergelijkbare lichamen of samenwerkingsverbanden;

h. toezicht: de betrokkenheid van de toezichthouder bij de wetten en bindende besluiten, bedoeld in onderdeel c, alsmede de betrokkenheid van de toezichthouder bij de totstandkoming van nieuwe wetten en bindende besluiten aangaande het toezicht op de financiėle markten.

Artikel 1a

Tot de betrokkenheid van de Nederlandsche Bank bij het toezicht ingevolge de in artikel 1, onderdeel c, genoemde wetten en de in dat onderdeel bedoelde EU-rechtshandelingen, wordt voor de toepassing van deze wet niet gerekend:

a. het toezicht door de Nederlandsche Bank ten aanzien van afwikkelondernemingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht;

b. de uitvoering en handhaving, bedoeld in artikel 1:24, derde lid, van de Wet op het financieel toezicht, van regels gesteld bij of krachtens:

1° verordening (EU) nr. 260/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van technische en bedrijfsmatige vereisten voor overmakingen en automatische afschrijvingen in euro en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 924/2009 (PbEU 2012 L 94);

2° de titels III, IV en V van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PbEU 2012, L 201).

Artikel 2

1. De toezichthouder zendt de begroting, bedoeld in artikel 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, jaarlijks voor 1 december aan Onze Ministers.

2. In de begroting brengt de toezichthouder een onderscheid aan naar:

a. de kosten van eenmalige toezichthandelingen;

b. de kosten verband houdend met zijn betrokkenheid bij het toezicht ingevolge de wetten, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° en 15°;

c. de overige kosten.

3. Voor de toepassing van artikel 27, vierde lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt met betrekking tot de begroting van de Nederlandsche Bank voor «laatst goedgekeurde jaarrekening» gelezen: laatst goedgekeurde verantwoording als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet bekostiging financieel toezicht.

4. De begroting van de Nederlandsche Bank heeft slechts betrekking op het toezicht.

Artikel 3

1. Goedkeuring als bedoeld in artikel 29 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen wordt niet onthouden dan nadat de toezichthouder in de gelegenheid is gesteld de begroting aan te passen, binnen een door Onze Ministers gezamenlijk te stellen redelijke termijn.

2. De toezichthouder doet na goedkeuring van de begroting onverwijld mededeling van de begroting in de Staatscourant en houdt de begroting gedurende ten minste twee jaar na goedkeuring op elektronische wijze ter inzage.

3. Indien de begroting niet voor 1 januari van het begrotingsjaar waarop zij betrekking heeft, is goedgekeurd, kan de toezichthouder, zolang de begroting niet is goedgekeurd, voor het aangaan van verplichtingen en het verrichten van uitgaven beschikken over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van de bedragen die bij de overeenkomstige onderdelen van de begroting van het voorafgaande jaar waren toegestaan.

Artikel 4

Bij ministeriėle regeling van Onze Ministers gezamenlijk kunnen regels worden gesteld voor de inrichting van de begroting.

Artikel 5

1. De Autoriteit Financiėle Markten stelt de jaarrekening, bedoeld in artikel 34 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, jaarlijks voor

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x