Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Pensioenwet (PW)

 

REGELING  PENSIOENWET  EN  WET  VERPLICHTE  BEROEPSPENSIOENREGELING

Tekst zoals deze geldt op 24 juli 2014

 

 

 

 
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel 2, derde lid, 70, tweede lid, 109, zevende lid, en 158 van de Pensioenwet, artikel 81, tweede lid en 153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 9, vierde lid, 23, vierde lid, 25, eerste en vijfde lid, en 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12, derde lid en 22, vierde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen, artikel 50, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, vierde lid, en artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;
     Met betrekking tot de artikelen 32, 33 en 34 handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie;

     Besluit:

 

 

Hoofdstuk 1. Regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling

Paragraaf 1. Aanwijzingen

Artikel 1. Aangewezen werknemers

Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen:

a. de personen die in de Generale regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt;

b. de bestuurders van vennootschappen als bedoeld in artikel 132, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, met uitsluiting van de directeur-grootaandeelhouder.

Artikel 1a. Stichting Pensioenregister

Als instelling als bedoeld in artikel 51, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 62, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt aangewezen de Stichting Pensioenregister.

Artikel 2. Aangewezen instellingen

Als instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 81, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de in bijlage 1 genoemde instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen.

Artikel 3. Aangewezen verenigingen

Als verenigingen, op wie tot 1 januari 2009 het vierde tot en met zesde lid van artikel 109 van de Pensioenwet niet van toepassing zijn, zijn aangewezen:

a. de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen (ANBO);

b. de Nederlandse Bond voor Oudere Migranten (NISBO);

c. de Nederlandse Vereniging van Organisaties van Gepensioneerden (NVOG);

d. de Protestants Christelijke Ouderen Bond (PCOB); en

e. de Unie van Katholieke Bonden van Ouderen (Unie KBO).

Paragraaf 1a. Tijdelijke regeling pensioenknip

3a. Gelijkstelling met pensioen

1. De uitkeringen, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden gelijkgesteld met pensioen in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien wordt voldaan aan de artikelen 3b en 3c en de pensioendatum ligt voor 1 januari 2014.

2. Indien het pensioen, bedoeld in het eerste lid, ouderdomspensioen is, voldoet dit ouderdomspensioen aan artikel 15 van de Pensioenwet of artikel 31 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3b. De tijdelijke uitkering

1. De duur van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bedraagt ten hoogste vijf jaar.

2. De hoogte van de tijdelijke uitkering wordt vastgesteld op de hoogte die een levenslange uitkering op de pensioendatum zou hebben.

3. Indien bij het vaststellen van de hoogte van de tijdelijke uitkering artikel 63, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet of artikel 75, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling in acht is genomen, voldoet het pensioen aan artikel 63 van de Pensioenwet of artikel 75 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

3c. De levenslange uitkering

1. De levenslange uitkering, bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt ingekocht tijdens de uitkeringsperiode van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b.

2. Indien de pensioengerechtigde in het laatste jaar van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, niet binnen een door de pensioenuitvoerder gestelde termijn overgaat tot inkoop van een levenslange uitkering, gaat de pensioenuitvoerder over tot aanwending van het resterend kapitaal, bedoeld in artikel 3d, voor een levenslange uitkering.

3. De hoogte van de levenslange uitkering varieert na ingang niet.

3d. Resterend kapitaal

1. Het kapitaal dat na aankoop van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, resteert wordt door de pensioenuitvoerder zodanig samengesteld dat de risicoís vergelijkbaar of lager zijn dan voor de aankoop van de tijdelijke uitkering.

2. Indien de pensioengerechtigde de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, adviseert de pensioenuitvoerder de pensioengerechtigde over de spreiding van de beleggingen conform het eerste lid.

3. In de uitkeringsperiode van de tijdelijke uitkering, bedoeld in artikel 3b, ontvangt de pensioengerechtigde, naast de informatie die op grond van artikel 44 van de Pensioenwet of artikel 55 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt, voor zover van toepassing ten minste een keer per jaar informatie over:

a. de hoogte van het resterende kapitaal; en

b. de hoogte van de met dit kapitaal te kopen uitkering.

3e. Verplichting pensioenuitvoerder

1. De pensioenuitvoerder is verplicht om op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde mee te werken aan een splitsing als bedoeld in artikel 2, negende lid, van de Pensioenwet of artikel 2, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling indien het op de pensioendatum beschikbaar komende kapitaal tenminste Ä 10.000 bedraagt en met inachtneming van de artikelen 3a tot en met 3d.

2. De pensioenuitvoerder informeert de daarvoor in aanmerking komende deelnemer, gewezen deelnemer of andere aanspraakgerechtigde tijdig over hetgeen in deze paragraaf is bepaald.

Paragraaf 2. Informatie over toeslagverlening en de voorwaardelijkheidsverklaring

Artikel 4. Vaststelling toeslagenlabel

1. De kwalitatieve en beeldende maatstaf waarin de informatie over toeslagverlening wordt uitgedrukt als bedoeld in artikel 48, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 59, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is het toeslagenlabel.

2. In het toeslagenlabel worden de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening, bedoeld in artikel 48, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 59, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling weergegeven als volgt:

a. de verwachte toeslagverlening in de komende 15 jaar; en

b. de toeslagverlening in een pessimistisch scenario in de komende 15 jaar.

3. De berekening van de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening, bedoeld in het tweede lid, wordt door fondsen uitgevoerd in een continuÔteitsanalyse en door verzekeraars met het rekeninstrument voor verzekeraars, bedoeld in artikel 4b.

4. De verwachte toeslagverlening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt bepaald als de verwachtingswaarde van de verdeling van uitkomsten op basis van het pensioenresultaat. De toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald als het 5%-risicopercentiel van de verdeling van uitkomsten op basis van het pensioenresultaat.

5. Het pensioenresultaat, bedoeld in het vierde lid, wordt gedefinieerd als: 1 plus de cumulatieve toeslagverlening in de komende 15 jaar gedeeld door 1 plus de cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer in de komende 15 jaar en vermenigvuldigd met 100%.

6. De cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in het vijfde lid, wordt berekend op basis van de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling parameters pensioenfondsen.

7. De verwachte toeslagverlening en de toeslagverlening in een pessimistisch scenario, bedoeld in het tweede lid, worden beiden afgezet tegen de cumulatieve groeivoet van het prijsindexcijfer en ingedeeld in een categorie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de volgende categorieŽn:

 

 

 


Klik hier om de volledige, bijgewerkte pagina te verkrijgen.



 

 

 

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Pensioenwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x