|
MEMORIE
VAN TOELICHTING (Wajong en Wet
Wajong)
Wajong
zoals deze luidde op 31 december 2009
Nadere
regelgeving:
- Algemeen
inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Beleidsregel boete werknemer 2010
- Beleidsregel kostenvergoeding UWV
- Beleidsregel
loondispensatie Wet Wajong
- Beleidsregel loon- en inkomenssuppletie
- Beleidsregel
maatregelen UWV
- Beleidsregels buiten aanmerking laten
van arbeidsongeschiktheid
-
Beleidsregels proefplaatsing UWV 2013
- Beleidsregels schorsing,
opschorting, intrekking en herziening
uitkeringen 2006
- Beleidsregels
uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij inkomsten uit arbeid
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2008
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2009
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2010
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2011
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2012
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2013
- Beleidsregels UWV Protocol Jobcoach 2012
- Beleidsregels vergoeding
hoorhulpmiddelen
- Beleidsregels
voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland
- Beleidsregel terug- en invordering
- Beleidsregel uurloonschatting
2008
- Beleidsregel verhoging
uitkering bij hulpbehoevendheid
-
Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit beleid toetsing verblijfstitel
- Besluit
beoordelingskader loonkostensubsidie
- Besluit betaling
zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen
- Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (WAO, WAZ en
Wajong)
- Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong
1999
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit
maatschappelijke ondersteuning
- Besluit ontheffing
verplichtingen socialezekerheidswetten
- Besluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen
Wet Wajong
- Besluit uitbreiding kring studerenden
Wet Wajong
- Besluit uniformering loonkundige component
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
- Besluit uurloonschatting 1999
- Besluit verrekeningen Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten,
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en Arbeidsongeschiktheidskas
met de uitvoeringsinstellingen
- Besluit voorkoming of beperking samenloop
AAW-uitkering met uitkering
ingevolge de sociale wetgeving van een andere mogendheid
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften arbeidsongeschiktheidswetten
2006
- Controlevoorschriften buitenland
arbeidsongeschiktheidswetten 2006
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Regeling aanwijzing uitvoeringsinstelling verplichte verzekeringen 2000
- Regeling afwijkende regels bij samenloop met inkomsten uit een
politiek ambt
-
Regeling afwijking datum Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Regeling herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder wachttijd
- Regeling klokuren 2010
- Regeling
nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden
- Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met
inkomen
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen 2006 tot en met 2008
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen 2007
tot en met 2009
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen
2008
tot en met 2010
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen
2009 tot en met juli 2012/2010 tot en met juli 2013
- Regeling subsidieplafond scholingsinstellingen
2011
tot en met juli 2016
- Regeling tegemoetkoming Wajong-ers
-
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
-
Regeling verzekeringsgeneeskundige
protocollen arbeidsongeschiktheidswetten
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Reïntegratiebesluit
- Reïntegratieregeling
- Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten
- Subsidieregeling scholing jonggehandicapten met ernstige
scholingsbeperkingen
- SZW-intrekkingsregeling
2008
Vervallen
nadere regelgeving:
- Beleidsregel afbakening maatregel en boete
(vervallen)
- Beleidsregel boete werknemer
(vervallen)
- Beleidsregels Protocol Jobcoach
(vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2006 (vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2007 (vervallen)
- Beleidsregel zwijgrecht (vervallen)
- Besluit afstemming boete werknemers (vervallen)
- Besluit
afwijking herbeoordelingstermijnen WAO, WAZ en Wajong 2003 (vervallen)
- Besluit
beleidsregels uurloonschatting 2004 (vervallen)
- Besluit betaling zonder machtiging aan de Ziekenfondsraad
(vervallen)
- Besluit bevoegde uitvoeringsinstelling Wajong-uitkeringen
(vervallen)
- Besluit herziening
en intrekking uitkeringen (vervallen)
- Besluit kostenvergoedingen arbeidsongeschiktheidswetten
(vervallen)
- Besluit verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering bij
hulpbehoevendheid (WAO, WAZ en Wajong) 1999
(vervallen)
- Besluit waarschuwing (vervallen)
- Controlevoorschriften buitenland WAO, WAZ en Wajong
(vervallen)
- Controlevoorschriften WAO, WAZ en Wajong 2001
(vervallen)
-
Inkomensbesluit Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (vervallen)
- Maatregelenbesluit Tica (vervallen)
- Maatregelenbesluit
UWV
(vervallen)
- Overgangsregeling
Rea-scholingsinstituten (vervallen)
- Regeling afwijkende regels
omtrent de uitbetaling van de vakantie-uitkering op grond van de
WAO en de Wet WIA (vervallen)
- Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigde betalingen (vervallen)
- Regeling klokuren 1998 (vervallen)
- Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking
uitkeringen (vervallen)
- Regeling tegemoetkoming Wajong-ers
(vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Beleidsregels
Protocol Scholing 2008 (vervallen)
- Beleidsregels
Protocol Scholing 2012
- Beleidsregels Protocol zeer moeilijk plaatsbaar
(vervallen)
- Beleidsregels Protocol zeer moeilijk
plaatsbaar 2011
- Besluit schadebeleid
- Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen
-
Regeling inzage- en correctierecht UWV
- Regeling
subsidieplafond en tijdstip indiening aanvraag brugbanen uitkeringsgerechtigden
(vervallen)
- Reglement
behandeling bezwaarschriften UWV 2009
- Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden (vervallen)
-
Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering
(vervallen)
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
Inhoudsopgave
Wet Wajong
| Hoofdstuk
1 |
Algemene
bepalingen |
artt.
1:1 - 1:4 |
| Hoofdstuk
2 |
Werk
en arbeidsondersteuning |
artt.
2:1 - 2:69 |
| Afdeling
1x |
Algemene
bepalingen |
artt.
2:1 - 2:6 |
| Afdeling
2x |
Algemene
plichten jonggehandicapten |
artt.
2:7 - 2:10 |
| Afdeling
3x |
Uitsluitingsgronden
voor het recht op arbeidsondersteuning |
artt.
2:11 - 2:14 |
| Afdeling
4x |
Recht
op arbeidsondersteuning |
artt.
2:15 - 2:17 |
| Afdeling
5x |
Re-integratie
en arbeidsondersteuning |
artt.
2:18 - 2:30 |
| Afdeling
6x |
Plichten
in verband met het recht op arbeidsondersteuning |
artt.
2:31 - 2:38 |
| §
1x |
Verplichtingen
van de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning |
artt.
2:31 - 2:34 |
| §
2x |
Bevoegdheden
en plichten Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen |
artt.
2:35 - 2:38 |
| Afdeling
7x |
Inkomensvoorzieningen |
artt.
2:39 - 2:46 |
| §
1x |
Inkomensondersteuning
werkregeling |
artt.
2:39 - 2:42 |
| §
2x |
Inkomensondersteuning
tijdens studie of scholing |
artt.
2:43 - 2:44 |
| §
3x |
Uitkering
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten |
artt.
2:45 - 2:46 |
| Afdeling
8x |
Aanvraag
en betaling |
artt.
2:47 - 2:66 |
| §
1x |
De
aanvraag van arbeidsondersteuning |
artt.
2:47 - 2:48 |
| §
2x |
Betaling |
artt.
2:49 - 2:66 |
| Afdeling
9x |
Sancties |
artt.
2:67 - 2:69 |
| Hoofdstuk
3 |
Arbeidsongeschiktheidsvoorziening |
artt.
3:1 - 3:74 |
| Afdeling
1x |
Algemeen |
artt.
3:1 - 3:2 |
| Afdeling
2x |
Het
recht op en de hoogte van de uitkering |
artt.
3:3 - 3:26 |
| §
1x |
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering |
artt.
3:3 - 3:23a |
| §
2x |
Vakantie-uitkering |
artt.
3:24 - 3:26 |
| Afdeling
3x |
Het
geldend maken van het recht op uitkering |
artt.
3:27 - 3:44a |
| §
1x |
Melding |
art.
3:27 |
| §
2x |
Toekenning |
artt.
3:28 - 3:36 |
| §
3x |
Maatregelen
en bestuurlijke boeten |
artt.
3:37 - 3:44a |
| Afdeling
4x |
De
betaling van de uitkering |
artt.
3:45 - 3:62 |
| Afdeling
5x |
Reïntegratie-instrumenten |
artt.
3:63 - 3:73 |
| Afdeling
6x |
Het
verstrekken van inlichtingen |
art.
3:74 |
| Hoofdstuk
4 |
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht |
artt.
4:1 - 4:2 |
| Hoofdstuk
5 |
Financiering |
artt.
5:1 - 5:4 |
| Hoofdstuk
6 |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in
cassatie |
artt.
6:1 - 6:6 |
| Hoofdstuk
7 |
Strafbepalingen |
artt.
7:1 - 7:2 |
| Hoofdstuk
8 |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
8:1 - 8:12 |
| xxxxxxxxxxx| |
|
xxxxxxxxxxxxx|r} |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1995-1996, 1996-1997, 24 760.
Handelingen II 1996-1997, blz. 1658-1708, 1757-1784, 1931-1974, 2185,
2187.
Kamerstukken I 1996-1997, 24 760 (95, 95a, 95b, 95c, 95d, 95e).
Handelingen I 1996-1997, zie vergaderingen d.d. 15 en 22 april 1997.
Geschiedenis:
Staatsblad
1996, 478; Staatsblad
1997, 177; Staatsblad 1997, 465;
Staatsblad 1997, 660; Staatsblad
1997, 773; Staatsblad 1997, 789;
Staatsblad 1997, 794; Staatsblad
1998, 278; Staatsblad 1998, 290;
Staatsblad 1998, 742; Staatsblad
1999, 25; Staatsblad 1999, 185;
Staatsblad 1999, 564; Staatsblad
1999, 595; Staatsblad 2000,
286; Staatsblad 2000, 496;
Staatsblad 2000, 627; Staatsblad
2001, 212; Staatsblad 2001, 225;
Staatsblad 2001, 481; Staatsblad
2001, 568; Staatsblad 2001, 625;
Staatsblad 2001, 628; Staatsblad
2002, 395; Staatsblad 2003, 376;
Staatsblad 2003, 544; Staatsblad
2004, 306; Staatsblad 2004, 324;
Staatsblad 2004, 416; Staatsblad
2005, 37; Staatsblad 2004, 717;
Staatsblad 2005, 65; Staatsblad
2005, 382; Staatsblad 2005, 525;
Staatsblad 2005, 530; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 624; Staatsblad 2005, 710;
Staatsblad 2005, 708; Staatsblad
2005, 713; Staatsblad 2006, 223;
Staatsblad 2006, 703; Staatsblad
2007, 305; Staatsblad 2007, 551;
Staatsblad 2007, 555; Staatsblad
2007, 564; Staatsblad 2007, 567;
Staatsblad 2008, 199; Staatsblad
2008, 510; Staatsblad 2008, 590;
Staatsblad 2008, 598; Staatsblad
2008, 600; Staatsblad 2009, 384;
Staatsblad 2009, 265; Staatsblad
2009, 390; Staatsblad 2009, 282;
Staatsblad 2009, 318; Staatsblad
2009, 542; Staatsblad 2009, 580;
Staatsblad 2009, 589; Staatsblad
2009, 582; Staatsblad 2009, 596;
Staatsblad 2010, 228; Staatsblad
2010, 350; Staatsblad 2010,
840; Staatsblad 2010,
830; Staatsblad 2010, 838;
Staatsblad 2010, 867; Staatsblad
2011, 288; Staatsblad 2011,
618; Staatsblad 2011, 608;
Staatsblad 2012, 2;
Staatsblad 2011, 645; Staatsblad
2011, 650; Staatsblad 2012,
224; Staatsblad 2012, 361;
Staatsblad 2012, 657;
Staatsblad 2012, 462; Staatsblad
2012, 464; Staatsblad 2012,
544; Staatsblad 2012, 562;
Staatsblad 2012, 682; Staatsblad
2013, 115.
WET van 24 april 1997, Stb.
1997, 177, houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). Laatste
tekstplaatsing: Stb. 2009, 582.
Inwerkingtreding: 1 januari 1998 (Stb.
1997, 391).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is in verband met de intrekking van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet een regeling te treffen met betrekking tot een arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor
jonggehandicapten;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Algemene
bepalingen
Art.
1:1.
Algemene begrippen (1-oud) [Geschiedenis:
versie 24 april 1997; Stb.
1997, 660 + bis; Stb.
1997, 678; Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595; Stb.
2000, 496; Stb. 2001,
625; Stb. 2004, 306;
Stb. 2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580 + bis;
Stb. 2009, 589;
versie 1 januari 2010; Stb.
2009, 596 + bis; Stb. 2010,
838]
-1. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c. Arbeidsondersteuningsfonds
jonggehandicapten: het arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten,
bedoeld in
artikel 5:1;
d. jonggehandicapte: de natuurlijke
persoon, bedoeld in
artikel 2:3 of 3:2;
e. vreemdeling: hetgeen daaronder
wordt verstaan in de
Vreemdelingenwet
2000;
f. rechtens zijn vrijheid is
ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de situaties,
bedoeld in de
Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel
37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
g. justitiële inrichting: een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel
b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
h. re-integratiebedrijf: een
natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de
arbeid bevordert;
i. resterende verdiencapaciteit:
het inkomen dat de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet
heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of recht heeft op arbeidsondersteuning
op grond van deze wet nog met arbeid kan verdienen en dat bij of
krachtens
artikel 2:5, 2:37 of 3:1
is vastgesteld;
j. werknemer: een werknemer in de
zin van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
k. werkgever: een werkgever in de
zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
l. inkomensvoorziening:
inkomensondersteuning als bedoeld in de
artikelen 2:40, 2:41, 2:42
of
2:43, of een uitkering als bedoeld in artikel
2:45;
m. minimumloon: het minimumloon,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een persoon
jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon
per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
die
wet;
n. participatieplan: het
participatieplan, bedoeld in
artikel 2:18, eerste lid;
o. recht op arbeidsondersteuning:
het recht op arbeidsondersteuning op grond van
hoofdstuk 2;
p. arbeidsongeschiktheidsuitkering:
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 3;
q.
zelfstandige: de persoon die, anders dan in dienstbetrekking, arbeid in
eigen bedrijf verricht of een beroep uitoefent, teneinde daarmee inkomen
te verwerven;
r.
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk
geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
als bedoeld in het Wetboek
van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste
lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-2. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde
partner;
b. echtgenoten: geregistreerde
partners;
c. gehuwd: als partner
geregistreerd.
-3. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot
mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een
bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt
degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd
is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben
en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in
ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn
geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn
gesteld;
b. uit hun relatie een kind is
geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door
de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en
strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het
vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid,
onderdeel
d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in
het vierde lid.
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan
een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind
van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld
in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde
meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art. 1:2.
Ingezetene (3-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari
1999; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke
persoon die in Nederland woont.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip ingezetene. [BubkiW]
-3. Voor de persoon die op grond van het
tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont,
gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke
regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.
Art. 1:3.
Woonplaats (4-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 350; Stb.
2010, 830; Stb. 2011, 618]
-1. Waar een natuurlijk persoon woont,
wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. De persoon die Nederland metterwoon
heeft verlaten en binnen één jaar nadien metterwoon terugkeert zonder
inmiddels in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba of op het grondgebied van
een andere mogendheid te hebben gewoond, wordt ook voor de duur van zijn
afwezigheid geacht in Nederland te hebben gewoond.
Art. 1:4. Studerenden
(5-oud)
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 286; Stb.
2001, 225; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580 + bis;
versie 1 januari 2010; Stb.
2010, 228; Stb.
2012, 657; Stb. 2013, 115]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt als studerende aangemerkt de persoon:
a. die studiefinanciering
ontvangt op grond van de
Wet
studiefinanciering 2000;
b. die een financiële voorziening ontvangt als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de
Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. die een tegemoetkoming
ontvangt op grond van hoofdstuk 4 van de
Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
d. voor wie de verzekerde in de zin van de
Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag
ontvangt op grond van
artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van
die wet;
e. die, hoewel hij niet op grond van de onderdelen
a tot en met d als studerende wordt aangemerkt, niettemin in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal, voor zolang hij de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ook andere dan de in het eerste lid bedoelde personen als studerende worden aangemerkt. [BuksW]
HOOFDSTUK
2
Werk en
arbeidsondersteuning
AFDELING
1
Algemene bepalingen
Art.
2:1.
Algemene bepaling (5.1.1) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder
grondslag: het
minimumloon gedeeld door 21,75.
Art. 2:2. Maatmaninkomen
(5.1.2) [Bu08]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840]
-1. In dit hoofdstuk en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder maatmaninkomen: het inkomen
dat gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter
plaatse waar de jonggehandicapte woont of in de omgeving daarvan met
arbeid gewoonlijk verdienen, waarbij, zoveel doenlijk, rekening wordt
gehouden met door de jonggehandicapte verkregen nieuwe
bekwaamheden.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald hoe het maatmaninkomen, bedoeld in het
eerste lid, wordt vastgesteld. [Sa]
Art. 2:3. Jonggehandicapte
(5.1.3) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Jonggehandicapte in de zin van dit
hoofdstuk is de ingezetene die:
a. aansluitend op de dag waarop hij
17 jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken
niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen
te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen één jaar
volledig zal herstellen;
b. na de in onderdeel a
bedoelde dag waarop hij 17 jaar wordt als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of
bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest om met arbeid meer
dan 75% te verdienen van het maatmaninkomen, terwijl niet aannemelijk is
dat hij binnen één jaar volledig zal herstellen en hij in het jaar
onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop het als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek,
zwangerschap of bevalling is ingetreden, gedurende ten minste zes
maanden studerende was.
-2. Indien de ingezetene geen
jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52
weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a of b, niet meer in staat is om meer dan 75% van het
maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds
aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel
a of b, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene
binnen één jaar volledig zal herstellen, dan wordt de ingezetene
alsnog jonggehandicapte met ingang van de dag waarop hij niet meer in
staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak van
52 weken, bedoeld in het eerste lid, is
artikel 3:3, tweede en vierde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Art. 2:4. Definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
(5.1.4) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is hij
die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van
ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is
om met arbeid niet meer dan 20% te verdienen van het maatmaninkomen.
