St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Waterwet

 

WATERREGELING

Tekst zoals deze geldt op 29 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013

 

 

 

 
REGELING houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterregeling)

     De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
     Gelet op artikel 7.5, eerste en vierde lid, van de Waterwet en de artikelen 2.3, tweede lid, 3.1, eerste en tweede lid, 3.3, 3.4, derde en zevende lid, 4.13, 4.18, 6.2, 6.7, eerste lid, 6.11, eerste en derde lid, 6.12, tweede lid, onderdeel f, en derde lid, 6.13, tweede lid, 6.15, tweede en derde lid, 6.16, tweede lid, 6.17, 6.19, 6.21, eerste lid, 6.22, derde lid, en 6.23, eerste lid, van het Waterbesluit;

     Besluiten:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

besluit: Waterbesluit;

minister: minister van Infrastructuur en Milieu.

 

Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen

 

Artikel 2.1

Als categorieën van bedrijven of bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit worden aangewezen de bedrijven en bedrijfsactiviteiten die zijn vermeld in bijlage I bij deze regeling.

 

Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer

 

§ 1. Beheer van oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden

 

Artikel 3.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

waterkwaliteitsbeheer: uitvoeren en handhaven van bij of krachtens de wet gestelde regels met betrekking tot lozen als bedoeld in artikel 6.1 of 7.1 van de wet of de verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam;

waterkwantiteitsbeheer: uitvoeren en handhaven van bij of krachtens de wet gestelde regels ten aanzien van peilbesluiten of het brengen van water in of het onttrekken van water uit oppervlaktewaterlichamen;

waterstaatkundig beheer: beheer van oppervlaktewaterlichamen, anders dan waterkwaliteitsbeheer of waterkwantiteitsbeheer.

 

Artikel 3.2

1. Het waterkwaliteitsbeheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze gelegen zijn binnen de grenzen als aangegeven op de kaart inbijlage II bij deze regeling.

2. Het waterkwantiteitsbeheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze zijn gelegen binnen de grenzen als aangegeven op de kaart inbijlage III bij deze regeling.

3. Het waterstaatkundig beheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze zijn gelegen binnen de grenzen als aangegeven op de kaart inbijlage IV bij deze regeling.

 

Artikel 3.3

1. Als drogere oevergebieden als bedoeld in artikel 3.3, onderdeel b, van het besluit worden aangewezen de gebieden, die als zodanig zijn begrensd op de kaart in bijlage II.

2. Tot de drogere oevergebieden, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:

a. de binnen de in bijlage II opgenomen begrenzing van drogere oevergebieden vallende oppervlaktewaterlichamen;

b. de kunstwerken die deel uitmaken van die oppervlaktewaterlichamen.

 

Artikel 3.4

1. In afwijking van artikel 3.2 wordt de grens van het oppervlaktewaterlichaam Noordzee aan de zeezijde gevormd door de grenzen van de Nederlandse Exclusieve Economische Zone en de grenzen van de Nederlandse territoriale wateren.

2. In afwijking van artikel 3.2 wordt de grens van de oppervlaktewaterlichamen Noordzee en de Waddenzee aan de landzijde gevormd door de duinvoet, voor zover zij niet overgaan in andere oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk. Indien geen duinvoet aanwezig is, worden de grenzen van deze oppervlaktewaterlichamen gevormd door de buitenkruinlijn van de primaire waterkering. Het gebied tussen de duinvoet en de grenzen als aangegeven op de kaarten in debijlagen II, III en IV bij deze regeling is in beheer bij het Rijk.

3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden op en rond de Waddeneilanden de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen Noordzee en Waddenzee gevormd door de op de kaarten in de bijlagen II, III, en IVopgenomen grenzen.

4. Het beheer van de Noordzee, de Waddenzee, de Eems en de Dollard in de gebieden die zijn aangewezen op de kaarten in de bijlagen II, III en IVvan deze regeling, berust bij het Rijk voor zover de Staat der Nederlanden bevoegdheden heeft op grond van het Eems-Dollard Verdrag.

 

Artikel 3.5

1. De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee op Terschelling zijn niet in beheer bij het Rijk:

a. de voormalige rijkshaven bij West-Terschelling, inclusief de keermuur langs de Willem Barentszkade, de glooiingen Dellewal en Groene Strand, de Westhavendam, hoofd P, de Oosthavendam, de kaden, de loskade Dellewal, het opslagterrein, de houten steigers en de Plaat, met uitzondering van de aanleginrichting voor de veerdienst van Terschelling naar Harlingen en de hiervoor niet met name genoemde dammen;

b. de binnen de gemeente Terschelling gelegen zeven strandovergangen met bijbehorende werken en voorzieningen en het parkeerterrein bij de strandovergang paal 18 (Oosterend).

2. De damwand en aanleginrichtingen van de veerdam op Schiermonnikoog en de terreingedeelten, die bij de veermaatschappij in pacht zijn, met uitzondering van het weglichaam op de veerdam en de verhardingen en taluds daarvan, maken onderdeel uit van het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee en zijn in beheer bij het Rijk.

3. De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee te Harlingen zijn niet in beheer bij het Rijk:

a. de voormalige rijkshavenwerken te Harlingen, bestaande uit de Voorhaven, de Willemshaven en de Nieuwe Willemshaven;

b. de tot deze havens behorende kunstwerken, te weten de havendammen, wegen, kaden, waterkering, steigers en kompaspaal en alle overige tot de haven behorende werken, met uitzondering van het kantonniersverblijf nabij de visafslag, de aanleginrichting voor de veerdiensten van Harlingen naar Terschelling en Vlieland, de aanlegsteiger aan de Zuiderhavendam en de drijvende steiger in de vluchthaven met de daarbij behorende opstal.

4. De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee te Ameland zijn niet in beheer bij het Rijk:

a. de veerdam bij Nes Ameland, met uitzondering van de aanleginrichting voor de veerdienst van Nes Ameland naar Holwerd inclusief de reserve-ligplaats aan de oostzijde van de veerdam;

b. de losstoep in de Ballumerbocht;

c. het fietspad door de duinen lopend vanaf de zuidzijde van het Hollumerbos tot de Oerderduinen;

d. de binnen de gemeente Ameland gelegen 36 strandovergangen, met bijbehorende werken en voorzieningen.

