|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere regelgeving:
- Bekendmaking
op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
- Beleidsregel boete werknemer 2010
- Beleidsregel kostenvergoeding UWV
- Beleidsregel loon- en inkomenssuppletie
- Beleidsregel maatregelen UWV
- Beleidsregels
beoordeling participatieverzoek
-
Beleidsregels beoordelingskader
poortwachter
- Beleidsregels
buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid
-
Beleidsregels proefplaatsing UWV 2013
- Beleidsregels schorsing,
opschorting, intrekking en herziening
uitkeringen 2006
- Beleidsregels
uitbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering bij inkomsten uit arbeid
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2008
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2009
- Beleidsregels UWV normbedragen
voorzieningen 2010
- Beleidsregels UWV Protocol Jobcoach 2012
- Beleidsregels verlenging loondoorbetaling poortwachter
- Beleidsregels vorm- en herkenbaarheidsvereisten
reïntegratieverslagen
- Beleidsregel terug- en invordering
- Beleidsregel uurloonschatting
2008
- Beleidsregel verhoging
uitkering bij hulpbehoevendheid
- Besluit aanspraken bij
beroepsziekten van niet ingevolge de WAO of de Wet WIA verzekerden
-
Besluit aanwijzing gevallen waarin
arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd
-
Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit beleid toetsing verblijfstitel
- Besluit
beoordelingskader loonkostensubsidie
- Besluit betaling
zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen
- Besluit
boete ZW/WAO werkgevers 2002
- Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (WAO, WAZ en
Wajong)
- Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen
- Besluit
eenmalige herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten
- Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong
1999
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit loonsuppletie
- Besluit
maatschappelijke ondersteuning
- Besluit regels export uitkeringen
- Besluit samenloop WAO en WAZ
- Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990
- Besluit uniformering loonkundige component
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
- Besluit uurloonschatting 1999
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2002
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2003
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2004
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar
2005
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar
2006
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar
2007
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar
2008
- Besluit vaststelling factoren L en r
voor het boekjaar 2009
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2010
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2011
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2012
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2013
- Besluit
voorkoming en beperking samenloop WAO- en WIA-uitkeringen met
uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere mogendheid
- Besluit Wfsv
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften arbeidsongeschiktheidswetten
2006
- Controlevoorschriften buitenland
arbeidsongeschiktheidswetten 2006
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Regeling
aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht
werknemersverzekeringen
- Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder
- Regeling
aanwijzing regelingen ex artikel 7 en 7a WAO
- Regeling
aanwijzing
uitvoeringsinstelling bij nawerking verzekeringen
- Regeling aanwijzing uitvoeringsinstelling verplichte verzekeringen 2000
- Regeling aanwijzing van in buitenland gevestigde werkgever
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010
- Regeling afwijkende regels bij samenloop met inkomsten uit een
politiek ambt
- Regeling
afwijking datum Besluit eenmalige herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten
- Regeling bepaling eerste werkdag
- Regeling bepaling eerste werkdag (2006)
- Regeling betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de
socialeverzekeringswetten door andere organen dan de Sociale
Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen
- Regeling
herziening waardering producten uit eigen bedrijf
- Regeling
instroomcijfers WAO en Wet WIA
- Regeling
nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden
- Regeling ontheffing garantieplicht WAO overheidswerkgevers
- Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar
- Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met
inkomen
- Regeling SUWI
-
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
- Regeling uitbreiding kring van verzekerden ingevolge de
ZW, WAO en Wet WIA
-
Regeling verzekeringsgeneeskundige
protocollen arbeidsongeschiktheidswetten
- Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen
WAO en Wet WIA
- Regels vrijwillige
arbeidsongeschiktheidsverzekering WAO 2007
- Reglement justitiële jeugdinrichtingen
- Reïntegratiebesluit
- Reïntegratieregeling
- Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten
- SZW-intrekkingsregeling
2004
- Verlenging termijn voor het indienen
van een garantie ten behoeve van het eigen risico dragen WAO
Vervallen
nadere regelgeving:
- Arbeidsgehandicaptebesluit (vervallen)
- Bekendmaking op grond van de Wet beperking export
uitkeringen 2001
(vervallen)
- Beleidsregel afbakening maatregel en boete
(vervallen)
- Beleidsregel boete werknemer
(vervallen)
- Beleidsregels Protocol Jobcoach
(vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2006 (vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2007 (vervallen)
- Beleidsregel zwijgrecht (vervallen)
- Besluit afstemming boete werknemers (vervallen)
- Besluit
afwijking gemiddeld premiepercentage basispremie WAO 2004 (vervallen)
- Besluit
afwijking herbeoordelingstermijnen WAO, WAZ en Wajong 2003 (vervallen)
- Besluit basispremie WAO 2002 (vervallen)
- Besluit
beleidsregels
uurloonschatting 2004 (vervallen)
- Besluit
beperking eigen risico dragen WAO
(vervallen)
- Besluit betaling zonder machtiging aan de Ziekenfondsraad
(vervallen)
- Besluit boete ZW/WAO werkgevers (vervallen)
- Besluit eigen risico dragen WAO +
Verlenging termijn voor het indienen van een garantie ten behoeve van
het eigen risico dragen WAO
(vervallen)
- Besluit
gedifferentieerde premie, opslagen en kortingen WAO 2004
(vervallen)
- Besluit
gedifferentieerde premie, opslagen en kortingen WAO 2005 (vervallen)
- Besluit gedifferentieerde premie WAO 2002
(vervallen)
- Besluit gedifferentieerde premie WAO 2003
(vervallen)
- Besluit gedifferentieerde premie WAO
2004 (vervallen)
- Besluit gedifferentieerde premie WAO,
opslagen en kortingen 2006
(vervallen)
- Besluit gedifferentieerde premie WAO,
opslagen en kortingen kleine werkgevers 2004 (vervallen)
- Besluit herziening
en intrekking uitkeringen (vervallen)
- Besluit
incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers
(vervallen)
- Besluit kostenvergoedingen arbeidsongeschiktheidswetten
(vervallen)
- Besluit minimumeisen reïntegratieplan 1997
(vervallen)
- Besluit premiedifferentiatie WAO (vervallen)
- Besluit premieplichtig loon buitenlandse werkgever
(vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2003
(vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering WAO 2004 (vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering WAO 2005 (vervallen)
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering WAO 2006 (vervallen)
- Besluit premie
vrijwillige verzekering Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 2002
(vervallen)
- Besluit
verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering bij
hulpbehoevendheid (WAO, WAZ en Wajong) 1999 (vervallen)
- Besluit waarschuwing (vervallen)
- Controlevoorschriften buitenland WAO, WAZ en Wajong
(vervallen)
- Controlevoorschriften WAO, WAZ en Wajong 2001
(vervallen)
- Dagloonregelen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(vervallen)
- Maatregelenbesluit Tica (vervallen)
- Maatregelenbesluit
UWV
(vervallen)
- Nadere regelen ingevolge artikel 40, derde lid, WAO in verband met
arbeidsongeschikte WSW-ers
(vervallen)
- Regeling aanwijzing ontwikkelingsorganisaties BEU 2002
(vervallen)
- Regeling
aanwijzing uitvoeringsinstelling vrijwillige verzekeringen (vervallen)
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland
(vervallen)
- Regeling afwijkende regels
omtrent de uitbetaling van de vakantie-uitkering op grond van de
WAO en de Wet WIA (vervallen)
- Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigde betalingen
(vervallen)
- Regeling frictiekosten arbeidsintegratie
(vervallen)
- Regeling herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder wachttijd
(vervallen)
- Regeling herziening basispremie WAO 2004
(vervallen)
- Regeling onderbroken en opeenvolgende dienstverbanden
(vervallen)
- Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen
(vervallen)
- Regeling vaststelling premiepercentages
werknemersverzekeringen en volksverzekeringen 2002 (vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2003
(vervallen)
- Regeling vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2004 (vervallen)
- Regeling
vaststelling premiepercentages werknemersverzekeringen en
volksverzekeringen 2005 (vervallen)
- Regeling
verdeling premiekorting WAO (vervallen)
- Regeling vrijstelling basispremie WAO oudere werknemers
(vervallen)
- Regeling vrijwillige WAO-verzekering voor groepen gewezen
AAW-verzekerden en vrijwillig WW-verzekerden
(vervallen)
- Regels vrijwillige
WAO-verzekering 2006 (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Beleidsregels
Protocol Scholing 2008 (vervallen)
- Beleidsregels
Protocol Scholing 2012
- Beleidsregels Protocol zeer moeilijk plaatsbaar
(vervallen)
- Beleidsregels Protocol zeer moeilijk
plaatsbaar 2011
- Beleidsregels UWV gebruik
polisgegevens
- Besluit afschaffing Pemba
WAO
- Besluit gedifferentieerde premie
WAO, opslagen en kortingen 2007
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2007
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2008
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering WAO 2009
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2010
- Besluit
premievaststelling vrijwillige verzekering WAO 2011
- Besluit schadebeleid
- Besluit verrekeningen Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten,
Arbeidsongeschiktheidsfonds zelfstandigen en Arbeidsongeschiktheidskas
met de uitvoeringsinstellingen
- Besluit
verzekeringsplicht zeevarenden
- Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945
- Ontslagbesluit
- Regeling
inzage- en correctierecht UWV
-
Regeling samenloop ziekengeld met AAW- en
WAO-uitkering
- Regeling
subsidieplafond en tijdstip indiening aanvraag brugbanen uitkeringsgerechtigden
(vervallen)
- Reglement behandeling bezwaarschriften
UWV 2009
- Tijdelijk besluit brugbanen
herbeoordeelden (vervallen)
- Tijdelijke regeling
brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden (vervallen)
- Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten
-
Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering
(vervallen)
- Tijdelijke
wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
- Wet
beperking export uitkeringen
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
- Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
- Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
- Wet
premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
- Wet
terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume
- Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
- Wet
verbetering poortwachter
- Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Inhoudsopgave
WAO
| Hoofdstuk
1 |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 17 |
| §
1x |
Algemeen |
artt.
1 - 2 |
| §
2x |
De
werknemer |
artt.
3 - 7c |
| §
3x |
De
werkgever |
artt.
8 - 12 |
| §
4x |
Loon |
artt.
13 - 15 |
| §
5x |
Kring der verzekerden |
artt.
16 - 17 |
| Hoofdstuk
2 |
De
verstrekkingen der verzekering |
artt.
18
- 59e |
| §
1x |
Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering |
artt.
18 - 33 |
| §
2x |
Toekenning, ingang, herziening,
intrekking, heropening en betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering |
artt.
34 - 59 |
| §
2ax |
Vakantie-uitkering |
artt.
59a - 59e |
| Hoofdstuk
IIa |
Garantieregeling
voor oudere arbeidsongeschikten, samenloop, verstrekkingen die
onvervreemdbaar zijn en verstrekkingen die niet vatbaar zijn voor beslag |
artt.
60 - 65b |
| Hoofdstuk
IIb |
Reïntegratie-instrumenten |
artt.
65c - 65k |
| Hoofdstuk
III |
De
uitvoering der verzekering |
artt.
66 - 74 |
| §
1x |
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen |
artt.
66 - 71b |
| §
2x |
Arbeidsongeschiktheidsfonds
en arbeidsongeschiktheidskas (vervallen) |
artt.
72 - 74 |
| Hoofdstuk
IIIa |
Eigen
risico dragen door de werkgever (vervallen) |
artt.
75 - 75h |
| Hoofdstuk
IV |
Financiering
(vervallen) |
artt.
76 - 79 |
| §
1x |
Middelen
tot dekking van de uitgaven (vervallen) |
artt.
76 - 76g |
| §
2x |
De
basispremie (vervallen) |
artt.
77 - 77e |
| §
3x |
De
gedifferentieerde premie (vervallen) |
artt.
78 - 79 |
| §
4x |
Premiekorting
(vervallen) |
artt.
79a - 79b |
| Hoofdstuk
V |
Het
verstrekken van inlichtingen |
artt.
80 - 80a |
| Hoofdstuk
VI |
De vrijwillige
verzekering |
artt.
81 - 86 |
| Hoofdstuk
VII |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en beroep in cassatie |
artt.
86a - 88i |
| §
1x |
Algemeen |
artt.
86a - 87g |
| §
2x |
Medische
beschikkingen |
artt.
88 - 88i |
| Hoofdstuk
VIII |
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht |
artt.
89 - 91 |
| Hoofdstuk
VIIIa |
Overgangsbepalingen |
art.
91a - 91j |
| Hoofdstuk
IX |
Strafbepalingen |
artt.