-2. In het eerste lid wordt onder duurzaam
verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en het
blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.
-3. Onder een medisch stabiele of
verslechterende situatie wordt mede verstaan een medische situatie
waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
-4. De jonggehandicapte wordt uitsluitend
als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van dit hoofdstuk
beschouwd indien en zolang hij daarmee instemt.
Art. 2:5. Nadere bepalingen definitie jonggehandicapte en volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
(5.1.5) [Bu08]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840]
-1. De beoordeling van wat iemand met
arbeid kan verdienen, alsmede de beoordeling of iemand volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is, wordt gebaseerd op een
verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig
onderzoek.
-2. Bij het vaststellen van hetgeen
betrokkene met arbeid kan verdienen wordt, zo mogelijk, rekening
gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden, maar wordt buiten
beschouwing gelaten of betrokkene de arbeid feitelijk kan
verkrijgen.
-3. Onder arbeid als bedoeld in het tweede
lid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene
met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-4. Bij de toepassing van dit artikel
wordt buiten beschouwing gelaten hetgeen wordt of kan worden ontvangen
voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening als bedoeld
in
hoofdstuk 2 of 3
van de
Wet sociale werkvoorziening.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste, tweede en derde lid en
de
artikelen 2:3, 2:4 en 2:37,
tweede lid, nadere regels worden gesteld, die voor verschillende groepen
van jonggehandicapten verschillend kunnen zijn. Hierbij kan tevens
onderscheid worden gemaakt tussen de situaties, bedoeld in
artikel 2:4, tweede en derde lid. [Sa]
-6. De voordracht voor een krachtens het
vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur,
onderscheidenlijk de vaststelling van een ministeriële regeling op
grond van het vijfde lid, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de
Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid
is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister
te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de
beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
-7. Bij de beoordeling, bedoeld in het
eerste lid, maakt de verzekeringsarts zoveel mogelijk gebruik van de bij
ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de
beoordeling van wat iemand met arbeid kan verdienen, alsmede de
beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, kunnen
ondersteunen. [Rvpa]
Art. 2:6. Inkomen
(5.1.6) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb.
2010, 867]
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen per
dag in de zin van dit hoofdstuk wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen
dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van
gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in
aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Ais]
[IW]
AFDELING
2
Algemene plichten jonggehandicapten
Art.
2:7.
Informatieplicht en medewerking aan controle (5.2.1)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte alsmede de
instelling waaraan op grond van
artikel 2:55 de inkomensvoorziening wordt
uitbetaald, doen op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling
van alle feiten of omstandigheden waarvan het hen redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op
arbeidsondersteuning, de hoogte van de inkomensvoorziening of de
betaling van de inkomensvoorziening, waaronder mede is begrepen
informatie in het kader van re-integratie, aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden
vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek
aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële
regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
-2. De jonggehandicapte is
verplicht:
a. te voldoen aan elke oproep van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of van één of meer
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen
personen om aanwezig te zijn op een door of vanwege het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats voor
beantwoording van vragen als bedoeld in onderdeel
b, het meewerken aan een onderzoek als bedoeld in onderdeel c
of het naleven van controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel
d;
b. vragen te beantwoorden die door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of door één of meer
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen
personen in verband met het recht op arbeidsondersteuning op grond van
deze wet worden gesteld;
c. mee te werken door zich te laten
onderzoeken door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of
door één of meer daartoe door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aangewezen personen;
d. tot naleving van door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde
controlevoorschriften die noodzakelijk zijn voor een juiste uitvoering
van deze wet;
e. op verzoek onverwijld inzage te
geven aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in een op hem
betrekking hebben document als bedoel in artikel 1, eerste lid, onder
1º tot en met 3º, van de
Wet op de
identificatieplicht.
-3. De verplichtingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op:
a. de ingezetene die een aanvraag
voor het recht op arbeidsondersteuning heeft ingediend;
b. de persoon die de leeftijd van
18 jaar nog niet heeft bereikt en ten aanzien van wie of ten behoeve van
wie een re-integratie-instrument als bedoeld in
artikel 2:20, 2:22 of 2:23
is toegekend of waarvan toekenning wordt overwogen.
-4. De verplichtingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien
van:
a. het re-integratiebedrijf dat in
opdracht van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
werkzaamheden verricht; of
b. personen die met toestemming van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn aangewezen door
een re-integratiebedrijf als bedoeld in onderdeel
b, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij
wet of overeenkomst aan deze personen en rechtspersonen opgedragen
taken.
-5. De jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk en die bij deelname aan
een re-integratietraject zijn re-integratieverplichtingen niet naleeft,
deelt de reden daarvan onmiddellijk mede aan het
re-integratiebedrijf.
-6. De ingezetene die een aanvraag voor
arbeidsondersteuning heeft ingediend of de jonggehandicapte die recht
heeft op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk zijn verplicht
te voldoen aan het voorschift gegeven door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige om
zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een aangewezen
inrichting mits observatie of verblijf in een aangewezen inrichting
noodzakelijk is voor de vaststelling van de omvang van de
arbeidsbeperking of bijdraagt aan genezing of aan behoud, herstel of
bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
-7. De werkgever ten behoeve van wie het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanspraak op een
geldelijke beloning voor de verrichte arbeid, op grond van
artikel 2:20 heeft verminderd of die daarvoor een
verzoek heeft gedaan, is verplicht aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging
mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de
toekenning of de duur en hoogte van de vermindering.
Art. 2:8. Plichten ter beperking van het ontstaan en bestaan van recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk
(5.2.2) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. De ingezetene die een aanvraag voor
het recht op arbeidsondersteuning heeft ingediend en de jonggehandicapte
beperken het bestaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde
arbeidsgeschiktheid, voor zover dit redelijkerwijs van hen verwacht mag
worden.
-2. De ingezetene die recht op
arbeidsondersteuning heeft aangevraagd, is verplicht:
a. mee te werken aan het opstellen
van het participatieplan; en
b. een naar algemeen medische
maatstaven adequate behandeling te ondergaan voor zijn ziekte of gebrek
die bijdraagt aan genezing of aan behoud, herstel of bevordering van de
mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
Art. 2:9. Plichten wettelijke vertegenwoordiger
(5.2.3) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
De plichten, bedoeld in de artikelen 2:7, 2:8,
2:31 en 2:32, worden, indien
de in die artikelen genoemde ingezetene of jonggehandicapte een
wettelijke vertegenwoordiger heeft, door die vertegenwoordiger
nageleefd. Voor zover de plichten slechts door de ingezetene of
jonggehandicapte kunnen worden nageleefd, bevordert de wettelijke
vertegenwoordiger die naleving.
Art. 2:10. Delegatiebevoegdheid
(5.2.4) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot de
artikelen 2:7 en 2:8. [Bovs]
AFDELING
3
Uitsluitingsgronden
voor het recht op arbeidsondersteuning
Art.
2:11. Uitsluitingsgronden
(5.3.1) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010,
838; Stb. 2012, 2;
Stb. 2012, 361]
-1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende
bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. het rechtens zijn vrijheid zijn ontnomen;
b. het
zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel;
c. het niet in Nederland wonen;
d. het als vreemdeling niet rechtmatig verblijf houden in de
zin van artikel 8, onderdeel
a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000;
e. het bereiken of bereikt hebben van de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de
uitsluitingsgrond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, niet geldt ten aanzien van vreemdelingen die, na rechtmatig
verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel
a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel
8, onderdeel
g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Art. 2:12. Nadere bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen
(5.3.2) [Geschiedenis:
Stb. 2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840; Stb. 2010,
838]
-1. In afwijking van de artikelen
2:15 en 2:16 is artikel 2:11,
eerste lid,
onderdeel a, eerst van toepassing met ingang van de dag dat de
persoon één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, tenzij op de dag
voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht bestaat op
arbeidsondersteuning op grond van artikel 2:11,
onderdeel b.
-2. Artikel 2:11,
eerste lid,
onderdeel a, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt
buiten een justitiële inrichting. [Bevsz]
[Rjj]
-3. Voor de toepassing van het eerste lid
worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met
een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art. 2:13. Niet in Nederland wonen
(5.3.3) [BvWbN]
[Geschiedenis:
Stb. 2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840; Stb. 2010,
838]
-1. In afwijking van de artikelen 2:15
en
2:16 is artikel 2:11, eerste
lid,
onderdeel c, eerst van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand
volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan
wonen.
-2. Het eerste lid is tevens van
toepassing op de jonggehandicapte die buiten Nederland is gaan wonen en
op wie
artikel 1:2, derde lid, van toepassing is.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan artikel 2:11,
eerste lid,
onderdeel c, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover
toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op
arbeidsondersteuning indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat
wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Art. 2:14. Niet meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op arbeidsondersteuning
(5.3.4) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Indien voor het vaststellen van het recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van het recht op arbeidsondersteuning op grond van deze wet, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven eventuele uit dit hoofdstuk voortvloeiende aanspraken op arbeidsondersteuning buiten
aanmerking voor zolang het recht op arbeidsondersteuning niet kan worden
vastgesteld.
AFDELING
4
Recht op arbeidsondersteuning
Art.
2:15.
Recht op arbeidsondersteuning (5.4.1)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte heeft op aanvraag
recht op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk, indien:
a. hij sinds de dag waarop hij
jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het
maatmaninkomen te verdienen;
b. op hem geen uitsluitingsgrond
als bedoeld in
artikel 2:11 van toepassing is;
c. hij de leeftijd van 18 jaar
heeft bereikt.
d. hij de aanvraag, bedoeld in de
aanhef, heeft ingediend op of na de datum van inwerkingtreding van de
Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning
(Stb. 2009, 580).
-2. Het recht op arbeidsondersteuning op
grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag dat aan de voorwaarden,
bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan, doch niet eerder dan zestien
weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning,
bedoeld in dit artikel, werd ingediend.
-3. In afwijking van het tweede lid
ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op de dag waarop de aanvraag
om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend, indien:
a. de jonggehandicapte volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is; of
b. het recht op
arbeidsondersteuning op grond van
artikel 2:17, eerste of tweede lid, herleeft.
Art. 2:16. Einde van het recht op arbeidsondersteuning
(5.4.2) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; Stb.
2009, 589; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840]
-1. Het recht op arbeidsondersteuning op
grond van dit hoofdstuk eindigt:
a. twee maanden na de dag dat de
jonggehandicapte in staat is meer dan 75% van het maatmaninkomen te
verdienen;
b. op de dag dat er op hem een
uitsluitingsgrond als bedoeld in
artikel 2:11 van toepassing is;
c. indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daartoe op zijn verzoek besluit; of
d. indien de jonggehandicapte
overlijdt.
-2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel
a, eindigt het recht op arbeidsondersteuning van de
jonggehandicapte die arbeid verricht niet, tenzij de jonggehandicapte
ten minste 75% van het maatmaninkomen verdient nadat hij vijf jaar
arbeid heeft verricht.
-3. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel
a, en het tweede lid eindigt het recht op arbeidsondersteuning
van de jonggehandicapte die arbeid verricht, op de dag dat hij gedurende
één jaar met arbeid meer heeft verdiend dan 100% van het minimumloon.
-4. Het recht op arbeidsondersteuning
eindigt niet op grond van het eerste lid, onderdeel
a, of het tweede of derde lid indien de jonggehandicapte gebruik
maakt van een voorziening als bedoeld in
artikel 2:22, tweede lid, onderdeel
a, b of d, of 2:23, eerste
lid.
Art. 2:17. Herleving van het recht op arbeidsondersteuning
(5.4.3) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840;
Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867]
-1. Indien op grond van artikel
2:16, eerste lid, onderdeel
a, tweede of derde lid, het recht op arbeidsondersteuning is
geëindigd, herleeft op aanvraag het recht op arbeidsondersteuning als
de jonggehandicapte binnen vijf jaar na de dag waarop het recht op
arbeidsondersteuning is geëindigd niet in staat is om meer dan 75% van
het maatmaninkomen te verdienen en dit voortkomt uit dezelfde oorzaak
als op grond waarvan hij eerder recht op arbeidsondersteuning had.
-2. Indien op grond van artikel
2:16, eerste lid, onderdeel
b, geen recht op arbeidsondersteuning meer bestaat omdat op de
persoon die recht had op arbeidsondersteuning één of meer
uitsluitingsgronden als bedoeld in
artikel 2:11, eerste lid, onderdeel
a, b, c of d, van toepassing waren, herleeft op
aanvraag het recht op arbeidsondersteuning wanneer zich geen van deze
uitsluitingsgronden meer voordoet.
-3. Indien het recht op
arbeidsondersteuning is geëindigd op grond van
artikel 2:16, eerste lid, onderdeel
c, herleeft het recht op arbeidsondersteuning op aanvraag van de
jonggehandicapte indien zich geen uitsluitingsgrond als bedoeld in
artikel 2:11 voordoet. Het recht op
arbeidsondersteuning herleeft niet eerder dan één jaar na de dag
waarop het recht op arbeidsondersteuning is geëindigd.
AFDELING
5
Re-integratie en arbeidsondersteuning
Art.
2:18.
Participatie en re-integratieaanpak door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (5.5.1) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840; Stb.
2012, 224]
-1. Uiterlijk op de dag dat het recht op
arbeidsondersteuning ontstaat, stelt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
in samenspraak met de jonggehandicapte een ontwerpparticipatieplan op
waarin de rechten, de verplichtingen en de gevolgen van het niet naleven
van die verplichtingen van de jonggehandicapte en de voorwaarden voor
het recht op inkomensondersteuning, bedoeld in
artikel 2:39, zijn vermeld. Indien de
jonggehandicapte de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend
kind tot 5 jaar, bevat het participatieplan afspraken over de wijze
waarop arbeid en zorg kunnen worden gecombineerd. Bij deze afspraken
worden in ieder geval de mogelijkheden tot scholing en opleiding
betrokken. Het participatieplan wordt na de vijfde werkdag na de
opstelling van het ontwerpparticipatieplan vastgesteld.
-2. In het participatieplan kan worden
bepaald dat ten behoeve van de inschakeling in de arbeid van de
jonggehandicapte de volgende instrumenten kunnen worden ingezet:
a. een re-integratietraject als
bedoeld in
artikel 30a, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
b. loondispensatie als bedoeld in artikel
2:20;
c. loonkostensubsidie als bedoeld
in
artikel 2:21 zoals dat luidde op 31 december 2011;
d. arbeidsplaatsvoorziening en
voorziening ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als bedoeld in
artikel 2:22 en 2:23;
e. proefplaatsing als bedoeld in artikel
2:24;
f. het aanbod van concrete algemeen
geaccepteerde arbeid, bedoeld in
artikel 30a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen evalueert, in samenspraak met de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, periodiek het
participatieplan en stelt dit zo nodig bij.
Art. 2:19. Werkaanbod
(5.5.2)
[BvWbN]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de jonggehandicapte tevens een aanbod
van concrete algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in
artikel 30a, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen doen indien dat niet in het participatieplan wordt
genoemd.
Art. 2:20. Loondispensatie
(5.5.3) [BlW]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Indien de arbeidsprestatie van een
werknemer die:
a. recht heeft op
arbeidsondersteuning; of
b. de leeftijd van 18 jaar nog niet
heeft bereikt;
in een bepaalde functie, maar geen functie waarin hij werkzaam is als
werknemer in de zin van de
Wet sociale werkvoorziening of op een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in
artikel 7 van die wet,
ten gevolge van ziekte of gebrek duidelijk minder is dan de
arbeidsprestatie die een geldelijke beloning van het voor hem geldende
wettelijk minimumloon rechtvaardigt,
vermindert het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar
evenredigheid, in afwijking van hetgeen bij en krachtens de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.
-2. Elk beding waarbij een geldelijke
beloning voor de verrichte arbeid wordt overeengekomen die lager is dan
de beloning vastgesteld op grond van het eerste lid is nietig.
-3. Vanaf de dag waarop de werknemer,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel
b, de leeftijd van 18 jaar bereikt en recht heeft op
arbeidsondersteuning, wordt de op grond van onderdeel
b verstrekte vermindering van de hoogte van de aanspraak op een
geldelijke beloning geacht te zijn gebaseerd op het eerste lid,
onderdeel
a, tenzij de werknemer niet aan de overige voorwaarden van het
eerste lid voldoet.
Art. 2:21. Vervallen.
(5.5.4) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2011, 608]
Art. 2:22. Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid
(5.5.5) [Bia]
[BUnv10] [BUnv11]
[BUnv12] [BUnv13]
[Bvh] [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte die arbeid in
dienstbetrekking verricht, of die arbeid in dienstbetrekking gaat
verrichten, doch niet werkzaam is of zal zijn als werknemer in de zin
van de
Wet sociale werkvoorziening, of die scholing
of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het
arbeidsproces volgt of gaat volgen, of arbeid op een proefplaats
verricht of gaat verrichten, met uitzondering van de jonggehandicapte
die werkzaam is als werknemer in de zin van de Wet sociale
werkvoorziening, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot
behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten
van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten
van arbeid op die proefplaats.
-2. Onder voorzieningen als bedoeld in het
eerste lid worden uitsluitend verstaan:
a. vervoersvoorzieningen die ertoe
strekken dat de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, zijn
werkplek of opleidingslocatie kan bereiken;
b. intermediaire activiteiten ten
behoeve van jonggehandicapten met een visuele, auditieve of motorische
handicap;
c. meeneembare voorzieningen ten
behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en
werkmethoden, de inrichting van de opleidingsplaats of de proefplaats en
de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen, die in
overwegende mate op het individu van de jonggehandicapte, bedoeld in het
eerste lid, zijn afgestemd; en
d. noodzakelijke persoonlijke
ondersteuning bij het verrichten van de aan de jonggehandicapte
opgedragen taken, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor
zijn beperkingen.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte, bedoeld in het
eerste lid, op aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die strekken tot
verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel
rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het tweede
lid, onderdeel
a.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit
artikel. [Rb]
Art. 2:23. Voorzieningen
ter bevordering en ondersteuning van arbeid als zelfstandige (5.5.6) [Bia]
[BUnv10] [BUnv11]
[BUnv12] [BUnv13]
[Bvh] [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; Stb.