 

Artikel 3.6

In afwijking van artikel 3.2, is de begrenzing van het beheergebied van het Rijk voor waterkwaliteitsbeheer, waterkwantiteitsbeheer en waterstaatkundig beheer in het oppervlaktewaterlichaam Grensmaas gelijk aan de landsgrens tussen Nederland en België.

 

Artikel 3.7

In afwijking van artikel 3.2, tweede lid, berust het waterkwantiteitsbeheer, voor zover dat in het reglement van het waterschap Blija Buitendijks aan dat waterschap is opgedragen, niet bij het Rijk.

 

§ 2. Regels met betrekking tot het verstrekken van informatie

 

Artikel 3.8

1. De gegevens, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, worden uiterlijk op 22 juni 2014, op 22 juni 2015 en vervolgens elke 6 jaar na die tijdstippen verstrekt.

2. De resultaten, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, worden uiterlijk op 22 juni 2013 en vervolgens elke 6 jaar verstrekt.

3. De gegevens, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, worden uiterlijk op 22 juni 2012 en vervolgens elke 6 jaar verstrekt.

4. De website, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het besluit, is het KRW-portaal http://krw.ncqi.nl.

5. Voor de verstrekking van de gegevens en resultaten, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, van het besluit, wordt gebruik gemaakt van de in bijlage Vbij deze regeling opgenomen formulieren.

 

Hoofdstuk 4. Plannen

 

Artikel 4.1

Een regionaal waterplan omvat mede een overzicht van de toestandsklasse per stof en kwaliteitselement van elk waterlichaam waarop het plan betrekking heeft, bepaald over de voorgaande planperiode overeenkomstig het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009.

 

Artikel 4.2

Als organisaties en overlegstructuren als bedoeld in de artikelen 4.4, tweede lid, en 4.15, tweede lid, van het besluit worden aangewezen:

a. de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee, bedoeld in de in op 12 september 1964 te Kopenhagen totstandgekomen overeenkomst betreffende de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (Trb. 1968, 43),

b. het Overlegorgaan Water en Noordzee, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit overleg verkeer en waterstaat 2004,

c. het Productschap voor Vis en Visproducten (Productschap Vis), bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Instellingswet Productschap voor Vis en Visproducten, en

d. de Regionale adviesraad Noordzee, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van het besluit nr. 2004, 2004/585/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juli tot oprichting van regionale adviesraden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEU L 256/17).

 

Hoofdstuk 5

(Gereserveerd)

 

Hoofdstuk 6. Handelingen in watersystemen

 

§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen

 

Artikel 6.1

In een vergunning krachtens artikel 6.2 van de wet wordt bepaald dat de vergunning geldt voor een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste tien jaar, indien zij wordt afgegeven voor het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van een of meer stoffen, behorende tot lijst I van bijlage I van richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld in:

a. richtlijn nr. 82/176/EEG van de Raad van 22 maart 1982, betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van de sector elektrolyse van alkalichloriden (PbEG L 81);

b. richtlijn 83/513/EEG van de Raad van 26 september 1983 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van cadmium (PbEG L 291);

c. richtlijn nr. 84/156/EEG van de Raad van 8 maart 1984, betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden (PbEG L 74);

d. richtlijn nr. 84/491/EEG van de Raad van 9 oktober 1984 betreffende de grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor de lozing van hexachloorcyclohexaan (PbEG L 274); of

e. richtlijn nr. 86/280/EEGvan de Raad van 12 juni 1986 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464/EEG vallende gevaarlijke stoffen (PbEG L 181).

 

Artikel 6.2

Het bevoegd gezag beziet vier jaar nadat een vergunning als bedoeld inartikel 6.1 is verleend, en vervolgens ten minste elke vier jaar, of die vergunning nog toereikend is, gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

 

§ 2. Het brengen van stedelijk afvalwater in oppervlaktewaterlichamen

 

Artikel 6.3

Het bemonsteren en analyseren van stedelijk afvalwater en het beoordelen van de resultaten daarvan, bedoeld in artikel 6.7 van het besluit, geschiedt overeenkomstig de voorschriften van bijlage VI bij deze regeling.

 

§ 3. Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water

 

Artikel 6.3a

Artikel 6.10a, eerste lid, van het besluit is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater ten behoeve van:

a. een bronbemaling of proefbemaling, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 100 m3 per uur en in totaal niet meer bedraagt dan 100.000 m3;

b. beregening, bevloeiing of veedrenking, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 60 m3 per uur;

c. andere handelingen dan bedoeld onder a of b, indien de hoeveelheid te onttrekken grondwater minder bedraagt dan 10 m3 per uur.

 

Artikel 6.4

1. Bij een melding van het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, van het besluit, worden de gegevens genoemd inartikel 6.27verstrekt.

2. Bij een melding van het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, van het besluit worden de gegevens genoemd in artikel 6.28verstrekt.

 

Artikel 6.5

1. Degene die water infiltreert, meet de kwaliteit van het te infiltreren water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de inbijlage VII bij deze regeling opgenomen parameters met de in die bijlage genoemde frequentie.

2. De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 van de Drinkwaterregeling.

 

§ 4. Het gebruik van rijkswaterstaatswerken

 

Artikel 6.6

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

vaarweg: voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water.

 

Artikel 6.7

Als gebieden als bedoeld in artikel 6.16, tweede lid, van het besluit, worden aangewezen de gebieden die op de kaarten in bijlage IV bij deze regeling zijn opgenomen.

