Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen

 

REGLEMENT  JUSTITIňLE  JEUGDINRICHTINGEN

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 5 juli 2001, houdende vaststelling van het Reglement justitiŽle jeugdinrichtingen en daarmee verband houdende wijziging van enkele besluiten (Reglement justitiŽle jeugdinrichtingen)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 26 februari 2001, 5082413/01/6, gedaan in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 7, vijfde lid, 8, derde lid, 20, tweede lid, 21, tweede lid, 30, vijfde lid, 31, vijfde lid, 37, tweede lid, 46, vierde lid, 47, vijfde lid, 52, vijfde lid, 63, tweede lid , 66, vierde lid, 70, tweede lid, en 72, vierde lid, van de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen, de artikelen 66, tweede lid, 67, eerste lid en 68 van de Wet op de jeugdhulpverlening, artikel 77ff, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, artikel 15 van de Gratiewet, artikel 19b, vierde lid, van de Ziektewet, de artikelen 19a, vijfde lid, en 47b, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de artikelen 7b, vijfde lid, en 21b, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de artikelen 6b, vijfde lid, en 20a, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 19, achtste lid, van de Werkloosheidswet, artikel 32c, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, artikel 9, vierde lid, van de Algemene bijstandswet, artikel 6, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 6, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en artikel 5, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars en artikel 16, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
     De Raad van State gehoord (advies van 7 mei 2001, nr.
W03.01.0116/I);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Justitie van 3 juli 2001, 5102134/01/6, uitgebracht in overeenstemming met de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de Beginselenwet justitiŽle jeugdinrichtingen;

b. executie-indicator: de aantekening van het openbaar ministerie bij het aanbieden van een vonnis ter executie aan Onze Minister waarin wordt aangegeven dat het openbaar ministerie wil adviseren over te nemen beslissingen inzake de verschillende vormen van te verlenen vrijheden en deelname aan een scholings- en trainingsprogramma aan de betrokken jeugdige;

c. jeugdreclassering: een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder c en d, van die wet.

d. reclassering: een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Reclasseringsregeling 1995;

e. raad voor de kinderbescherming: de raad, bedoeld in artikel 238, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

f. stichting: een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

2. Onder een jeugdige wordt voor de uitvoering van dit besluit mede verstaan een jongvolwassene die ten tijde van het plegen van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren wel maar de leeftijd van 23 jaren nog niet had bereikt en ten aanzien van wie recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht.

Hoofdstuk 2. Scholings- en trainingsprogramma

Artikel 2

1. Een scholings- en trainingsprogramma omvat minimaal 26 uur per week aan activiteiten waaraan door de deelnemer aan dat scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen.

2. De activiteiten in een scholings- en trainingsprogramma zijn gericht op:

a. het aanleren van bepaalde sociale vaardigheden,

b. het bieden van onderwijs,

c. het vergroten van de kans op arbeid na het einde van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel,

d. het bieden van bijzondere zorg aan de deelnemer, zoals verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of verstandelijk gehandicaptenzorg,

e. het invullen van de vrije tijd, of

f. geven op andere wijze invulling aan het met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel aanwenden van de tenuitvoerlegging daarvan aan de opvoeding dan wel behandeling van de jeugdige en de voorbereiding van diens terugkeer in de maatschappij.

3. Van een scholings- en trainingsprogramma wordt een schriftelijke omschrijving gemaakt. Deze omvat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten, een regeling van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma, de begeleiding van en het toezicht op de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma, de melding van bijzondere voorvallen en de wijze en de frequentie van rapporteren over de deelnemer aan het scholings- en trainingsprogramma. Wanneer het scholings- en trainingsprogramma voor meerdere jeugdigen is bedoeld wordt tevens de doelgroep van het programma omschreven.

4. Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure voor de erkenning van een scholings- en trainingsprogramma en over de kwaliteitseisen waaraan een scholings- en trainingsprogramma moet voldoen.