2009, 589; versie 1 januari 2010;
Stb. 2011, 618]
-1. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op aanvraag van de jonggehandicapte die
arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, in het kader van de
bevordering van de inschakeling in en ondersteuning bij de arbeid als
zelfstandige, voorzieningen kan verstrekken. [Rb]
-2. Voorzieningen als bedoeld in het eerste
lid worden uitsluitend verstrekt in verband met een naar het oordeel van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen structurele functionele
beperking die het gevolg is van een ziekte of handicap die:
a. bij
de aanvang van de arbeid als zelfstandige aanwezig was; of
b.
binnen drie jaar na de aanvang van de arbeid als zelfstandige is
ontstaan, indien bij de aanvang van de arbeid als zelfstandige reeds een
ziekte of handicap aanwezig was.
-3. Voorzieningen als bedoeld in het eerste
lid worden niet verstrekt of worden beëindigd indien het inkomen van de
jonggehandicapte die arbeid als zelfstandige verricht, na een bij
algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal kalenderjaren na de
aanvang van de arbeid als zelfstandige, meer bedraagt dan een bij die
maatregel vast te stellen bedrag. Bij of krachtens die maatregel wordt
tevens bepaald wat onder inkomen als bedoeld in de eerste zin wordt
verstaan. [Rb]
Art. 2:24. Proefplaatsing
(5.5.7) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2011, 618; Stb.
2012, 464]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de jonggehandicapte
die recht heeft op arbeidsondersteuning om op een proefplaats bij een
werkgever gedurende maximaal zes maanden onbeloonde werkzaamheden te
verrichten. [BpU13]
-2. Tijdens het verrichten van
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid wordt het
recht op arbeidsondersteuning en de inkomensvoorziening niet
beëindigd.
-3. De onbeloonde werkzaamheden op een
proefplaats als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. werkzaamheden waartoe de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden waarbij de
werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en
ongevallenverzekering ten behoeve van de jonggehandicapte, bedoeld in
het eerste lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de
jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, niet reeds eerder onbeloond
op een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft
verricht; en
d. werkzaamheden waarbij er, naar
het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, een
reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende
dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes
maanden.
-4. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het
eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt deze periode voor de
toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit
artikel. [Rvvs]
Art. 2:25. Loonsuppletie
(5.5.8) [Bli]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag loonsuppletie verstrekken
aan de ingezetene:
a. die 17 jaar is;
b. die niet meer dan 75% van het
maatmaninkomen kan verdienen;
c. die arbeid in dienstbetrekking
aanvaardt of verricht; en
d. wiens loon lager is dan zijn
resterende verdiencapaciteit.
-2. De loonsuppletie wordt verstrekt over
perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen.
-3. Als perioden waarin loon uit
dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid worden
eveneens aangemerkt perioden waarin een uitkering op grond van de
Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en zorg wordt
ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is geëindigd.
-4. De loonsuppletie wordt voor de
toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing aangemerkt
als een uitkering op grond van deze wet.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de
loonsuppletie. [Rb]
Art. 2:26. Inkomenssuppletie
(5.5.9) [Bli]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op aanvraag inkomenssuppletie
verstrekken aan de ingezetene:
a. die 17 jaar is;
b. die niet meer dan 75% van het
maatmaninkomen kan verdienen;
c. die arbeid als zelfstandige
verricht of gaat verrichten; en
d. wiens inkomen uit het bedrijf of
beroep lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De inkomenssuppletie wordt verstrekt
over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend.
-3. De inkomenssuppletie wordt voor de
toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing aangemerkt
als een uitkering op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de
inkomenssuppletie. [Rb]
Art. 2:27. Nadere regels aanvraag re-integratie-instrumenten
(5.5.10) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot de aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in
artikel 2:25, van inkomenssuppletie, bedoeld in artikel
2:26, de termijn waarbinnen die aanvraag wordt ingediend, alsmede
omtrent de rechtsgevolgen die aan overschrijding van die termijn zijn
verbonden, en met betrekking tot de aanvraag van voorzieningen, bedoeld
in de
artikelen 2:22 en 2:23, en
van toestemming als bedoeld in
artikel 2:24. [Rr]
Art. 2:28. Arbeidsinschakeling door re-integratiebedrijf
(5.5.11) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ten behoeve van een jonggehandicapte die
recht heeft op arbeidsondersteuning werkzaamheden door een
re-integratiebedrijf laat verrichten, is
artikel 30a, zesde en zevende lid,
van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen van overeenkomstige toepassing.
Art. 2:29. Scholing jonggehandicapten met ernstige scholingbelemmeringen
(5.5.12) [Rss09-13]
[Rss11-16] [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
te verstrekken subsidie aan een rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf door scholing de inschakeling van
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen in de arbeid
bevordert. [Ssjes]
-2. Bij de subsidieverlening, bedoeld in
het eerste lid, kunnen aan de subsidieontvanger verplichtingen worden
opgelegd omtrent het hanteren van een registratiesysteem waaruit blijkt
of het doel van de subsidie is bereikt.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking
als bedoeld in
hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
Art. 2:30. Geen participatieondersteuning volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
(5.5.13) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 224]
De artikelen 2:18 tot en met 2:20, 2:21
zoals dat luidde op 31 december 2011 en 2:24 zijn niet van toepassing op de jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is.
AFDELING
6
Plichten in verband met het recht op arbeidsondersteuning
§
1. Verplichtingen van de jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning
Art.
2:31.
Plichten gericht op het vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
(5.6.1) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840]
-1. De jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning is verplicht in voldoende mate te trachten
mogelijkheden tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid te
behouden of te verkrijgen.
-2. Ter naleving van de plicht, bedoeld in
het eerste lid, is de jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning in elk geval verplicht:
a. zich geneeskundig te laten
behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
of het re-integratiebedrijf in opdracht van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daartoe opdracht geeft en de behandeling of de
aanwijzing bijdraagt aan genezing of aan behoud, herstel of bevordering
van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, en zijn genezing niet
te belemmeren;
b. mee te werken aan het opstellen
van het re-integratieplan, bedoeld in artikel
30a, zesde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
c. te voldoen aan verplichtingen
die zijn opgenomen in het re-integratieplan, bedoeld in artikel
30a, zesde lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-3. De verplichtingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op de persoon die een
dienstbetrekking heeft als bedoeld in
hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening of die
naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet in staat is tot het verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid.
Art. 2:32. Plichten gericht op inschakeling in de arbeid
(5.6.2) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning en zijn resterende verdiencapaciteit niet volledig
benut, is verplicht zich als werkzoekende bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
te laten registreren, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van
artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hem dit
opdraagt. De verplichting, bedoeld in de eerste zin, is niet van
toepassing op de jonggehandicapte die een dienstbetrekking heeft als
bedoeld in
hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening of die
naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet in staat is tot het verrichten van algemeen geaccepteerde
arbeid.
-2. De jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning en arbeid in dienstbetrekking verricht, is
verplicht:
a. zich te onthouden van
verwijtbaar gedrag dat aangemerkt kan worden als een dringende reden in
de zin van artikel 678 van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek;
b. de dienstbetrekking niet door of
op zijn verzoek te laten beëindigen zonder dat aan de voortzetting
ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting
redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
-3. Het door de jonggehandicapte, bedoeld
in het tweede lid, niet voeren van verweer tegen of het instemmen met
een beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van de
werkgever leidt niet tot overtreding van de verplichting, bedoeld in het
tweede lid, aanhef en onder
a.
-4. In dit hoofdstuk wordt onder algemeen
geaccepteerde arbeid verstaan algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de
betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Art. 2:33. Delegatiebevoegdheid
(5.6.3) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
artikelen 2:31 en 2:32, eerste
en tweede lid.
[Bovs]
-2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld waarbij bepaalde groepen jonggehandicapten worden
vrijgesteld van verplichtingen hun op grond van
artikel 2:31 opgelegd. [Rvvs]
Art. 2:34. Plichten volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
(5.6.4) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
De artikelen 2:31 en 2:32, eerste lid, zijn niet van toepassing op de jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is.
§
2. Bevoegdheden en plichten Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
Art.
2:35.
Controlevoorschriften (5.6.5)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze
voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een
juiste uitvoering van dit hoofdstuk.
Art. 2:36. Vervallen.
(5.6.6) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2011, 618]
Art. 2:37. Beoordeling jonggehandicapte na werkregeling
(5.6.7) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb.
2010, 867]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt, met inachtneming van artikel 2:5
en de daarop berustende bepalingen, de resterende verdiencapaciteit vast
van de jonggehandicapte die:
a. gedurende een periode van ten
minste zeven jaar recht op arbeidsondersteuning heeft gehad;
b. de leeftijd van 27 jaar heeft
bereikt; en
c. niet volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is.
-2. In afwijking van het eerste lid stelt
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, met inachtneming van
artikel 2:5 en de daarop berustende bepalingen, op
aanvraag van de jonggehandicapte zijn resterende verdiencapaciteit vast,
indien:
a. hij gedurende een periode van
ten minste vijf jaar recht op arbeidsondersteuning heeft gehad;
b. gedurende een aaneengesloten
tijdvak van vijf jaar inkomsten uit arbeid heeft genoten die
overeenkomen met zijn resterende verdiencapaciteit; en
c. er geen perspectief is op
verdere verbetering van de verdiencapaciteit.
-3. Onverminderd artikel
2:5, tweede lid, wordt bij het vaststellen van de resterende
verdiencapaciteit, bedoeld in het eerste en tweede lid, rekening
gehouden met hetgeen de jonggehandicapte met behulp van voorzieningen
als bedoeld in
artikel 2:22 kan verdienen.
Art. 2:38. Reiskostenvergoeding
(5.6.8) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels die door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
worden vastgesteld. [Bka]
[BkU]
AFDELING
7
Inkomensvoorzieningen
§
1. Inkomensondersteuning werkregeling
Art.
2:39.
Voorwaarden inkomensondersteuning (5.7.1)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 228; Stb.
2011, 618]
-1. De jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning ontvangt op aanvraag inkomensondersteuning met
ingang van de dag waarop de aanvraag werd ingediend, doch niet vóór de
dag waarop recht op arbeidsondersteuning ontstaat.
-2. In afwijking van het eerste lid
ontvangt de jonggehandicapte de inkomensondersteuning, bedoeld in het
eerste lid, niet eerder dan de dag met ingang waarvan de
jonggehandicapte aan de voorwaarden, bedoeld in het derde en vierde lid,
voldoet.
-3. De jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning ontvangt inkomensondersteuning als bedoeld in het
eerste lid, indien en zolang hij:
a. meewerkt aan activiteiten of
werkzaamheden gericht op zijn inschakeling in de arbeid die het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
wenselijk acht voor verkrijging van mogelijkheden tot het verrichten van
algemeen geaccepteerde arbeid;
b. meewerkt aan aanpassing van de
arbeidsplaats en aan persoonsgebonden voorzieningen die het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt voor verkrijging
van mogelijkheden tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid
en zo nodig tracht die aanpassing en die voorzieningen te
verkrijgen;
c. meewerkt aan het opstellen van
het participatieplan;
d. voldoet aan verplichtingen die
zijn opgenomen in het participatieplan;
e. algemeen geaccepteerde arbeid
verricht wanneer hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld;
f. in voldoende mate tracht
algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;
g. geen eisen stelt in verband met
door hem te verrichten arbeid die het aanvaarden of verkrijgen van
algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren.
-4. De jonggehandicapte die niet voldoet
aan de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel
e, ontvangt geen inkomensondersteuning zolang hij geen algemeen
geaccepteerde arbeid verricht.
-5. Onder de in het derde lid, onderdeel e,
f en g, bedoelde arbeid wordt verstaan alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is.
-6. De voorwaarden, bedoeld in het derde
en vierde lid, zijn niet van toepassing op de persoon die een
dienstbetrekking heeft als bedoeld in
hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening of die
naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
niet in staat is tot het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid.
Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel
a, wordt niet als inschakeling in de arbeid beschouwd
inschakeling in arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in
hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
-7. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan aan
jonggehandicapten die recht hebben op arbeidsondersteuning in
individuele gevallen tijdelijk ontheffing kan worden verleend van de
voorwaarde, bedoeld in het derde lid, onderdeel
e, f of g. [Bovs]
Art. 2:40. Inkomensondersteuning werkregeling
(5.7.2) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel
2:39, eerste lid, bedraagt per dag:
a. bij een inkomen per dag van
minder dan 20% van het
minimumloon: 0,55 * G;
b. bij een inkomen per dag van ten
minste 20% van het minimumloon maar minder dan 70% van het minimumloon:
0,55 * G – 0,5 * (I – 0,2 * G); en
c. bij een inkomen per dag van ten
minste 70% van het minimumloon: G – I;
waarbij G staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
-2. Indien de jonggehandicapte aantoont
dat hem niet kan worden verweten dat hij een inkomen per dag verwerft
van minder dan 20% van het minimumloon, dan bedraagt, in afwijking van
het eerste lid, onderdeel
a, de inkomensondersteuning per dag: 0,75 * G – I, waarbij G
staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
Art. 2:41. Voortgezette inkomensondersteuning werkregeling
(5.7.3) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. In afwijking van artikel
2:40, eerste lid, bedraagt de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel
2:39, eerste lid, van de jonggehandicapte die op grond van artikel 2:37
opnieuw is beoordeeld, per dag:
a. indien de jonggehandicapte een
resterende verdiencapaciteit heeft van minder dan 25% van de
grondslag:
1º. 0,75 * G, als het inkomen per dag
lager is dan de resterende verdiencapaciteit; en
2º. G – I, als het inkomen per dag ten
minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit; en
b. indien de jonggehandicapte een
resterende verdiencapaciteit heeft die ten minste gelijk is aan 25% van
de grondslag:
1º. 0,75 * G + 0,25 * G * I/R – I, als
het inkomen per dag lager is dan de resterende verdiencapaciteit;
en
2º. G – I, als het inkomen per dag ten
minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit;
waarbij G staat voor de grondslag, I voor het inkomen per dag en R voor
de resterende verdiencapaciteit.
-2. In het eerste lid, onderdeel b,
is I/R ten hoogste gelijk aan 1.
Art. 2:42. Breman-regeling
(5.7.4) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel
2:39, eerste lid, van de jonggehandicapte die op grond van artikel 2:37
opnieuw is beoordeeld, ten aanzien van wie loondispensatie als bedoeld
in
artikel 2:20 is verkregen en die noodzakelijke
persoonlijke ondersteuning als bedoeld in
artikel 2:22, tweede lid, onderdeel
d, geniet, of zou hebben genoten wanneer de jonggehandicapte niet
reeds op grond van een andere regeling deze ondersteuning zou genieten,
bedraagt in afwijking van
artikel 2:41 per dag:
a. bij een resterende
verdiencapaciteit van minder dan 45% van de grondslag:
1º. M – I, maar ten hoogste 0,75 * G,
als het inkomen per dag lager is dan de resterende verdiencapaciteit;
en
2º. G – I, als het inkomen per dag ten
minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit; en
b. bij een resterende
verdiencapaciteit die ten minste gelijk is aan 45% van de
grondslag:
1º. 0,75 * G + (L – 0,75) * G * I/R –
I, als het inkomen per dag lager is dan de resterende verdiencapaciteit;
en
2º. M – I, als het inkomen per dag ten
minste gelijk is aan de resterende verdiencapaciteit;
waarbij G staat voor de grondslag, I voor het inkomen per maand gedeeld
door 21,75,¹ R voor de resterende verdiencapaciteit, L voor het bij de
arbeid die de jonggehandicapte verricht rechtens geldende loon per maand
gedeeld door G en M voor het bij de arbeid die de jonggehandicapte
verricht rechtens geldende loon gedeeld door 21,75, waarbij M ten
hoogste 1,2 * G is.
-2. In het eerste lid, onderdeel b,
is L ten minste gelijk aan 1 en ten hoogste aan 1,2, en is I/R ten
hoogste 1.
-3. Het eerste lid is eveneens van
toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte die:
a. geen begeleiding meer op zijn
werkplek heeft als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel b,
van de
Wet sociale werkvoorziening, maar ten aanzien
van wie wel loondispensatie als bedoeld in
artikel 2:20 is verkregen, zolang hij werkzaam
blijft in de dienstbetrekking waarvoor die begeleiding was verkregen;
of
b. geen noodzakelijke persoonlijke
ondersteuning meer geniet als bedoeld in het eerste lid, maar ten
aanzien van wie wel loondispensatie als bedoeld in
artikel 2:20 is verkregen, zolang hij werkzaam
blijft in de dienstbetrekking waarvoor die persoonlijke ondersteuning
was verkregen.
1. Gelet op het bepaalde in artikel
I, onderdeel D, bij artikel 5.7.4, eerste lid, onderdeel b,
van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en
arbeidsondersteuning (Stb.
2009, 580) en in tegenstelling tot artikel
2:42, eerste lid, onderdeel b, van de Tekstplaatsing
van de Wet Wajong van 22 december 2009, Stb. 2009, 582, dient
volgens de redactie "I voor het inkomen per maand gedeeld door
21,75" te worden vervangen door: I voor het inkomen per dag.
§
2. Inkomensondersteuning tijdens studie of scholing
Art.
2:43.
Inkomensondersteuning tijdens studie of scholing (5.7.5)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 228; Stb.
2013, 115]
-1. In afwijking van de artikelen
2:40, 2:41 en 2:42 ontvangt
de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning,
inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 2:44:
a. indien hij aanspraak heeft op studiefinanciering
op grond van de Wet
studiefinanciering 2000;
b. indien hij aanspraak heeft op een
financiële voorziening als bedoeld in artikel 7.51, eerste lid, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
c. indien hij aanspraak heeft op een
tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
de Wet
tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; of
d. indien de verzekerde in de zin
van de Algemene Kinderbijslagwet voor hem
aanspraak heeft op kinderbijslag op grond van artikel
7, tweede lid, onderdeel a, van die wet.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige
toepassing indien de jonggehandicapte door zijn handelen of nalaten geen
aanspraak heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en
met c, dan wel door handelen of nalaten van de jonggehandicapte
of verzekerde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, deze
verzekerde geen aanspraak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d,
heeft.