 

§ 4.1. Algemene regels

 

Artikel 6.8

Het gebruik, bedoeld in art 6.15, eerste lid, van het besluit, wordt in ieder geval zodanig uitgevoerd dat:

a. de tot stand gebrachte werken door de gebruiker in goede staat worden onderhouden;

b. van calamiteiten of gebreken en andere onvolkomenheden door de gebruiker onmiddellijk mededeling wordt gedaan aan de minister;

c. de gebruiker alle maatregelen treft die, zowel in het belang van een vlotte en veilige verkeersregulering als in het belang van de instandhouding van het betreffende oppervlaktewaterlichaam of bijbehorend kunstwerk noodzakelijk zijn;

d. de stabiliteit van oeverconstructies niet in gevaar wordt gebracht;

e. na beëindiging van tijdelijke activiteiten het gebruikte deel van het oppervlaktewaterlichaam of bijbehorend kunstwerk, wanneer dat redelijkerwijs mogelijk is, weer in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht;

f. tijdens de activiteit of werkzaamheden het oppervlaktewaterlichaam of bijbehorend kunstwerk bereikbaar blijft voor de beheerder en voor hulpdiensten;

g. bestaand gebruik op de desbetreffende locatie redelijkerwijs zo min mogelijk hinder ondervindt, en

h. het gebruikte materiaal en materieel tijdig wordt verwijderd bij zodanig hoog water dat overstroming of wegslag hiervan dreigt.

 

Artikel 6.9

Het gebruik, bedoeld in art 6.15, eerste lid, van het besluit, wordt wanneer het vaarwegen betreft onverminderd het bepaalde in artikel 6.8, zodanig uitgevoerd dat:

a. de doorvaart van de scheepvaart, zowel in de breedte als in de hoogte, niet wordt belemmerd;

b. de zichtlijnen voor de scheepvaart niet worden gehinderd;

c. de zichtlijnen voor de bedienings- en begeleidingsobjecten niet worden gehinderd;

d. geen hinder voor radar wordt veroorzaakt;

e. geen hinderlijke uitstraling van verlichting voor het scheepvaartverkeer wordt veroorzaakt;

f. geen open vuur of vuurwerk boven de vaarweg wordt aangestoken, en

g. geen werken of onderdelen daarvan, materiaal of materieel uit de damwand steken.

 

Artikel 6.10

Artikel 6.12, tweede lid, onderdelen a en b, van het besluit is niet van toepassing op kanalen voor wat betreft de bouwwerken en activiteiten bedoeld in:

a. artikel 2, onderdelen 3, 18, onder a, en 21, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;

b. artikel 4, onderdelen 1 en 2, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.

 

§ 4.2. Activiteiten van ondergeschikt belang

 

Artikel 6.11

1. Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

a. het voor een periode van ten hoogste zes maanden plaatsen en opslaan van bouwwerken, bouwborden, materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk;

b. evenementen die niet langer duren dan drie maanden;

c. het plaatsen van een in-of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,3 m/s bedraagt;

d. het plaatsen van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening, inclusief de bijbehorende voorzieningen, voor zover deze gelegen zijn buiten de vaarweg en bestemd zijn voor niet-bedrijfsmatig gebruik, dan wel naar aard en omvang vergelijkbaar overig gebruik;

e. het plaatsen van informatieborden, informatiezuilen, reclameborden, reclamezuilen, sport- en speeltoestellen, gedenktekens, kunstobjecten of in aard en omvang hiermee vergelijkbare objecten, waarvoor geen of een beperkte fundering vereist is;

f. terreinophogingen van minder dan 50 m3 per kadastraal perceel;

g. het plaatsen van visfuiken of visnetten;

h. het uitvoeren van onderhoud en vervanging van bestaande objecten door objecten van vergelijkbare aard en omvang en op dezelfde locatie;

i. het gelijkvloers op het maaiveldniveau aanbrengen van verhardingen en recreatieve voorzieningen, niet zijnde een bouwwerk;

j. het plaatsen van kabels en leidingen mits:

1°. deze geen intrinsiek gevaarlijke stoffen transporteren;

2°. deze niet liggen, parallel of als kruising, in de veiligheidszone van een primaire of secundaire waterkering, een kunstwerk of een vaarweg, of

3°. deze niet aangelegd worden middels boring, waarbij lagen met verschillende stijghoogtes worden doorkruist;

k. onderzoeken die niet langer duren dan zes maanden, en

l. andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer.

2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdelen d, e en g, is niet van toepassing op kanalen.

 

Artikel 6.12

1. Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, in samenhang met artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

a. het in de periode van 1 april tot 1 oktober plaatsen van bouwborden en het opslaan van materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder de Noordzee;

b. evenementen die niet langer duren dan drie maanden;

c. het maken van zandbanketten op het strand ten behoeve van niet-permanente bebouwing mits deze maximaal 6 meter +NAP hoog zijn en niet breder zijn dan 25 meter kustdwars, gemeten boven op het banket vanaf het duinfront met inachtneming van het gestelde in het tweede lid;

d. het oprichten en in stand houden van niet-permanente bebouwing in de periode van 1 april tot 1 oktober;

e. het verplaatsen van zand op het strand, anders dan bedoeld in onderdeel c, tot een hoeveelheid van maximaal 20m3 per strekkende meter, en

f. andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer.

2. Zandverplaatsingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en e, worden binnen één kalenderjaar niet gecombineerd uitgevoerd.

3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn.

 

Artikel 6.12a

Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.14, tweede lid, in samenhang met artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundig beheer.

 

Artikel 6.13

De rijkswateren, bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel e, van het besluit, zijn de stroomvoerende delen van de wateren, bedoeld in bijlage VIII bij deze regeling.

 

§ 4.3. Melden en maatwerkvoorschriften

 

Artikel 6.14

1. Degene die een werk of een activiteit gaat uitvoeren waarvoor krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 van het besluit geen vergunning is vereist, meldt dit schriftelijk ten minste vier weken voor de uitvoering aan de minister.

2. Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:

a. de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van degene die voornemens is de activiteit of werkzaamheden te gaan uitvoeren;

b. het tijdstip waarop met de activiteit of het werk wordt begonnen en de duur daarvan;

c. de aard en omvang van de activiteit of het werk, en

d. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de plaats en ligging van de activiteit of het werk ten opzichte van de omgeving is aangegeven en die voorzien is van een noordpijl.