92 - 98 |
| Hoofdstuk
X |
Slotbepalingen |
artt.
98a - 101 |
| xxxxxxxxxxxxv| |
|
xxxxxxxxxxxx| |
Parlementaire
behandeling:
Bijlage Handelingen II 1962-1963, 1963-1964, 1964-1965, 7171.
Handelingen II 1964-1965, blz. 1656-1683, 1712-1737.
Bijlage Handelingen I 1965-1966, 7171.
Handelingen I 1965-1966, blz. 328-353.
Geschiedenis:
Staatsblad
1995, 200; Staatsblad 1995, 250;
Staatsblad 1995, 560; Staatsblad 1995,
635; Staatsblad 1995, 690;
Staatsblad 1995, 691; Staatsblad 1995,
696; Staatsblad 1996, 134;
Staatsblad 1996, 248; Staatsblad 1996,
478; Staatsblad 1996, 562;
Staatsblad 1996, 619; Staatsblad 1997,
96; Staatsblad 1997, 162;
Staatsblad 1997, 175; Staatsblad 1997,
178; Staatsblad 1997, 465;
Staatsblad 1997, 660; Staatsblad 1997,
768; Staatsblad 1997, 773;
Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1997,
794; Staatsblad 1998, 203;
Staatsblad 1998, 278; Staatsblad 1998,
290; Staatsblad 1998, 267;
Staatsblad 1998, 412; Staatsblad 1998,
448; Staatsblad 1998, 741;
Staatsblad 1998, 742; Staatsblad
1999, 23; Staatsblad 1999, 185;
Staatsblad 1999, 250; Staatsblad 1999,
564; Staatsblad 1999, 594;
Staatsblad 1999, 595; Staatsblad 2000,
40; Staatsblad 2000, 496;
Staatsblad 2000, 561; Staatsblad 2000,
627; Staatsblad 2001, 481;
Staatsblad 2001, 568; Staatsblad 2001,
625; Staatsblad 2001, 628;
Staatsblad 2001, 644; Staatsblad 2001,
692; Staatsblad 2001, 695;
Staatsblad 2002, 330; Staatsblad 2002,
584; Staatsblad 2003, 55;
Staatsblad 2002, 647; Staatsblad 2003,
238; Staatsblad 2003, 239;
Staatsblad 2003, 376; Staatsblad 2003,
524; Staatsblad 2003, 544;
Staatsblad 2003, 555; Staatsblad 2003,
557; Staatsblad 2004, 306;
Staatsblad 2004, 311; Staatsblad 2004, 296;
Staatsblad 2004, 324; Staatsblad
2004, 416; Staatsblad
2004, 493; Staatsblad
2005, 37; Staatsblad 2004, 700;
Staatsblad 2004, 717; Staatsblad 2004,
720; Staatsblad 2004, 728;
Staatsblad 2004, 731; Staatsblad
2005, 65; Staatsblad 2005, 202;
Staatsblad 2005, 274; Staatsblad 2005, 525; Staatsblad
2005, 530; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 624; Staatsblad 2005, 683;
Staatsblad 2005, 710; Staatsblad
2005, 708; Staatsblad 2005, 718;
Staatsblad 2006, 673; Staatsblad
2006, 703; Staatsblad
2006, 697; Staatsblad
2006, 682; Staatsblad 2007, 305;
Staatsblad 2007, 555; Staatsblad
2007, 557; Staatsblad 2007, 567;
Staatsblad 2008, 192; Staatsblad
2008, 199; Staatsblad 2008, 414;
Staatsblad 2008, 603;
Staatsblad 2008, 510; Staatsblad
2008, 590; Staatsblad 2008, 598;
Staatsblad 2008, 600; Staatsblad
2009, 384; Staatsblad
2009, 265; Staatsblad 2009, 390; Staatsblad
2009, 282; Staatsblad 2009, 318;
Staatsblad 2009, 542; Staatsblad
2009, 580; Staatsblad 2009, 589;
Staatsblad 2009, 596; Staatsblad
2010, 146; Staatsblad 2010,
350; Staatsblad 2010, 840; Staatsblad 2010, 838;
Staatsblad 2010, 867; Staatsblad
2011, 288; Staatsblad 2011,
618; Staatsblad 2011, 608;
Staatsblad 2012, 2;
Staatsblad 2011, 645; Staatsblad
2011, 650; Staatsblad 2012,
224; Staatsblad 2012, 361;
Staatsblad 2012, 657;
Staatsblad 2012, 462; Staatsblad
2012, 464; Staatsblad 2012,
544; Staatsblad 2012, 682;
Staatsblad 2013, 76.
WET van 18 februari 1966,
Stb. 1966, 84, inzake een arbeidsongeschiktheids-verzekering (Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering). Laatste tekstplaatsing: Stb.
1999, 23. Inwerkingtreding: 1 september 1966 (Stb. 1966, 365).
WIJ JULIANA, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen
lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben,
dat het wenselijk is regelen vast te stellen inzake een verplichte
verzekering van loontrekkenden tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
§ 1.
Algemeen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TZ); Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 175; Stb. 1997, 660;
Stb. 1997,
789; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 203;
Stb. 1998, 412; Stb.
1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595; Stb.
2000, 496; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 306; Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 700; Stb. 2005,
573; Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 557; Stb.
2009, 596; Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867]
-1. Voor de toepassing van deze wet en
van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c. Arbeidsongeschiktheidsfonds: het fonds, genoemd in artikel
112 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
d. lichamen: rechtspersonen, maat- en
vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die maatschappelijk
kunnen worden gelijkgesteld met
verenigingen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen
en doelvermogens;
e.
vervallen;
f.
vervallen;
g. vreemdeling: hetgeen daaronder
wordt verstaan in de Vreemdelingenwet
2000;
h.
onbetaald verlof: een tussen
werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de
arbeidstijd overeengekomen verlof waarin de werknemer geen arbeid jegens
de werkgever verricht;
i. rechtens zijn vrijheid is ontnomen:
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de
Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in
artikel 37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht;
j. justitiële inrichting: een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
k. reïntegratiebedrijf: een
natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de
arbeid bevordert;
l. resterende verdiencapaciteit:
datgene dat de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering nog met arbeid kan verdienen zoals dat
bij of krachtens artikel 18 is vastgesteld;
m. overheidswerkgever: de
overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de
Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;
n.
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk
geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
als bedoeld in het Wetboek
van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste
lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-2. Voor de toepassing van deze wet en
van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde
partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. Voor de toepassing van deze wet en
van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene
die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij
gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt
in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest
of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren
of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in
het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid,
onderdeel d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het
vierde lid.
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan
een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind
van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld
in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde
meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art.
2. [Woonplaats, vestigingsplaats]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 710]
-1. Waar iemand woont en waar een
lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste
lid worden schepen die binnen Nederland hun thuishaven
hebben, beschouwd als deel van Nederland.
Art. 2a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999]
Art. 2b.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999]
§ 2.
De werknemer
Art.
3. [Begrip werknemer] [Bbtv]
[Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis;
Stb. 1998, 203; versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 496 + bis;
Stb. 2010, 350; Stb.
2012, 361]
-1. Werknemer is de natuurlijke persoon die de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt,
die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat.
-2. Wie zijn dienstbetrekking buiten
Nederland vervult, wordt niet als werknemer beschouwd, tenzij hij in Nederland
woont en zijn werkgever eveneens in Nederland woont of gevestigd is.
Voor zover een werkgever:
a. in Nederland een vaste inrichting
voor de uitoefening van zijn bedrijf of beroep of een in Nederland wonende
of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft; of
b. in Nederland één of meer personen
in dienst heeft en hij door of vanwege Onze Minister als werkgever is
aangewezen; [Rabgw]
wordt hij voor de toepassing van de eerste volzin
gelijkgesteld met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.
-3. In afwijking van het eerste en
tweede lid wordt niet als werknemer beschouwd de vreemdeling die niet rechtmatig in
Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot
en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat: [Bubkvw90]
a. personen die buiten Nederland
wonen ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun
dienstbetrekking buiten Nederland vervullen;
b. personen die in Nederland wonen,
ook als werknemer worden beschouwd, voor zover zij hun dienstbetrekking
buiten Nederland vervullen en hun werkgever buiten Nederland
woont of gevestigd is.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan van het eerste, tweede en derde lid worden afgeweken
ten aanzien van: [Bubkvw90]
a. vreemdelingen;
b. personen op wie een regeling van
toepassing is inzake verzekering tegen geldelijke gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid van Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de
sociale wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van een andere mogendheid of van een volkenrechtelijke
organisatie; en
c. personen die slechts tijdelijk in
Nederland verblijven of tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
-6. Bij een maatregel als bedoeld in
het vijfde lid kan worden afgeweken van het derde lid ten aanzien van:
a. vreemdelingen die rechtmatig in
Nederland arbeid verrichten dan wel hebben verricht;
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel
8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet
2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als
bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet
2000.
Art.
3a. [Begrip werknemer i.v.m. internationaal
recht] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 267; versie 1 januari 1999]
Zo nodig in afwijking van artikel 3 en
de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als werknemer beschouwd de
persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de
toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als werknemer beschouwd
de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een
volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van
toepassing is.
Art.
4.
[Uitbreiding begrip dienstbetrekking | Begrippen
coöperatie en zelfstandige] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis + bis;
Stb. 1996, 562; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 465;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 695; Stb.
2003, 238; Stb. 2003, 239;
Stb.
2004, 720]
-1. Als dienstbetrekking wordt mede
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die anders dan als
zelfstandige en anders dan als thuiswerker, ingevolge een overeenkomst tot
aanneming van werk als bedoeld in artikel 750 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, persoonlijk een werk tot stand brengt;
b. degene die de onder a bedoelde
persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
c. degene die krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot
het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem
te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde
bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die
bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij
zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat
bijstaan;
d. degene die krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot
het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem
te bezoeken personen en een opdrachtgever van die ander,
mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent,
het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem
bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan
twee andere personen laat bijstaan;
e. vervallen;
f. degene die als lid van de
bemanning van een vissersvaartuig aanspraak heeft op een aandeel in de besomming,
tenzij hij:
1º. als zodanig tegen geldelijke
gevolgen van arbeidsongeschiktheid verzekerd is bij het Sociaal Fonds
voor de Maatschapsvisserij; of
2º. exploitant of mede-exploitant van
het vaartuig is;
g. vervallen;
h. degene die als bestuurder werkzaam
is ten behoeve van een coöperatie die met haar leden uitsluitend
arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 610, eerste lid,
van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek sluit, indien hij lid is van
de coöperatie en deze blijkens haar statuten en met inachtneming van
de vereisten gesteld in het derde lid en krachtens het vierde lid
kan worden beschouwd als een coöperatie met
werknemerszelfbestuur.
-2. Het bepaalde in het vorige lid,
onderdeel a en b, blijft buiten toepassing indien de onder a bedoelde overeenkomst
rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van
diens persoonlijke aangelegenheden.
-3. Een coöperatie als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel h, dient te voldoen aan de vereisten dat:
a. doorgaans ten minste twee derde
deel van het aantal personen met wie de coöperatie een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, lid van de coöperatie is;
b. het lidmaatschap van de coöperatie
door ieder van de in onderdeel a bedoelde personen onder dezelfde
voorwaarden kan worden verkregen en voorwaarden van geldelijke aard
geen wezenlijke belemmering vormen voor de verkrijging van het lidmaatschap;
c. de leden van de coöperatie ieder
één stem hebben;
d. de arbeidsvoorwaarden van de leden
van de coöperatie niet wezenlijk verschillen van hetgeen gebruikelijk
is bij gelijksoortige ondernemingen in de desbetreffende sector;
e. een lid van de coöperatie,
behoudens in geval van liquidatie van de coöperatie, bij beëindiging van zijn
lidmaatschap ten hoogste aanspraak kan maken op het door hem uit hoofde
van een geldelijke voorwaarde als bedoeld in onderdeel b,
hetzij uit anderen hoofde aan de coöperatie betaalde bedrag,
herrekend naar geldontwaarding.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld waarbij de in het derde lid genoemde
vereisten:
a. nader worden bepaald;
b. worden aangevuld met andere
vereisten op grond waarvan de coöperatie kan worden beschouwd als een
coöperatie met werknemerszelfbestuur.
-5. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel a, wordt onder zelfstandige verstaan de
persoon die:
a. in Nederland woont en die
belastbare winst uit onderneming geniet als bedoeld in paragraaf
3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de onderneming niet voor
eigen rekening feitelijk drijft; of
b. niet in Nederland woont
en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming geniet als
bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, tenzij hij de
onderneming niet voor eigen rekening feitelijk drijft;
c.
directeur-grootaandeelhouder is als bedoeld in artikel
6, eerste lid, onderdeel d, en het werk tot
stand brengt uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming
van de rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
Art.