-3. De artikelen 2:31,
eerste lid, tweede lid, onderdeel
b en c, en derde lid, 2:32 en 2:39,
tweede, derde en vierde lid, zijn tot een bij ministeriële regeling te
bepalen tijdstip niet van toepassing op de jonggehandicapte, bedoeld in
het eerste lid. [Rvvs]
Art. 2:44. Hoogte inkomensondersteuning tijdens studie of scholing
(5.7.6) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
De inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:43,
bedraagt per dag:
a. bij een inkomen per dag van ten
hoogste 25% van het
minimumloon: 25% van de grondslag; en
b. bij een inkomen per dag van meer
dan 25% van het minimumloon: (0,25 * G) – (I – 0,25 G), waarbij G
staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
§
3. Uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
Art.
2:45.
Uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (5.7.7)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte die recht heeft op
arbeidsondersteuning en volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is,
ontvangt een uitkering, tenzij hij aanspraak heeft op
inkomensondersteuning als bedoeld in
artikel 2:43.
-2. Artikel 2:39 is
niet van toepassing op de jonggehandicapte die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is.
Art. 2:46. Hoogte uitkering volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
(5.7.8) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 228]
-1. De uitkering, bedoeld in artikel
2:45, bedraagt per dag:
a. bij een inkomen per dag van
minder dan 20% van het
minimumloon: 0,75 * G – I;
b. bij een inkomen per dag van ten
minste 20% van het minimumloon maar minder dan 70% van het minimumloon:
0,55 * G – 0,5 * (I – 0,2 * G); en
c. bij een inkomen per dag van ten
minste 70% van het minimumloon: G – I;
waarbij G staat voor de grondslag en I voor het inkomen per dag.
-2. Indien de volledig en duurzaam
arbeidsongeschikte gedurende een aaneengesloten termijn van twaalf
kalendermaanden per dag een inkomen verwerft dat meer bedraagt dan 20%
van het maatmaninkomen, roept het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
de jonggehandicapte op voor een onderzoek naar het voortbestaan van
volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
-3. Het tweede lid is niet van toepassing
op bij ministeriële regeling te bepalen groepen volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten.
AFDELING
8
Aanvraag en betaling
§
1. De aanvraag van arbeidsondersteuning
Art.
2:47.
Aanvraag van arbeidsondersteuning (5.8.1)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt vast of recht op arbeidsondersteuning
op grond van
artikel 2:15 ontstaat.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die door de
jonggehandicapte bij de aanvraag worden verstrekt.
Art. 2:48. Aanvraag inkomensondersteuning
(5.8.2) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt vast of aanspraak op inkomensondersteuning als bedoeld in
artikel 2:39, eerste lid, bestaat.
§
2. Betaling
Art.
2:49.
Betaling (5.8.3) [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010,
838]
-1. De inkomensvoorziening wordt betaald door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt in tijdvakken van
één maand.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de inkomensvoorziening op of schorst de
betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. aanspraak op inkomensvoorziening niet of niet meer bestaat;
b. aanspraak op een lagere inkomensvoorziening bestaat;
c. de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een verplichting als bedoeld in de
artikelen 2:7, 2:8, 2:31 of
2:32 niet of niet behoorlijk is nagekomen;
d. een instelling als bedoeld in artikel 2:55 een verplichting als bedoeld in
artikel 2:7 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-3. Indien de inkomensvoorziening, bedoeld
in het eerste lid, in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de
betaling, in afwijking van artikel 4:89,
derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht,
op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser
aangewezen bank wordt gecrediteerd.
-4. Indien de jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is
toegekend een ander machtigt om de inkomensvoorziening in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een
betalingstijdvak aanvangende na de dag waarop de machtiging door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is ontvangen, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag van indiening onderscheidenlijk de mededeling.
Art. 2:50. Herziening van de grondslag
(5.8.4) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Een herziening van een
inkomensvoorziening als gevolg van een herziening van de grondslag van
het
minimumloon vindt plaats zonder dat dit bij
beschikking is vastgesteld.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene inkomensvoorziening,
bedoeld in het eerste lid, bij de eerstvolgende betaling nadat de
grondslag van het minimumloon is herzien.
Art. 2:51. Verhoging bij hulpbehoevendheid
(5.8.5) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Indien de jonggehandicapte die een inkomensvoorziening op grond van dit
hoofdstuk ontvangt en die slechts in staat is om met arbeid minder dan
20% te verdienen van het maatmaninkomen, verkeert in een blijvende of
voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid welke geregeld
oppassing en verzorging nodig maakt, wordt de inkomensvoorziening voor
de duur van die hulpbehoevendheid verhoogd door vermenigvuldiging met
ten hoogste de factor 100/75. De eerste zin vindt geen toepassing indien
de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en de kosten van
verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake
ziektekosten komen. [Bvuh]
Art. 2:52. Tegemoetkoming in aanvulling op inkomensvoorziening
(5.8.6) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840]
-1. De jonggehandicapte die behoort tot
een bij ministeriële regeling te bepalen categorie heeft recht op een
tegemoetkoming. [RtW07]
-2. De tegemoetkoming wordt verstrekt in
aanvulling op de inkomensvoorziening.
-3. Bij ministeriële regeling worden in
ieder geval regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de
tegemoetkoming en de betaling van de tegemoetkoming. [RtW07]
-4. De tegemoetkoming wordt betaald zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-5. De betaling van de tegemoetkoming
vindt plaats binnen één maand nadat het recht op de tegemoetkoming is
vastgesteld en geschiedt vervolgens in dezelfde termijnen als die waarin
de betaling van de inkomensvoorziening plaatsvindt.
Art. 2:53. Betaling vakantiebijslag
(5.8.7) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 228]
-1. De jonggehandicapte die over één
maand recht heeft op inkomensvoorziening, heeft over die maand recht op
vakantiebijslag.
-2. De vakantiebijslag bedraagt 8 procent
van het bedrag aan inkomensvoorziening waarop recht bestond. De betaling
van de vakantiebijslag vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei of,
indien het recht op arbeidsondersteuning eerder dan in de maand mei
eindigt, in de desbetreffende maand.
-3. Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit
gewijzigde percentage in de plaats van het in het tweede lid genoemde
percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over
de inkomensvoorziening waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende
met de dag waarop de wijziging ingaat.
-4. De vakantiebijslag wordt betaald
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld. [RaruvWW]
-6. Het eerste tot en met het derde lid
is van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 2:56.
Art. 2:54. Vervallen.
(5.8.8) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb.
2011, 288]
Art. 2:55. Betaling aan instellingen
(5.8.9) [BbzmC]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Indien de jonggehandicapte aan wie een
inkomensvoorziening is toegekend aanspraak heeft op verstrekking of
vergoeding van zorg als bedoeld in de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op
grond van
die wet
een bijdrage voor die zorg verschuldigd is, is het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bevoegd de inkomensondersteuning tot het bedrag van die bijdrage in
plaats van aan de jonggehandicapte zonder diens machtiging uit te
betalen aan het
College voor
zorgverzekeringen, genoemd in
artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien de jonggehandicapte aan wie een
inkomensvoorziening is toegekend in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de desbetreffende
inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente
die de opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om de
inkomensvoorziening aan die inrichting of die gemeente uit te betalen,
kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat verzoek zonder
het stellen van andere voorwaarden inwilligen.
-3. Indien het eerste lid toepassing
vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het
gedeelte van de inkomensvoorziening dat niet aan het College voor
zorgverzekeringen wordt betaald.
-4. Een herziening van de betaling van de
inkomensvoorziening op grond van het eerste lid als gevolg van een
wijziging van de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij
beschikking is vastgesteld.
Art. 2:56. Overlijdensuitkering
(5.8.10) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 840; Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867; Stb. 2012, 2]
-1. Na het overlijden van de
jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, wordt met
ingang van de dag na het overlijden de inkomensvoorziening in de vorm
van een overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende van de
echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel
a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de
overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen
a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de overledene
in gezinsverband leefde.
-2. De overlijdensuitkering is gelijk aan
het bedrag van de inkomensvoorziening over één maand, doch niet over
de zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die
inkomensvoorziening op de dag of laatstelijk vóór de dag van
overlijden van de jonggehandicapte.
-3. In verband met het overlijden van de
jonggehandicapte aan wie een inkomensvoorziening is toegekend, is
artikel 2:11, eerste lid, onderdeel e, niet van toepassing.
-4. De overlijdensuitkering wordt
ambtshalve of op
aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in het eerste
lid, door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
betaald.
-5. De overlijdensuitkering wordt in een
bedrag ineens betaald.
-6. Het bedrag van de overlijdensuitkering
wordt verminderd met het bedrag aan inkomensvoorziening dat over na het
overlijden gelegen dagen reeds is betaald.
Art. 2:57. Verjaringstermijn
(5.8.11) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Inkomensvoorzieningen op grond van dit hoofdstuk die niet in ontvangst
zijn genomen of zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag van
betaalbaarstelling, worden niet meer betaald.
Art. 2:58. Intrekking en herziening beschikkingen
(5.8.12) [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen herziet beschikkingen op grond van dit
hoofdstuk of trekt dergelijke beschikkingen in, indien:
a. als gevolg van het niet nakomen
van de
artikelen 2:7, 2:8, 2:31
en
2:32 en de daarop berustende bepalingen het recht
op arbeidsondersteuning op grond van dit hoofdstuk niet of niet meer kan
worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of een
inkomensvoorziening ten onrechte op een te hoog bedrag is
vastgesteld;
b. de verstrekking van een
voorziening als bedoeld in
artikel 2:22, 2:23, 2:25
of
2:26 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is
verleend;
c. anderszins het recht op
arbeidsondersteuning ten onrechte of een inkomensvoorziening tot een te
hoog bedrag is vastgesteld.
-2. Indien een voorziening als bedoeld in artikel 2:23
in de vorm van een subsidie wordt verstrekt, wijzigt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de beschikking tot
vaststelling van de subsidie of trekt het die beschikking in indien
sprake is van een omstandigheid als bedoel in
artikel 4:49, eerste lid, onderdeel a,
b of c, van de Algemene wet
bestuursrecht.
-3. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.
Art. 2:59. Terugvordering
(5.8.13) [Bti]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 462]
-1. Een inkomensvoorziening die op grond
van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van
een beschikking als bedoeld in
artikel 2:58 door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen onverschuldigd is betaald of verstrekt,
wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene
van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover
verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen
betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b
en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 2:7, eerste lid.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a
en
b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van degene
van wie wordt teruggevorderd in die periode de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het
gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in
artikel 2:7, eerste lid.
-5. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd,
is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
terugvordering van belang zijn.
-7. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te
vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag
niet te boven gaat. [Rtgb]
Art. 2:60. Invordering bij dwangbevel
(5.8.14) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 462]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde
inkomensvoorziening, bedoeld in
artikel 2:59, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
-2. Artikel 3:43
is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het
gemiddeld inkomen van de persoon gedurende drie jaar de beslagvrije
voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager
vaststelt.
-3. Artikel 3:44 is van overeenkomstige
toepassing.
Art. 2:61. Nadere regels
(5.8.15) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. [Rtbbtob]
Art. 2:62. Schuldregeling
(5.8.16) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2011, 618]
-1. In afwijking van artikel 2:59
kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
op verzoek van degene van wie wordt teruggevorderd, besluiten
gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien bij medewerking aan een schuldregeling,
indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is
dat degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen voortgaan met
het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat
hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is
dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de
in het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers
zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd
betaalde inkomensvoorziening ten minste zal worden voldaan naar
evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke
rang;
d. een naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbaar voorstel voor
een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als
bedoeld in artikel 48 van de
Wet op het
consumentenkrediet; en
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door degene van
wie wordt teruggevorderd van de verplichting, bedoeld in
artikel 2:7, en hiervoor een boete is opgelegd als
bedoeld in
artikel 2:69, dan wel met betrekking tot het niet
naleven van die verplichting aangifte is gedaan op grond van het
Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het besluit tot het gedeeltelijk
afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere
terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van degene van wie wordt
teruggevorderd, gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. degene van wie wordt
teruggevorderd zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;
of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.
Art. 2:63. Preferentie
(5.8.17) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2011, 618]
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 2:59
en
2:62 is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van
Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
Art. 2:64. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
(5.8.18) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Een inkomensvoorziening op grond van
dit hoofdstuk en een voorziening als bedoeld in de
artikelen 2:22, 2:23, 2:25
of
2:26 zijn onvervreemdbaar en niet vatbaar voor
verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst van een
inkomensvoorziening op grond van dit hoofdstuk onder welke vorm of
benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met dit artikel is
nietig.
Art. 2:65. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen
(5.8.19) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 2:22, 2:23,
2:25 en ¹ 2:26, de verhoging, bedoeld in
artikel 2:51, alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 2:56, zijn niet vatbaar voor beslag.
1. Gelet op het bepaalde in artikel
I, onderdeel D, bij artikel 5.8.19 van de Wet van 3 december
2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en
arbeidsondersteuning (Stb.
2009, 580) en in tegenstelling tot artikel 2:65
van de Tekstplaatsing van de
Wet Wajong van 22 december 2009, Stb. 2009, 582, dient
volgens de redactie "en" te worden vervangen door: of.
Art. 2:66. Verrekening boete met inkomensvoorziening
(5.8.20) [Geschiedenis:
Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Een boete opgelegd op grond van de Algemene
Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet, de
Algemene Ouderdomswet, de Toeslagenwet, de
Werkloosheidswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de
Ziektewet die verrekend kan worden met een uitkering op grond van deze wet, kan tevens verrekend worden met een
inkomensvoorziening.
AFDELING
9
Sancties
Art.
2:67.
Maatregelen Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (5.9.1)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen weigert een inkomensvoorziening op grond
van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk, blijvend of tijdelijk,
indien:
a. de jonggehandicapte
verplichtingen als bedoeld in de
artikelen 2:7, tweede tot en met zesde lid, 2:8,
2:31 en 2:32 niet of niet
behoorlijk is nagekomen;
b. de jonggehandicapte de
verplichting, bedoeld in
artikel 2:7, eerste lid, niet binnen de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de
verplichting, bedoeld in
artikel 2:7, eerste lid, indien het niet tijdig
nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of
tot een te hoog bedrag verlenen van een inkomensvoorziening, tenzij het
niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
-3. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
Art. 2:68. Afstemming maatregel
(5.9.2) [BmU]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. Een maatregel als bedoeld in artikel 2:67
wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
jonggehandicapte de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van
een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
-2. Het opleggen van een maatregel blijft
achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als
bedoeld in
artikel 2:69 wordt opgelegd.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste
lid, waarbij in ieder geval kan worden geregeld in welke gevallen het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan afzien van het opleggen van een maatregel. [Mszw]
Art. 2:69. Bestuurlijke boete bij
niet-naleving
inlichtingenverplichting (5.9.3) [Bbw10]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 462]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste
het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid. De bestuurlijke boete
is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden
opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
2:7,
eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan
inkomensvoorziening is ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
van de verplichting, bedoeld in artikel
2:7, eerste lid, niet heeft
geleid tot een benadelingsbedrag of indien een werkgever als bedoeld in
artikel 2:7, zevende lid, de verplichting, bedoeld in artikel
2:7,
zevende lid, niet of niet behoorlijk nakomt, legt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete op
van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel
23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen
door de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, tenzij het niet of
niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige
waarschuwing is gegeven.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet
of niet behoorlijk nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
2:7, eerste
lid, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan
inkomensvoorziening is ontvangen, van ten hoogste 150% van het
benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand
aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke
boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere
overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is
geworden.
-6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld
in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, of artikel 12 van
de Toeslagenwet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog
bedrag aan inkomensvoorziening of toeslag is verleend.
-7. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de jonggehandicapte of
zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf.
-8. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke
boete. [Bszw]
-11. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
-12. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
-13. De artikelen 3:43 tot en met 3:44a
zijn van overeenkomstige toepassing op een bestuurlijke boete die op
grond van dit artikel is opgelegd.
HOOFDSTUK
3
Arbeidsongeschiktheidsvoorziening
AFDELING
1
Algemeen
Art.
3:1.
Begrip arbeidsongeschiktheid
(2-oud) [Bbu04] [Bu08]
[Bulca] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb. 2003, 544; Stb.
2005, 710; Stb.
2009, 318; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580 + bis
+ bis; versie
1 januari 2010]
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, in de zin van dit
hoofdstuk is de persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te
verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
-2. De persoon die op de dag dat hij ingezetene wordt gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
aangemerkt indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te
verdienen hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste
lid, ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
-3. Indien de op de in het tweede lid bedoelde dag aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand is afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de dag waarop de betrokkene ingezetene wordt in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid is afgenomen.
-4. Het tweede en derde lid vinden geen toepassing indien de betrokkene op het moment dat hij ingezetene werd jonger was dan
17 jaar en hij gedurende de zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij
17 jaar wordt ingezetene is geweest.
-5. Onder de in het eerste en tweede lid eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-6. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-7. Bij de toepassing van dit artikel wordt buiten beschouwing
gelaten hetgeen wordt of kan worden ontvangen voor arbeid verricht bij wijze van sociale werkvoorziening als bedoeld in
hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste tot en met zevende lid nadere regels worden gesteld. [Sa]
-9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de
Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is
geschied wensen en bedenkingen ter kennis van
Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.
-10. Bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in dit hoofdstuk maakt de verzekeringsarts
zoveel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen. [Rvpa]
Art. 3:2.
Jonggehandicapte (5-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 286; Stb.
2001, 225; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580 + bis
+ bis; versie
1 januari 2010]
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij 17 jaar
wordt arbeidsongeschikt is;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag arbeidsongeschikt wordt en in het
jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende
was.
AFDELING
2
Het recht op en de hoogte van de uitkering
§
1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art.
3:3.
Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering (6-oud)
[BewuWWW99]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; Stb. 2007, 551;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580 + bis; versie
1 januari 2010; Stb. 2010, 840]
-1. De jonggehandicapte heeft recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering zodra hij onafgebroken 52
weken onmiddellijk volgend op de in
artikel 3:2, onderdeel
a of b, bedoelde dag arbeidsongeschikt is geweest,
indien hij na afloop van dat tijdvak nog arbeidsongeschikt is.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van
52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan
en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan
worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
-3. Recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte die
na afloop van het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 52 weken niet
arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-4. Voor het bepalen van het tijdvak van
52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden steeds in aanmerking genomen
tijdvakken gedurende welke de jonggehandicapte recht zou hebben gehad op
ziekengeld op grond van de
Ziektewet indien hij op grond van die wet zou
zijn verzekerd.
-5. Voor de toepassing van het eerste tot
en met derde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene die
minder dan 25% arbeidsongeschikt is alsmede de jonggehandicapte die een
uitkering geniet als bedoeld in het tweede lid.
-6. Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats met ingang van een dag
gelegen vóór die waarop betrokkene de leeftijd van 18 jaar
bereikt.
-7. Toekenning ten aanzien van de in artikel
1:2, derde lid, bedoelde persoon vindt niet eerder plaats dan met
ingang van de dag dat hij in Nederland woont.
Art. 3:4. Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
(6a-oud) [Bbtv] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 564; Stb. 2000,
496 + bis; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
-1.
Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft de vreemdeling die
niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel
a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden afgeweken van het eerste lid ten aanzien van vreemdelingen die,
na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8,
onderdeel
a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel
8, onderdeel
g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Art. 3:5. Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens vrijheidsontneming
(6b-oud) [Geschiedenis:
Stb. 1999, 595; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010,
838]
-1. De jonggehandicapte, bedoeld in artikel
3:3, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou
ingaan dan wel de dag na afloop van de toepassing van artikel
3:5a met betrekking tot dat recht op uitkering, is gelegen in een periode dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. De jonggehandicapte die op grond van het eerste lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
Artikel 3:3, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Met inachtneming van de bepalingen van deze wet heeft eveneens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering de jonggehandicapte, bedoeld in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag.
Artikel 3:3, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-5. Het eerste lid is niet van toepassing en het tweede lid en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
Art.
3:5a. Geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens
onttrekking aan vrijheidsontneming [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
De jonggehandicapte, bedoeld in artikel 3:3, heeft
geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien en voor zolang hij
op de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan
en daarna zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf
of vrijheidsbenemende maatregel.
Art. 3:6. Geen recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering na inwerkingtreding van de Wet van 3
december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van
jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580) (6c-nieuw)
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte, bedoeld in artikel
3:3, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij
de aanvraag, bedoeld in
artikel 3:28, voor het eerst heeft ingediend op of
na de datum van inwerkingtreding van de
Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning
(Stb. 2009, 580).
-2. De jonggehandicapte, bedoeld in artikel
3:3, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij
de leeftijd van 17 jaar niet had bereikt op de datum van
inwerkingtreding van de Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten
door werk en arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580).
Art. 3:7. Grondslag van de uitkering
(7-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2009, 265; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt berekend naar de grondslag van het
minimumloon.
-2. Onder het in het eerste lid bedoelde
minimumloon wordt verstaan het minimumloon per maand, bedoeld in artikel
8, eerste lid, onderdeel
a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, of,
indien het een persoon jonger dan 23 jaar betreft, het minimumloon per
maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid, en
artikel 8, derde lid, van
genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
-3. Een herziening van de uitkering als
gevolg van een herziening van de grondslag van het minimumloon vindt
plaats zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in
het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de
grondslag van het minimumloon is herzien.
Art. 3:8. Percentage arbeidsongeschiktheidsuitkering
(8-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 628; Stb.
2007, 567; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een
arbeidsongeschiktheid van:
25-35%: 21% van de grondslag;
35-45%: 28% van de grondslag;
45-55%: 35% van de grondslag;
55-65%: 42% van de grondslag;
65-80%: 50,75% van de grondslag;
80% of meer: 75% van de grondslag.
-2. Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met
verkregen nieuwe bekwaamheden.
Art. 3:9. Verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering
(9-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2005, 525; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
Een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de jonggehandicapte verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van
hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag verhoogd. De eerste zin vindt geen
toepassing indien de jonggehandicapte in een inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen.
[Bvah99] [Bvuh]
Art. 3:10. Tegemoetkoming in aanvulling op arbeidsongeschiktheidsuitkering
(9a-oud) [RtW]
[RtW07] [Geschiedenis:
Stb.
2005, 713; Stb. 2009, 265;
Stb.
2009, 318; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte die behoort tot
een bij ministeriële regeling te bepalen categorie heeft recht op een
tegemoetkoming.
-2. De tegemoetkoming wordt verstrekt in
aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Bij ministeriële regeling worden in
ieder geval regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de
tegemoetkoming en de betaling van de tegemoetkoming.
-4. De tegemoetkoming wordt betaald zonder
dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-5. De betaling van de tegemoetkoming
vindt plaats binnen één maand nadat het recht op de tegemoetkoming is
vastgesteld en geschiedt vervolgens in dezelfde termijnen als die waarin
de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt.
Art. 3:11. Buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
(10-oud) [Bbala]
[BbalaWWW]
[Bsoihu06] [Rsohiu]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580 + bis;
versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
kan met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking laten:
a. gehele arbeidsongeschiktheid die
bestond op de dag dat een persoon ingezetene werd;
b. arbeidsongeschiktheid die is
ingetreden binnen een halfjaar na het tijdstip waarop een persoon
ingezetene werd, terwijl de gezondheidstoestand van die persoon op dat
tijdstip het intreden van de arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar
kennelijk moest doen verwachten;
c. arbeidsongeschiktheid die
bestond op de eerste dag dat een persoon studerende was als bedoeld in
artikel 1:4, eerste lid;
d. arbeidsongeschiktheid die is
ingetreden binnen een halfjaar na het tijdstip waarop een persoon
studerende werd, terwijl de gezondheidstoestand van die persoon op dat
tijdstip het intreden van de arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar
kennelijk moest doen verwachten.
-2. De in het eerste lid, onderdeel b
en
d, bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot de toeneming van
de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is
voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die
binnen een halfjaar na aanvang van het ingezetenschap dan wel na aanvang
van de studie is ingetreden.
-3. Het eerste en tweede lid blijven
buiten toepassing ten aanzien van de jonggehandicapte indien hij op de
dag dat hij ingezetene werd jonger was dan 17 jaar en hij gedurende de
zes jaren onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar wordt
ingezetene is geweest.
-4. Zolang het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van het eerste of tweede lid
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt
artikel 3:1, tweede lid, overeenkomstige toepassing
met betrekking tot de door de jonggehandicapte aan deze wet nog te
ontlenen aanspraken, met dien verstande dat voor de in het eerste lid
bedoelde dag of tijdstip in de plaats treedt de dag met ingang waarvan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen arbeidsongeschiktheid
buiten aanmerking laat.
Art. 3:12. Niet meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op uitkering
(10a-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2006, 703; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
Indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van deze
wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een uitkering
op grond van deze wet, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat
onderzoek, blijven eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op
een uitkering op grond van deze wet buiten beschouwing, voor zolang het
recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. [Bsoihu06]
Art. 3:13. Herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
(11-oud) [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 416;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010;
Stb.
2010, 867]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt herzien wanneer de jonggehandicapte aan wie zij is toegekend, op
grond van deze wet voor een hogere of lagere uitkering in aanmerking
komt.
-2. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met inachtneming van de
artikelen 3:14 tot en met 3:17.
-3. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van
de jonggehandicapte die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing wordt gedurende deze opleiding of scholing niet herzien in
verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de
arbeidsongeschiktheid. Indien de jonggehandicapte tijdens de opleiding
of scholing inkomen verwerft, is
artikel 3:48, eerste lid, van overeenkomstige
toepassing.
Art. 3:14. Herziening bij minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
(12-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van minder dan 45%, onverminderd de
artikelen 3:16 en 3:17, plaats
zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft
geduurd.
-2. De in het eerste lid bedoelde
herziening vindt niet plaats indien de toeneming kennelijk is
voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid
ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
-3. Het tweede lid is niet van toepassing
op de persoon die in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag van
het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid zes of meer
maanden studerende was als bedoeld in
artikel 1:4, eerste lid, onderdeel
b.
-4. Voor het bepalen van het tijdvak van
52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan
en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan
worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van
het tijdvak van 52 weken blijven perioden waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, buiten beschouwing.
-5. Perioden van wonen buiten Nederland
waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen worden mede in aanmerking
genomen voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het
eerste lid.
Art. 3:15. Herziening bij 45% arbeidsongeschiktheid of meer
(13-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. Ter
zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45%, onverminderd
artikel 3:16, plaats zodra de toegenomen
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45% doch minder dan 80%, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%, doch binnen vier weken na de dag met ingang waarvan die
uitkering is herzien de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het
eerste lid van toepassing, onder afwijking van
artikel 3:14.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak van
vier weken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden perioden van
toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan
worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de
eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden waarin uitkering
in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, buiten beschouwing.
-4. Perioden van wonen buiten Nederland
waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen, worden mede in aanmerking
genomen voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het
eerste en tweede lid.
Art. 3:16. Herziening uitkering zonder wachttijd
(14-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2007, 567; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2010, 867]
-1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid optreedt, indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
d. binnen een bij ministeriële regeling aan te geven tijdvak in daarbij aan te wijzen gevallen. [Rhaw]
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk wegens
toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien dan wel is herleefd, met
toepassing van
artikel 3:29, tweede lid, onderscheidenlijk artikel
3:31, tweede lid, geldt voor de toepassing van het eerste lid,
onderdeel
a en b, als dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk werd
herzien dan wel is herleefd, de dag met ingang waarvan die uitkering zou
zijn toegekend, onderscheidenlijk zou zijn herzien dan wel zou zijn
herleefd, indien
artikel 3:29, tweede lid, onderscheidenlijk artikel
3:31, tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.
-3. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een herbeoordeling als
bedoeld in
artikel 3:28, zesde lid, plaats met ingang van 22
februari 2007.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld voor gevallen waarbij direct herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Op grond van deze regels
kan bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van de
jonggehandicapte die bij hervatting van de arbeid inkomen geniet dat
minder bedraagt dan evenredig is aan
zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
-5. Voor de toepassing van het eerste lid
worden perioden van wonen buiten Nederland waarin de
arbeidsongeschiktheid is toegenomen mede in aanmerking genomen.
Art. 3:17. Herziening bij toeneming arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
(15-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; Stb. 2007, 567;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van
toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die
voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid
ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen, vindt
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de
toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft
geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van
vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan
en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan
worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de
eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden waarin uitkering
in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, buiten beschouwing.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing
indien recht bestaat op herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
artikel 3:15 of 3:16, eerste
lid, onderdeel
a tot en met c, of derde lid.
-4. Perioden van wonen buiten Nederland
waarin de arbeidsongeschiktheid is toegenomen, worden mede in aanmerking
genomen voor het bepalen van het tijdvak van vier weken, bedoeld in het
eerste lid.
Art.
3.17a. Samenloop met Ziektewet [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
Indien als gevolg van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid zowel
recht op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat of is
ontstaan op grond van de artikelen 3:14, 3:15,
3:16 en 3:17 als op ziekengeld
op grond van de Ziektewet, wordt het bedrag
waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of wordt verhoogd
uitbetaald voor zover dit het ziekengeld overtreft, dan wel zou
overtreffen, indien het ziekengeld op grond van artikel
45 van de Ziektewet geheel of gedeeltelijk
is geweigerd.
Art. 3:18. Overige gronden voor herziening of intrekking
(16-oud) [BewuWWW99]
[Bhiu] [Bsoihu06]
[Rsohiu] [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; Stb.
2009, 589; versie
1 januari 2010]
-1.
Onverminderd hetgeen overigens in deze wet is bepaald ter zake van
herziening of intrekking van een beschikking tot toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, alsook ter zake van een weigering van
een zodanige uitkering, herziet het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
een dergelijke beschikking of trekt het deze in:
a. ter uitvoering van een
beslissing als bedoeld in
artikel 3:11;
b. indien het niet of niet
behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van
artikel 3:37, 3:38 of 3:74
heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
een uitkering;
c. indien anderszins de uitkering
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een
verplichting op grond van
artikel 3:37, 3:38 of 3:74
ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering
bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende
redenen aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening
of intrekking als bedoeld in het eerste lid af te zien.
-3. Een besluit tot toekenning van
loonsuppletie als bedoeld in
artikel 3:67 en van inkomenssuppletie als bedoeld
in
artikel 3:68 wordt ingetrokken of herzien indien
die voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn
vastgesteld.
Art. 3:19. Einde van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
(17-oud) [BvWbN]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595 + bis;
Stb. 2001, 212 + bis;
Stb. 2001, 625; Stb.
2002, 395; Stb. 2003, 544;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 2; Stb.
2012, 361]
-1. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt:
a. met ingang van de dag waarop de
jonggehandicapte de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, bereikt;
b. wanneer de arbeidsongeschiktheid is
geëindigd of beneden 25% is gedaald, met ingang van de dag aangegeven in de daartoe strekkende beschikking van het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
c. met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen.
-2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte die deelneemt aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing wordt gedurende deze opleiding of scholing niet ingetrokken in verband met een daaruit voortvloeiende afneming van de arbeidsongeschiktheid. Indien de jonggehandicapte tijdens de opleiding of scholing
inkomen verwerft, is
artikel 3:48, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. Indien de intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of opleiding, gaat deze intrekking niet eerder in dan
één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding.
-4. Het eerste lid, onderdeel c, is tevens van toepassing op de jonggehandicapte die buiten Nederland is gaan wonen en op wie
artikel 1:2, derde lid, van toepassing is.
-5. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
eindigt indien de jonggehandicapte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-6. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt indien de jonggehandicapte zich
onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel.
-7. Voor de jonggehandicapte die op de dag
voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft op grond van het zesde lid eindigt
het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het
vijfde lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat.
-8. Voor de toepassing van het vierde lid worden perioden van vrijheidsontneming
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-9. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan het eerste lid, onderdeel
c, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Art. 3:20. Herleving van het recht op uitkering
(18-oud) [Geschiedenis:
versie 24 april 1997; Stb.
1997, 794;
versie 1 januari 1999; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
Indien het recht op uitkering op grond van artikel 3:19,
eerste lid, onderdeel
c, is geëindigd en de jonggehandicapte vervolgens weer in
Nederland woont, herleeft het recht op uitkering met ingang van de
eerste dag van de maand volgend op die waarin hij weer in Nederland is
gaan wonen.
Art. 3:21. Toekenning uitkering binnen vijf jaar na intrekking of niet-toekenning
(19-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595; Stb.
2001, 568; Stb. 2004, 324
+ bis; Stb.
2005, 65; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867]
-1. Indien de jonggehandicapte:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid op grond van
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
b, is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de
wachttijd, bedoeld in
artikel 3:3, eerste lid, ongeschikt is tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of
bevalling, maar geen recht had op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was;
binnen vijf jaar na de datum van die intrekking dan wel binnen vijf jaar
na het bereiken van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd
genoten dan wel als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, gebreken, zwangerschap of
bevalling voortkomt, vindt toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra die
arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van
vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan
en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met
zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan
worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de
eerstgenoemde periode van vier weken blijven perioden waarin uitkering
in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18
of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, buiten beschouwing.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing
indien op grond van artikel 3:22 aanspraak bestaat
op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-4. De artikelen 3:5 en
de daarop berustende bepalingen en 3:5a zijn van overeenkomstige toepassing.
-5. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit artikel wordt toegekend
en tevens recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet
bestaat, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover
deze het ziekengeld overtreft, dan wel zou overtreffen, indien het
ziekengeld op grond van artikel 45 van de Ziektewet
geheel of gedeeltelijk is geweigerd.
Art. 3:22. Heropening van de uitkering
(20-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595; Stb.
2007, 567; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867]
-1. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, in verband met
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
b, is ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag met ingang waarvan de uitkering is
ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het eerste lid is mede van toepassing ten aanzien van de
jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
b, is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen vier weken na de
dag met ingang waarvan die uitkering, die voordien was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
-3. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
b, is ingetrokken met ingang van een dag gelegen binnen vier weken na de
dag met ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen die vier weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 3:16, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
-4. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
b, is ingetrokken, heeft, onverminderd het tweede en het derde lid, indien hij binnen vier weken na de
dag met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een andere oorzaak dan
die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. Ten aanzien van de jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
b, is ingetrokken en die weer arbeidsongeschikt is geworden op grond van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 28,¹ zesde lid, vindt heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering plaats met ingang van 22 februari 2007.
-6. De heropening vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op de
dag waarop de heropening ingaat.
-7. Indien zowel recht ontstaat of is
ontstaan op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van dit artikel als op ziekengeld op grond van de Ziektewet,
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze het
ziekengeld overtreft, dan wel zou overtreffen, indien het ziekengeld op
grond van artikel 45 van de Ziektewet
geheel of gedeeltelijk is geweigerd.
-8. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene die minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
-9. De artikelen 3:5 en
de daarop berustende bepalingen en 3:5a zijn van overeenkomstige toepassing.
1. Volgens de redactie dient
"artikel 28" te worden vervangen door: artikel
3:28.
Art. 3:23. Heropening van de uitkering na afloop vrijheidsontneming
(20a-oud) [Geschiedenis:
Stb. 1999, 595; Stb.
2004, 416; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met
artikel 3:19, vijfde lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
Artikel 3:3, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 3:3, vijfde lid,
3:29 en 3:30 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
-4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting
plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
Art.
3:23a. Heropening van de uitkering na afloop onttrekking
vrijheidsontneming [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
-1. De jonggehandicapte wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel
3:19, zesde lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in
vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op
die dag arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte,
bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet
arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 3:3,
vijfde lid, 3:29 en 3:30 zijn
van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit
artikel.
§
2. Vakantie-uitkering
Art.
3:24.