3. De minister kan degene die een melding doet verzoeken om nadere informatie te verstrekken over de uit te voeren activiteit of het werk, om te kunnen bepalen of maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van onderhoud dan wel de aanleg of wijziging of overig gebruik, anders dan in overeenstemming met de functie, van waterstaatswerken voor zover deze activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht.

 

Artikel 6.15

1. Ten aanzien van werken of activiteiten waarvoor krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 van het besluit geen vergunning is vereist, kan de minister met het oog op de bescherming van de belangen die het gestelde in artikel 6.15 van het besluit en de artikelen 6.8 en 6.9 beoogt te waarborgen, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:

a. de locatie;

b. de diepte van het werk;

c. de hoogte van het werk;

d. de periode van uitvoering;

e. de mogelijkheden van het verplaatsen van het werk in verband met hoogwater, of

f. de waterdoorlatendheid van het werk in verband met wateropstuwende effecten.

2. De overeenkomstig het eerste lid te stellen maatwerkvoorschriften leiden er niet toe dat de activiteit of het werk grotendeels of in het geheel geen doorgang kan vinden, tenzij die activiteit naar het oordeel van de beheerder ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het betrokken waterstaatswerk.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van onderhoud dan wel de aanleg of wijziging of overig gebruik, anders dan in overeenstemming met de functie, van waterstaatswerken voor zover deze activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht.

 

§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen

 

Artikel 6.16

Het is verboden om zonder vergunning van de minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet meer dan 5000 m3 water per uur te brengen in, of meer dan 100 m3 water per uur te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, indien:

a. de instroomsnelheid meer bedraagt dan 0,3 m/s, of

b. de handeling plaatsvindt in samenhang met een activiteit waarvoor op grond van artikel 6.2 van de wet een vergunning is vereist.

 

Artikel 6.17

1. Degene die water brengt in of onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.16, meldt dit schriftelijk ten minste vier weken voor de uitvoering aan de minister indien op de voorgenomen wijze meer dan 5000 m3 water per uur wordt ingebracht of meer dan 100 m3 water per uur wordt onttrokken.

2. Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:

a. de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van degene die voornemens is het water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk;

b. het tijdstip waarop met het inbrengen of onttrekken van water wordt begonnen en de duur daarvan;

c. het doel, de in- of uitstroomsnelheid en omvang van het inbrengen of het onttrekken van water, en

d. een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de plaats en ligging van het inbrengen of het onttrekken van water is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl.

3. Ten aanzien van het brengen dan wel onttrekken van water, bedoeld in het eerste lid, kan de minister maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de locatie en de periode, mits deze er niet toe leiden dat het brengen of onttrekken van water geen doorgang kan vinden.

 

§ 6. Indieningsvereisten voor de watervergunning

 

Artikel 6.18

1. Een schriftelijke aanvraag voor een watervergunning wordt gedaan door middel van het formulier opgenomen in bijlage IX bij deze regeling.

2. Een aanvraag voor een watervergunning langs elektronische wijze wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

3. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het beheer van de gegevens die zijn opgenomen in het deel van de landelijke voorziening dat hem ter beschikking staat. Dit beheer omvat in elk geval de verlening en beperking van toegang tot de gegevens omtrent een aanvraag en de zorg voor de archiefbescheiden.

4. Ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening is het bevoegd gezag verantwoordelijk in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

 

Artikel 6.19

In de aanvraag voor een watervergunning wordt vermeld:

a. de naam, het adres, de woonplaats en het telefoonnummer van de aanvrager, alsmede het e-mailadres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend;

b. de geografische aanduiding van de locatie waar de handeling wordt verricht, met behulp van:

1°. een situatietekening,

2°. een kaart met een functionele schaal die is voorzien van een noordpijl en waarop de ligging van de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven,

3°. foto’s, of

4°. andere geschikte middelen;

c. een omschrijving van de aard, de omvang, de reden en het doel van de voorgenomen handeling;

d. een beschrijving van de aard en omvang van de gevolgen van de handeling, voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag;

e. de periode waarvoor vergunning wordt gevraagd;

f. indien de handeling wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer, alsmede zijn e-mailadres;

g. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres, woonplaats en telefoonnummer, alsmede het e-mailadres van de gemachtigde indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend.

 

Artikel 6.20

1. Gegevens en bescheiden die langs elektronische weg bij de aanvraag worden verstrekt, worden aangeleverd in een van de volgende bestandsformaten:

a. foto’s: PNG en JPG;

b. scans: TIFF, JPG, PDF/A-1a en PDF/A-1b;

c. officedocumenten: PDF/A-1a;

d. tekeningen: PDF/X.

2. Indien de bestanden langs elektronische weg worden aangeleverd, worden deze uitsluitend als ‘read-only’ (alleen lezen) gekenmerkt.

 

Artikel 6.21

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

a. een omschrijving van de lozing, waarbij in ieder geval worden vermeld de zuurgraad (pH), temperatuur en debiet en wordt vermeld of de lozing continu dan wel discontinu plaatsvindt, met welke regelmaat lozingen of deellozingen plaatsvinden, de wijze waarop de lozing plaatsvindt en de activiteiten waaruit de lozing voortkomt;

b. een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de stoffen;

c. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de lozing te voorkomen of te beperken, met toelichtende tekening, alsmede de maatregelen die voor dat doel worden getroffen bij definitieve stopzetting van de activiteiten;

d. een omschrijving van de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten;

e. een processchema van de opzet en een beschrijving van de capaciteit van elke installatie waarin processen plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van stoffen, waarbij wordt aangegeven welke van die stoffen waar en in welke mate vrijkomen;

f. een rioleringstekening;

g. een beschrijving van de aard, de samenstelling, de eigenschappen, de hoeveelheid en de locatie binnen het bedrijf van de grondstoffen, hulpstoffen, tussenproducten en eindproducten die naar redelijke verwachting binnen het bedrijf aanwezig kunnen zijn, voor zover deze in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken;

h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen betreffende het voorkomen of beperken van lozing van afvalstoffen door het hergebruiken of nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of nuttige toepassing van zodanige afvalstoffen;

i. een opgave van de redelijkerwijs mogelijk te achten hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die ten gevolge van een ongewoon voorval in een oppervlaktewaterlichaam kunnen geraken, alsmede een beschrijving van de maatregelen om dit zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken;

j. een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing wordt gerapporteerd;

k. een opgave van de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de lozing die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn, en

l. een niet-technische samenvatting van de in dit artikel bedoelde gegevens.