5.
[Nadere regelgeving uitbreiding begrip
dienstbetrekking] [Bagad] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen regelen worden gesteld ingevolge welke eveneens als
dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die als thuiswerker arbeid
verricht;
b. degene die de onder a bedoelde
persoon als hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of
anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent;
d. degene die tegen beloning
persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds ingevolge de voorgaande
bepalingen als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermede maatschappelijk gelijk kan
worden gesteld.
Art.
6.
[Beperking begrip dienstbetrekking |
Directeur-grootaandeelhouder] [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis;
Stb. 1995, 250; Stb.
1997, 175; Stb. 1997,
178; Stb. 1997, 768;
Stb. 1998, 412; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 2001, 695;
Stb. 2003, 544; Stb.
2004, 493; Stb.
2004, 720; Stb. 2005, 683;
Stb. 2005, 708; Stb.
2006, 682; Stb. 2010, 146;
Stb. 2013, 76]
-1. Als dienstbetrekking wordt niet
beschouwd de arbeidsverhouding van:
a. degene die minister,
staatssecretaris, Nationale ombudsman,
substituut-ombudsman, lid van gedeputeerde staten of wethouder, waaronder
begrepen een lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente, is;
b. degene die een verplichting
naleeft, hem opgelegd door de wet of voortvloeiende uit een verbintenis
anders dan bij arbeidsovereenkomst door hem jegens de Overheid aangegaan
ten aanzien van 's lands verdediging of ter
bescherming van de openbare orde en de veiligheid der bevolking,
alsmede van degene die als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden
verricht bij de brandweer;
c. degene die doorgaans op
minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon
tot wie hij in dienstbetrekking staat;
d. de directeur-grootaandeelhouder;
e. een persoon, indien
degene met wie hij de arbeidsverhouding heeft, met betrekking tot die arbeidsverhouding op grond van artikel
6a van de Wet
op de loonbelasting 1964 niet als inhoudingsplichtige wordt beschouwd;
f. degene die als vrijwilliger als bedoeld in artikel 2, zesde
lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964, uitsluitend vergoedingen of
verstrekkingen als bedoeld in dat lid ontvangt met een gezamenlijke
waarde van ten hoogste €|150,00 per maand en €|1500,00
per kalenderjaar.
-2. Geen dienstbetrekking wordt geacht
aanwezig te zijn op dagen waarop geen arbeid wordt verricht en geen
uitkering of een uitkering van minder dan de helft van het normale loon van
de werkgever wordt genoten, tenzij het niet verrichten van de arbeid zijn
oorzaak vindt in:
a. een normale onderbreking van of
verhindering tot het verrichten van de arbeid, zolang deze
onderbreking of verhindering niet langer dan één maand heeft geduurd;
b. weersinvloeden, gebrek aan
materialen of dergelijke omstandigheden;
c. vervallen;
d. de omstandigheid dat de
dienstbetrekking ertoe strekt dat slechts een gedeelte van een normale werkweek
arbeid wordt verricht;
e. de omstandigheid dat de
dienstbetrekking ertoe strekt dat niet regelmatig in elke kalenderweek arbeid
wordt verricht, voor zover het betreft de kalenderweek waarin
arbeid wordt verricht of arbeid zou worden verricht indien de
betrokkene niet arbeidsongeschikt was geworden;
f. arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan ziekengeld ingevolge de Ziektewet of
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge deze wet is toegekend.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid, onderdeel c, wordt onder het verrichten van diensten ten
behoeve van een huishouden mede verstaan het verlenen van zorg aan de
leden van dat huishouden.
-4. Het eerste en tweede lid zijn
alleen van toepassing op de aldaar bedoelde arbeidsverhoudingen.
-5. Door Onze Minister
worden, in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels gesteld omtrent
hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
d, wordt verstaan. [Rad]
Art. 6a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2001, 695; Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 720]
Art.
7. [Uitbreiding begrip werknemer met WW-er]
[Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis;
Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 768;
Stb. 1997, 789; Stb.
1998, 741 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Voor de toepassing van deze wet wordt
als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de verplichte
verzekering op grond van de Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566) uitkering ontvangt;
b. in door Onze Minister
aan te wijzen
gevallen degene die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn
arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren als bedoeld in artikel
16, eerste lid,
onderdeel a, van de Werkloosheidswet, doch aan wie geen uitkering wordt
verleend op grond van enige bepaling van die wet of van het
uitkeringsreglement werkloosheidsverzekeringen van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen of van een regeling als bedoeld in onderdeel c;
[RukvZW]
c. degene die wegens werkloosheid
niet werkt en die ingevolge een door Onze Minister aan te wijzen, van
overheidswege getroffen regeling uitkering ontvangt. [Rara77aW]
Art.
7a. [Uitbreiding begrip werknemer met ZW-
en TW-er] [Geschiedenis:
(TZ); versie 1 januari 1999; Stb.
2003, 555]
Voor de toepassing van deze wet wordt
mede als werknemer beschouwd:
a. degene die krachtens de verplichte
verzekering ingevolge de Ziektewet ziekengeld ontvangt;
b. in door Onze Minister
aan te wijzen
gevallen degene die wegens arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan wie geen
ziekengeld wordt verleend op grond van enige bepaling
van de Ziektewet; [Rara77aW] [RukvZW]
c. degene die wegens arbeidsongeschiktheid niet werkt, doch aan
wie geen ziekengeld wordt betaald op grond van artikel
29, eerste lid, van de Ziektewet, maar wel
een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Art.
7b. [Uitbreiding begrip werknemer met
WAO-er] [Geschiedenis:
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 718]
-1.
Voor de toepassing van deze wet wordt
mede als werknemer beschouwd degene die op grond van de verplichte
verzekering ingevolge deze wet uitkering ontvangt.
-2. Het eerste lid is niet
van toepassing op diegene die niet in Nederland woont.
Art.
7c.
[Uitbreiding begrip werknemer met Wazo-er]
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 568]
Voor de toepassing van
deze wet wordt mede als werknemer beschouwd:
a. de werknemer of
gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van de Wet arbeid en
zorg, aan
wie uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van die wet;
b. in door Onze Minister aan te wijzen gevallen, degene die in verband met zwangerschap en
bevalling niet werkt, anders dan bedoeld in artikel 29a
van de Ziektewet,
doch aan wie geen uitkering wordt betaald op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de
Wet arbeid en zorg.
§ 3.
De werkgever
Art.
8.
[Begrip werkgever] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 710]
Werkgever is de
overheidswerkgever onderscheidenlijk de natuurlijke persoon tot wie of het
lichaam tot welk één of meer natuurlijke personen in dienstbetrekking
staan.
Art.
9.
[Uitbreiding begrip werkgever] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 465; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
2011, 288]
Als werkgever wordt beschouwd:
1º. in de gevallen, bedoeld in artikel 4, eerste lid,
onderdeel:
a en b: de aanbesteder;
c en d: degene met wie de
overeenkomst tot bemiddeling is gesloten;
e: vervallen;
f: de exploitant of mede-exploitant
van het vaartuig;
g: vervallen;
h: de coöperatie;
2º. in de gevallen, bedoeld in
artikel 5, onderdeel:
a: de opdrachtgever;
b: de thuiswerker;
c: degene met wie het optreden of de
sportbeoefening is overeengekomen;
d: degene die bij de in artikel 5
bedoelde algemene maatregel van bestuur als werkgever wordt aangewezen;
3º. de aangewezen inhoudingsplichtige,
bedoeld in artikel 6, zesde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art.
10.
[UWV als werkgever uitkeringsgerechtigden]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TZ); Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 768; Stb. 1998, 741
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 555; Stb.
2005, 525; Stb. 2005, 708;
Stb.
2011, 288; Stb.
2012, 657]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wordt als werkgever beschouwd in de gevallen,
bedoeld in artikel 7, onderdeel a, artikel
7a, onderdeel a en c,
artikel
7b en artikel 7c, onderdeel a.
[Rara77aW]
-2. In de gevallen,
bedoeld in artikel 7, onderdeel b en c,
artikel 7a, onderdeel
b, en artikel 7c, onderdeel b, wordt als werkgever beschouwd
degene die door Onze Minister als werkgever wordt aangewezen.
-3. Ingeval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
de
uitkering of toeslag, bedoeld in de artikelen, genoemd in het eerste lid, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde
premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, betaalt aan
de werkgever, bedoeld in artikel 8, 9
of 11, teneinde deze
uitkering of toeslag door diens tussenkomst te doen uitbetalen,
treedt voor de toepassing van het eerste lid deze in de
plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onafhankelijk van het
voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot de door de werkgever verschuldigde
premies, bedoeld in het derde lid, nadere regels
worden gesteld.
Art.
11.
[Aanwijzing als werkgever]
[Rawuvw] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
Onze Minister
kan, in overeenstemming
met Onze Minister van Financiën, in afwijking van het bepaalde in de
artikelen 8 en 9 een ander dan de aldaar bedoelde personen aanwijzen als
werkgever met betrekking tot:
a. degene die krachtens overeenkomst
met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot
het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken
personen en een opdrachtgever van die ander;
b. degene die een thuiswerker als
hulp bij het verrichten van de arbeid bijstaat;
c. degene die als musicus of
anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent.
Art.
12.
[Gelegenheid tot uitoefening wettelijke
bevoegdheden en verplichtingen werknemer] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 573]
De werkgever is verplicht de
verzekerde gelegenheid te geven tot het uitoefenen van de hem bij of krachtens deze wet
toegekende bevoegdheden en tot het nakomen van de hem bij of
krachtens deze wet opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van
die
bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan
geschieden.
§ 4.
Het loon
Art.
13. [Begrippen loon en minimumloon]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1997, 768; Stb. 1997,
789; Stb.
1998, 741; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
-1. Deze wet verstaat onder loon het
loon in de zin van de hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
-2. Minimumloon is het minimumloon per
maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien het een
werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid,
van genoemde
wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet, en vervolgens gedeeld
door 21,75.
-3. Loon door verschillende personen
tezamen onverdeeld genoten, wordt, voor zover niet blijkt van een andere
verdeling, geacht door ieder van hen voor een gelijk deel te zijn
genoten.
-4. Degene die krachtens een regeling
als bedoeld in artikel 7, onderdeel c, uitkering ontvangt, wordt geacht op
elke dag waarover hij die uitkering ontvangt een loon te ontvangen
gelijk aan die uitkering.
Art.
14.
[Vaststelling dagloon] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 311;
Stb. 2005, 708; Stb.
2012, 657]
-1.
Voor de berekening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop op
grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel
van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar die eindigt
op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak
waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden,
verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in
artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen,
met betrekking tot een loontijdvak van één dag. [Rhwpeb]
-2. Bij algemene maatregel van bestuur worden ten
aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid,
en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. [Bdw]
[DW]
[Rhwpeb]
Art.
14a.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie 1 januari 1999]
Art.
15.
[Herziening daglonen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2009, 265]
-1. De daglonen worden herzien met
ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag, genoemd in
artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), wordt herzien.
-2. Onze Minister
maakt in de
Staatscourant bekend met ingang van welke dag en met welk percentage een
herziening als bedoeld in het eerste lid plaatsvindt.
-3. Een herziening van de uitkering als
gevolg van een herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit
bij beschikking is vastgesteld.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de herziene uitkering, bedoeld in
het derde lid, bij de eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de
herziening, bedoeld in het eerste lid, heeft plaatsgevonden.
§ 5.
Kring der verzekerden
Art.
16. [Kring verzekerden] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 573; Stb. 2006, 703]
-1.
De persoon die vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is geworden en op
het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd verzekerd was op grond
van de verplichte verzekering blijft verzekerd:
a. gedurende de wachttijd, bedoeld in artikel
19;
b. gedurende vier weken
na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel
19, indien hij na afloop
van die wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt is, doch binnen die vier
weken 15% of meer arbeidsongeschikt is;
c. gedurende de periode
waarover hij recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. De persoon die arbeidsongeschikt is geworden en op het tijdstip
waarop hij arbeidsongeschikt werd, verzekerd was op grond van de
verplichte verzekering blijft verzekerd:
a. gedurende vijf jaar na de intrekking, bedoeld in artikel
43, indien
artikel 43a, eerste lid, geen toepassing vindt omdat artikel 43a, vierde
lid, van toepassing is;
b. gedurende vijf jaar na het bereiken van het einde van de wachttijd,
bedoeld in artikel 19, na welke wachttijd hij ongeschikt was tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht
had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet
arbeidsongeschikt was, indien artikel 43a, eerste lid, geen toepassing
vindt omdat artikel 43a, vierde lid, van toepassing is.