Recht op vakantie-uitkering (21-oud)
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
De jonggehandicapte die over één maand recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft over die maand recht op
vakantie-uitkering.
Art. 3:25. Hoogte van de vakantie-uitkering
(22-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2005, 573; Stb.
2009, 265;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
-1. De vakantie-uitkering bedraagt 8
procent van het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht
bestond in het tijdvak van twaalf maanden voorafgaande aan de maand
mei.
-2. Indien artikel 3:48,
3:50 of 3:51 is toegepast,
wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in
het eerste lid, verstaan het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat dat artikel toepassing heeft
gevonden.
-3. Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, treedt dit
gewijzigde percentage in de plaats van het in het eerste lid genoemde
percentage. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over
de uitkering waarop recht bestaat over het tijdvak aanvangende met de
dag waarop de wijziging ingaat.
-4. De vakantie-uitkering wordt betaald
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
Art. 3:26. Recht op vakantie-uitkering over overlijdensuitkering
(23-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
De artikelen 3:24 en 3:25, eerste tot en met derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 3:54.
AFDELING
3
Het geldend maken van het recht op uitkering
§
1. Melding
Art.
3:27.
Melding gedurende wachttijd (27-oud)
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2004, 324 + bis;
Stb. 2005, 65; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580 + bis; versie
1 januari 2010]
-1. Ten einde een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering geldend te kunnen maken, meldt de jonggehandicapte zijn arbeidsongeschiktheid binnen dertien weken na de dag waarop hij 17 jaar is geworden dan wel binnen dertien weken na de in
artikel 3:2, eerste lid, onderdeel
b, bedoelde dag aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van arbeidsongeschiktheid
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18 of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van dertien weken blijven
perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8,
3:10, eerste lid, 3:18 of
3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg
wordt genoten, buiten beschouwing.
§
2. Toekenning
Art.
3:28.
Toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering (28-oud)
[BewuWWW99]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 678; Stb.
1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 627 + bis; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 416; Stb.
2005, 624; Stb. 2007, 567;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt op aanvraag toegekend.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt de jonggehandicapte schriftelijk in
kennis van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag uiterlijk vier
maanden vóór de datum waarop het in
artikel 3:3, eerste lid, genoemde tijdvak van 52
weken eindigt.
-3. Het tweede lid is niet van toepassing
indien de jonggehandicapte de melding, bedoeld in
artikel 3:27, eerste lid, niet of niet tijdig heeft
gedaan. Indien de jonggehandicapte deze melding niet tijdig heeft
gedaan, geldt de in het tweede lid bedoelde verplichting voor het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uiterlijk drie maanden
nadat de jonggehandicapte de melding heeft gedaan.
-4. De jonggehandicapte die in aanmerking
wenst te komen voor toekenning van de uitkering doet zijn aanvraag
binnen negen maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid.
-5. Onverminderd hetgeen in deze wet ter
zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
is bepaald, wordt ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 zijn
geboren, op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald
tijdstip door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of
er in verband met wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid
gronden zijn voor herziening of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.¹ Het tijdstip kan voor verschillende
groepen van personen verschillend worden vastgesteld. Bij algemene
maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de eerste zin niet van
toepassing is op bepaalde groepen van personen. [Beha]
-6. Ten aanzien van personen die na 1 juli 1954 maar voor 2 juli 1959 zijn geboren en die
vóór 22 februari 2007 op grond van het vijfde lid zijn herbeoordeeld, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er per 22 februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.
-7. Op grond van de beoordeling, bedoeld in het zesde lid, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid van de persoon, bedoeld in het zesde lid, die niet heeft verzocht om een nieuwe medische beoordeling, niet lager vastgesteld dan de mate van arbeidsongeschiktheid die voor die persoon gold op 21 februari 2007.
-8. Een aanvraag is tijdig ingediend indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen.
-9. Indien de toepassing van het vierde lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen.
1. Zie ook Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten, red.
Art. 3:29. Ingangsdatum uitkering
(29-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
gaat in op de dag met ingang waarvan de jonggehandicapte aan de
vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het eerste lid kan de
uitkering niet vroeger ingaan dan één jaar vóór de dag waarop de
aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd
ingediend. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.
-3. Toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien deze zou ingaan
op of na de in
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
a, bedoelde dag.
Art. 3:30. Herziening, heropening dan wel herleving op aanvraag of ambtshalve
(30-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2004, 416; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
Herziening, heropening dan wel herleving van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
Art. 3:31. Ingangsdatum herziening, heropening en herleving uitkering
(31-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010;
Stb.
2010, 867; Stb. 2011, 618]
-1. De herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag waarop de
jonggehandicapte op grond van deze wet voor een hogere of lagere
uitkering in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering die een verhoging van die uitkering
tot gevolg heeft, alsmede met betrekking tot de heropening of herleving
van de uitkering, is
artikel 3:29, tweede lid, van overeenkomstige
toepassing.
-3. De herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de
arbeidsongeschiktheid gaat in op de dag aangegeven in de daartoe
strekkende beschikking van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-4. Indien de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing
of opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan één jaar na
voltooiing van die scholing of opleiding.
-5. De herleving van de uitkering, bedoeld
in
artikel 3:20, gaat in op de eerste dag van de maand
volgend op die waarin hij weer in Nederland is gaan wonen.
-6. De heropening van de uitkering,
bedoeld in
artikel 3:22, gaat in op de dag met ingang waarvan
de jonggehandicapte weer arbeidsongeschikt is geworden.
-7. Heropening of herleving van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien deze zou ingaan
op of na de in
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
a, bedoelde dag.
Art. 3:32. Toekenning vakantie-uitkering op aanvraag of ambtshalve
(32-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
De vakantie-uitkering wordt ambtshalve of, ingeval artikel
3:52, eerste lid, tweede zin, toepassing vindt, op aanvraag door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
toegekend.
Art. 3:33. Oproep en onderzoek door of namens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(33-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
Stb. 1998, 290; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 710;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; Stb. 2009, 589; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan, telkens wanneer het dat nodig
oordeelt, oproepen of doen oproepen en op een door of namens hem te
bepalen plaats ondervragen of doen ondervragen:
a. de jonggehandicapte die de
wachttijd van 52 weken, bedoeld in
artikel 3:3, eerste lid, doormaakt;
b. de jonggehandicapte die
aanspraak maakt op of recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
c. de jonggehandicapte ten aanzien
van wie of ten behoeve van wie een reïntegratie-instrument als bedoeld
in
artikel 3:63 is toegekend of waarvan toekenning
wordt overwogen;
d. de ingezetene die de leeftijd
van 17 jaar nog niet heeft bereikt en ten aanzien van wie of ten behoeve
van wie een reïntegratie-instrument als bedoeld in
artikel 3:63 is toegekend of waarvan toekenning
wordt overwogen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op
een door of namens hem te bepalen plaats door één of meer daartoe door
hem aangewezen deskundigen doen onderzoeken.
-3. De daartoe door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige kan,
ook zonder opdracht van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, de in het eerste lid bedoelde personen
oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en
doen onderzoeken door één of meer door hem daartoe aangewezen
deskundigen.
Art. 3:34. Vergoeding kosten en tijdverlies
(34-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
Opgeroepenen en, indien hun toestand geleide nodig maakt, mede hun
geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed in
de gevallen en volgens regels die door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
worden vastgesteld. [Bka]
[BkU]
Art. 3:35. Voorschriften van medische of administratieve aard
(35-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis + bis;
Stb. 2001, 628; Stb.
2003, 544; Stb 2007, 564;
Stb. 2008, 600; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen
deskundige kunnen de personen, bedoeld in
artikel 3:33, eerste lid, voorschriften geven in
het belang van een behandeling of van genezing of tot behoud, herstel en
bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan voorschrijven dat personen, bedoeld in
artikel 3:33, eerste lid, zich laten registreren
als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking
als bedoeld in
hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
Art. 3:36. Controlevoorschriften
(36-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze
wet. [Ca06]
[Cba06]
[CbWWW]
[CWWW01]
§
3. Maatregelen en bestuurlijke boeten
Art.
3:37.
Gevolgen weigeren onderzoek (37-oud)
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen weigert de uitkering tijdelijk of blijvend,
geheel of gedeeltelijk indien een persoon als bedoeld in
artikel 3:33, eerste lid, na tijdig te zijn
opgeroepen niet is verschenen of heeft geweigerd:
a. vragen te beantwoorden die zijn
gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door
hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door
de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe
aangewezen deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift,
gegeven door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door
hem daartoe aangewezen deskundige, om zich ter observatie te doen
opnemen of te verblijven in een aangewezen inrichting.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het eerste lid bij
toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming
kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping
of de weigering plaatsvond.
Art. 3:38. Gevolgen niet-naleving voorschriften
(38-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis + bis;
Stb. 2001, 628; Stb.
2003, 544; Stb. 2005,
573; Stb 2007, 564;
Stb. 2008, 600; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2011, 618]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig artikel
3:37, indien de jonggehandicapte:
a. de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen deskundige
krachtens
artikel 3:35 in het belang van een behandeling of
genezing of tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot
het verrichten van arbeid en tot registratie als werkzoekende bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gegeven voorschriften
zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. zich niet, zolang als het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe
aangewezen deskundige te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te
achten, onder geneeskundige behandeling stelt of indien hij de
voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
c. zich schuldig maakt aan
gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of nalaat voldoende
mee te werken om aanpassing aan zijn ziekte of gebrek te
verkrijgen;
d. de controlevoorschriften,
bedoeld in
artikel 3:36, of de verplichting, bedoeld in
artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, niet of niet behoorlijk is nagekomen dan wel de
verplichting, bedoeld in
artikel 3:74, niet binnen de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen;
e. zijn arbeidsongeschiktheid
opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. zich niet houdt aan het
voorschrift, bedoeld in
artikel 3:28, vierde lid;
g. zonder redelijke gronden niet
meewerkt aan een scholing of opleiding die wenselijk wordt geacht voor
zijn inschakeling in de arbeid;
h. indien de belanghebbende ¹
zonder redelijke gronden niet meewerkt aan het opstellen van de
reïntegratievisie, bedoeld in
artikel 30a, vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, of het reïntegratieplan, bedoeld in artikel
30a, zesde lid, van die wet;
i. indien de belanghebbende ¹ de
verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie, bedoeld in
artikel 30a, vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen, of in het reïntegratieplan, bedoeld in artikel
30a, zesde lid, van die wet, niet
of niet behoorlijk is nagekomen;
j. indien de belanghebbende ¹ die
bij deelname aan een reïntegratietraject zijn
reïntegratieverplichtingen niet naleeft, de reden daarvan niet
onmiddellijk aan het reïntegratiebedrijf heeft medegedeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking
als bedoeld in
hoofdstuk 2 of 3
van de Wet sociale werkvoorziening.
-3. Het eerste lid, onderdeel g, is
niet van toepassing op de jonggehandicapte die blijkens een
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort
van de
Wet sociale werkvoorziening.
1. Volgens de redactie
dient de zinsnede "indien de belanghebbende" te vervallen.
Art. 3:39. Afstemming maatregel op ernst gedraging
(39-oud) [BmU]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 678; Stb.
1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis + bis;
Stb. 2007, 305; Stb.
2009, 265; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. Een maatregel als bedoeld in artikel 3:37 of
3:38 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de jonggehandicapte de gedraging kan worden verweten. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval
afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 3:74, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan het voorschrift, bedoeld in
artikel 3:28, vierde lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet houden aan het voorschrift plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jonggehandicapte een zodanige waarschuwing is gegeven.
[Bw]
-3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als bedoeld in
artikel 3:40 wordt opgelegd.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. [Mszw]
[MT] [MU]
Art. 3:40.
Bestuurlijke boete bij
niet-naleving inlichtingenverplichting
(40-oud) [Babw]
[Bbw10] [Bbwn]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 678; Stb.
1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 481; Stb. 2001,
625; Stb. 2005, 573;
Stb. 2005, 708; Stb.
2009, 265; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 462]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste
het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 3:74. De bestuurlijke boete is niet
lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd
indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
3:74,
ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
van de verplichting, bedoeld in artikel
3:74, niet heeft geleid tot een
benadelingsbedrag of indien een werkgever als bedoeld in artikel
3:74,
derde lid, de verplichting, bedoeld in artikel
3:74, derde lid, niet of
niet behoorlijk nakomt, legt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete op van ten hoogste het
bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van
het Wetboek van
Strafrecht.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen
door de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 3:74, tenzij het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger een zodanige
waarschuwing is gegeven. [Bw]
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet
of niet behoorlijk nakomen door de jonggehandicapte of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
3:74, als
gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is
ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien
binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan
van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke
sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit
eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
-6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld
in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting, bedoeld in artikel 3:74 of artikel 12 van de
Toeslagenwet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag
aan arbeidsongeschiktheidsuitkering of toeslag is verleend.
-7. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de jonggehandicapte of
zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf.
-8. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke
boete. [Bszw]
-11. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
-12. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
Art. 3:41.
Vervallen. (42-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis; Stb.
2009, 265; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2012, 462]
Art. 3:42.
Vervallen. (45-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2009, 265; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 462]
Art. 3:43. Invordering bestuurlijke boete
(46-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 717;
Stb. 2005, 573; Stb.
2009, 265; Stb. 2009, 390;
Stb. 2009, 282; Stb.
2009, 318; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb. 2011,
645; Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 462]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet,
de
Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen, de Wet arbeid en zorg of een
toeslag op grond van de
Toeslagenwet, die de persoon aan wie een
bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale
verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien de persoon aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de
Algemene Ouderdomswet, de Algemene
nabestaandenwet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe
aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze
bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking
van
artikel 4:123, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, door middel
van toezending per post aan de persoon aan wie de boete is
opgelegd.
-4. Zolang de jonggehandicapte of zijn
wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in
artikel 3:40, negende lid, niet of niet behoorlijk
nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in afwijking van
artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete
voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou
zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel 4:116
van de
Algemene wet bestuursrecht, niet bij de
invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Art.
3:44. Verrekening bestuurlijke boete bij
recidive [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2007, 551; Stb. 2009, 265; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel
3:43, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel
3:40,
vijfde lid, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in
afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar
vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
opgelegd.
-2. Artikel 3:43, eerste lid, en het
eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de
bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel
3:40, zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening,
bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet
is betaald.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op verzoek van de overtreder besluiten het
eerste en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet
op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de
verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel
3:43, eerste
lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening,
bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij
ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze
wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van
kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden
gesteld van de leefsituatie. [Rtbbtob]
Art. 3:44a. In
kennis stellen reïntegratiebedrijf van sanctieoplegging (46a-oud)
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2007, 551; Stb. 2009, 265; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2012, 462]
Indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
de jonggehandicapte de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of
gedeeltelijk heeft geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft
opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het
reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die jonggehandicapte
werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het
verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die
beschikking in kennis voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering
van de werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.
AFDELING
4
De betaling van de uitkering
Art.
3:45.
Betaalbaarstelling (47-oud) [BewuWWW99] [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 573; Stb. 2009, 265;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010,
838]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaalbaar gesteld door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als regel in tijdvakken van
één maand.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen schort de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of schorst het de
betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat: [Rsohiu]
a. het recht op uitkering niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering bestaat;
c. de jonggehandicapte of zijn wettelijke vertegenwoordiger
een verplichting als bedoeld in
artikel 3:37, 3:38 of 3:74
niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-3. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald,
geschiedt de betaling, in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe
door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
-4. Wanneer de jonggehandicapte aan wie
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend een ander machtigt om
de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende
machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een
betalingstijdvak aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt
ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt
gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand na de dag
van indiening onderscheidenlijk de mededeling.
-5. Indien een reïntegratiebedrijf aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het
gegronde vermoeden bestaat dat een persoon aan wie een uitkering is
toegekend onvoldoende medewerking verleent aan de op hem betrekking
hebbende werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit omtrent de
gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing van de betaling van de
uitkering aan die persoon voor de duur van ten hoogste acht weken.
-6. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in kennis van een
besluit tot opschorting of schorsing als bedoeld in het vijfde
lid.
Art. 3:46.
Vervallen. (48-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 37; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2011, 288]
Art. 3:47. Betaling aan instellingen
(49-oud) [BbzmC] [BbzmZ]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
1996, 478; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 185; Stb. 2001,
625; Stb. 2005, 525;
Stb. 2005, 530; Stb.
2009, 265; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
-1. Indien de jonggehandicapte aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend aanspraak heeft op
verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en op
grond van
die wet een bijdrage voor die zorg
verschuldigd is, is het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bevoegd de uitkering tot het bedrag van die bijdrage in plaats van aan
de jonggehandicapte zonder diens machtiging uit te betalen aan het
College voor zorgverzekeringen, genoemd in
artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien de jonggehandicapte aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend in een inrichting ter
verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de desbetreffende
inrichting of van het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente die de opnamekosten betaalt het
verzoek ontvangt om de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die
inrichting of die gemeente uit te betalen, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen dat verzoek zonder het stellen van andere
voorwaarden inwilligen.
-3. Indien het eerste lid toepassing
vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het
gedeelte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat niet aan het College
voor zorgverzekeringen wordt betaald.
-4. Een herziening van de betaling van de
uitkering op grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van
de verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art. 3:48. Inkomen
tijdens uitkering
(50-oud) [Buaia]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 465; Stb.
1997, 794
+ bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 564; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 376;
Stb. 2003, 544 + bis;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 573; Stb. 2006, 703;
Stb. 2009, 318; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 544]
-1. Indien de jonggehandicapte die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomen geniet doordat hij
arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten
tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel
3:1, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet betaald indien het inkomen
zodanig is dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel
3:1, vijfde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien onderdeel a niet
van toepassing is, betaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien
die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 3:1,
vijfde lid, zou zijn.
Na afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid
aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 3:1,
vijfde lid.
-2. Het in het eerste lid genoemde tijdvak
van vijf jaar vangt aan op de eerste dag waarop arbeid wordt verricht,
waarbij een nieuw tijdvak als bedoeld in het eerste lid aanvangt indien
diegene andere arbeid gaat verrichten.
