|
BESLUIT van 31 augustus 1959, houdende vaststelling van een nieuwe
regeling tot toekenning van wachtgeld bij ontslag aan burgerlijke rijksambtenaren
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken van 17 juli 1959, nr. A 592/U 2395, Hoofdafdeling
Overheidspersoneelszaken, Afdeling Algemene en Juridische Zaken;
Gelet op artikel 125, eerste lid, van de
Ambtenarenwet 1929;
De Raad van State gehoord (advies van 11
augustus 1959, nr. 21);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Binnenlandse Zaken a.i., van 26 augustus 1959, nr. A 592/2756,
Hoofdafdeling Overheidspersoneelszaken, Afdeling Algemene en Juridische
Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
b. Stichting Pensioenfonds ABP: de
Stichting Pensioenfonds ABP, bedoeld in artikel 6 van de Wet
privatisering ABP;
c. pensioenreglement: het
pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP;
d. pensioen: een pensioen krachtens
het pensioenreglement;
e. arbeidsongeschiktheidspensioen:
invaliditeitspensioen krachtens het pensioenreglement zoals dat
luidde op 31 december 2006 dan wel ABP
ArbeidsongeschiktheidsPensioen krachtens het pensioenreglement;
f. arbeidsongeschiktheid:
arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of in de zin van artikel
4, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan
wel gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 5 van
laatstgenoemde wet;
g. arbeidsongeschiktheidsuitkering:
uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekeringdan wel
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen respectievelijk
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in
hoofdstuk 7 van laatstgenoemde wet;
h. suppletie: een suppletie krachtens
de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector rijk;
i. lichamen: rechtspersonen, maat- en
vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtpersoonlijkheid die
met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld,
ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen.
Artikel 2
1. Dit besluit verstaat onder
betrokkene: de ambtenaar in de zin van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 dan wel de ambtenaar in vaste dienst
in de zin van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, met uitzondering
van de burgemeester, aan wie eervol ontslag is verleend:
a. in het kader van een
reorganisatie indien het niet mogelijk is gebleken om hem te
herplaatsen in een passende functie;
b. wegens verplaatsing van de
dienst of het dienstvak of onderdeel daarvan, waarbij hij werkzaam
is;
c. omdat hij - na een functie in
een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen,
te hebben aanvaard, en in verband daarmede van de waarneming van
zijn ambt tijdelijk te zijn ontheven, na vervolgens te hebben
opgehouden vorenbedoelde functie te bekleden - naar het oordeel
van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kon worden hersteld;
d. omdat hij, na afloop van verlof
van lange duur, verleend met toepassing van artikel 34,
uitgezonderd het derde en vijfde lid, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement dan wel met toepassing van een
overeenkomstige regeling, naar het oordeel van het bevoegd gezag
niet in actieve dienst kon worden hersteld.
e. omdat hij is opgehouden de
functie van substituut-ombudsman te bekleden;
f. omdat hij een benoeming tot
minister of staatssecretaris heeft aanvaard;
g. wegens onbekwaamheid of
ongeschiktheid voor het door hem in vaste dienst beklede ambt,
anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
h. wegens ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
i. op zijn aanvraag in verband met
de aanvaarding van een functie buiten de overheid voorzover de
ambtenaar is aangewezen als herplaatsingskandidaat als bedoeld in
artikel 49d of 49e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement
danwel als bedoeld in de artikelen 84d of 84e van het
Ambtenarenreglement Staten-Generaal en hij binnen twee jaar nadat
hij een functie heeft aanvaard buiten de overheid, buiten zijn
schuld of toedoen wordt ontslagen.