Art.
17.
[Nawerking verzekering] [Raunv]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 412 + bis + bis;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2005, 573; Stb.
2010, 867]
-1. De persoon die binnen vier weken na
het einde van zijn verzekering meer arbeidsongeschikt wordt, wordt voor
het recht op herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
beschouwd alsof hij verzekerd was gebleven. Indien de verzekering berust
op een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3,
ontstaat de in de eerste zin bedoelde aanspraak op herziening van de
uitkering eerst na het beëindigen van de dienstbetrekking.
-2. Het eerste lid blijft
buiten toepassing ten aanzien van degene die in verband met artikel
6,
eerste lid, onderdeel a of b, niet verzekerd is.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld op grond
waarvan personen die niet verzekerd zijn en die arbeidsongeschikt of die
in gevallen als bedoeld in artikel 37, tweede lid, meer arbeidsongeschikt
worden als gevolg van bij die maatregel aan te wijzen beroepsziekten, voor het recht op
toekenning onderscheidenlijk
herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering worden beschouwd alsof ze verzekerd zijn.
[BabWWv]
HOOFDSTUK
II
De
verstrekkingen der verzekering
§ 1.
Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art.
18. [Begrip arbeidsongeschiktheid]
[Bbu04] [Bu08]
[Bulca] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134; Stb. 1997,
96; Stb. 1997, 175;
Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 412; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb.
2009, 318; Stb.
2012, 657]
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of
gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk
niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of
in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen.
-2. Degene die op en sedert het
tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt reeds gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan
deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt
aangemerkt indien
hij als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk
niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke
personen die in
dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter
plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht,
of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. De eerste zin
blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het
tijdstip waarop
de verzekering een aanvang nam
ononderbroken onbetaald verlof, tot een maximum van achttien maanden,
heeft genoten, behoudens voor zover het betreft gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid die bestond op de dag
voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als ononderbroken onbetaald
verlof wordt aangemerkt perioden van onbetaald verlof die elkaar met
een onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
-3. Indien de bij de aanvang van de
verzekering aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van het eerste lid naderhand
is afgenomen, vindt het tweede lid vervolgens overeenkomstige toepassing, met dien verstande
dat voor de aanvang van de verzekering
in de plaats treedt het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid in de
zin van het eerste lid is afgenomen.
-4. Het tweede en derde lid vinden geen
toepassing indien bij de aanvang van de verzekering de betrokkene uit
hoofde van een vroegere verzekeringsperiode reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.
-5. In het eerste en tweede lid wordt
onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid
waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat
is.
-6. Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de verzekerde de
arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-7. Vervallen.
-8. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere
en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. [Sa]
-9. De voordracht voor een krachtens het
achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de
vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke
algemene maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp
in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de
gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het
ontwerp aan de beide kamers van de Staten-Generaal overgelegd.
-10. Bij de beoordeling van
arbeidsongeschiktheid als bedoeld in deze wet maakt de
verzekeringsarts zoveel mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling
vastgelegde wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van
arbeidsongeschiktheid kunnen ondersteunen. [Rvpa]
Art.
19.
[Wachttijd] [BewuWWW99]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV, TZ);
Stb. 1996, 134; Stb
1996, 248; Stb. 1997,
96; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
250; Stb. 1999, 595;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb. 2001, 628;
Stb. 2001, 692; Stb.
2003, 544; Stb. 2003,
555; Stb. 2005, 65; Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710 + bis;
Stb. 2005, 708; Stb. 2010,
838; Stb.
2012, 657]
-1. De
verzekerde die
arbeidsongeschikt wordt, heeft, zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest,
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Als eerste
dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens
ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als
werkdag worden aangemerkt. [Rbew]
[Rbew06]
-2. Voor het bepalen van het tijdvak van
104 weken, bedoeld in het vorige lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
-3. Recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste
lid, die na afloop van het in het eerste, tweede en zevende lid bedoelde
tijdvak niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-4. Voor de toepassing van het bepaalde
in de vorige leden wordt niet als arbeidsongeschikt beschouwd degene
die minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
-5. Voor het bepalen van het tijdvak
van 104 weken, bedoeld in de vorige leden, worden steeds in aanmerking
genomen tijdvakken gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld
krachtens de Ziektewet en worden niet in aanmerking
genomen tijdvakken gedurende welke een uitkering wordt genoten
als bedoeld in het tweede lid.
-6. Voor de toepassing van het bepaalde
in het vorige lid wordt een belanghebbende geacht aanspraak te hebben op
ziekengeld krachtens de Ziektewet indien hem in verband met
de artikelen 19a, 19b,
19c, 29, 30, 31, 44 en 45 van de Ziektewet geen
ziekengeld wordt uitgekeerd.
-7. De wachttijd, bedoeld
in het eerste lid, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
verlengd op gezamenlijk verzoek van de
verzekerde en de
werkgever jegens wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van
arbeid wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek, tenzij artikel 29 of
29a, eerste of vierde
lid, van de Ziektewet van toepassing is dan wel aanspraak heeft op
bezoldiging op grond van
artikel 76a van de Ziektewet, tenzij onderdeel a van
artikel 76c van die wet
van toepassing is, tenzij zwaarwegende
omstandigheden zich daartegen verzetten. De verlengde wachttijd
eindigt op de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aangegeven
datum. De verlengde wachttijd kan op verzoek van de werkgever of de
verzekerde worden verkort of wordt op hun gezamenlijk verzoek verder verlengd,
tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
stelt bij verkorting van de verlengde wachttijd een nieuwe datum vast waarop
de verlengde wachttijd eindigt, met dien verstande dat de
wachttijd niet eerder eindigt dan vijftien weken na dat verzoek, tenzij de werkgever vóór het
verstrijken van het tijdvak van die vijftien weken geen loon meer verschuldigd is,
omdat de dienstbetrekking is geëindigd. Bij de
bekendmaking van de beschikking maakt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
melding van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor de
toekenning van de uitkering alsmede van de termijn binnen welke die aanvraag
wordt gedaan. Het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot dit lid.
Art.
19a. [Uitsluiting bij detentie]
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 595; Stb.
2003, 544; Stb. 2005,
573; Stb. 2010,
838]
-1. De verzekerde, bedoeld in
artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien
de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan
dan wel de dag na afloop van de toepassing van artikel 19b
met betrekking tot dat recht op uitkering, is gelegen in een periode
dat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. De persoon die op grond van het
eerste lid geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft alsmede de persoon die
vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is, maar
op grond van artikel 19b
van de Ziektewet
geen recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid
wordt gesteld weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 18, tweede tot en
met vierde lid, en 30, eerste lid, onderdeel a, zijn niet van toepassing,
behoudens voor zover het betreft de op de dag voorafgaande aan de eerste
dag dat die persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen aanwezige arbeidsongeschiktheid in de zin van
artikel 18,
eerste lid.
-3. Voor de toepassing van het eerste
lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. De persoon, bedoeld in het tweede
lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten
aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag, wordt
vanaf de dag dat hij in vrijheid is gesteld weer als verzekerde aangemerkt
en
heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
19, vierde lid, is van
overeenkomstige toepassing. Artikel 30, eerste lid, onderdeel b,
is niet van toepassing.
-5. Het eerste lid is niet van
toepassing en het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen
waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten
een justitiële inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
Art.
19b. [Uitsluiting bij onttrekking aan vrijheidsontneming] [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
De verzekerde, bedoeld in artikel
19, heeft geen recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien en voor zolang hij zich onttrekt
aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel.
Art.
20.
[Beperking export uitkering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV); Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 250 + bis;
Stb. 1999, 594 + bis;
Stb.
2003, 524; Stb. 2005,
573; Stb. 2010, 350;
Stb.
2012, 657]
-1. De verzekerde, bedoeld in
artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien
de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is gelegen in een periode
dat hij niet in Nederland woont.
-2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien de verzekerde op die dag woont in een land waarin op grond van
een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.
-3. De persoon die op grond van het
eerste lid geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft alsmede de persoon die
vóór 1 januari 2004 arbeidsongeschikt is, maar
op grond van artikel 19a
van de Ziektewet
geen recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. dat
hij in een land woont waarmee een verdrag in werking is getreden dan
wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van kracht is
geworden, op grond
waarvan recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering kan
bestaan;
weer als verzekerde aangemerkt en
heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
Artikel 19,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen
18, tweede tot en met vierde lid, en 30,
eerste
lid, onderdeel a, zijn niet van toepassing.
-4. De persoon, bedoeld in het derde
lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten
aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag, wordt
vanaf die dag weer als verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
19,
vierde
lid, is van overeenkomstige
toepassing. Artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden bepaald dat de verzekerde, bedoeld in artikel
19,
recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de
dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan, is
gelegen in een periode dat de verzekerde niet in Nederland woont, in
geval
van: [Breu]
[RaoB02]
a. een verzekerde die werkzaamheden
verricht in het algemeen belang;
b. een verzekerde die in Aruba, Curaçao,
Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen
a of b bedoelde verzekerde.
-6. Onze Minister deelt mede
in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op toekenning
van
arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan. In deze mededeling wordt tevens opgenomen: [BB01] [BB03]
a. de vindplaats van het
desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat
verdrag of besluit aanwezige beperkingen.
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Art.
21. [Grondslag loondervings- en
vervolguitkering | Uitkeringshoogte] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1995, 691 + bis
+ bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 628; Stb.
2004, 311; Stb.
2005, 525; Stb. 2007, 567]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van deze wet bestaat achtereenvolgens uit een
loondervingsuitkering waarvoor het dagloon als maatstaf geldt en een
vervolguitkering waarvoor het vervolgdagloon als maatstaf geldt.
2. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
bedraagt per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van:
15-25%
14% van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon;
25-35%
21% van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon;
35-45%
28% van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon;
45-55%
35% van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon;
55-65%
42% van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon;
65-80%
50,75% van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon;
80% of meer
75% van 100/108-maal het
dagloon of het vervolgdagloon.
-3. Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt, zoveel doenlijk, rekening gehouden met
verkregen nieuwe bekwaamheden.
Art.
21a.
[Duur loondervingsuitkering] [Geschiedenis:
(TBA); versie 1 januari 1999]
De duur van de loondervingsuitkering
is voor degene die op de datum met ingang waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend:
58 jaar of ouder is zes jaar;
53 jaar of ouder is drie jaar;
48 jaar of ouder is twee jaar;
43 jaar of ouder is anderhalf jaar;
38 jaar of ouder is één jaar;
33 jaar of ouder is een halfjaar; en
jonger is dan 33 jaar nihil.
Art.
21b. [Vervolguitkering; hoogte
vervolgdagloon] [Geschiedenis:
(TBA); versie 1 januari 1999]
-1. Na afloop van de in
artikel
21a bedoelde periode bestaat recht op vervolguitkering met als maatstaf het vervolgdagloon.
-2. Het vervolgdagloon is gelijk aan
het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen het
dagloon en het minimumloon.
-3. Voor de berekening van het
vervolgdagloon geldt een percentage van tweemaal het aantal verstreken jaren
tussen het 15de jaar en de leeftijd van de betrokkene op de datum met ingang
waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.
-4. Indien het dagloon lager is dan het
minimumloon, wordt het vervolgdagloon vastgesteld op het dagloon.
-5. Voor de toepassing van artikel 21a
en het derde lid wordt voor degene ten aanzien van wie artikel
35, tweede
lid, wordt toegepast als datum met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend in aanmerking genomen de datum waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn toegekend als dat lid niet was toegepast.
Art.
22.
[Verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1995, 691 + bis;
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb. 2005, 525]
• [Jurisprudentie:
LJN AA8962]
Een
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wordt, indien de
betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van
hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en
verzorging nodig maakt, verkeert, voor
de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste 100/108-maal zijn
dagloon of zijn vervolgdagloon verhoogd. Het bepaalde in de vorige volzin vindt
geen toepassing indien de betrokkene in een inrichting is opgenomen en de
kosten van verblijf ten ten laste van een zorgverzekering of een verzekering inzake
ziektekosten komen. [Bvah99]
[Bvuh]
Art.
23.
[Oproep en onderzoek door of namens UWV]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis
+ bis; Stb.
1997, 175; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 290; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 625
+ bis; Stb. 2001, 628;
Stb.