Artikel 3

Voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma komen niet in aanmerking:

a. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie nog een andere strafvervolging is ingesteld, waarbij een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is gevorderd;

b. tot vrijheidsstraf veroordeelde jeugdigen ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een tevens opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen nog moet aanvangen;

c. voorlopig gehechte jeugdigen;

d. jeugdigen ten aanzien van wie vaststaat dat zij, na de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, Nederland dienen te verlaten dan wel zullen worden uitgezet of uitgeleverd;

e. de jeugdigen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de wet.

Artikel 4

1. Een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in de inrichting plaatsvindt, neemt deel aan een scholings- en trainingsprogramma, indien:

a. de jeugdige tenminste tweederde van de hem opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf heeft ondergaan, en

b. het strafrestant minimaal drie maanden bedraagt.

2. Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, heeft een maximale duur van drie maanden.

Artikel 5

1. Een tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde jeugdige kan in aanmerking komen voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma.

2. Het scholings- en trainingsprogramma, bedoeld in het eerste lid, neemt op zijn vroegst een aanvang:

a. drie maanden voor het voorwaardelijke einde van de maatregel die maximaal drie jaren duurt;

b. zes maanden voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die meer dan drie jaar en minder dan vijf jaren duurt, of;

c. een jaar voor het voorwaardelijk einde van de maatregel die maximaal zeven jaren duurt.

3. In bijzondere gevallen kan voor een langere duur worden deelgenomen aan een scholings- en trainingsprogramma.

Artikel 6

Jeugdigen die op grond van artikel 29k van de Wet op de jeugdzorg in een inrichting verblijven komen niet in aanmerking voor deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, tenzij de deelname aan dit programma reeds een aanvang had genomen voor het tijdstip waarop de in artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg bedoelde machtiging werd verleend.

Artikel 7 [Vervallen per 01-07-2011]

Artikel 8

1. De directeur vraagt een machtiging tot deelname aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de wet schriftelijk aan bij Onze Minister. De directeur doet in zijn aanvraag verslag van de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, en vermeldt de voorwaarden bedoeld in artikel 12, eerste lid. De aanvraag vermeldt voorts de duur van de deelname aan het scholings- en trainingsprogramma.

2. De directeur voegt bij de aanvraag het advies van het openbaar ministerie, indien de aanvraag betrekking heeft op een jeugdige ten aanzien van wie het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven. De aanvraag wordt opgesteld in samenwerking met de jeugdreclassering, dan wel de reclassering in het arrondissement waarin aan het scholings- en trainingsprogramma wordt deelgenomen. De raad voor de kinderbescherming wordt door de directeur in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen.

3. De directeur overlegt met de jeugdige alvorens hij zijn aanvraag opstelt.

4. Bij het opstellen van de aanvraag betrekt de directeur zo veel mogelijk de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, tenzij:

a. deze te kennen geven hierbij geen rol te willen vervullen, of

b. zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten.

5. Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, op de aanvraag van de directeur. Onze Minister betrekt in zijn beslissing de aspecten, bedoeld in artikel 9, eerste en tweede lid, en de voorwaarden, bedoeld in artikel 12, eerste lid.

6. Onze Minister kan een machtiging tot deelname aan het programma weigeren, indien:

a. de aanvraag niet voldoet aan de eisen gesteld in het eerste lid;

b. naar zijn oordeel het karakter van vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met de wijze waarop het programma is vormgegeven onverenigbaar is, of;

c. dat het programma naar zijn oordeel niet zal bijdragen aan een geslaagde terugkeer in de samenleving.

7. De beslissing wordt schriftelijk medegedeeld aan de directeur en de jeugdreclassering, dan wel de reclassering die aan de aanvraag heeft meegewerkt, alsmede, voor zover het een minderjarige jeugdige betreft, aan de raad voor de kinderbescherming.

8. Onze Minister kan nadere regels stellen over de deelname aan een scholings- en trainingsprogramma, de procedure voor het aanvragen en het verlenen van een machtiging tot deelname en de intrekking daarvan.

Artikel 9

1. Bij zijn beslissing om een jeugdige in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een scholings- en trainingsprogramma betrekt de directeur in ieder geval de volgende aspecten:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | de wet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x