-3. Indien op de laatste dag van het in het
eerste lid genoemde tijdvak van vijf jaar inkomen wordt genoten, maar
geen arbeid wordt verricht, wordt dit tijdvak verlengd tot en met de
laatste dag waarop dat inkomen wordt genoten.
-4. Indien de jonggehandicapte die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomen geniet ingevolge
een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken
2 en 3 van de Wet
sociale werkvoorziening, is het eerste lid voor onbeperkte duur van
toepassing.
-5. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben in
elk geval betrekking op de gevallen waarin het eerste lid buiten
toepassing blijft. [Rsai]
-6. Onze Minister
kan bepalen dat het eerste lid voor onbeperkte duur toepassing vindt ten
aanzien van bepaalde groepen personen. [Rsai]
-7. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan.
Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat
gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van
gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in
aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Rarsipa]
[Rsai]
Art. 3:49. Scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen
(50a-oud) [Rss06-08]
[Rss07-09] [Rss08-10]
[Rss09-13] [Rss11-16]
[Ssjes] [Geschiedenis:
Stb. 2005, 382; Stb
2007, 564;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
-1. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
te verstrekken subsidie aan een rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf door scholing de inschakeling van
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen in de arbeid
bevordert.
-2. Bij de subsidieverlening, bedoeld in
het eerste lid, kunnen aan de subsidieontvanger verplichtingen worden
opgelegd omtrent het hanteren van een registratiesysteem waaruit blijkt
of het doel van de subsidie is bereikt.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt niet als arbeid beschouwd arbeid op grond van een dienstbetrekking
als bedoeld in
hoofdstuk 2 of
3
van de Wet sociale werkvoorziening.
Art. 3:50. Samenloop
met WIA-uitkering en andere uitkeringen
(51-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 573 + bis
+ bis; Stb.
2006, 703;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010;
Stb. 2010, 350; Stb.
2010, 830; Stb.
2012, 657]
-1. Indien zowel recht bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een uitkering op grond van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
uitbetaald
voor zover deze de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en in verband daarmee geen herziening op grond van
artikel 3:14 plaatsvindt van de voordien toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid zowel recht ontstaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de
artikelen 3:13 tot en met 3:18 als op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald
voor zover deze de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening.
-4. Indien na toepassing van het derde lid zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van toe- of afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien als de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wijzigt, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het eerste lid, uitbetaald
voor zover deze het bedrag van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft, doch in elk geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande aan de herziening als bedoeld in het derde lid.
-5. Indien ter zake van arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op wijziging van de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald
voor zover deze de gewijzigde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen overtreft.
-6. Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tevens verstaan de vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die uitkering recht bestaat,
voor zover die vakantie-uitkering over dezelfde periode is berekend.
-7. Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op de persoon die een uitkering ontvangt op grond van de vrijwillige verzekering als bedoeld in
paragraaf 2.2 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen nadere regels worden gesteld:
a. met betrekking tot het eerste lid;
b. ter voorkoming of beperking van
samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van andere wetten.
-9. Voor de toepassing van het eerste en derde tot en met vijfde lid wordt als arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte op wie
artikel 3:48 van toepassing is, in aanmerking genomen het bedrag van die uitkering nadat bedoeld artikel toepassing heeft gevonden.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering ¹ op grond van de sociale wetgeving van
Aruba, Curaçao, Sint Maarten, een vergelijkbare regeling van Nederland
ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of een andere
mogendheid. [BvbsAuswm]
1. Volgens de redactie
dient na "arbeidsongeschiktheidsuitkering" te worden
ingevoegd: met uitkering.
Art. 3:51. Samenloop met WAO-uitkering en andere uitkeringen
(51a-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 573 + bis; Stb.
2006, 703;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 657]
-1. Indien zowel recht bestaat op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts
uitbetaald voor zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien ter zake van arbeidsongeschiktheid recht ontstaat op een
uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en
in verband daarmee geen herziening op grond van
artikel 3:14 plaatsvindt van de voordien
toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met de
artikelen 3:13 tot en met 3:18 als op toekenning
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering slechts uitbetaald voor zover deze de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft, doch in ieder
geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande
aan de herziening.
-4. Indien na toepassing van het derde lid
zowel de arbeidsongeschiktheidsuitkering als de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen als gevolg van toe- of
afneming van de arbeidsongeschiktheid wordt herzien, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het eerste lid,
uitbetaald voor zover deze het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft, doch in elk
geval uitbetaald tot de hoogte van het bedrag onmiddellijk voorafgaande
aan de herziening als bedoeld in het derde lid.
-5. Indien ter zake van
arbeidsongeschiktheid zowel recht bestaat op herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in verband met de
artikelen 36 tot en met 40 van die wet
of op herziening op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen in verband met de
artikelen 12 tot en met 16 van die wet
als op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze de herziene
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen overtreft.
-6. Voor de toepassing van het eerste tot
en met het vijfde lid wordt onder arbeidsongeschiktheidsuitkering en
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen tevens verstaan de
vakantie-uitkering waarop uit hoofde van die
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen recht bestaat, voor zover die
vakantie-uitkeringen over dezelfde periode zijn berekend.
-7. Het eerste tot en met het zesde lid
zijn niet van toepassing op degene die een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt op grond van de vrijwillige
verzekering als bedoeld in
hoofdstuk VI van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-8. Voor de toepassing van het eerste en
derde tot en met vijfde lid wordt als arbeidsongeschiktheidsuitkering
onderscheidenlijk uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, onderscheidenlijk uitkering op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen van de
jonggehandicapte op wie
artikel 3:48, onderscheidenlijk
artikel 44 of 65
van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
onderscheidenlijk
artikel 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen van toepassing is, in aanmerking genomen het bedrag
van die uitkeringen nadat bedoelde artikelen toepassing hebben
gevonden.
-9. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
met betrekking tot het eerste lid.
Art. 3:52. Betaling van vakantie-uitkering
(52-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. De betaling van de vakantie-uitkering
vindt eenmaal per jaar plaats in de maand mei over de aan die maand
voorafgaande twaalf maanden, of, indien het recht op uitkering eerder
dan in de maand mei eindigt, in de desbetreffende maand. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan de vakantie-uitkering op een ander tijdstip betalen, mits die
betaling plaatsvindt over één of meer voorliggende maanden waarover
reeds recht op vakantie-uitkering bestaat.
-2. De artikelen 3:45,
3:47 en 3:54 zijn van
overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vakantie-uitkering, voor
zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald.
Art. 3:53. Betaling van de tegemoetkoming
(52a-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2005, 713; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
De artikelen 3:32, 3:45, 3:47,
3:56, 3:57 en 3:58
zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betaling van de
tegemoetkoming, bedoeld in
artikel 3:10, voor zover bij of krachtens deze wet
niet anders is bepaald.
Art. 3:54. Overlijdensuitkering
(53-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 773; Stb.
1997, 678; Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2010, 867; Stb. 2012, 2]
-1. Na het overlijden van de
jonggehandicapte aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is
toegekend, wordt met ingang van de dag na het overlijden de uitkering in
de vorm van een overlijdensuitkering betaald:
a. aan de langstlevende van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in onderdeel a bedoelde
persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de overledene in
familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de onderdelen a en b
bedoelde personen, aan degenen met wie de overledene in
gezinsverband leefde.
-2. De overlijdensuitkering is gelijk aan
het bedrag van de uitkering over één maand, doch niet over de
zaterdagen en de zondagen, berekend naar de hoogte van die uitkering op
de dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van de
jonggehandicapte.
-3. In verband met het overlijden van de
jonggehandicapte aan wie een uitkering is toegekend, is
artikel 3:19, eerste lid, onderdeel
a, niet van toepassing.
-4. De overlijdensuitkering wordt
ambtshalve of op
aanvraag aan de rechthebbende of rechthebbenden, bedoeld in het eerste
lid, door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
betaald.
-5. De overlijdensuitkering wordt in een
bedrag ineens betaald.
-6. Het bedrag van de overlijdensuitkering
wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering dat
over na het overlijden gelegen dagen reeds is betaald.
Art. 3:55. Verjaringstermijn
(54-oud) [Geschiedenis:
versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
Uitkeringen op grond van deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of
zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag van betaalbaarstelling,
worden niet meer betaald.
Art. 3:56. Terugvordering
(55-oud) [Bti]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 678; Stb.
1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 278 + bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 573; Stb. 2005, 710;
Stb. 2009, 265; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580 + bis; Stb.
2009, 589; versie
1 januari 2010; Stb.
2012, 462]
-1. De uitkering, de loonsuppletie,
bedoeld in
artikel 3:67, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel
3:68, die als gevolg van een besluit als bedoeld in
artikel 3:18 onverschuldigd is verstrekt, alsmede
hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van
terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene
van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag
over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke
rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft
betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en
niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten;
of
d. een bedrag overeenkomend met ten minste 50% van de
restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b
en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 3:74.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a
en
b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die
periode de beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d
van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 3:74.
-5. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-6. De persoon van wie of de instelling
waarvan wordt teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te
verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die
Onze Minister kan stellen, besluiten van
terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door
Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat. [Rtgb]
Art. 3:57. Invordering bij dwangbevel
(56-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1998, 278; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2009, 265; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb. 2010, 840]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde uitkering,
bedoeld in artikel 3:56, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
-2. Artikel 3:43 is
van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het
gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie jaar de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d
van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager
vaststelt.
Art. 3:58. Nadere regels tenuitvoerlegging onverschuldigde betaling
(57-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; Stb.
1998, 278; Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2009, 265; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. [Rbttbot]
[Rtbbtob]
Art. 3:59. Schuldregeling
(57a-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010;
Stb. 2011, 618]
-1. In afwijking van artikel
3:56, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op verzoek van de jonggehandicapte,
besluiten gedeeltelijk van terugvordering of gedeeltelijk van verdere
terugvordering af te zien door medewerking aan een schuldregeling,
indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de jonggehandicapte
niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien
hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde
vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet
tot stand zal komen;
c. de vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd betaalde uitkering ten
minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de
schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen
door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48
van de
Wet op het
consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling
niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt
overeenkomstig artikel 349 van de
Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door de
jonggehandicapte van de verplichting, bedoeld in
artikel 3:74, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 3:40
is opgelegd, dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het
Wetboek van
Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van de jonggehandicapte gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is
bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de
eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. de jonggehandicapte zijn schuld aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de
schuldregeling voldoet; of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou
hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art. 3:60. Preferentie
(57b-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010;
Stb. 2011, 618]
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 3:56
en
3:59 is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van
Boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek.
Art. 3:61. Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen
(58-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 573; Stb. 2005, 713; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; Stb.
2009, 589; versie
1 januari 2010]
-1. Onvervreemdbaar en niet vatbaar voor
verpanding en belening zijn:
a. de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in
artikel 3:9;
c. de vakantie-uitkering;
d. de loonsuppletie, bedoeld in artikel 3:67;
e. de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel
3:68;
f.
de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 3:10.
-2. Volmacht tot ontvangst van een
uitkering onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds
herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met dit artikel is
nietig.
Art. 3:62. Niet voor beslag vatbare verstrekkingen
(59-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; Stb.
2009, 589; versie
1 januari 2010]
Niet vatbaar voor beslag zijn:
a. de verhoging, bedoeld in artikel 3:9;
b. de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel
3:54.
AFDELING
5
Reïntegratie-instrumenten
Art.
3:63.
Loondispensatie (59a-oud) [BlW]
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 710;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580 + bis; versie
1 januari 2010]
-1. Indien de arbeidsprestatie van een
werknemer die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in een
bepaalde functie, maar geen functie waarin hij werkzaam is als werknemer
in de zin van de
Wet sociale werkvoorziening
of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7
van
die wet, tengevolge van ziekte of gebrek
duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die een geldelijke beloning
van het voor hem geldende
wettelijk minimumloon rechtvaardigt,
vermindert het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op verzoek van de betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar
evenredigheid, in afwijking van hetgeen bij en krachtens de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
is bepaald.
-2. Elk beding waarbij een geldelijke
beloning voor de verrichte arbeid wordt overeengekomen die lager is dan
de beloning vastgesteld op grond van het eerste lid is nietig.¹
1. Gelet op het bepaalde in artikel
VII, onderdeel Ac, onder 2, van de Aanpassings-
en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en in
tegenstelling tot artikel 3:63 van de Tekstplaatsing
van de Wet Wajong van 22 december 2009, Stb. 2009, 582, dient
volgens de redactie een derde lid te worden toegevoegd,
luidende:
-3. Vanaf de dag waarop de werknemer, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel b, de leeftijd van 18 jaar bereikt en recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de op grond van onderdeel b
verstrekte vermindering van de hoogte van de aanspraak op een geldelijke
beloning geacht te zijn gebaseerd op het eerste lid, onderdeel a,
tenzij de werknemer niet aan de overige voorwaarden van het eerste lid
voldoet.
Art. 3:64. Vervallen.
(59b-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 710;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; Stb. 2009, 589; versie 1 januari 2010]
Art. 3:65. Experimenteerartikel
(59c-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. Bij algemene maatregel van bestuur kan
bij wijze van experiment, met het oog op het onderzoeken van
mogelijkheden om deze wet met betrekking tot de inschakeling in de
arbeid van jonggehandicapten die recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben doeltreffender uit te voeren,
worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de artikelen van deze
wet. Bij toepassing van de eerste zin wordt bij algemene maatregel van
bestuur geregeld op welke wijze van welke artikelen wordt
afgeweken.
-2. Een experiment als bedoeld in het
eerste lid duurt ten hoogste vier jaar. Indien, vóór een experiment is
afgelopen, een voorstel van wet is ingediend bij de Staten-Generaal om
het experiment om te zetten in een structurele wettelijke regeling, kan
het experiment worden verlengd tot het tijdstip waarop het voorstel van
wet in werking treedt. Het eerste lid, tweede zin, is van
overeenkomstige toepassing.
-3. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van een
experiment en voorzieningen worden getroffen voor zich gedurende een
experiment voordoende onvoorziene gevallen.
-4. Onze Minister
meldt aan de Staten-Generaal hoe het experiment in de praktijk is
verlopen, alsmede zijn standpunt inzake de voortzetting ervan anders dan
als experiment.
-5. De voordracht voor krachtens dit
artikel vast te stellen algemene maatregelen van bestuur wordt niet
eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der
Staten-Generaal is overgelegd.
Art. 3:66. Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling van
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (59d-oud)
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb
2007, 564; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte die recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft recht op ondersteuning bij
arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de
Wet sociale werkvoorziening
onder een voorziening gericht op arbeidsinschakeling mede verstaan een
voorziening gericht op het verkrijgen van arbeid in een dienstbetrekking
als bedoeld in de
artikelen 2 en 7
van
die wet.
Art. 3:67. Loonsuppletie
(59f-oud) [Bli]
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid in dienstbetrekking aanvaardt of verricht op aanvraag loonsuppletie
toekennen indien het loon lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De loonsuppletie wordt verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal loonsuppletie is toegekend.
-3. Als perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid worden eveneens
aangemerkt perioden waarin een uitkering op grond van de
Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is geëindigd.
-4. De loonsuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van deze wet.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de loonsuppletie. [Rb]
Art. 3:68. Inkomenssuppletie
(59g-oud) [Bli]
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan aan de jonggehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt en de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, op aanvraag inkomenssuppletie
toekennen indien zijn inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De inkomenssuppletie wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal inkomenssuppletie is toegekend.
-3. De inkomenssuppletie wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de hoogte van de inkomenssuppletie. [Rb]
Art. 3:69. Proefplaatsing
(59h-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2006, 703;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 464]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de jonggehandicapte
die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering om op een
proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal zes maanden onbeloonde
werkzaamheden te verrichten. [BpU13]
-2. Tijdens het verrichten van
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien.
-3. De onbeloonde werkzaamheden op een
proefplaats als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. werkzaamheden waartoe de jonggehandicapte, bedoeld in
het eerste lid, met zijn krachten en bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden waarbij de werkgever bij wie de
proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en
ongevallenverzekering ten behoeve van de jonggehandicapte, bedoeld in
het eerste lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de jonggehandicapte, bedoeld in het
eerste lid, niet reeds eerder onbeloond op een proefplaats bij die
werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht; en
d. werkzaamheden waarbij er, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, een reëel uitzicht is op
een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van
dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden.
-4. Indien de werkzaamheden, bedoeld in
het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode
waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de toepassing van
dat lid buiten beschouwing gelaten.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van dit
artikel.
Art. 3:70.
[Nadere regels aanvraag re-integratie-instrumenten] (59i-oud)
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2009, 318; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; Stb.
2009, 589; versie
1 januari 2010]
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in
artikel 3:67, van inkomenssuppletie, bedoeld in artikel
3:68, de termijn waarbinnen die aanvraag wordt ingediend, alsmede omtrent de rechtsgevolgen die aan overschrijding van die termijn zijn verbonden, en met betrekking tot de aanvraag
en van toestemming als bedoeld in artikel
3:69. [Rr]
Art. 3:71.
Vervallen. (59j-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2011, 608]
Art. 3:72.
Vervallen.
(59k-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2011, 608]
Art. 3:73. [Onbeloonde
additionele werkzaamheden] (59l-oud)
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de jonggehandicapte die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.
Artikel 10a, tweede tot en met tiende lid, van de
Wet werk en bijstand is van overeenkomstige
toepassing
AFDELING
6
Het verstrekken van inlichtingen
Art.
3:74.
Verplichting tot het verstrekken van inlichtingen (62-oud)
[Bamb]
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794; Stb.
1998, 290; Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 573; Stb. 2005, 713;
Stb. 2007, 555;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580 + bis + bis;
versie 1 januari 2010]
-1. De jonggehandicapte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling, bedoeld in
artikel 3:47, waaraan arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt betaald, zijn verplicht aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling te doen van alle feiten of
omstandigheden waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de
uitkering dat wordt betaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
-2. Op de jonggehandicapte die aanspraak maakt op of recht heeft op een vakantie-uitkering dan wel een tegemoetkoming als bedoeld in
artikel 3:10, en diens wettelijke vertegenwoordiger rusten overeenkomstige verplichtingen als omschreven in het eerste lid.