2. Geen betrokkene in de zin van dit
besluit is:
a. hij te wiens aanzien de
toekenning van wachtgeld bij de wet is geregeld;
b. hij die laatstelijk een
betrekking bekleedde waarin hij geen deelnemer was in de zin van
het pensioenreglement;
c. hij aan wie eervol ontslag is
verleend in de zin van het eerste lid, onderdelen a tot en met i,
en die deswege recht heeft op een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet, het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij
werkloosheid voor de sector Rijk of een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 6 of 7 van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Artikel 3
1.Dit besluit verstaat onder
diensttijd, voorzover gelegen voor 1 januari 1996: de tijd zoals die
voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de
pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet;
voorzover gelegen op of na 1 januari 1996: de tijd gedurende welke de
betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering
ABP; in beide gevallen met uitzondering van de tijd:
a. die voorafgaat aan een ontslag
uit een betrekking waaraan een functioneel leeftijdsontslag is
verbonden, mits uit hoofde van dat ontslag een uitkering is
toegekend;
b. die in aanmerking is genomen bij
de berekening van de duur van een wachtgeld of van een uitkering
ter zake van onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid,
tenzij voor de toepassing van artikel 6, tweede en derde lid, en
van artikel 7, eerste lid;
c. die voorafgaat aan een
onderbreking in de diensttijd door ontslag van langer dan een
jaar, tenzij voor de toepassing van artikel 6a, derde tot en met
vijfde lid, en van artikel 7, eerste lid;
d. bedoeld in artikel 5.4 van het
pensioenreglement;
e. in een aangehouden betrekking.
2.Voor de toepassing van het eerste
lid, van artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, en van artikel 7,
eerste lid, wordt in voorkomend geval diensttijd, bedoeld in artikel D
1, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet zoals deze
luidde op 31 december 1995, mede in aanmerking genomen. Het verzoek
als bedoeld in artikel D2 van genoemde wet wordt daarbij geacht te
zijn gedaan.
3.Voor zover diensttijd die bij de
berekening van het wachtgeld in aanmerking is genomen, met een
overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds
ABP, wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld,
met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.
Artikel 3a
1.Dit besluit verstaat onder
dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke
arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een
lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.
2.Het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 4
1. Dit besluit verstaat onder
bezoldiging: de bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit
Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 vermeerderd met de vakantie-uitkering
en de eindejaarsuitkering, berekend over een maand, waarop de
betrokkene op de dag voorafgaande aan zijn ontslag aanspraak had of
bij waarneming van zijn functie zou hebben gehad.
2. In afwijking van het in het eerste
lid bepaalde gelden de toelagen, bedoeld in de artikelen 14 en 18,
eerste lid, van voornoemd besluit en de over die toelagen berekende
vakantie-uitkering niet als deel van de bezoldiging.
3. Indien de betrokkene geen ambtenaar
is in de zin van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984 geldt als bezoldiging hetgeen overeenkomt met het eerste en
tweede lid.
4. Indien de door een betrokkene over
de laatste aan het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden
genoten bezoldiging in de zin van het in het eerste lid genoemde
besluit, dan wel hetgeen daarmee overeenkomt, alsmede de over die
maanden genoten vakantie-uitkering dan wel verkregen aanspraak daarop
geheel of gedeeltelijk uit wisselende inkomsten waaronder begrepen de
evengenoemde aanspraken bestonden, geldt in zoverre in afwijking van
het eerste lid als bezoldiging, met inachtneming van het tweede en
derde lid, het gemiddelde van die inkomsten.
5. De bezoldiging, omschreven in het
eerste tot en met vierde lid, wordt aangepast overeenkomstig een
algemene wijziging van het salaris, van de vakantie-uitkering en van
de eindejaarsuitkering van het burgerlijk rijkspersoneel, met ingang
van de dag waarop die wijziging van het salaris, de vakantie-uitkering
respectievelijk de eindejaarsuitkering van kracht wordt.
6. Voor betrekkingen die geleidelijk
worden opgeheven, alsmede in bijzondere gevallen, kan Onze Minister
van het hiervoren bepaalde ten gunste van de betrokkene afwijken.
Artikel 4a
1.Zolang de betrokkene de leeftijd van
55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie van zijn woonplaats als werkzoekende te
doen inschrijven uiterlijk op de eerste werkdag, volgende op die
waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.
