Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Ambtenarenwet (AW)

 

RIJKSWACHTGELDBESLUIT  1959

Tekst zoals deze geldt op 22 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 31 augustus 1959, houdende vaststelling van een nieuwe regeling tot toekenning van wachtgeld bij ontslag aan burgerlijke rijksambtenaren

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 17 juli 1959, nr. A 592/U 2395, Hoofdafdeling Overheidspersoneelszaken, Afdeling Algemene en Juridische Zaken;
     Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929;
     De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 1959, nr. 21);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken a.i., van 26 augustus 1959, nr. A 592/2756, Hoofdafdeling Overheidspersoneelszaken, Afdeling Algemene en Juridische Zaken;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Begripsomschrijvingen

 

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

b. Stichting Pensioenfonds ABP: de Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet privatisering ABP;

c. pensioenreglement: het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP;

d. pensioen: een pensioen krachtens het pensioenreglement;

e. arbeidsongeschiktheidspensioen: invaliditeitspensioen krachtens het pensioenreglement zoals dat luidde op 31 december 2006 dan wel ABP ArbeidsongeschiktheidsPensioen krachtens het pensioenreglement;

f. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 5 van laatstgenoemde wet;

g. arbeidsongeschiktheidsuitkering: uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringdan wel arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen respectievelijk werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van laatstgenoemde wet;

h. suppletie: een suppletie krachtens de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector rijk;

i. lichamen: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtpersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen.

 

Artikel 2

1. Dit besluit verstaat onder betrokkene: de ambtenaar in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dan wel de ambtenaar in vaste dienst in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, met uitzondering van de burgemeester, aan wie eervol ontslag is verleend:

a. in het kader van een reorganisatie indien het niet mogelijk is gebleken om hem te herplaatsen in een passende functie;

b. wegens verplaatsing van de dienst of het dienstvak of onderdeel daarvan, waarbij hij werkzaam is;

c. omdat hij - na een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, te hebben aanvaard, en in verband daarmede van de waarneming van zijn ambt tijdelijk te zijn ontheven, na vervolgens te hebben opgehouden vorenbedoelde functie te bekleden - naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kon worden hersteld;

d. omdat hij, na afloop van verlof van lange duur, verleend met toepassing van artikel 34, uitgezonderd het derde en vijfde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement dan wel met toepassing van een overeenkomstige regeling, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kon worden hersteld.

e. omdat hij is opgehouden de functie van substituut-ombudsman te bekleden;

f. omdat hij een benoeming tot minister of staatssecretaris heeft aanvaard;

g. wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem in vaste dienst beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;

h. wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;

i. op zijn aanvraag in verband met de aanvaarding van een functie buiten de overheid voorzover de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in artikel 49d of 49e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement danwel als bedoeld in de artikelen 84d of 84e van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal en hij binnen twee jaar nadat hij een functie heeft aanvaard buiten de overheid, buiten zijn schuld of toedoen wordt ontslagen.

2. Geen betrokkene in de zin van dit besluit is:

a. hij te wiens aanzien de toekenning van wachtgeld bij de wet is geregeld;

b. hij die laatstelijk een betrekking bekleedde waarin hij geen deelnemer was in de zin van het pensioenreglement;

c. hij aan wie eervol ontslag is verleend in de zin van het eerste lid, onderdelen a tot en met i, en die deswege recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 6 of 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

 

Artikel 3

1.Dit besluit verstaat onder diensttijd, voorzover gelegen voor 1 januari 1996: de tijd zoals die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet; voorzover gelegen op of na 1 januari 1996: de tijd gedurende welke de betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP; in beide gevallen met uitzondering van de tijd:

a. die voorafgaat aan een ontslag uit een betrekking waaraan een functioneel leeftijdsontslag is verbonden, mits uit hoofde van dat ontslag een uitkering is toegekend;

b. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een wachtgeld of van een uitkering ter zake van onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid, tenzij voor de toepassing van artikel 6, tweede en derde lid, en van artikel 7, eerste lid;

c. die voorafgaat aan een onderbreking in de diensttijd door ontslag van langer dan een jaar, tenzij voor de toepassing van artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, en van artikel 7, eerste lid;

d. bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;

e. in een aangehouden betrekking.

2.Voor de toepassing van het eerste lid, van artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, en van artikel 7, eerste lid, wordt in voorkomend geval diensttijd, bedoeld in artikel D 1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals deze luidde op 31 december 1995, mede in aanmerking genomen. Het verzoek als bedoeld in artikel D2 van genoemde wet wordt daarbij geacht te zijn gedaan.

3.Voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP, wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld, met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.

 

Artikel 3a

1.Dit besluit verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.

2.Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 4

1. Dit besluit verstaat onder bezoldiging: de bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend over een maand, waarop de betrokkene op de dag voorafgaande aan zijn ontslag aanspraak had of bij waarneming van zijn functie zou hebben gehad.

2. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde gelden de toelagen, bedoeld in de artikelen 14 en 18, eerste lid, van voornoemd besluit en de over die toelagen berekende vakantie-uitkering niet als deel van de bezoldiging.

3. Indien de betrokkene geen ambtenaar is in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt als bezoldiging hetgeen overeenkomt met het eerste en tweede lid.

4. Indien de door een betrokkene over de laatste aan het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden genoten bezoldiging in de zin van het in het eerste lid genoemde besluit, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt, alsmede de over die maanden genoten vakantie-uitkering dan wel verkregen aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Ambtenarenwet | alle wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x