 

Artikel 6.22

Indien de exploitatie van een installatie, van waaruit de lozing waarvoor de vergunning wordt aangevraagd plaatsvindt, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel indien een andere lidstaat van de Europese Unie die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van de exploitatie van een installatie kan ondervinden daarom verzoekt, verstrekt het bevoegd gezag een afschrift van de aanvraag met de daarbij behorende stukken aan de betreffende lidstaat op het tijdstip waarop daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel op het tijdstip waarop de aanvraag met de daarbij behorende stukken in Nederland ter inzage wordt gelegd.

 

Artikel 6.23

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.3 van de wet voor het storten van baggerspecie worden, onverminderd het bepaalde inartikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

a. een omschrijving van de locatie van herkomst en de beoogde verspreidingslocatie;

b. een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen en hoeveelheid van de stoffen;

c. een omschrijving van het onderzoeksprotocol en de onderzoeksstrategie als bedoeld in NEN 5720.

 

Artikel 6.24

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.5, onderdeel c, van de wet voor het gebruik maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

a. een omschrijving van de voorgenomen handeling, waarbij wordt vermeld op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van het waterstaatswerk of de daartoe behorende beschermingszone;

b. een toelichtende tekening met het ontwerp en de afmetingen van het werk, of het tracé van de kabel of de leiding;

c. een boorplan in het geval een waterstaatswerk wordt gekruist door een HDD-boring, en

d. een stabiliteitsberekening van de kade of waterkering.

 

Artikel 6.25

Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 6.24 betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, worden naast de in dat artikel bedoelde gegevens, de volgende gegevens verstrekt:

a. een opgave van de hoeveelheid te verwijderen materiaal, en

b. een aanduiding van het totaal te baggeren oppervlak in m2.

 

Artikel 6.26

Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 6.24 betrekking heeft op het gebruik maken van een waterstaatswerk in de Nederlandse exclusieve economische zone, worden de volgende gegevens verstrekt:

a. een beschrijving van de gevolgen voor rechtmatig gebruik van de zee door derden, en

b. een oprichtings- en inrichtingsplan, waarin wordt ingegaan op het onderhoud van het werk, veiligheidswaarborgen, verlichtingsmaatregelen, maatregelen ter voorkoming en beperking van calamiteiten, en de wijze waarop verwijdering van de installatie zal plaatsvinden.

 

Artikel 6.27

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.5, onderdeel b, van de wet voor het onttrekken van grondwater worden onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

a. het doel waarvoor het te onttrekken grondwater wordt gebruikt;

b. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

c. een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

d. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

e. de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

f. de pompcapaciteit in m3 per uur en het te installeren vermogen in m3per uur per put;

g. de maximaal te onttrekken hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar, en

h. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de onttrekking te voorkomen of te beperken.

 

Artikel 6.28

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.4, eerste lid, 6.5, onderdeel b, van de wet voor het infiltreren van water worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

a. het aantal bestaande en nieuw in te richten putten;

b. een nadere plaatsaanduiding van de putten ten opzichte van het Rijksdriehoeksnet;

c. de diepte van de onderkant en de bovenkant van de filters van iedere put ten opzichte van het maaiveld en het N.A.P.;

d. de diameter en de lengte van de filters in iedere put;

e. de pompcapaciteit in m3 per uur;

f. de maximaal te infiltreren hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar;

g. de wijze waarop water wordt geïnfiltreerd;

h. de herkomst en de samenstelling van het te infiltreren water, en

i. een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de infiltratie te voorkomen of te beperken.

 

Artikel 6.29

Indien een aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op het onttrekken van grondwater of het brengen van water in de bodem ten behoeve van een bodemenergiesyteem als bedoeld in artikel 6.4, onderdeel b, van de wet, worden onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.27 en 6.28, de volgende gegevens verstrekt:

a. de capaciteit van de pomp waarmee het water in de bodem wordt gebracht in m3 per uur;

b. de maximaal in de bodem te brengen hoeveelheden water per uur, per dag, per maand, per kwartaal en per jaar;

c. de wijze waarop water in de bodem wordt gebracht;

d. de samenstelling van het in de bodem te brengen water;

e. een aanduiding van de hydrologische effecten van het in de bodem brengen van water, en

f. de minimum-, gemiddelde en maximumtemperaturen van het in de bodem te brengen water.

 

Artikel 6.30

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onderdeel a, van de wet voor het onttrekken van water aan of het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

a. een onderbouwing van de noodzaak tot het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam;

b. een beschrijving en toelichtende tekening van de in- en uitstroomvoorzieningen waaronder een opgave van de pompcapaciteit, de afmetingen en de ligging, en

c. een aanduiding van de maximaal te onttrekken of te lozen waterhoeveelheden in m3 per uur, te onderscheiden naar perioden.

 

Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing

 

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

bepalingsgrens: 10 keer de standaarddeviatie die gevonden wordt indien een blancometing 10 keer wordt uitgevoerd;

debiet: hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende het etmaal; momentaan debiet: hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende een moment van meting; etmaal: aaneengesloten periode van 24 uur waarover een etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;

kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van toepassing zijnde standaard;

droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;

nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;

gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht;

open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht.

 

Artikel 7.2

1. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik, VeO, wordt berekend door de som van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde hoeveelheden zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, te delen door 54,8 kilogram.

2. De gedurende een etmaal afgevoerde hoeveelheid zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de formule:

waarbij:

Q = het debiet in m3/etmaal;

CZV = het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in artikel 7.15 vermelde analysevoorschriften, in mg/l;

NKj = de som van ammonium-stikstof en organisch gebonden stikstof, bepaald volgens de in artikel 7.16 vermelde analysevoorschriften, in mg/l.