2.De betrokkene, die op de dag van het
ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien
metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd
van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen
inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het
oordeel van Onze Minister vergelijkbaar is met de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
3.Onze Minister kan bepalen dat de in
het eerste en tweede lid omschreven verplichting niet geldt voor
bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55
jaar nog niet hebben bereikt.
Recht op wachtgeld
Artikel 5
1. De betrokkene, bedoeld in artikel 2,
eerste lid, de onderdelen a tot en met i, heeft recht op wachtgeld met
ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene:
a. ter zake van dat ontslag recht
heeft op een pensioen wegens het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd;
b. op dat moment recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;
c. ter zake van dat ontslag recht
heeft op een suppletie.
2. De betrokkene, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag
waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is
vastgesteld dan 80%. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te
rekenen van de datum van ontslag wegens ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Ter bepaling van de duur van
het wachtgeld wordt:
a. voor de toepassing van artikel 6
als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate
van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
vastgesteld, waarbij voor de toepassing van artikel 6, vierde lid,
tevens een arbeidsongeschiktheidsuitkering, eventueel vermeerderd
met een arbeidsongeschiktheidspensioen vastgesteld naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt
genomen;
b. voor de toepassing van artikel
6a als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan
betrokkene ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
3. De betrokkene, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel c, heeft na afloop van de suppletie recht op wachtgeld,
indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid,
onderdeel c, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij
arbeidsongeschikt is verklaard, recht zou hebben op wachtgeld waarbij
de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 6a van dit besluit.
Het wachtgeld gaat in op de eerste dag
volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 8, onderdeel
a, van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector
rijk is geëindigd.
Het wachtgeld eindigt op het tijdstip
waarop het wachtgeld dat, te rekenen van de dag waarop het ontslag is
ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 6a, bij het buiten
toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c, zou zijn geëindigd.
Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 7 van toepassing, met dien
verstande dat gerekend wordt van het tijdstip waarop het ontslag is
ingegaan.
4. Geen recht op wachtgeld heeft de
betrokkene bedoeld:
a. in artikel 2, eerste lid,
onderdeel a, die andere mede in verband met zijn persoonlijkheid
en omstandigheden voor hem passende werkzaamheden heeft geweigerd
te aanvaarden;
b. in artikel 2, eerste lid,
onderdelen a tot en met f, aan wie schriftelijk is medegedeeld dat
hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling
een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met zijn
persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passend is te achten,
heeft geweigerd te aanvaarden;
c. in artikel 2, eerste lid,
onderdeel g, indien Onze Minister, gehoord Onze Minister, hoofd
van het daarbij betrokken departement van algemeen bestuur, van
oordeel is dat het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
wijten.
5. Het vierde lid is niet van
toepassing indien de betrokkene op de dag van ingang van zijn ontslag
de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.
6. Onze Minister beslist over de
toekenning van wachtgeld op aanvraag door de betrokkene.
Duur van het wachtgeld
Artikel 6
1. De duur van het wachtgeld is 6
maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.
2. Indien de betrokkene in de periode
van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten minste
gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
werkzaam is geweest, wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:
|
3 maanden |
bij een arbeidsverleden van ten
minste |
5 jaar; |
|
0,5 jaar |
bij een arbeidsverleden van ten
minste |
10 jaar; |
|
1 jaar |
bij een arbeidsverleden van ten
minste |
15 jaar; |
|
1,5 jaar |
bij een arbeidsverleden van ten
minste |
20 jaar; |
|
2 jaar |
bij een arbeidsverleden van ten
minste |
25 jaar; |
|
2,5 jaar |
bij een arbeidsverleden van ten
minste |
30 jaar; |
|
3,5 jaar |
bij een arbeidsverleden van ten
minste |
35 jaar, en |
|
4,5 jaar |
bij een arbeidsverleden van ten
minste |
40 jaar. |
3. Het arbeidsverleden, bedoeld in
het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van:
a. perioden, gelegen in de 5 jaar
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, waarover de
betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van
de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren
per week werkzaam te zijn geweest, en
b. de periode gelegen tussen de
18e verjaardag van de betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor
het ontslag.