2001, 644 + bis; Stb.
2005, 37; Stb. 2005,
573]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, zo vaak hij dat nodig oordeelt, de
persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering oproepen of doen oproepen en op een door of vanwege
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats
ondervragen of doen ondervragen in verband met de aanspraak op of het
genot van een arbeidsongeschiktheidsuitkering of de toekenning dan wel
verstrekking van een reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk
IIb.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de in het eerste lid bedoelde personen op een door of vanwege het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te bepalen plaats door één of meer daartoe door hem aangewezen deskundigen doen
onderzoeken.
-3. De daartoe door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige kan, ook zonder opdracht
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de in het eerste lid
bedoelde personen oproepen, ondervragen, onderzoeken, doen oproepen, doen ondervragen en doen
onderzoeken door één of meer door hem
daartoe aangewezen deskundigen.
Art.
24.
[Voorschriften van medische of administratieve
aard]
[Geschiedenis:
OvW;
MvT; Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 96 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis + bis;
Stb. 2001, 628; Stb.
2003, 544; Stb.
2005, 710; Stb.
2008, 600]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de door hem daartoe aangewezen
deskundige kunnen de persoon die aanspraak maakt op of in het genot is van
een arbeidsongeschiktheidsuitkering voorschriften geven in het
belang van een behandeling of van genezing dan wel voor zover dit
voortvloeit uit de taak
tot bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces, bedoeld in artikel
30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan in het kader van de uitvoering van het
eerste lid voorschrijven dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zich laat
registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art.
25. [Weigering uitkering bij weigeren onderzoek]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen weigert de uitkering tijdelijk of blijvend,
geheel of gedeeltelijk indien een persoon als bedoeld in artikel
23, eerste lid, na tijdig opgeroepen te zijn, niet verscheen of
weigerde:
a. vragen te beantwoorden die zijn
gesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door
hem daartoe aangewezen deskundige;
b. zich te laten onderzoeken door de
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daartoe aangewezen
deskundige; of
c. te voldoen aan het voorschrift
gegeven door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de
daartoe aangewezen deskundige om zich ter observatie te doen opnemen of
te verblijven in een aangewezen inrichting.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid bij
toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is
voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering
plaatsvond.
Art.
26.
[Onkostenvergoeding] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV); Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Opgeroepenen en, indien hun toestand
geleide nodig maakt, mede hun geleiders, worden reiskosten, verblijfkosten en
tijdverlies vergoed in de gevallen en volgens regels door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vast te stellen. [Bka]
[BkU]
Art.
27.
[Controlevoorschriften en reikwijdte]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze voorschriften
mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze
wet. [Ca06] [Cba06]
[CbWWW]
[CWWW01]
Art.
28.
[Weigering uitkering bij niet-naleving
voorschriften] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV, TBA); Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis + bis
+ bis; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis + bis
+ bis; Stb. 2001, 628;
Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2008, 600]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen handelt overeenkomstig het bepaalde in artikel
25:
a. indien de belanghebbende de door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem daartoe aangewezen
deskundige krachtens artikel 24 in het belang van een behandeling
of genezing of tot
behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid en
tot registratie als
werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gegeven voorschriften zonder deugdelijke grond niet opvolgt;
b. indien de belanghebbende zich niet,
zolang als het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of de door hem
daartoe aangewezen deskundige te kennen heeft gegeven dit
noodzakelijk te achten, onder geneeskundige behandeling stelt of indien hij de
voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt;
c. indien de belanghebbende zich
schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of
nalaat voldoende mede te werken om aanpassing aan zijn ziekte of
gebrek te verkrijgen;
d. indien de belanghebbende de
controlevoorschriften, bedoeld in artikel 27, of de verplichting, bedoeld in
artikel 55, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, niet of
niet behoorlijk is nagekomen dan wel de verplichting, bedoeld in
artikel 80, niet binnen de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
e. indien de belanghebbende zijn
arbeidsongeschiktheid opzettelijk heeft veroorzaakt;
f. indien belanghebbende zich niet
houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34, derde lid,
artikel
34a, eerste lid, of artikel 34a, vierde lid;
g.
indien de belanghebbende
zonder redelijke gronden niet meewerkt aan een scholing of
opleiding die door zijn werkgever of het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen uit
hoofde van de uitoefening van hun taak op grond van
artikel 658a, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek respectievelijk artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wenselijk wordt
geacht voor
zijn inschakeling in de arbeid;
h. indien de
belanghebbende zonder deugdelijke grond weigert of heeft geweigerd mee te werken aan door zijn
werkgever of door een door die werkgever aangewezen deskundige gegeven
redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om
de belanghebbende in staat te stellen passende arbeid te verrichten dan wel indien
bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid,
en bij de beoordeling als bedoeld in artikel 34a, eerste lid, blijkt dat de
belanghebbende zonder deugdelijke grond onvoldoende
reïntegratie-inspanningen heeft verricht. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt onder werkgever mede verstaan de
eigenrisicodrager,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet;
i. indien de
belanghebbende zonder redelijke gronden niet meewerkt aan het opstellen van de
reïntegratievisie, bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of het reïntegratieplan,
bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die
wet;
j. indien de
belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in de
reïntegratievisie,
bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de
Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, of in het reïntegratieplan, bedoeld in
artikel 30a,
derde lid, van die wet, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
k. indien de
belanghebbende die bij deelname aan een reïntegratietraject zijn
reïntegratieverplichtingen niet naleeft, de reden daarvan niet onmiddellijk aan het
reïntegratiebedrijf heeft medegedeeld.
Art.
29.
[Afstemming maatregel op ernst gedraging]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis + bis;
Stb. 1997,
789; Stb.
1998, 742 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis
+ bis; Stb.
2001, 628; Stb. 2007, 305;
Stb. 2009, 265]
-1. Een maatregel als bedoeld in
artikel 25 of 28 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate
waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen
van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een
maatregel als bedoeld in artikel 28 en volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet
tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 80,
indien het niet tijdig nakomen van de verplichting niet heeft geleid tot
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, of
ter zake van het zich niet houden aan de voorschriften, bedoeld in artikel
34, derde lid, of in artikel 34a, eerste
lid, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting of het zich niet
houden aan de voorschriften plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een
zodanige waarschuwing is gegeven. [BmU] [Bw]
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-4. Het opleggen van een maatregel blijft
achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 29a wordt opgelegd.
-5. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste
lid.
[Mszw]
[MT] [MU]
Art.
29a.
[Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
| Schriftelijke waarschuwing | Reformatio in peius] [Babw]
[Bbw10] [Bbwn]
[Geschiedenis:
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis + bis
+ bis; Stb. 1997,
789 + bis; Stb.
1998, 742 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 481; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2005, 708; Stb. 2009, 265;
Stb.
2012, 462]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste
het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de
belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichtingen, bedoeld in artikel 80. De bestuurlijke boete is niet
lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden opgelegd
indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
80,
ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger van
de verplichting, bedoeld in artikel 80, niet heeft geleid tot een
benadelingsbedrag, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede
categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen
door de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 80, tenzij het niet of niet behoorlijk
nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar
te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige
waarschuwing is gegeven. [Bw]
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet
of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichtingen, bedoeld in artikel
80, als
gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is
ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien
binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan
van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke
sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit
eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
-6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld
in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting, bedoeld in de artikelen 80 van deze wet, 25 van de
Werkloosheidswet, 12 van de
Toeslagenwet, 12, eerste lid, van de
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 31, eerste lid,¹ of
49 van de Ziektewet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan
uitkering, ziekengeld of toeslag is verleend.
-7. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de belanghebbende of
zijn wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf.
-8. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-11. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijk boete is opgelegd.
-12. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijk boete is vastgesteld ook ten nadele van de
belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
1. Volgens de redactie
dient ", 31, eerste
lid" te worden vervangen door: of 31, eerste
lid.
Art.
29b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; Stb. 1997,
789; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
29c. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; Stb. 1997,
789; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis + bis;
Stb.
2005, 710 + bis + bis;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
Art.
29d. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96; Stb. 1997,
789; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
29e. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96; Stb. 1997,
789; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
29f. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb 1996, 248; Stb. 1997,
789; versie
1 januari 1999; Stb. 2009,
265; Stb.
2012, 462]
Art.
29g.
[Invordering bestuurlijke boete] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 690; Stb
1996, 248; Stb. 1997,
96 + bis; Stb. 1997,
789; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 742 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625 + bis; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 717;
Stb.
2005, 710 + bis + bis;
Stb. 2006, 703; Stb.
2009, 265; Stb. 2009, 390; Stb. 2009, 282;
Stb.
2009, 318; Stb.
2009, 580; Stb. 2011, 645;
Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 462]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een
uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet,
de Ziektewet, de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet
arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet,
die de degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale
verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is
opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Wet werk en bijstand, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze
bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking
van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene
aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel
29a, negende lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete
voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Art. 29h.
[Verrekening
bestuurlijke boete bij recidive] [Geschiedenis:
Stb.
2005, 573; Stb. 2009, 265;
Stb.
2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel
29g, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel
29a,
vijfde lid, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in
afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar
vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
opgelegd.
-2. Artikel 29g, eerste lid, en het eerste
lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de
bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel 29a, zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening,
bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet
is betaald.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op verzoek van de overtreder besluiten het
eerste en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet
op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de
verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel 29g, eerste
lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening,
bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij
ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze
wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van
kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden
gesteld van de leefsituatie.
Art.
29i.
[In kennis stellen re-integratiebedrijf
sanctieoplegging] [Geschiedenis:
Stb.
2005, 573; Stb. 2009, 265;
Stb.
2012, 462]
Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de verzekerde de uitkering op grond van
deze wet tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk heeft
geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die
verzekerde werkzaamheden gericht op vergroting van de mogelijkheden tot
het verrichten van arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die
beschikking in kennis voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de
werkzaamheden door het reïntegratiebedrijf.
Art.
30.
[Buiten aanmerking laten arbeidsongeschiktheid]
[BbalaWWW] [Bsoihu06]
[Rsohiu] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1998, 412; Stb. 1998, 742;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende
aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten:
[Bbala]
a. algehele arbeidsongeschiktheid
welke bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid welke binnen
een halfjaar na het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, is
ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de
aanvang van zijn verzekering het intreden van
arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen
verwachten.
-2. Het eerste lid blijft buiten
toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk voorafgaande aan het
tijdstip waarop
de verzekering een aanvang nam ononderbroken onbetaald verlof,
tot een maximum van achttien maanden, heeft genoten, behoudens voor
zover het betreft arbeidsongeschiktheid
in de zin van het eerste lid die
bestond op de dag voorafgaande aan de eerste dag van dit verlof. Als
ononderbroken onbetaald verlof wordt aangemerkt perioden van
onbetaald verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
-3. De in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde bevoegdheid strekt zich mede uit tot toeneming van de
arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde
oorzaak als de arbeidsongeschiktheid welke binnen een halfjaar na de aanvang van de verzekering is
ingetreden.
-4. Het bepaalde in het eerste lid,
onderdeel b, blijft buiten toepassing ten aanzien van degene die onmiddellijk
voorafgaande aan het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, in
verband met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel a of
b, niet
verzekerd was.
-5. Onze Minister
kan met betrekking
tot de bij dit artikel aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen gegeven bevoegdheid nadere regelen stellen.
Art.
30a. [Niet meewerken aan medisch onderzoek
vóór recht op uitkering] [Geschiedenis:
Stb. 2006, 703]
Indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van deze
wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een uitkering
op grond van deze wet, naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een medisch onderzoek nodig is en de betrokkene
niet meewerkt aan dat onderzoek, blijven eventuele uit deze wet
voortvloeiende aanspraken op een uitkering op grond van deze wet buiten
aanmerking, voor zolang het recht op uitkering niet kan worden
vastgesteld.
Art.
31. [Gevolgen buiten aanmerking laten
arbeidsongeschiktheid] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb. 2006, 703]
Zolang het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ingevolge de artikelen
25, 28, 30 en 30a
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat, vindt artikel
18, tweede lid,
overeenkomstige toepassing met betrekking tot de door de betrokkene aan deze wet
nog te
ontlenen aanspraken, met dien verstande dat voor de aanvang van de verzekering
in de plaats treedt het tijdstip met ingang waarvan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking laat.
Art. 32. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
Art.