3. Indien de CZV-waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk

waarbij:

T = het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.

T wordt berekend bij:

a. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van zuurstofbindende stoffen, vanuit een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam of het brengen van zuurstofbindende stoffen met biochemisch zuurstofverbruik van niet meer dan 20 mg/l vanuit een bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7.1, eerste lid, van de wet, met behulp van de methode van het biochemisch zuurstofverbruik na vijf dagen, volgens de in artikel 7.15 vermelde analysevoorschriften, in mg/l;

b. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van zuurstofbindende stoffen in andere dan de onder a bedoelde gevallen met behulp van een andere toereikende bepalingsmethode.

 

Artikel 7.3

1. Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot andere dan zuurstofbindende stoffen wordt berekend door de som van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde gewichtshoeveelheden van de onderstaande groepen van stoffen uitgedrukt in kilogrammen, te delen door:

a. 1,00 kilogram voor de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink;

b. 0,100 kilogram voor de groep van stoffen arseen, cadmium en kwik.

2. De gedurende een etmaal afgevoerde gewichtshoeveelheden stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de formule:

waarbij:

Q = het debiet in m3/etmaal;

c = de concentratie van respectievelijk de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, bepaald volgens de in artikel 7.4 van deze regeling vermelde analysevoorschriften in mg/l.

 

Artikel 7.4

Voor de berekening van de frequentie van meting, bemonstering en analyse als bedoeld in artikel 7.5, eerste en tweede lid, van de wet wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:

waarbij:

n = het berekende aantal meetdagen

tso = toelaatbare statische onnauwkeurigheid =

35/e ^0,000175*VeO, met dien verstande dat VeO vervangen kan worden door respectievelijk VeZ en VeG, waarbij VeO = vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik in een jaar van de in de oppervlaktelichamen geloosde stoffen.

Onder VeG respectievelijk VeZ wordt verstaan de vervuilingswaarde in een jaar van de in de oppervlaktewaterlichamen geloosde stoffen met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink respectievelijk van de stoffen arseen, cadmium en kwik;

N = het aantal dagen per jaar dat stoffen in oppervlaktewaterlichamen wordet geloosd;

σ = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van het gemiddelde van de hoeveelheden zuurstofverbruik van de afgevoerde stoffen in de etmalen waarop gedurende het heffingsjaar onderzoek heeft plaatsgehad.

 

Artikel 7.5

1. De meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van de wet geschiedt zodanig dat:

a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;

b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid afvalstoffen die gedurende de bemonsteringsperiode in oppervlaktewaterlichamen wordt geloosd;

c. de in deze regeling opgenomen voorschriften of de door de heffingsambtenaar gestelde voorschriften in acht genomen worden.

2. De heffingsambtenaar:

a. kan, voor zover noodzakelijk ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, ambtshalve bepalen dat debietmeting en bemonstering geschieden in afwijking van één of meer van de in deze regeling opgenomen voorschriften en kan daaromtrent nadere voorschriften geven;

b. beslist op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat daardoor voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, en de uitkomsten van de analyse daardoor niet worden beïnvloed, dat van één of meer van de in deze regeling opgenomen voorschriften kan worden afgeweken en kan daaromtrent nadere voorschriften geven.

3. De beslissing van de heffingsambtenaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in elk geval:

a. de voorschriften uit deze regeling waarvan wordt afgeweken;

b. de voorgeschreven afwijkingen van de in deze regeling opgenomen voorschriften;

c. nadere voorschriften van de heffingsambtenaar.

4. De beslissing van de heffingsambtenaar op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in elk geval:

a. de voorschriften van deze regeling waarvan mag worden afgeweken;

b. de toegestane afwijkingen van de in deze regeling opgenomen voorschriften;

c. nadere voorschriften van de heffingsambtenaar.

5. De heffingsambtenaar kan twee of meer van de op basis van het tweede lid genomen besluiten, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift verenigen.

6. In zijn besluit geeft de heffingsambtenaar in ieder geval voorschriften met betrekking tot:

a. de afvalwaterstromen en de stoffen waarop het besluit betrekking heeft;

b. het aantal in het heffingsjaar gelegen, daartoe aangewezen tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse dienen te geschieden, hetzij ieder etmaal van dat aantal tijdvakken, hetzij een of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;

c. de wijze waarop de op de voet van de onderdelen a en b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;

d. het heffingsjaar of de heffingsjaren, ten aanzien waarvan dat besluit van toepassing is.

7. De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de stoffen, die vanuit een bedrijf of een bedrijfsonderdeel in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd:

a. de besluiten, bedoeld in het tweede en zesde lid, wijzigen of intrekken, in verband met het bepaalde in het eerste lid;

b. het besluit, bedoeld in het tweede en zesde lid, wijzigen indien toepassing van het berekeningsvoorschrift uit artikel 7.4 leidt tot een ander aantal etmalen, bedoeld het zesde lid, onderdeel b, dan in dat besluit is opgenomen.

 

Artikel 7.6

1. De debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen:

a. verkeren in een goede staat;

b. zijn overeenkomstig de voorschriften van de leverancier geïnstalleerd en onderhouden;

c. worden regelmatig schoongemaakt, en

d. zijn altijd veilig toegankelijk.

2. De bemonsteringsvoorzieningen zijn ondergebracht in een afsluitbare ruimte of kast.

3. De heffingplichtige brengt de wijze van debietmeting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis aan de heffingsambtenaar.

 

Artikel 7.7

1. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten.

2. In afwijking van het eerste lid kan het debiet worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. De per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater is niet groter dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water.

 

Artikel 7.8

1. Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.

2. Bij toepassing van een meetput geldt dat:

a. momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,05 meter, gesommeerd minder bedragen dan 5% van het gemeten debiet;

b. momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,125 meter, gesommeerd minder bedragen dan 10% van het gemeten debiet.

3. Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.