4. Perioden, waarin een betrokkene:
a. recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet vermeerderd
met een arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of
zou zijn berekend;
b. ter zake van een
dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk
arbeidsongeschiktheidspensioen was verzekerd, recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage
ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage
als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van het
dagloon in de zin van de Suppletieregeling gedeeltelijk
arbeidsongeschikten sector rijk, waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op
grond van hoofdstuk III van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond
van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het
dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou
zijn berekend;
d. na beëindiging van zijn
dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de
Ziektewet over de maximale duur bedoeld in artikel 29, tweede
lid, van die wet;
e. een uitkering ontvangt, die
naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld
onder a of d;
worden, indien deze uitkeringen
worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8
of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van
drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in
de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in
het derde lid.
5. Voor de periode van drie jaar
bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf
jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag bedoeld in het derde
lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden
behorend kind:
a. beneden de leeftijd van 6 jaar
verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of
meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft
ontvangen als bedoeld in het vierde lid, volledig, en
b. vanaf de leeftijd van 6 jaar
doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze
persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam
is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het
vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.
6. Voor de toepassing van het vijfde
lid worden als perioden van verzorging niet meegeteld de periode
waarin:
a. de verzorgende persoon als
werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake
werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van
werkloosheid; en
b. de verzorging buiten Nederland
plaatsvindt anders dan tijdens vakantie.
7. Indien er in een gezamenlijke
huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde
lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon
van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig
hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt
aangewezen, is Onze Minister bevoegd een van hen die naar zijn
oordeel als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig
aan te wijzen.
8. Voor de toepassing van het vijfde
en zevende lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen,
aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een
kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
9. De regels die gesteld zijn
krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet, zijn
van overeenkomstige toepassing.
10. In bijzondere gevallen kan Onze
Minister na afloop van de in het eerste en tweede lid bedoelde
termijnen de duur van het wachtgeld verlengen.
Artikel 6a
1.In afwijking van artikel 6, wordt,
indien dit leidt tot een langere wachtgeldduur, waarin tevens voor
zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het
vierde lid, is begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld
overeenkomstig de volgende leden.
2.De duur van het wachtgeld wordt
vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:
a. die op de dag van ontslag de
leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk
aan 18% van de diensttijd;
b. die op de dag van ontslag 21
jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo
vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;
c. die op de dag van ontslag 60
jaar of ouder is, met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.
3.Ten aanzien van de betrokkene die bij
de aanvang van de in het tweede lid bedoelde diensttijd in het genot
was van wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste
en tweede lid van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is
vastgesteld krachtens artikel 8a, tweede lid, van de
Uitkeringsregeling 1966, wordt bij de berekening van de duur van het
wachtgeld op basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de
diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder
toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in aanmerking
is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur van het eerder
toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering, met
uitzondering van de verlenging bedoeld in het volgende lid, in
mindering gebracht.
4.In aanvulling op de duur van het
wachtgeld van de betrokkene die ten tijde van het ontslag 55 jaar of
ouder is en een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten
minste tien jaar heeft volbracht, wordt na afloop van de termijn
waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging verleend.
Deze bijzondere verlenging duurt tot de eerste dag van de
kalendermaand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft
bereikt.
5.In bijzondere gevallen kan Onze
Minister na afloop van de in het eerste en tweede lid bedoelde
termijnen de duur van het wachtgeld verlengen.
Vervolgwachtgeld
Artikel 6b
1.De betrokkene, die het einde van de
wachtgeldduur, bedoeld in artikel 6, tweede lid, heeft bereikt, heeft
in aansluiting op dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.
2.De betrokkene die
a. het einde van de wachtgeldduur
bedoeld in artikel 6, eerste lid, heeft bereikt en
b. voldoet aan de voorwaarde,
bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a of b, doch
uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op
verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een
vervolgwachtgeld.
3.Behoudens het gestelde in de volgende
leden is de duur van het vervolgwachtgeld een jaar.