33. [Buiten aanmerking laten
arbeidsongeschiktheid ingetreden tijdens ontheffing wegens
gemoedsbezwaren] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
-1. Met betrekking tot uit deze wet
voortvloeiende aanspraken wordt buiten aanmerking gelaten
arbeidsongeschiktheid welke is ingetreden tijdens een periode gedurende welke de
verzekerde op
grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen
ontheffing was verleend van verplichtingen op grond van deze wet.
-2. Artikel 30, tweede lid, en
artikel
31 zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 2.
Toekenning, ingang, herziening,
intrekking, heropening en betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art.
34.
[Aanvraag uitkering | Eenmalige herbeoordeling] [BewuWWW99]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1995, 250; Stb.
1995, 691; Stb. 1997, 96 + bis
+ bis + bis
+ bis; Stb.
1997, 175; Stb. 1997,
789; Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 627 + bis;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb.
2001, 628; Stb. 2003, 544
+ bis; Stb.
2003, 555; Stb. 2004, 416
+ bis;
Stb. 2005, 624; Stb.
2007, 567]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt op aanvraag toegekend.
-2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt de
belanghebbende van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag
schriftelijk in kennis uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop de
wachttijd van 104 weken, bedoeld in artikel 19,
eerste lid, verstrijkt.
-3. De belanghebbende die in
aanmerking wenst te komen voor toekenning van de
uitkering
dient zijn aanvraag te doen binnen 21 maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid. Indien de wachttijd, bedoeld in
artikel 19, eerste lid, is verlengd op grond van het zevende lid van dat
artikel, wordt de aanvraag voor de toekenning van de uitkering, in afwijking
van de eerste zin, uiterlijk dertien weken vóór het verstrijken van de door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde verlengde
wachttijd gedaan.
-4. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt ten aanzien van
personen die na 1 juli 1954 zijn geboren, op een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur bepaald tijdstip door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er in verband met
wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor
herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.¹ Het
tijdstip kan voor verschillende groepen van personen verschillend worden
vastgesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat
de eerste zin niet van toepassing is op bepaalde groepen van personen. [Beha]
-5. Ten aanzien van personen die na 1 juli
1954 maar vóór 2 juli 1959 zijn geboren en die vóór 22 februari 2007
op grond van het vierde lid zijn herbeoordeeld, wordt door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bezien of er per 22
februari 2007 in verband met een wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid gronden zijn voor herziening, heropening of
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De eerste zin is niet
van toepassing op personen die op 22 februari 2007 reeds in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld.
-6. Op grond van de beoordeling, bedoeld in
het vijfde lid, wordt de mate van arbeidsongeschiktheid van de persoon,
bedoeld in het vijfde lid, die niet heeft verzocht om een nieuwe
medische beoordeling, niet lager vastgesteld dan de mate van
arbeidsongeschiktheid die voor die persoon gold op 21 februari 2007.
-7. Een aanvraag wordt geacht tijdig te
zijn ingediend indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de
kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien
bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen vier
weken
nadat deze kennisgeving is ontvangen.
-8. Indien de toepassing van het derde
lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd de uitkering ambtshalve toe te kennen.
-9. Indien de wachttijd,
bedoeld in artikel 19, eerste lid, is verlengd op grond van het zevende lid
van dat artikel, besluit het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de
aanvraag, bedoeld in het derde lid, niet te behandelen indien deze
is ingediend vóór het verzoek tot de verlenging.
1. Zie ook Tijdelijke regeling
inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten, red.
Art.
34a.
[Aanvraag met re-integratieverslag | Termijn
nieuwe aanvraag]
[Geschiedenis:
Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628;
Stb.
2002, 584; Stb.
2005, 37; Stb. 2004, 731; Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710 + bis; Stb.
2008, 414]
-1. De aanvraag voor de
toekenning van de uitkering gaat vergezeld van een reïntegratieverslag
als bedoeld in artikel 71a. De eerste volzin is niet van toepassing
voor zover artikel 71b, eerste lid, toepassing vindt. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen beoordeelt of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel
h,
van de Ziektewet en de personen, bedoeld in
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van
die wet, die laatstelijk tot
hem in dienstbetrekking stonden,
in redelijkheid
hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen die zijn verricht.
[Bbp] [Bvhr] [Bvlp]
-2. Indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen toepassing heeft gegeven aan
artikel
71a,
negende lid, of artikel
71b, derde lid,
tweede zin, wijst het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de aanvraag
af.
-3. Bij de bekendmaking
van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, maakt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen melding van de mogelijkheid tot het doen
van een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de uitkering alsmede
van de termijn binnen welke die aanvraag wordt gedaan.
-4. De termijn waarbinnen
de belanghebbende een nieuwe aanvraag voor de toekenning van de
uitkering doet, is:
a. uiterlijk dertien
weken vóór het verstrijken van het tijdvak waarover de werkgever op grond van
artikel 629, elfde lid, onderdeel d, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is het loon te betalen dan wel op
grond van artikel 76a, zesde lid,
onderdeel c, van de Ziektewet
verplicht
is bezoldiging te betalen;
b. zo spoedig mogelijk,
indien het tijdvak waarover de werkgever op grond van artikel 629,
elfde lid, onderdeel d, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is
het
loon te betalen dan wel op grond van artikel 76a, zesde lid,
onderdeel c, van de Ziektewet
verplicht is bezoldiging
te betalen, minder bedraagt dan dertien weken of indien de werkgever
vóór het verstrijken van dat tijdvak geen loon meer verschuldigd is;
c. uiterlijk dertien
weken vóór het verstrijken van het tijdvak waarover de eigenrisicodrager,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet, op grond van
artikel 29, negende lid, van die wet verplicht is het ziekengeld te
betalen;
d. zo spoedig mogelijk,
indien het tijdvak waarover de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel
1,
eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet, op grond van
artikel 29,
negende lid, van die wet verplicht is het ziekengeld te betalen, minder bedraagt
dan dertien weken.
Art. 35.
[Ingangsdatum uitkering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
gaat in op de dag met ingang van welke de belanghebbende aan de
vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet.
-2. In afwijking van het bepaalde in
het vorige lid kan de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan
één jaar
vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan voor bijzondere gevallen van het
bepaalde in de vorige volzin afwijken.
Art.
36.
[Herziening uitkering]
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 96 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 416
+ bis]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt herzien wanneer degene aan wie zij is toegekend, ingevolge het
bij of krachtens deze wet bepaalde voor een hogere of lagere uitkering in
aanmerking komt.
-2. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaats met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 37 tot en met
40.
Art.
36a. [Herziening of intrekking
toekenningsbeschikking] [BewuWWW99]
[Bhiu] [Bsoihu06]
[Rsohiu] [Geschiedenis:
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 625;
Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710 + bis; Stb.
2009, 589]
-1. Onverminderd het elders in deze wet
bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een beschikking tot
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering en ter zake van weigering van
een
zodanige uitkering, herziet het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een dergelijke beschikking of trekt
hij die in:
a. ter uitvoering van een beschikking als
bedoeld in artikel 30;
b. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 25,
28 of 80 heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
uitkering;
c. indien anderszins de uitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
d. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 25,
28 of 80 ertoe
leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van herziening of intrekking
als bedoeld in het eerste lid
af te zien.
-3. Een beschikking tot
toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel 65c
of van inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 65d
wordt ingetrokken of herzien indien onderscheidenlijk de
loonsuppletie, de inkomenssuppletie of de voorziening ten onrechte of tot een
te hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
36b.
[Tijdstip intrekking of verlaging uitkering na
bezwaar of beroep werkgever] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 573]
-1. De intrekking of verlaging van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering die voortvloeit uit het door de werkgever
ingesteld bezwaar of beroep vindt niet eerder plaats dan zes weken na de
dag waarop de beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de
uitspraak is gedaan. De eerste zin is van overeenkomstige toepassing in
geval van intrekking van het bezwaar of beroep omdat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen geheel of gedeeltelijk is tegemoet gekomen
aan het bezwaar of beroep van de werkgever.
-2. Het eerste lid geldt niet indien
de uitkering door eigen schuld of toedoen van de verzekerde ten onrechte of tot
een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
37. [Herziening na 104 weken wachttijd bij
toegenomen arbeidsongeschiktheid] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV, TZ);
Stb. 1995, 560; Stb.
1997, 175; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2003, 544;
Stb. 2003, 555; Stb.
2005, 65; Stb.
2005, 573; Stb. 2006, 703]
-1. Ter zake van toeneming van
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de
artikelen 39 en
39a,
plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.
-2. De in het eerste lid
bedoelde herziening vindt niet plaats indien de uitkeringsgerechtigde bij
het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond
van artikel 7b als werknemer wordt beschouwd en de toeneming
kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit
de ongeschiktheid ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, is
voortgekomen.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak
van 104 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid
samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap
of bevalling op grond van artikel 3:7,
eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van 104 weken blijven perioden
waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, buiten beschouwing.
Art.
38. [Herziening na vier weken wachttijd bij
toegenomen arbeidsongeschiktheid] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 175; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2005, 65]
-1. Ter zake van toeneming van
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, onverminderd
artikel 39, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid
onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45%, doch minder dan
80%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is
herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, doch binnen vier
weken na de dag met ingang waarvan die uitkering is herzien de arbeidsongeschiktheid weer toeneemt, is het eerste lid van toepassing, onder afwijking van
artikel 37.
-3. Voor het bepalen van het tijdvak
van vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering
in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
Art.
39.
[Herziening zonder wachttijd bij toegenomen
arbeidsongeschiktheid] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV); Stb. 1995, 691; versie 1 januari 1999;
Stb. 2007, 567; Stb.
2010, 867]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de toeneming van de arbeidsongeschiktheid intreedt,
indien deze intreedt:
a. binnen vier weken na de dag met
ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend;
b. binnen vier weken na de dag met
ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering reeds eerder wegens
toegenomen arbeidsongeschiktheid werd herzien;
c. binnen vier weken na de dag met
ingang van welke de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke voordien
was berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, wegens afneming van
de arbeidsongeschiktheid is herzien naar
een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
d. binnen een door Onze Minister
aan
te geven termijn in door Onze Minister aan te wijzen gevallen. [Rhaw]
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend, onderscheidenlijk eerder wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid werd herzien, met toepassing van artikel
35, tweede
lid, onderscheidenlijk artikel 42, tweede lid, geldt met betrekking tot
het bepaalde in het vorige lid, onderdeel a en b, als dag met ingang van welke
de arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend onderscheidenlijk
herzien de dag met ingang van welke die uitkering zou zijn
toegekend onderscheidenlijk herzien indien artikel 35, tweede lid,
onderscheidenlijk artikel 42, tweede lid, geen toepassing zou hebben gevonden.
-3. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een herbeoordeling als
bedoeld in artikel 34, vijfde lid, plaats met ingang
van 22 februari 2007.
-4. Onze Minister is bevoegd regels te
stellen voor gevallen waarbij direct herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering plaatsvindt. Ingevolge deze regels kan
bedoelde herziening slechts plaatsvinden ten behoeve van degene die bij
hervatting van de arbeid inkomen geniet dat minder bedraagt dan
evenredig is aan zijn nog bestaande arbeidsgeschiktheid.
Art.
39a.
[Herziening na vier weken wachttijd bij toegenomen
arbeidsongeschiktheid met dezelfde oorzaak] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 560; Stb.
1997, 175; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2005, 65;
Stb. 2007, 567]
-1. Ter zake van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning
of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit
dezelfde oorzaak
als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra de
toegenomen arbeidsongeschiktheid
onafgebroken vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van de periode van
vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid
samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking
van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering
in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
-3. Dit artikel vindt geen toepassing
indien recht bestaat op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van artikel 38 of 39, eerste lid, onderdeel a tot en met c,
of derde lid.
Art.
39b. [Samenloop met ZW] [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
Indien als gevolg van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid zowel
recht op herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat of is
ontstaan op grond van de artikelen 38, 39
of 39a als op ziekengeld op grond van de Ziektewet,
wordt het bedrag waarmee de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of wordt
verhoogd uitbetaald voor zover dit het ziekengeld overtreft, dan wel zou
overtreffen, indien het ziekengeld op grond van artikel
45 van de Ziektewet geheel of gedeeltelijk
is geweigerd.
Art.
40. [Vaststelling hoger dagloon of
toekenning loondervingsuitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV, TBA,
TZ); Stb. 1995, 691 + bis;
Stb. 1996, 134; Stb. 1997,
789 + bis; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2003, 555; Stb. 2004, 311;
Stb.
2005, 573; Stb. 2005, 708;
Stb.