4. De apparatuur voor de hoogtemeting wordt ten minste éénmaal per jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd.

5. In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij aangegeven.

6. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij afwijking.

 

Artikel 7.9

1. De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet.

2. Meetapparatuur voor debietmetingen in gesloten meetsystemen wordt ten minste éénmaal per jaar droog gekalibreerd.

3. Het droog kalibreren bestaat minimaal uit:

a. het controleren van de meetversterker en het registeren en corrigeren van afwijkingen waarbij de meetversterker wordt gecontroleerd op lineariteit, versterkingsfactor en nulpuntsinstelling, en

b. het uitbouwen van de flowmeter en het controleren van de binnenkant van de meetbuis op vervuiling waarbij de in de meetbuis aanwezige vervuiling wordt daarbij verwijderd.

4. De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal voor 1 januari 2014 nat gekalibreerd in ingebouwde toestand en daarna ten minste éénmaal per vijf jaar.

5. Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie in ingebouwde toestand plaats op een door het Nederlands Meetinstituut of een daarmee vergelijkbare instelling gecertificeerde installatie.

6. Van een debietmeter wordt het meest recente kalibratierapport overgelegd.

 

Artikel 7.10

1. De bemonstering vindt plaats met behulp van automatische monstername-apparatuur.

2. Het bemonsteringsinterval wordt zodanig ingesteld dat een etmaalverzamelmonster wordt verkregen dat bestaat uit ten minste 100 deelmonsters.

3. Het volume per deelmonster wordt zodanig ingesteld dat de herhaalbaarheid maximaal 5% van het ingestelde volume bedraagt. Bij vacuümmonstername-apparatuur bedraagt het volume per deelmonster minimaal 50 milliliter. Bij ‘in-line’-bemonstering bedraagt het volume per deelmonster minimaal 20 milliliter en wordt een etmaalverzamelmonster verkregen dat bestaat uit ten minste 250 deelmonsters.

4. Het monsterverzamelvat heeft een zodanige inhoud dat het vat gedurende het etmaal niet overloopt.

5. Zowel het monsterverzamelvat als andere onderdelen van de monstername-apparatuur die met het afvalwater in aanraking komen, zijn gemaakt van gemakkelijk te reinigen, inert materiaal, dat de uit te voeren analyse niet beïnvloedt. Het monsterverzamelvat kan gemakkelijk uitgenomen worden en is uitgevoerd als emmer of als vat met een wijde hals zodat met een monsterschep gemakkelijk kan worden geroerd en geschept. Tijdens het etmaal is het monsterverzamelvat afgesloten met een goed afsluitende deksel.

 

Artikel 7.11

1. Het aanzuigpunt van een open meetsysteem bevindt zich zo dicht mogelijk stroomafwaarts van de obstructie. Op het aanzuigpunt stroomt het afvalwater turbulent.

2. Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur is de aanzuigleiding zo kort mogelijk en onder afschot gelegd. De aanzuigleiding is beschermd tegen bevriezing en direct zonlicht. In de aanzuigleiding bevinden zich geen knikken of overbodige bochten. Het aanzuigpunt bevindt zich onder het vloeistofoppervlak.

3. De diameter van alle doorstroomde delen van de monstername-apparatuur van het aanzuigpunt tot het punt waar het monster wordt afgeleverd in het monsterverzamelvat bedraagt minimaal 13 millimeter. Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur bedraagt de gemiddelde aanzuigsnelheid minimaal 0,3 meter per seconde.

4. Bij het afvoeren van het deelmonster naar het monsterverzamelvat wordt voorkomen dat het monster wordt belucht.

 

Artikel 7.12

1. Bij bemonstering met behulp van‘in-line’-monstername-apparatuur bevindt het bemonsteringspunt zich niet in een bocht of een vernauwing in de leiding. Indien het te bemonsteren afvalwater wordt afgevoerd met behulp van een pomp dan bevindt het bemonsteringspunt zich aan de perszijde van deze pomp.

2. Als een gesloten meetsysteem wordt gecombineerd met vacuümmonstername-apparatuur bevindt het aanzuigpunt zich op het punt waar de gesloten leiding uitmondt in een open afvoersysteem of er is vanuit de gesloten leiding een aftakking gemaakt, uitmondend in een doorstroomd buffervat waaruit wordt bemonsterd. De stroomsnelheid van het afvalwater in de aftakking is in dat geval ten minste gelijk aan die in de hoofdleiding.

 

Artikel 7.13

1. De deelmonsters in het monsterverzamelvat worden bewaard bij een temperatuur hoger dan 0°C en lager dan of gelijk aan 4°C.

2. Bemonsteringsbenodigdheden die in aanraking komen met het afvalwater zijn gemaakt van eenvoudig te reinigen inert materiaal dat de later uit te voeren analyses niet beïnvloedt.

3. De monsters uit het etmaalverzamelmonster zijn binnen een uur na afloop van het etmaal genomen.

4. De monsters worden met een voldoende grote monsterschep genomen. De gehele inhoud van het monsterverzamelvat wordt elke keer, voordat geschept wordt, zodanig geroerd worden dat al het eventueel bezonken materiaal wordt opgemengd. Daarbij wordt de monsterlepel afwisselend links- en rechtsom geroerd.

5. De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar moeten om en om gevuld worden.

 

Artikel 7.14

1. De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch geconserveerd geschiedt dit binnen 4 uur na afloop van het etmaal. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.

2. De voorbehandeling van het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt zodanig uitgevoerd dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord.

3. Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de chemische conservering gelden.