4.De duur van het vervolgwachtgeld voor
de betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is,
bedraagt drie en een half jaar.
5.De betrokkene aan wie uitsluitend
ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 6a een wachtgeld is
toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 6,
tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou
zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 6.
Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in
de vorige volzin bedoelde datum.
6.De betrokkene die op de dag van zijn
ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie uitsluitend ingevolge het
eerste en tweede lid van artikel 6a een wachtgeld is toegekend en die
voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel
a of b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en
een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd,
wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 6. Het
vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar
na de in de vorige volzin bedoelde datum.
7.Tenzij uitdrukkelijk anders is
bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld van overeenkomstige
toepassing op het vervolgwachtgeld.
Bedrag van het wachtgeld
Artikel 7
1.Het bedrag van het wachtgeld is
gedurende de eerste 12 maanden gelijk aan 80% van de bezoldiging,
gedurende de daaropvolgende zes maanden 75% van die bezoldiging en
vervolgens 70% van die bezoldiging. Het bedrag van het wachtgeld daalt
echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene
recht zou hebben, indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht
op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn
gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en
de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
pensioenreglement.
2.Het bedrag van het wachtgeld tijdens
de verlenging, bedoeld in artikel 6a, vierde lid, is gelijk aan 70%
van de bezoldiging.
3.In afwijking van het eerste lid is
het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging bedoeld in artikel
6a, vijfde lid, ten hoogste 50% van de bezoldiging.
Bedrag van het vervolgwachtgeld
Artikel 7a
1.Het bedrag van het vervolgwachtgeld
is gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit
meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.
2.Voor de toepassing van dit artikel
wordt onder minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23
jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon bedoeld in
artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide
vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in
artikel 15 van die wet.
Inkomsten uit of in verband met arbeid of
bedrijf
Artikel 8
1. De inkomsten die de betrokkene
geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter
hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag, ter zake
waarvan het wachtgeld is toegekend, hem is aangezegd of door hem is
aangevraagd, worden met het wachtgeld verrekend over de maand waarop
deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
hebben. Deze verrekening geschiedt aldus dat het wachtgeld wordt
verminderd met het bedrag waarmede het wachtgeld, vermeerderd met die
inkomsten, de bezoldiging overschrijdt. Voor de bepaling van het
bedrag waarmede het wachtgeld vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld
in de eerste volzin de bezoldiging overschrijdt, wordt een
vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 17,
eerste lid, niet in aanmerking genomen.
2. Ten aanzien van de betrokkene aan
wie een wachtgeld is toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte ontslag is verleend uit de
betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte
tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het
pensioenreglement, worden inkomsten, bedoeld in het eerste lid als
volgt verrekend. De inkomsten die betrokkene geniet of gaat genieten
uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang
van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond uit de betrekking die
door betrokkene als wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de
maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking
te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt
deze verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende
wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, eventueel vermeerderd met een
arbeidsongeschiktheidspensioen al dan niet aangevuld met een wachtgeld
of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met
arbeid of bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende
uitkering de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering
verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.
3. Het in het eerste lid bepaalde vindt
overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband
met arbeid of bedrijf ter hand genomen gedurende non-activiteit,
vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, terzake
waarvan het wachtgeld is toegekend.
4. Wanneer de betrokkene arbeid of
bedrijf ter hand heeft genomen vóór de dag van het ontslag, anders
dan bedoeld in het eerste en derde lid, en na die dag uit die arbeid
of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten, is het
eerste lid van toepassing, tenzij de betrokkene aannemelijk maakt, dat
die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan
noch het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid noch verband
houden met het ontslag, in welk geval die inkomsten, die meerdere
inkomsten of dat gedeelte daarvan niet in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het eerste lid.
5. In bijzondere gevallen kan Onze
Minister van het hiervoren bepaalde ten gunste van de betrokkene
afwijken.