2012, 657]
-1. Indien ter zake van toeneming van
de arbeidsongeschiktheid herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
alsmede toekenning van ziekengeld krachtens de Ziektewet heeft plaatsgevonden dan wel
loondoorbetaling
heeft plaatsgevonden op grond van
artikel 629, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of betaling van bezoldiging op grond van
artikel
76a, eerste lid,
van de Ziektewet, wordt met ingang van de dag na
beëindiging van het ziekengeld op grond van artikel
29, vijfde lid, van
de Ziektewet dan wel na afloop van het in artikel 629, eerste lid, van
Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek of in artikel
76a, eerste lid,
van de Ziektewet
bedoelde tijdvak van 104 weken het dagloon
opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel
14, mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk
ontvangen
loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt in artikel 14, eerste lid, in plaats van de woorden
"voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is
ingetreden" gelezen: voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de
arbeidsongeschiktheid is toegenomen.
-3. In geval van herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid
tijdens het ontvangen van een vervolguitkering wordt, met
inachtneming van de tweede tot en met vierde volzin van dit lid, met ingang
van de dag waarop het recht op die herziening bestaat, een loondervingsuitkering toegekend. Voor de duur
van die loondervingsuitkering is, in
afwijking van artikel 21a, de leeftijd van de betrokkene op de dag van ingang
van de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepalend. Toekenning van een
loondervingsuitkering is slechts mogelijk indien de
betrokkene bij de toeneming van de arbeidsongeschiktheid ter zake
van het verrichten van werkzaamheden op grond van deze wet verzekerd was en
de duur van die uitkering langer is dan de duur van de
loondervingsuitkering waarop
recht bestond onmiddellijk voorafgaande aan de datum van ingang van de vervolguitkering.
De duur van de
toe te kennen loondervingsuitkering wordt verminderd met de duur van de
laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering. Tijdens de duur van die loondervingsuitkering bestaat
geen recht op vervolguitkering.
-4. Na afloop van de in het derde lid
bedoelde loondervingsuitkering geldt voor de berekening van het
vervolgdagloon, in afwijking van artikel 21b, derde lid, een percentage van
tweemaal
het aantal verstreken jaren tussen het 15de jaar en de leeftijd van de betrokkene op de dag van ingang van
de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. Bij ministeriële regeling kunnen
met betrekking tot dit artikel nadere regels worden
gesteld. [Nra40WaW]
Art.
41.
[Verhoging uitkering op aanvraag of ambtshalve]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997,
789 + bis; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2003, 555; Stb.
2005, 573]
-1. Verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt op aanvraag of ambtshalve plaats.
-2. Verhoging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt in
elk geval ambtshalve plaats indien de betrokkene aansluitend aan
de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet dan wel na
afloop van het in artikel 629, eerste lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of in artikel
76a, eerste lid,
van de Ziektewet
bedoelde tijdvak van 104 weken in aanmerking komt voor een hogere
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art.
42.
[Ingangsdatum herziening uitkering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV); versie 1 januari 1999;
Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867]
-1. De herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag met ingang van welke de
belanghebbende ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde voor een
hogere of lagere uitkering in aanmerking komt.
-2. Met betrekking tot de herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering welke een verhoging van die uitkering
tot gevolg heeft, is het bepaalde in artikel 35, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
-3. De herziening van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van afneming van de arbeidsongeschiktheid
gaat in op de dag welke in de beschikking wordt genoemd als de dag
waarop de arbeidsongeschiktheid was afgenomen.
-4. Indien herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide scholing of
opleiding, gaat deze herziening niet eerder in dan één jaar na voltooiing van
die scholing of opleiding.
Art.
43. [Intrekking uitkering bij
arbeidsongeschiktheid beneden 15%, na opleiding of scholing en bij
detentie] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV); Stb. 1995, 560; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 595 + bis;
Stb. 2003, 544; Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt ingetrokken wanneer de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden 15% is
gedaald.
-2. De intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat in op de dag welke in de beschikking wordt genoemd
als de dag waarop de arbeidsongeschiktheid was geëindigd of beneden 15%
was
gedaald.
-3. Indien intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdt met een voltooide opleiding of
scholing, is artikel 42, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
-4. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
van degene die deelneemt aan een opleiding of scholing wordt gedurende
deze opleiding of scholing niet ingetrokken of herzien in verband met
een daaruit voortvloeiende afname van de arbeidsongeschiktheid. Indien de belanghebbende tijdens
de opleiding of scholing inkomen verwerft, is
artikel 44, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
-5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt ingetrokken indien degene die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze
vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-6. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt ingetrokken indien degene die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging
van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.
-7. Voor de verzekerde die op de dag
voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het zesde lid eindigt het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het vijfde
lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat.
-8. Voor de toepassing van het vijfde
lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een
onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
Art.
43a. [Toekenning uitkering na vier weken
wachttijd bij hernieuwde arbeidsongeschiktheid met dezelfde oorzaak
binnen vijf jaar] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 560; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 175;
Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
595; Stb. 2001, 568;
Stb. 2001, 628; Stb.
2003, 544; Stb. 2005, 65;
Stb.
2009, 580; Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867]
-1. Indien degene:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van
arbeidsongeschiktheid
op grond van artikel 43, eerste lid,
is ingetrokken; of
b. die aan het einde van de in artikel 19 bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van
zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt
was;
binnen vijf jaar na de datum van die
intrekking dan wel binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die
wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die
waaruit de arbeidsongeschiktheid ter
zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten dan wel als die op grond
waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid
wegens ziekte of gebreken, vindt toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken
vier weken heeft geduurd.
-2. Voor het bepalen van de periode van
vier weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van
arbeidsongeschiktheid samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
aansluiten op een periode waarin uitkering
in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van de eerstgenoemde periode van vier
weken blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van
artikel 3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten
beschouwing.
-3. In de gevallen waarin artikel
20 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen onderscheidenlijk artikel
3:21 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten geen toepassing vindt omdat artikel
29b van de Ziektewet toepassing kan
vinden, wordt het aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag
te leggen dagloon niet lager gesteld dan 108/100 maal de grondslag die
voor de berekening van de laatstelijk ontvangen
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk de
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten in aanmerking werd
genomen, dan wel 108/100 maal de grondslag die in aanmerking zou zijn
genomen indien na het einde van de wachttijd, bedoeld in artikel
7, eerste lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen onderscheidenlijk artikel
3:3, eerste lid, van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, recht zou hebben bestaan op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een laatstbedoelde wet,
zoals die sinds de beëindiging van die uitkering onderscheidenlijk
sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel
8 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen onderscheidenlijk artikel
3:7 van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten zou zijn herzien.
-4. Dit artikel vindt geen toepassing
indien op grond van artikel 47 aanspraak bestaat op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. De artikelen 19a
en 19b en de daarop berustende
bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
-6. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit artikel wordt toegekend
en tevens recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet
bestaat, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover
deze het ziekengeld overtreft, dan wel zou overtreffen, indien het
ziekengeld op grond van artikel 45 van de Ziektewet
geheel of gedeeltelijk is geweigerd.
Art.
43b.
[Intrekking uitkering bij niet meer wonen in
Nederland] [Geschiedenis:
Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 768; Stb. 1997,
789; Stb. 1998, 742;
versie 1 januari 1999; Stb.
1999, 250 + bis + bis;
Stb. 1999, 594 + bis;
Stb.
2003, 524]
-1.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien de verzekerde niet meer in
Nederland woont.
-2. Artikel 20, tweede,
vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. [Breu]
[RaoB02]
Art.
43c. [Hoogte dagloon bij hernieuwde
arbeidsongeschiktheid met dezelfde oorzaak binnen vijf jaar]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 768; Stb. 1997,
789; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
250; Stb. 2001, 628;
Stb. 2011, 618]
In de gevallen waarin artikel
43a toepassing vindt, wordt het aan
de toe te kennen arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag te leggen
dagloon niet
lager gesteld dan het dagloon dat voor de berekening van de
laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering in aanmerking werd genomen, dan wel
het dagloon dat in aanmerking zou zijn genomen indien na het einde
van de in artikel 19 bedoelde wachttijd recht zou hebben bestaan op
een loondervingsuitkering zoals dat sinds de beëindiging van de uitkering
onderscheidenlijk sinds het einde van die wachttijd op grond van artikel 15
zou zijn herzien.
Art.
43d. [Geen uitkering bij verlengde
loondoorbetalingsplicht] [Geschiedenis:
Stb. 1997,
789; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 1999, 250;
Stb.
2001, 628; Stb. 2002, 584;
Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703;
Stb. 2008, 414]
De arbeidsongeschiktheidsuitkering,
onderscheidenlijk de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in
geval van herziening van die uitkering op grond van de artikelen
37, 38, 39 en
39a, wordt niet uitbetaald gedurende het verlengde tijdvak waarin recht bestaat
op ziekengeld op grond van artikel 29,
negende lid,¹ van de Ziektewet, op loon op grond van artikel 629, elfde lid, onderdeel
d, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel op bezoldiging op grond van artikel 76a, zesde lid, van de
Ziektewet.
1. Volgens de redactie dient
"negende lid" te worden vervangen door: tiende lid.
Art.
44.
[Inkomen tijdens uitkering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV, TBA); Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 175; Stb. 1997, 465;
Stb. 1997,
789; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005, 525; Stb.
2005, 573; Stb. 2006, 703;
Stb. 2008, 603; Stb.
2009, 318; Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 544]
-1.
Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid
gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als
arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt
de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch
wordt de uitkering: [Buaia]
a. niet uitbetaald indien het
inkomen zodanig is dat als die arbeid wel de in artikel 18,
vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of
b. indien het bepaalde onder a
niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien
die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde
arbeid zou zijn.
Na afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid
aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18,
vijfde lid.
-2. Het in het eerste lid genoemde tijdvak
van vijf jaar vangt aan op de eerste dag waarop arbeid wordt verricht,
waarbij een nieuw tijdvak als bedoeld in het eerste lid aanvangt indien
diegene andere arbeid gaat verrichten.
-3. Indien op de laatste dag van het in het
eerste lid genoemde tijdvak van vijf jaar inkomen wordt genoten, maar
geen arbeid wordt verricht, wordt dit tijdvak verlengd tot en met de
laatste dag waarop dat inkomen wordt genoten.
-4. Indien degene die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomen geniet dat bestaat uit loon
ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de hoofdstukken
2 en 3 van de Wet
sociale werkvoorziening, is het eerste lid voor onbeperkte duur van
toepassing.
-5. Onze Minister
kan bepalen dat het eerste lid voor onbeperkte duur toepassing vindt ten
aanzien van bepaalde groepen personen. [Rsai]
-6. Bij ministeriële regeling worden
regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. Deze regels hebben in
elk geval betrekking op de gevallen waarin het eerste lid buiten
toepassing blijft. [Rsai]
-7. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt verstaan.
Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat
gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van
gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in
aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Rarsipa] [Rsai]
Art. 44a. Vervallen.
[Geschiedenis:
(TAV); versie 1 januari 1999]
Art.
45.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV, TBA); versie 1 januari 1999]
Art.
46.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV); Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 175; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628]
Art.
46a.
Vervallen. [Geschiedenis:
(TBA); Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 178; versie
1 januari 1999]
Art.
46b.
Vervallen. [Geschiedenis:
versie
1 januari 1999]
Art.
47.
[Heropening uitkering bij hernieuwde
arbeidsongeschiktheid binnen vier weken] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb. 1997,
789; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
595; Stb. 2007, 567;
Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867]
-1.
Degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
45%, in verband met het bepaalde in artikel 43, eerste lid, is
ingetrokken, heeft, indien hij binnen vier weken na de dag met ingang van welke de
uitkering is ingetrokken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Het bepaalde in het vorige lid is
mede van toepassing met betrekking tot degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, in verband met het
bepaalde in artikel 43, eerste lid, is ingetrokken, indien hij weer arbeidsongeschikt wordt binnen
vier weken na de
dag
met
ingang van welke die uitkering, welke voordien was berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, wegens afneming van de
arbeidsongeschiktheid is herzien naar een arbeidsongeschiktheid van
minder dan 45%.
-3. Degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan
45%, in verband met het bepaalde in artikel 43, eerste lid, is
ingetrokken met ingang van een dag die gelegen is binnen vier weken na de
dag met ingang waarvan die uitkering werd toegekend of wegens toegenomen
arbeidsongeschiktheid werd herzien, heeft, indien hij binnen
die periode van vier weken weer arbeidsongeschikt wordt, aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
39, tweede lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-4. Degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan
45%, in verband met het bepaalde in artikel 43, eerste lid, is
ingetrokken, heeft, onverminderd het bepaalde in het tweede en het derde lid, indien
hij binnen vier weken na de dag met ingang van welke de uitkering is
ingetrokken weer
arbeidsongeschikt wordt, niet kennelijk uit een
andere oorzaak dan die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake
waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten, is voortgekomen, aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-5. Ten aanzien van degene wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken in verband met artikel
43, eerste lid, en die weer arbeidsongeschikt is geworden op grond
van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 34,
vijfde lid, vindt heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
plaats met ingang van 22 februari 2007.
