Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Boek 7 Burgerlijk Wetboek (Boek 7 BW)

 

BESLUIT  FONDSEN  EN  SPAARREGELINGEN

Tekst zoals deze geldt op 23 juli 2014

 

 

 

 
BESLUIT van 23 januari 1973 ter uitvoering van artikel 1637s, tweede lid, onderdeel c en d, Burgerlijk Wetboek

 

     WIJ JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

     Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Sociale Zaken van 31 augustus 1972, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 422/672.
     Gelet op artikel 1637s, tweede lid, onderdeel c en d, van het Burgerlijk Wetboek;
     Gezien het advies van de Sociaal-Economische Raad van 21 april 1972, nr. 4;
     De Raad van State gehoord (advies van 1 november 1972, nr. 21);
     Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 2 januari 1973, Stafafdeling Wetgeving Privaatrecht, nr. 652/672 en van 9 januari 1973, Directoraat-Generaal voor Algemene Beleidsaangelegenheden, Directie Bedrijfsorganisatie, Ondernemingsraden en Bezitsvorming, Afdeling Bezitsvorming, nr. 60093;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk I. Fondsen

Titel 1. Algemeen

Artikel 1

Een fonds als bedoeld in artikel 1637s, tweede lid, onder c, van het Burgerlijk Wetboek moet een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zijn. Indien het een fonds betreft ter behartiging van algemene belangen van bedrijfsgenoten in een bedrijfstak gezamenlijk, dienen statuten en reglementen te voldoen aan de voorschriften gesteld in titel 2. Betreft het een ander fonds, dan moeten de statuten en reglementen voldoen aan de voorschriften gesteld in titel 3.

Titel 2. Fondsen ter behartiging van algemene belangen van bedrijfsgenoten in een bedrijfstak gezamenlijk

Artikel 1a

1. De statuten of reglementen moeten bepalen dat aan de verplichting van de werknemers tot het bijdragen aan het fonds ten grondslag moet liggen:

hetzij een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst;

hetzij een algemeen verbindend verklaarde bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst;

hetzij een regeling krachtens artikel 5 of artikel 6 van de Wet op de loonvorming (Stb. 1970, 69);

hetzij een verordening van een bedrijf of een hoofdbedrijfschap.

2. Uit de in het eerste lid bedoelde bepaling moet tevens blijken, welk bedrag ten behoeve van het fonds door de werkgever op het loon van de werknemers mag worden ingehouden.

Artikel 1b

De statuten of reglementen van het fonds moeten de doelstelling inhouden, met een nauwkeurige aanduiding van de belangen die het fonds behartigt en de bedrijfstak waarin het werkt.

Artikel 1c

Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten voor tenminste éénderde bestaan uit vertegenwoordigers van werknemers, met dien verstande dat het aantal vertegenwoordigers van werknemers tenminste gelijk dient te zijn aan het aantal vertegenwoordigers van werkgevers.

Artikel 1d

1. Het bestuur van het fonds moet ingevolge de statuten met het beheer van het fondsvermogen zijn belast.

2. De statuten moeten bepalingen inhouden betreffende:

a. de wijze van beheer van het vermogen van het fonds, waaronder begrepen de wijze van belegging van de daartoe beschikbare gelden, welke bepalingen waarborgen dienen in te houden, dat de belegging op solide wijze geschiedt;

b. de plaats waar de aan het fonds toebehorende gelden, effecten en andere bescheiden worden bewaard;

c. de vaststelling en de wijze van verrekening van de kosten van het beheer.

Artikel 1e

De statuten of reglementen van het fonds moeten voorts bepalingen inhouden betreffende:

a. de wijze waarop het bestuur van het fonds wordt samengesteld;

b. de bestemming van het vermogen van het fonds in geval van vereffening.

Artikel 1f

1. Het bestuur van het fonds stelt ingevolge de statuten jaarlijks een verslag op, dat een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van het fonds en van de ontwikkeling daarvan gedurende het boekjaar. Het bestuur legt in het verslag rekenschap af van het gevoerde beleid.

2. Het verslag moet zijn gecontroleerd door een registeraccountant of andere accountant die bevoegd is een verklaring omtrent de getrouwheid van het verslag af te leggen.

3. Het verslag wordt ter inzage van de bij het fonds betrokken werkgevers en werknemers neergelegd:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

 

   

home | Boek 7 BW | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x