Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

 

WET  LOKAAL  SPOOR

Tekst zoals deze geldt op 18 juli 2014

 

 

 

 
Nadere regelgeving:
- Geen

 

WET van 10 juli 2013, houdende regels over de aanleg, het beheer, het gebruik en de veiligheid van lokale spoorwegen (Wet lokaal spoor)

 

     WIJ WILLEM-ALEXANDER, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de regels inzake de aanleg, het beheer, het gebruik en de veiligheid van lokale spoorwegen te moderniseren en de verantwoordelijkheid van de decentrale overheden voor de lokale spoorweginfrastructuur vast te leggen;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

beheerder: beheerder van de lokale spoorweginfrastructuur die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18, eerste lid;

dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van een plusregio;

Locaalspoor- en Tramwegwet: Wet van 9 juli 1900, houdende nadere regeling van den dienst en het gebruik van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd (Stb. 1900, 118);

lokaal spoorwegverkeerssysteem: verkeerssysteem van de krachtens artikel 2, tweede lid, als zodanig aangewezen lokale spoorweg;

lokale spoorweg: spoorweg die krachtens artikel 2, eerste lid, als zodanig is aangewezen;

lokale spoorweginfrastructuur: de elementen, bedoeld in artikel 2, vijfde lid;

Metroreglement: Besluit van 30 oktober 1981, houdende vaststelling van een Algemeen reglement voor de stadsspoorwegen (Stb. 1981, 700);

Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

plusregio: regio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ís-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat;

rechthebbende: eigenaar, bezitter of degene die een recht van erfpacht, opstal, vruchtgebruik, gebruik, huur of pacht heeft;

Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen: Besluit van 25 januari 1977, houdende vaststelling van een algemeen reglement voor de dienst op de hoofd- en lokaalspoorwegen (Stb. 1977, 152);

richtlijn 95/18/EG: richtlijn 95/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995 betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (PbEG 1995, L 143);

richtlijn 2001/14/EG: richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur (PbEG 2001, L 75);

richtlijn 2004/49/EG: richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen, en van Richtlijn 2001/14/EG van de Raad inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PbEG 2004, L 164);

richtlijn 2007/59/EG: richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (PbEU 2007, L 315);

richtlijn 2008/57/EG: richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PbEU 2008, L 191);

spoorvoertuig: voertuig, bestemd voor verkeer over de lokale spoorweg;

toezichthouder: de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen, bedoeld in artikel 42, eerste lid;

vervoerder: onderneming die met een spoorvoertuig vervoer verricht over een lokale spoorweg;

wegbeheerder: overheden, genoemd in de artikelen 15 tot en met 17 van de Wegenwet dan wel de plusregio voor zover het wegbeheer krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen door de wegbeheerder aan de plusregio is overgedragen;

weggebruiker: weggebruiker als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

Wet aanleg locaalspoor- en tramwegen: Wet van 15 december 1917, houdende voorschriften omtrent aanleg en instandhouding van spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, op wegen niet onder beheer van het Rijk (Stb. 1917, 703);

Wet zwerfstroomen: Wet van 1 november 1924, houdende wettelijke maatregelen tegen aantasting van metalen voorwerpen in den bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische spoor- en tramwegen (Stb. 1924, 498).

Artikel 2

1. Lokale spoorwegen worden bij koninklijk besluit aangewezen.

2. Een spoorweg kan als lokale spoorweg worden aangewezen, indien de spoorweg:

a. is bestemd voor openbaar personenvervoer met stads-, voorstads- of regionale spoorvervoerdiensten of voor goederenvervoer; en

b. geen hoofdspoorweg is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Spoorwegwet.

3. Indien een lokale spoorweg niet meer voldoet aan het tweede lid, wordt de aanwijzing als lokale spoorweg ingetrokken.

4. Een besluit tot aanwijzing dan wel intrekking van een aanwijzing als lokale spoorweg wordt bekendgemaakt in het Staatsblad.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de elementen aangewezen die tot de lokale spoorweginfrastructuur behoren.

Artikel 3

1. De hoofdstukken 2 tot en met 10 zijn uitsluitend van toepassing op lokale spoorwegen die uitgesloten kunnen worden van het toepassingsgebied van richtlijn 2001/14/EG en van de uitvoeringsmaatregelen bij richtlijn 2008/57/EG en richtlijn 2004/49/EG.

2. Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, zijn lokale spoorwegen als bedoeld in het eerste lid uitgesloten van het toepassingsgebied van richtlijn 2001/14/EG en van de uitvoeringsmaatregelen bij richtlijn 2008/57/EG en richtlijn 2004/49/EG. Vervoerders die gebruik maken van een dergelijke lokale spoorweg zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van richtlijn 95/18/EG. Bestuurders op een dergelijke spoorweg zijn vrijgesteld van de uitvoeringsmaatregelen bij richtlijn 2007/59/EG.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden over lokale spoorwegen die niet uitgesloten kunnen worden van het toepassingsgebied van richtlijn 2001/14/EG en van de uitvoeringsmaatregelen bij richtlijn 2008/57/EG en richtlijn 2004/49/EG.

4. De regels, bedoeld in het derde lid, kunnen in ieder geval inhouden het geheel of gedeeltelijk van toepassing verklaren van deze wet, de Spoorwegwet of de op die wetten berustende bepalingen.

5. In het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 2, wordt vermeld of het een lokale spoorweg als bedoeld in het eerste of het derde lid betreft.

Hoofdstuk 2. Zorg voor de veiligheid op en nabij de lokale spoorwegen [Treedt in werking per 01-12-2015]

Artikel 4 [Treedt in werking per 01-12-2015]

1. Gedeputeerde staten dragen zorg voor de aanleg en het beheer van de lokale spoorweginfrastructuur in het gebied van de provincie voor zover die infrastructuur niet is gelegen in het gebied van de plusregio.

2. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de aanleg en het beheer van de lokale spoorweginfrastructuur, voor zover die gelegen is in het gebied van de plusregio.

3. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur kunnen hun bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 9, tweede lid, 10 derde lid, 11, 12, 17, derde lid, 18, 20, vierde lid, 21, tweede, derde en vierde lid, 22, tweede lid, 24, eerste lid, 32, tweede en vijfde lid, 33, derde lid, 34, eerste en zesde lid, en 35, tweede lid, overdragen aan het college van burgemeester en wethouders van een van de in het gebied van die provincie of plusregio liggende gemeenten.

Artikel 5 [Treedt in werking per 01-12-2015]

1. De lokale spoorweginfrastructuur wordt zodanig aangelegd dat de lokale spoorweginfrastructuur:

a. in goede staat verkeert, betrouwbaar en beschikbaar is;

b. geschikt is voor het gebruik waarvoor zij is bestemd;

c. bij normaal gebruik geen gevaar of schade oplevert voor personen of zaken; en

d. veilig en doelmatig met de toegestane maximumsnelheid kan worden bereden.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels omtrent dit artikel worden gesteld.

Artikel 6 [Treedt in werking per 01-12-2015]

1. Onverminderd artikel 5, eerste lid, wordt nieuwe ondergrondse lokale spoorweginfrastructuur zodanig aangelegd dat:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x