Artikel 9
1.De betrokkene is verplicht van het
ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen
aan Onze Minister onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten,
die hij uit die werkzaamheden zal trekken. Zijn de inkomsten niet
vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van
elke wachtgeldtermijn opgave van de inkomsten, die hij sinds het ter
hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft
genoten. Onze Minister geeft nadere voorschriften aangaande het doen
van mededelingen door de betrokkene met betrekking tot de inkomsten
uit of in verband met arbeid of bedrijf.
2.Brengt de aard van de werkzaamheden
of van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn
moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en
wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast van een voorlopig
vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het einde van
de evenbedoelde termijn. Ten aanzien van deze verrekening is artikel 8
van toepassing, met dien verstande, dat zij geschiedt over de in de
vorige volzin bedoelde langere termijn in plaats van over iedere maand
afzonderlijk.
3.Onze Minister kan bij de vaststelling
van het bedrag van de vermindering van de opgave van de betrokkene
afwijken.
4.Het in de voorgaande leden bepaalde
vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf
en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 8, derde en vierde lid.
5.Zolang de betrokkene de leeftijd van
55 jaar niet heeft bereikt is hij verplicht zich te gedragen naar de
voorschriften, welke hem door Onze Minister worden gegeven om tot het
verkrijgen van een ambt of betrekking of andere bron van inkomsten te
geraken.
6.De betrokkene aan wie wachtgeld is
toegekend, wordt door het aanvaarden van het wachtgeld geacht er in
toe te stemmen, dat allen, die daarvoor naar het oordeel van Onze
Minister in aanmerking komen, omtrent zijn omstandigheden alle
inlichtingen geven, welke voor de uitvoering van dit besluit
noodzakelijk zijn.
Artikel 10
Onze Minister kan bepalen, dat inkomsten,
welke zijn genoten uit hoofde van overwerk, bij wijze van gratificatie,
terzake van een vrijwillige verbintenis bij het Korps Nationale Reserve,
als vrijwillige ambtenaar bij de politie, of bij andere door Onze
Minister aan te wijzen reserve-organen, geheel of ten dele niet worden
aangemerkt als inkomsten.
Artikel 10a
1.Indien de betrokkene ongeschikt is
tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, is hij verplicht daarvan
terstond mededeling te doen aan Onze Minister. De betrokkene is
eveneens verplicht zijn herstel terstond te melden.
2.Het wachtgeld wordt niet uitbetaald
voor de duur dat de betrokkene de in het eerste lid bedoelde
verplichting niet nakomt.
Geneeskundig onderzoek
Artikel 11
Indien de betrokkene ongeschikt is tot
het verrichten van arbeid wegens ziekte, kan hij door Onze Minister
worden verplicht zich geneeskundig te doen onderzoeken.
Artikel 12 [Vervallen per 01-04-1991]
Einde en verval van het recht op
wachtgeld
Artikel 13
1. Het recht op wachtgeld eindigt:
a. met ingang van de eerste dag van
de kalendermaand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd
van 65 jaar heeft bereikt;
b. met ingang van de dag volgende
op die waarop de betrokkene is overleden;
c. indien het recht op wachtgeld
geheel wordt afgekocht;
e. op aanvraag van betrokkene.
2. Het recht op wachtgeld eindigt met
ingang van de dag waarop betrokkene recht verkrijgt op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 5, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit herleefde
wachtgeld de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van
artikel 6a, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum
van ontslag.
3. Het recht op wachtgeld kan geheel of
ten dele vervallen worden verklaard indien de betrokkene:
a. zich zodanig gedraagt, dat hij,
ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen;
b. de gegevens, die noodzakelijk
zijn voor de vaststelling of de vermindering van het wachtgeld
niet, niet volledig, of onjuist verstrekt;
c. de in artikel 4a, eerste en
tweede lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de
door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse
instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen
verlengen;
d. als ingeschrevene bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse instantie
van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een oproeping
of aanwijzing van die organisatie dan wel die instantie, die kan
leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem passend kan
worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te aanvaarden;
e. niet ernstig tracht werk te
vinden.