-3. De jonggehandicapte aan wie een re-integratie-instrument als bedoeld in
afdeling 5 is verstrekt of toegekend, of aan wie verstrekking of toekenning daarvan wordt overwogen, alsmede diens wettelijk vertegenwoordiger, en de werkgever ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid, op grond van
artikel 3:63, heeft verminderd, zijn verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de verstrekking of toekenning of op de duur of de hoogte van het
re-integratie-instrument.
HOOFDSTUK
4
De invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht
Art.
4:1.
Samenloop aanspraken (60-oud)
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
Bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de jonggehandicapte
naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van zijn
arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening met de aanspraken die
hij op grond van deze wet heeft.
Art. 4:2. Regresrecht
(61-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2008, 199; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft voor de op grond van deze wet gemaakte kosten verhaal op
degene die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid jegens de jonggehandicapte naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, doch ten hoogste tot het
bedrag waarvoor deze bij het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een
bedrag gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de jonggehandicapte naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Overeenkomstig door Onze Minister
te stellen regels kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in plaats van het bedrag van de periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.
-3. De in het eerste lid bedoelde aansprakelijke en de aansprakelijke jegens de ingezetene die de leeftijd van
18 jaar nog niet heeft bereikt, zijn eveneens verplicht tot vergoeding van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot inschakeling in de arbeid van de
jonggehandicapte, die op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen rusten op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen alsmede de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen
en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de jonggehandicapte ten dienste zou hebben
gestaan.
HOOFDSTUK
5
Financiering
Art.
5:1.
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten (63-oud)
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580 + bis;
versie 1 januari 2010]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 5:2
bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in
artikel 5:3, in de vorm van een
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten dat deel uitmaakt van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Art. 5:2. Middelen tot dekking van de uitgaven
(64-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580 + bis; versie
1 januari 2010]
In de middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten wordt voorzien door:
a. het Rijk;
b. de bedragen, bedoeld in de artikelen 2:54
en
3:46;
c. de bestuurlijke boeten, bedoeld in de artikelen 2:69
en
3:40;
d. de bedragen die het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ontvangt met toepassing van verhaal als
bedoeld in
artikel 4:2.
Art. 5:3. Uitgaven ten laste van Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten
(65-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; Stb.
1998, 290; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 382; Stb. 2005,
573; Stb. 2005, 708;
Stb. 2005, 713; Stb.
2006, 703;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580 + bis; versie
1 januari 2010; Stb. 2010,
228; Stb. 2010, 840;
Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288]
-1. Ten laste van het
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten komen:
a. de op grond van deze wet te betalen uitkeringen en
inkomensvoorzieningen;
b. de op grond van enige wet over de
uitkeringen en inkomensvoorzieningen op grond van deze wet door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verschuldigde premies die
niet op deze uitkeringen en inkomensvoorzieningen in mindering kunnen
worden gebracht en de op grond van artikel 42 van de Zorgverzekeringswet
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage;
c. het op grond van artikel 3:48,
vierde lid, aan 's Rijks kas af te dragen bedrag;
d. vervallen;
e. de aan de uitvoering van deze wet verbonden kosten;
f. de subsidies, bedoeld in de artikelen
2:29, 3:49 en 8:4, en de kosten in verband met de uitvoering van
die artikelen;
g. de reïntegratie-instrumenten op grond van deze
wet;
h. de kosten verband houdende met de uitvoering van artikel
30a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen
ten aanzien van een betrokkene indien deze ten tijde van het aanvangen
van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het
achtste lid van dat artikel, een uitkering ontvangt ten laste van het
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten;
i. de tegemoetkomingen, bedoeld in de artikelen
2:52 en 3:10;
j. de
subsidie, bedoeld in artikel 32b
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, en de kosten in verband met de uitvoering van dat
artikel.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan nadere regels stellen omtrent het eerste
lid. [BvAAAu]
Art. 5:4. Beschikking over financiële middelen
(66-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 37; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
Artikel 120 van de Wet financiering sociale verzekeringen is van overeenkomstige
toepassing.
HOOFDSTUK
6
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art.
6:1.
Beslistermijnen (69-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 678; Stb.
1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 564; Stb. 2000,
627 + bis + bis;
Stb. 2003, 544; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 542; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb. 2011,
618]
-1. Beschikkingen op grond van deze wet en
de daarop berustende bepalingen worden gegeven binnen een redelijke
termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen veertien weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van veertien weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van
een beschikking als bedoeld in het eerste lid een in het buitenland
wonende persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen
veertien weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten
hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
Art. 6:2.
Vervallen. (69b-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2012, 682]
Art. 6:3. Beslistermijn Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij bezwaarschrift
(70-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2003, 544; Stb.
2009, 384; Stb. 2009, 318; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
-1. In afwijking van artikel
7:10, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht beslist het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen binnen dertien weken na ontvangst van het
bezwaarschrift.¹
-2. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een
besluit waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag
ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in
afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt
aan een deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is,
binnen 21 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.¹
-3. Indien in verband met het geven van
een beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is
opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in
het tweede lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing,
in afwijking van
artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes maanden en wordt de
aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis gesteld.
1. Gelet op het bepaalde in artikel
XII van Wet
van 18 juni 2009 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet
openbaarheid van bestuur en enkele andere wetten in verband met de
inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
(Stb. 2009, 384) en in tegenstelling tot artikel
6:3 van de Tekstplaatsing van de Wet Wajong
van 22 december 2009, Stb. 2009, 582, dient volgens de redactie
"na ontvangst van het bezwaarschrift" te worden vervangen
door: , gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen
van het bezwaarschrift is verstreken.
Art. 6:4. Medische bezwaarschriftprocedure
(71-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten
aanzien van de behandeling van bezwaarschriften tegen besluiten waaraan
een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt.
Art. 6:5. Beroep in cassatie
(72-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 678; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen
ter zake van schending of verkeerde toepassing van de
artikelen 1:1, derde tot en met zevende lid, en 1:2
en de op die artikelen berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de
gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken
van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de
plaats inneemt van een gerechtshof.
Art. 6:6. Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht
(72a-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580 + bis;
Stb. 2009, 589;
versie 1 januari 2010]
Titel 4.2 van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van toepassing op aanspraken op grond van artikel 2:23.
HOOFDSTUK
7
Strafbepalingen
Art.
7:1.
Strafbepaling (73-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2009, 265; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580; versie 1 januari 2010]
Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde
algemene maatregel van bestuur voor zover uitdrukkelijk als strafbaar
feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met een
hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede
categorie.
Art. 7:2. Overtredingen
(75-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997;
Stb. 1997, 794;
versie 1 januari 1999; Stb.
2003, 544; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
De in artikel 7:1 bedoelde strafbare feiten worden als overtredingen
beschouwd.
HOOFDSTUK
8
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
8:1.
Overgangsbepaling in verband met artikel 4:2, derde lid (76-oud)
[Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
Stb. 2006, 223; Stb.
2008, 199; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
In gedingen aangevangen vóór het van toepassing worden van artikel
4:2, derde lid, bepaalt de rechter op verzoek van één van de
partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid
wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te
passen aan
artikel 4:2, derde lid. Stelt de rechter partijen
tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die
beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe
strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts
gelijktijdig met de einduitspraak open.
Art. 8:2. Overgangsbepaling in verband met de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten
(76a-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2004, 416; Stb.
2005, 710; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010]
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend vóór de
inwerkingtreding van de
Wet wijziging systematiek herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten worden geacht te zijn toegekend voor
onbepaalde tijd.
Art. 8:3. Overgangsbepaling
in verband met intrekken Wet Rea (76b-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 710;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
-1. Een beschikking tot vermindering van de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid op grond
van
artikel 7 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten aan de jonggehandicapte die op de dag
voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van
artikel 2.10 van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen vervalt de leeftijd van 18 jaar nog niet had
bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van deze wet, wordt voor de duur van het tijdvak waarvoor die
aanspraak op grond van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
is verminderd, aangemerkt als een beschikking tot vermindering van de
aanspraak op een geldelijke beloning voor de verrichte arbeid als
bedoeld in
artikel 3:63.
-2. Een beschikking tot toekenning van een
voorziening op grond van
artikel 31, tweede lid, onderdeel b,
van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
aan de jonggehandicapte die op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat
artikel op grond van
artikel 2.10 van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen vervalt de leeftijd van 18 jaar nog niet had
bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt
voor de duur van het tijdvak waarvoor die voorziening op grond van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is toegekend, aangemerkt
als een beschikking tot toekenning van een voorziening als bedoeld in
artikel 35, eerste lid juncto tweede lid,
onderdeel
d, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen.
-3. Een beschikking tot toekenning van
loonsuppletie op grond van
artikel 32 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten aan de jonggehandicapte die op de dag
voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van
artikel 2.10 van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen vervalt de leeftijd van 18 jaar nog niet had
bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt
voor de duur waarvoor die loonsuppletie was toegekend, aangemerkt als
een beschikking tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in
artikel 3:67.
-4. Een beschikking tot toekenning van
inkomenssuppletie op grond van
artikel 29 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten aan de jonggehandicapte die op de dag
voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van
artikel 2.10 van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen vervalt de leeftijd van 18 jaar nog niet had
bereikt dan wel recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt
voor de duur waarvoor die inkomenssuppletie was toegekend, aangemerkt
als inkomenssuppletie als bedoeld in
artikel 3:68.
Art. 8:4. Overgangsbepaling
subsidiëring Rea-scholingsinstituten (76c-oud)
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; versie 31 december 2009;
Stb. 2009, 580; versie
1 januari 2010; Stb.
2010, 867]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt tot en met het jaar 2008
jaarlijks aan door Onze Minister
aan te wijzen scholingsinstituten die ten doel hebben de
arbeidsintegratie van arbeidsgehandicapten te bevorderen een subsidie
ter hoogte van een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag waarbij
regels kunnen worden gesteld omtrent de wijze van berekening van dat
bedrag. [OR]
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan bij de
subsidieverlening, bedoeld in het eerste lid, aan de subsidieontvanger
verplichtingen opleggen omtrent vermogensvorming, het hanteren van een
registratiesysteem waaruit blijkt of het doel van de subsidie is bereikt
en de vergoeding van met subsidie behaald vermogensvoordeel.
Art. 8:5. Mogelijkheid vervallen loonkostensubsidie
(76d-oud) [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; versie
31 december 2009; Stb. 2009,
580 + bis; versie
1 januari 2010]
-1. De artikelen 2:21
en
3:71 vervallen op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
-2. Artikel 3:72
vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art.
8:6. Overgangsrecht loonkostensubsidie (76e-oud)
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 590;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010;
Stb.
2012, 224]
-1. Ten aanzien van dienstbetrekkingen die
voorafgaand aan 1 januari 2012 zijn ingegaan en waarvoor voorafgaand aan
1 januari 2012 een aanvraag voor subsidie voor loonkosten is ingediend,
blijven de artikelen 2:21, 3:71
en 3:72 van deze wet, de daarop berustende
bepalingen en artikel 30e van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zoals die luidden
op 31 december 2011 gelden.
-2. Dit artikel vervalt vijf jaar na de dag
waarop artikel VIII, onderdeel C, van de
Wet van 21 mei 2012 tot wijziging van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met
aanpassing van de dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan werkgevers en werkzoekenden en de opheffing
van de Raad voor werk en inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon
met een wettelijke taak en van de Werkloosheidswet en enige andere
wetten in verband met de beëindiging van de inzet van het
re-integratiebudget Werkloosheidswet en van loonkostensubsidies in
werking is getreden.
Art.
8.6a. Overgangsrecht samenloop Ziektewet [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
-1. De artikelen
3:17a en 3:21, vijfde lid, alsmede 3:22,
zevende lid, zoals dat is komen te luiden na inwerkingtreding van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, zijn
niet van toepassing op de persoon wiens arbeidsongeschiktheid vóór de
dag van inwerkingtreding van die wet is
toegenomen als bedoeld in de artikelen 3:14 tot en met
3:17, 3:21 of 3:22, tot het
moment waarop in verband met diezelfde toename van de
arbeidsongeschiktheid geen recht meer bestaat op ziekengeld op grond van
de Ziektewet.
-2. Artikel 3:21, derde
lid, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijft van
toepassing op de persoon die op of vóór de dag van inwerkingtreding
van die wet arbeidsongeschikt werd als bedoeld in artikel
3:21, eerste lid.
-3. Dit artikel vervalt met ingang van de
dag gelegen tien jaar na de dag van inwerkingtreding van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving.
Art. 8:7. Buitentoepassingverklaring
van Algemene termijnenwet
(77-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580 + bis; versie
1 januari 2010]
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de tijdvakken van vier
weken, genoemd in de
artikelen 2:12, derde lid, 3:3,
tweede en derde lid,
3:14, derde lid, 3:15, 3:16,
eerste lid,
3:17, 3:21 en 3:22.
Art. 8:8.¹ Overgangsrecht in verband met artikel 2:40, 2:41 en 2:42
(77a-nieuw) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Op een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip wordt:
a. het getal 0,75 in de artikelen 2:40,
tweede lid,
2:41, eerste lid, onderdeel
a, onder 1º, en b, onder 1º, en 2:42,
eerste lid, onderdeel
a, onder 1º, en b, onder 1º, telkens gewijzigd in
0,7;
b. het getal 0,55 in artikel 2:40,
eerste lid, onderdeel a en
b, gewijzigd in 0,5;
c. het getal 0,25 in artikel 2:41, eerste
lid, onderdeel b, onder 1º, gewijzigd in 0,3;
d. het percentage van 70% in artikel 2:40,
eerste lid, onderdeel
b en c, gewijzigd in 80%;
e. het percentage van 25% in artikel 2:41,
eerste lid, onderdeel
a en b, gewijzigd in 30%; en
f. het percentage van 45% in artikel 2:42,
eerste lid, onderdeel
a en b, gewijzigd in 50%.
1. Gelet op het bepaalde in artikel
I, onderdeel V, bij artikel 77a, van de Wet van 3 december
2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en
arbeidsondersteuning (Stb. 2009, 580) en in tegenstelling
tot artikel 8:8
van de Tekstplaatsing van de Wet Wajong van 22
december 2009, Stb. 2009, 582, dient volgens de redactie
voor de tekst de aanduiding "-1." te worden geplaatst en een
tweede lid te worden toegevoegd, luidende:
-2. Onze Minister stelt de beide kamers der
Staten-Generaal in kennis van het voornemen tot de voordracht voor een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid.
Art. 8:9. Overgangsrecht in verband met artikel 3:63
(77b-nieuw) [BlW]
[Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010]
Artikel 3:63, zoals dat luidde vóór de datum van inwerkingtreding
van de
Wet van 3 december 2009 tot wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning
(Stb. 2009, 580), blijft van toepassing op de vermindering van de
hoogte van de aanspraak op een geldelijke beloning die vóór de dag
waarop die wet in werking trad, was
verstrekt, met dien verstande dat de op grond van
artikel 3:63, eerste lid, onderdeel
b, verstrekte vermindering geacht wordt te zijn gebaseerd op artikel
2:20, eerste lid, onderdeel
a, vanaf de dag waarop de werknemer die de leeftijd van 18 jaar
heeft bereikt recht heeft op arbeidsondersteuning als bedoeld in
hoofdstuk 2, tenzij de werknemer niet aan de overige
voorwaarden van
artikel 2:20, eerste lid, voldoet.
Art. 8:10. Bij recht op arbeidsondersteuning geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
(77c-nieuw) [Geschiedenis:
MvT; Stb.
2009, 580 + bis; versie 1 januari 2010;
Stb. 2012, 562]
-1. De jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 3 heeft geen recht op arbeidsondersteuning op grond van
hoofdstuk 2.
-2. Vanaf een nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip kan de jonggehandicapte die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 3, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verzoeken om toekenning van het recht op arbeidsondersteuning op grond van
hoofdstuk 2.¹
-3. Een verzoek om toekenning van het recht op arbeidsondersteuning als bedoeld in het tweede
lid wordt ingewilligd indien de jonggehandicapte voldoende mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.
-4. Door inwilliging van het verzoek, bedoeld in het tweede lid, eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 3 en ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op grond van
hoofdstuk 2.
-5. Artikel 2:15, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de jonggehandicapte die een verzoek doet als bedoeld in het tweede lid, voor wat betreft de periode waarin hij recht heeft gehad op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 3.
-6. Hoofdstuk 4 van de
Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen en de
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria zijn niet van toepassing op de jonggehandicapte die recht heeft op arbeidsondersteuning op grond van
hoofdstuk 2.
-7. Bij ministeriële regeling kunnen nadere bepalingen worden gesteld met betrekking tot de overgang van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar het recht op arbeidsondersteuning overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid.
1. Ingevolge artikel
1 van het Besluit van 7 november 2012, Stb.
2012, 562, is bedoeld tijdstip bepaald op 1 januari 2013, red.
Art. 8:10a. Overgangsbepaling
in verband met artikel 2:23 [Geschiedenis:
Stb.
2009, 589]
Artikel 2:23 is niet van toepassing op de
jonggehandicapte wiens arbeid als zelfstandige is aangevangen vóór de
dag van inwerkingtreding van de Wet van 3 december
2009 tot uitbreiding van de mogelijkheid om voorzieningen te verstrekken
bij arbeid als zelfstandige (Stb. 2009, 589).
Art.
8:10b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
Art. 8:11. Inwerkingtreding
(78-oud) [Geschiedenis:
MvT; versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580; versie 1 januari 2010]
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 2 september 1997, Stb. 1997, 391, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, red.
Art. 8:12. Citeertitel
(79-oud) [Geschiedenis:
versie 24 april 1997; versie 1 januari 1999;
versie 31 december 2009; Stb.
2009, 580 + bis; versie
1 januari 2010]
Deze wet wordt aangehaald als: Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage,
24 april 1997
BEATRIX
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de negenentwintigste
april 1997
De Minister van
Justitie,
W. Sorgdrager
MEMORIE
VAN TOELICHTING (Wajong en Wet
Wajong)
|
|