Tabel A

 Analyse op:

Temperatuur (T) in graden celsius van het monster tot het einde van de bewaartermijn

Methode van conservering

Maximale bewaartermijn

Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) < 50 mg/l

0< T ≤ 4°

Koelen

24 uur

Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) ≥ 50 mg/l

0< T ≤ 4°

Koelen

24 uur

     

T ≤-18°

Invriezen

72 uur

Chemisch zuurstof-verbruik (CZV)

0< T ≤ 4°

Koelen

48 uur

     

0< T ≤ 4°

Aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18M) tot pH < 2

5 dagen

     

T ≤-18°

Invriezen

5 dagen

Kjeldahlstikstof (N-Kj)

0< T ≤ 4°

Koelen

48 uur

     

0< T ≤ 4°

Aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18M) tot pH < 2

5 dagen

     

T ≤-18°

Invriezen

5 dagen

Cadmium, arseen, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink

0< T ≤ 4°

Aanzuren met HNO3 (15M) tot pH < 2

1 maand

Kwik (Hg)

0< T ≤ 4°

Aanzuren met HNO3 (15M) tot pH < 2 en minimaal 0,5 g K2Cr2O7 per liter toevoegen

1 maand

 

Artikel 7.15

1. De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen op de in dit hoofdstuk vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd.

2. De analyse van het monster geschiedt op de wijze, zoals is aangegeven in tabel B.

3. De in tabel B vermelde bepalingsgrenzen zijn de concentraties van de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond worden.

Tabel B

 Parameter/stof

Ontsluiting volgens normblad

Meting volgens normblad

Bepalingsgrens in microgram/l

Chemisch zuurstofverbruik

 

NEN 6633

 

Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof

 

NEN-ISO 5663 of NEN 6646

 

Biochemisch zuurstofverbruik

 

NEN-EN 1899-1

 

Arseen

NEN-EN-ISO 11969

NEN-EN-ISO 11969

1,5

Cadmium

NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961

NEN 6965

NEN 6965/C1

NEN 6966

NEN 6966/C1

NEN 17294-2

15,00

Chroom

NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961

NEN 6965

NEN 6965/C1

NEN 6966

NEN 6966/C1

NEN 17294-2

100,00

Koper

NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961

NEN 6965

NEN 6965/C1

NEN 6966

NEN 6966/C1

NEN 17294-2

35,00

Kwik

NEN-EN 1483

NEN-EN 1483

0,25

Lood

NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961

NEN 6965

NEN 6965/C1

NEN 6966

NEN 6966/C1

NEN 17294-2

125,00

Nikkel

NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961

NEN 6965

NEN 6965/C1

NEN 6966

NEN 6966/C1

NEN 17294-2

100,00

Zink

NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961

NEN 6965

NEN 6965/C1

NEN 6966

NEN 6966/C1

NEN 17294-2

35,00

4. Indien het chloridegehalte en het metaalgehalte van het afvalwater hoger is dan 10 g/l onderscheidenlijk kleiner is dan 0,1 mg/l, geldt met betrekking tot de stoffen cadmium, koper, lood, nikkel en zink het volgende:

a. het monster dat gebruikt wordt voor de analyse op de stoffen cadmium, koper, lood, nikkel en zink wordt door filtratie gesplitst waarna het filtraat geëxtraheerd wordt volgens ISO 8288-C en het residu gedestrueerd wordt volgens normblad NEN 6447;

b. de verdere analyse van het filtraat en het residu geschiedt op de in tabel B aangegeven wijze. Het aantal gewichtseenheden van de onderscheidenlijke metalen in het monster wordt berekend door sommatie van de analyseresultaten van het filtraat en het residu, rekening houdende met onderlinge gewichtshoeveelheden. Indien de met behulp van analyse gevonden concentratie van de stoffen arseen, kwik en zink geringer is dan de in tabel B bij de desbetreffende analyse vermelde bepalingsgrens, wordt het aantal gewichtseenheden van die stof onderscheidenlijk van die stoffen voor de berekening van de vervuilingswaarde op nihil gesteld. Het bovenstaande geldt ook met betrekking tot de concentratie van de stof cadmium, chroom, koper, lood of nikkel indien het afvalwater een soortelijke geleiding heeft van 1500 µS/cm of groter of een zwevend stofgehalte van 100 mg/l of hoger heeft;

c. indien de concentratie voor één of meer van de stoffen cadmium, chroom, koper, lood en nikkel in het afvalwater, geringer is dan de in tabel B genoemde bepalingsgrens en het afvalwater een soortelijke geleiding heeft van kleiner dan 1500 µS/cm en een zwevend stofgehalte van kleiner dan 100 mg/l, geschiedt de analyse op die stof met betrekking tot de meting volgens het in tabel C bij desbetreffende analyse genoemd normblad. De voorschriften met betrekking tot de ontsluiting van tabel B blijven in het bovengenoemd geval van toepassing. Indien de met behulp van analyse, op de wijze zoals is aangegeven in tabel C, gevonden concentratie van de stof onderscheidenlijk van die stoffen, geringer is dan de in tabel C bij de desbetreffende analyse vermelde bepalingsgrens, wordt het aantal gewichtseenheden van die stof onderscheidenlijk van die stoffen voor de berekening van de vervuilingswaarde op nihil gesteld.

Tabel C

Stof

Meting volgens normblad

Bepalingsgrens in microgrammen/l

Cadmium

NEN 6964

NEN 6964/C1

NEN-EN-ISO 5961

0,30

Chroom

NEN 6964

NEN 6964/C1

2,00

Koper

NEN 6964

NEN 6964/C1

10,00

Lood

NEN 6964

NEN 6964/C1

10,00

Nikkel

NEN 6964

NEN 6964/C1

7,00

 

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

 

Artikel 8.1

1. Van een vergunning als bedoeld in artikel 20 van de Uitvoeringsregeling waterhuishouding die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.16 en 6.17 onherroepelijk is, worden voor handelingen als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften gesteld krachtens artikel 6.17, derde lid, voor zover die voorschriften vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften krachtens dat artikel.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in dat lid, die overeenkomstig artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet is verleend en onherroepelijk is geworden.

 

Artikel 8.2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 22 december 2009 met uitzondering van artikel 6.18, tweede, derde en vierde lid, dat in werking treedt met ingang van 10 oktober 2011.

 

Artikel 8.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Waterregeling.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen II, III, IV en IX, die ter inzage worden gelegd bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

 

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J.C. Huizinga-Heringa.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
.

 

 

Bijlagen niet opgenomen

 

 

 

 

    
 

x

   

home | Waterwet | alle wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x