4. Het recht op wachtgeld vervalt
wanneer de daartoe strekkende aanvraag als bedoeld in artikel 5, zesde
lid, niet binnen een termijn van vijf jaren na het ontstaan van dat
recht bij Onze Minister is ingekomen.
Vermindering en niet-uitbetaling van het
wachtgeld
Artikel 14
1. Indien de betrokkene:
a. een hem aangeboden ambt of
betrekking, welke hem in verband met zijn persoonlijkheid en
omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, weigert te
aanvaarden;
b. in de gelegenheid is om op een
wijze, die voor hem passend kan worden geacht, inkomsten te
verkrijgen, daarvan geen gebruik maakt;
c. inkomsten, als bedoeld in
artikel 8 zonder voldoende reden prijs geeft, dan wel door eigen
schuld of toedoen verloren doet gaan;
wordt het wachtgeld verminderd met het
bedrag, waarmede het wachtgeld vermeerderd met de verzuimde, dan wel
met de prijs gegeven of verloren gegane inkomsten de bezoldiging zou
hebben overschreden.
2. Het wachtgeld wordt niet uitbetaald
voor de duur dat de betrokkene:
a. de hem opgelegde verplichtingen
niet of niet volledig nakomt;
b. metterwoon verblijf gaat houden
in het buitenland tenzij Onze Minister, op een door betrokkene
daartoe gedane aanvraag, anders beslist;
c. geen
arbeidsongeschiktheidsuitkering aanvraagt dan wel weigert mee te
werken aan een onderzoek tot vaststelling van zijn
arbeidsongeschiktheid ter verkrijging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
d. niet als werkzoekende bij de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel de buitenlandse instantie
van arbeidsbemiddeling staat ingeschreven, tenzij hij aantoont dat
hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om te voldoen aan de
in artikel 4a, eerste en tweede lid, gestelde verplichting.
Afkoop van het recht op wachtgeld
Artikel 15
Op aanvraag van de betrokkene kan het
recht op wachtgeld geheel of ten dele worden afgekocht.
Opschorting
Artikel 16
1.Ten aanzien van de betrokkene aan wie
wachtgeld is toegekend en die uit hoofde van ziekte aanspraak heeft of
krijgt op doorbetaling van zijn bezoldiging, wordt de verdere
uitvoering van dit besluit opgeschort tot het einde van het tijdvak
waarover die aanspraak bestaat.
2.Het eerste lid vindt overeenkomstige
toepassing in het geval doorbetaling van bezoldiging plaatsvindt op
grond van artikel 95, achtste lid, van het Algemeen
Rijksambtenarenreglement.
3.Ten aanzien van de betrokkene aan wie
wachtgeld is toegekend en die zich ingevolge wettelijke verplichting
als militair of als noodwachter in werkelijke dienst bevindt of moet
begeven, wordt op een daartoe strekkende aanvraag de verdere
uitvoering van dit besluit voor de duur van die dienst opgeschort.
4.Het vorige lid is van overeenkomstige
toepassing ingeval de betrokkene is tewerkgesteld als
gewetensbezwaarde in de zin van artikel 9 van de Wet Gewetensbezwaren
militaire dienst.
Samenloop van wachtgeld en
invaliditeitspensioen dan wel uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Artikel 17
1. Indien de betrokkene ter zake van
dezelfde dienstverhouding aanspraak heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, eventueel vermeerderd met een
arbeidsongeschiktheidspensioen, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag
van het wachtgeld met het hierna genoemde percentage verminderd. Deze
vermindering bedraagt bij een mate van arbeidsongeschiktheid van
|
65% tot 80%: |
80%; |
|
55% tot 65%: |
60%; |
|
45% tot 55%: |
50%; |
|
35% tot 45%: |
40%; |
|
25% tot 35%: |
30%; |
|
15% tot 25%: |
20%; |
|
minder dan 15%: |
0%. |
2. De som van de uitkering, bedoeld
in het eerste lid, eventueel vermeerderd met het
arbeidsongeschiktheidspensioen, en het verminderde wachtgeld
bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat wordt
genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van
overschrijding van bedoeld onverminderd wachtgeld wordt het
overschrijdende bedrag op het verminderde wachtgeld in mindering
gebracht.
Tegemoetkoming verhuiskosten
Artikel 18
Aan de betrokkene aan wie wachtgeld is
toegekend, die elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, kan ter
zake van de kosten, die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing zijn
verbonden, een tegemoetkoming worden toegekend tot ten hoogste het
bedrag van een vergoeding volgens de normen van het
Verplaatsingskostenbesluit 1989.
Betaling
Artikel 19
1.Het wachtgeld, over een maand
berekend, wordt in maandelijkse termijnen betaald. Met toestemming van
de betrokkene kan de uitbetaling in langere termijnen geschieden.
2.Zo spoedig mogelijk na het overlijden
van de betrokkene aan wie wachtgeld is toegekend, wordt aan de weduwe
of weduwnaar, van wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde,
een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van
drie maanden. Wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast
krachtens de artikelen 8, 9 of 14, of wordt artikel 13, derde lid,
toegepast, dan is de uitkering gelijk aan het bedrag van het
wachtgeld, dat de betrokkene op de dag van het overlijden ontving,
over een tijdvak van drie maanden. Bij overlijden in de periode van
opschorting van het wachtgeld krachtens artikel 16, eerste lid bestaat
geen aanspraak op een uitkering als in dit artikel bedoeld.
3.In dit artikel wordt onder weduwe of
weduwnaar mede verstaan de achtergebleven levenspartner met wie de
niet-gehuwde betrokkene samenwoonde en – met het oogmerk duurzaam
samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis
van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de
wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en
gemeenschappelijke huishouding alsmede de achtergebleven
geregistreerde partner. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als
weduwe of weduwnaar worden aangemerkt.
Onze Minister kan verlangen dat een
schriftelijke verklaring van een notaris wordt overgelegd waaruit
blijkt dat een samenlevingscontract is gesloten.
4.Laat de overledene geen weduwe of
weduwnaar na, van wie hij, onderscheidenlijk zij, niet duurzaam
gescheiden leefde, dan geschiedt de uitkering van het in het tweede
lid bedoelde bedrag ten behoeve van de minderjarige wettige of
natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen
waarover de overledene ten tijde van het overlijden de pleegouderlijke
zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het
onderhoud en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind,
onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van
een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan
geschiedt de uitkering van het in het tweede lid bedoelde bedrag, aan
degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de inkomsten
van de overledene.
5.Op de uitkering bedoeld in het tweede
of derde lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering
waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van
diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens artikel 102a, van
het Algemeen Rijksambtenarenreglement, indien op de dag van overlijden
artikel 17 van toepassing is.
6.Laat de overledene geen betrekkingen,
als bedoeld in het tweede en derde lid na, dan kan het aldaar bedoelde
bedrag geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de
kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn
nalatenschap voor de betaling van die kosten ontoereikend is.
Beroep
Artikel 20 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 21 [Vervallen per 01-04-1991]
Artikel 22 [Vervallen per 01-04-1991]
Slotbepalingen
Artikel 23
De Algemene Termijnenwet (Stb.
1964, 314) is niet van toepassing op de termijnen gesteld in artikel 6,
eerste en tweede lid, artikel 6a, tweede lid, artikel 6b, derde tot en
met zesde lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 19, tweede lid.
Artikel 24
1. Dit besluit treedt in werking met
ingang van de eerste dag van de maand volgend op die, waarin het in
het Staatsblad is geplaatst, en kan worden aangehaald als
Rijkswachtgeldbesluit 1959.
2. Met ingang van de in het voorgaande
lid bedoelde dag vervalt het Koninklijk besluit van de 3e augustus
1922 (Stb. 479).
Onze
Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit
besluit, hetwelk in het Staatsblad zal
worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
Soestdijk, 31 augustus 1959
JULIANA
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
E.H. Toxopeus Uitgegeven de vijftiende
september 1959
De Minister van Justitie,
A.C.W. Beerman
|