-6. De heropening gaat in op de dag
met ingang van welke de betrokkene weer arbeidsongeschikt is geworden en
vindt plaats naar de mate van arbeidsongeschiktheid op die dag.
-7. Indien zowel recht bestaat of is
ontstaan op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van dit artikel als op ziekengeld op grond van de Ziektewet,
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald voor zover deze het
ziekengeld overtreft, dan wel zou overtreffen, indien het ziekengeld op
grond van artikel 45 van de Ziektewet
geheel of gedeeltelijk is geweigerd.
-8. De artikelen 17,
tweede lid,
19,
vierde lid, 19a, 19b
en de daarop berustende bepalingen, en ¹ 35, tweede lid, zijn
van overeenkomstige toepassing.
-9. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt op aanvraag of ambtshalve heropend.
1. Volgens de redactie dient
"19a, 19b en de daarop berustende bepalingen, en"
te worden vervangen door: 19a en 19b
en de daarop berustende bepalingen en.
Art.
47a.
[Heropening uitkering na niet meer wonen in
buitenland] [Geschiedenis:
Stb. 1998, 742; Stb. 1999, 250 + bis;
Stb. 1999, 594 + bis;
Stb.
2003, 524; Stb. 2007, 567]
-1. De
persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43b, eerste lid, is ingetrokken, heeft
vanaf de dag:
a. dat hij in Nederland woont; of
b. waarop een verdrag in werking is
getreden dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie van
kracht is geworden in het land waar betrokkene woont, op grond
waarvan recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan;
met inachtneming van de
bepalingen van de wet aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de persoon,
bedoeld in het
eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch
ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop
van dat tijdvak.
-3. De artikelen 19, vierde lid,
35 en 47, achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit
artikel.
Art.
47b.
[Heropening uitkering na detentie] [Geschiedenis:
Stb.
1999, 595; Stb. 2007, 567]
-1. De
persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, vijfde lid, is ingetrokken, heeft
vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld met inachtneming van de
bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de persoon,
bedoeld in het
eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch
ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na afloop
van dat tijdvak.
-3. De artikelen 19, vierde lid,
35, en 47, achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de
aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in dit artikel.
-4. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt. [Bevsz]
[Rjj]
Art.
47c. [Herleving uitkering na afloop
onttrekking aan vrijheidsontneming] [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
-1. De persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43,
zesde lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij zich niet langer
onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel met inachtneming van de bepalingen van deze
wet aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op heropening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de persoon, bedoeld in
het eerste lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt
is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is binnen vier weken na
afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 19,
vierde lid, 35 en 47, achtste lid,
zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit
artikel.
Art.
48.
[Heropende uitkering als voortzetting ingetrokken
uitkering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1995, 691 + bis;
Stb. 1997, 96; Stb. 1997,
789; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt heropend door het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. De heropende
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beschouwd als een voortzetting van de ingetrokken
uitkering. Voor de toepassing van de artikelen 38, derde lid,
39, eerste
lid, onderdeel c, en 39a wordt daarbij met herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens
afneming van de arbeidsongeschiktheid gelijkgesteld intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. Voor de berekening van de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt als dagloon of
vervolgdagloon
beschouwd het dagloon of vervolgdagloon waarnaar de ingetrokken uitkering op
de dag van ingang van de heropende uitkering zou zijn berekend indien de uitkering niet was ingetrokken, tenzij hernieuwde
vaststelling van een dagloon overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens
artikel
14 en met inachtneming van artikel 15 tot een hoger dagloon of vervolgdagloon leidt, in welk geval de
heropende uitkering aan de hand van
dit dagloon of vervolgdagloon wordt berekend.
Art.
49.
[Eindiging uitkering bij bereiken 65-jarige
leeftijd] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2012, 2; Stb. 2012, 361]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
neemt een einde met ingang van de dag waarop de
betrokkene de pensioengerechtigde leeftijd,
bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, bereikt.
-2. Toekenning of heropening van
arbeidsongeschiktheidsuitkering vindt niet plaats indien de uitkering
onderscheidenlijk de heropening zou ingaan op of na de in het eerste lid bedoelde
dag.
Art.
50.
[Betaalbaarstelling uitkering] [BewuWWW99]
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis
+ bis + bis;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 465 + bis + bis
+ bis; Stb. 1997,
789 + bis; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 265;
Stb. 2010,
838]
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt betaalbaar gesteld door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. De betaling geschiedt als regel in termijnen van niet langer dan
één
maand.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schort de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op of
schorst het de betaling, indien het op
grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde
vermoeden heeft dat: [Rsohiu]
a. het recht op uitkering niet of niet
meer bestaat;
b. recht op een lagere uitkering
bestaat;
c. degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend of zijn wettelijke vertegenwoordiger
een verplichting als bedoeld in artikel 25, 28 of
80 niet of niet
behoorlijk is nagekomen.
-3. Indien de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het buitenland wordt uitbetaald,
geschiedt de betaling, in afwijking van artikel
4:89, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, op het tijdstip waarop de rekening van de daartoe
door de schuldeiser aangewezen bank wordt gecrediteerd.
-4. Wanneer degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend een ander machtigt om de uitkering in
ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een verleende machtiging intrekt,
wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van een betalingstermijn aanvangende na de dag waarop de machtiging wordt ingediend,
onderscheidenlijk waarop van haar intrekking mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste
dag van de tweede maand na de dag van
indiening onderscheidenlijk intrekking der machtiging.
-5. Onze Minister
kan regelen
vaststellen inzake de betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
door organen welke belast zijn met de uitbetaling van invaliditeitsuitkering of van pensioen uit anderen
hoofde dan ingevolge deze wet. [RbusaoSb]
[RPW]
[RS]
-6. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd om, onder door hem te stellen voorwaarden, op verzoek
van de in het vorige lid bedoelde organen, gelijktijdig met de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
invaliditeitsuitkeringen
of pensioenen, verschuldigd door die
organen, betaalbaar te stellen.
-7. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt regels omtrent de betaalbaarstelling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in gevallen waarin de verzekerde recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering over een periode waarover hij tevens een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet ontvangt.
-8. Indien een
reïntegratiebedrijf aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft gemeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat een
persoon aan wie een
uitkering op grond van deze wet is toegekend onvoldoende medewerking
verleent aan de op hem betrekking hebbende werkzaamheden van het
reïntegratiebedrijf, neemt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een beschikking omtrent de gehele of gedeeltelijke opschorting
of schorsing van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de
duur van ten hoogste acht weken.
-9. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt het reïntegratiebedrijf in
kennis van een beschikking tot opschorting of schorsing als bedoeld in het
achtste lid.
Art.
50a.
[Opschorting betaling uitkering bij onrechtmatig
verblijf in Nederland]
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789 + bis;
Stb. 1998, 203; versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 496; Stb.
2001, 625]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schort de betaling van een uitkering ingevolge deze wet op indien
degene aan wie uitkering is toegekend een vreemdeling is die niet rechtmatig
in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De betaling van een uitkering
ingevolge deze wet wordt hervat indien betrokkene daartoe een aanvraag indient en het
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is gebleken dat hij
feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt.
Art.
51.
[Betaling aan minderjarige] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Voor zover betreft het in ontvangst
nemen van een uitkering ingevolge deze wet en het verlenen van kwijting voor
de betaling daarvan, wordt een minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld.
Indien de wettelijke vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de
minderjarige schriftelijk verzet bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke vertegenwoordiger.
Art. 52. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999]
Art.
53.
[Overlijdensuitkering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1995, 691 + bis;
Stb. 1995, 696; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 175;
Stb. 1997, 773; Stb. 1997,
789 + bis + bis;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2010, 867; Stb. 2012, 2]
-1. Na het overlijden van
degene aan
wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, wordt met ingang van de
dag na het overlijden de arbeidsongeschiktheidsuitkering in de vorm van een
overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de
echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de
overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de
overledene in gezinsverband leefde.
-2. De overlijdensuitkering is gelijk
aan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering over één maand, doch niet over
de
zaterdagen en zondagen, berekend naar de hoogte van
die uitkering op de dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van degene
aan wie die arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend.
-3. In verband met het overlijden van
degene aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, is artikel
49, eerste
lid, niet van toepassing.
-4. De overlijdensuitkering wordt
ambtshalve of op
verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in het eerste
lid, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen uitbetaald.
-5. De overlijdensuitkering wordt in
een bedrag ineens uitbetaald.
-6. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
dat over na het overlijden gelegen dagen reeds is uitbetaald.
Art.
54.
[Betaling aan instellingen]
[BbzmC] [BbzmZ]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 478 + bis; Stb.
1997, 96 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 185; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 525; Stb. 2005, 530;
Stb. 2009, 265]
-1. Indien de degene aan
wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend aanspraak
heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die
zorg verschuldigd is, is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bevoegd de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot het bedrag van die
bijdrage in plaats van aan degene aan wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering
is toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet.
-2. Indien degene aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend in een inrichting ter verpleging van
geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de desbetreffende inrichting of
van het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente die de opnamekosten betaalt het verzoek ontvangt om de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die inrichting of die gemeente uit
te betalen, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd dat
verzoek zonder het stellen van andere voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid toepassing
vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid betrekking op het gedeelte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dat niet aan het College voor
zorgverzekeringen wordt uitbetaald.
-4. Een herziening van de uitkering op
grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de
verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art. 55. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1995, 696; versie
1 januari 1999]
Art.
56.
[Verjaringstermijn betaalbaarstelling]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
De termijnen van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering welke niet zijn ingevorderd binnen twee jaren na de dag der
betaalbaarstelling worden niet meer uitbetaald.
Art.
57.
[Terugvordering] [Bti]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TZ); Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96 + bis; Stb. 1997,
789; Stb.
1998, 278 + bis; Stb.
1998, 742 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710 + bis
+ bis + bis;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 589; Stb.
2012, 462]
-1. De uitkering, de
loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c,
en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede
hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van
verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie
wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog
heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen
heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b
en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 80.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a en
b,
genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering,
niet
te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 80.
-5. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd,
is verplicht desgevraagd aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te
verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister
kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het
terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag
niet te boven gaat. [Rtgb]
Art.
57a.
[Invordering bij dwangbevel]
[Geschiedenis:
Stb. 1995, 200; Stb
1996, 248; Stb. 1998, 278;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 265]
-1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
57, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Artikel 29g
is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie
jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art.
57b.
[Nadere regelgeving tenuitvoerlegging
onverschuldigde betaling] [Geschiedenis:
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96; Stb. 1998, 278;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald. [Bibobw]
[Rbttbot]
[Rtbbtob]
Art.
58.
[Schuldregeling] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
-1. In afwijking van artikel 57, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op verzoek van de belanghebbende of zijn
wettelijke vertegenwoordiger, besluiten gedeeltelijk van terugvordering
of gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien door medewerking
aan een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal
kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de
toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met
betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in het tweede lid bedoelde
vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet
tot stand zal komen;
c. de vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wegens onverschuldigde betaling ten minste zal
worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers
van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betrouwbaar voorstel voor een schuldregeling tot stand is gekomen
door tussenkomst van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 48
van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking aan een schuldregeling niet
concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de schuldregeling plaatsvindt
overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een vordering is
ontstaan door het niet nakomen door de belanghebbende van de
verplichting, bedoeld in artikel 80, en hiervoor een
boete als bedoeld in artikel 29a is opgelegd,
dan wel indien hiervoor aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van terugvordering of van verdere
terugvordering wordt ingetrokken of ten nadele van belanghebbende
gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt
een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen,
bedoeld in het eerste lid;
b. de belanghebbende zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;
of
c. onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking
van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben
geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel
nadere regels worden gesteld ten aanzien van de bevoegdheid om mee te
werken aan schuldregelingen.
Art.
59.
[Preferentie] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2008, 510; Stb. 2011, 618]
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 57
en 58 is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2A.
Vakantie-uitkering
Art.
59a.
[Recht op vakantie-uitkering] [Geschiedenis:
versie 1 januari 1999]
Degene die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering, heeft recht op een vakantie-uitkering.
Art.
59b.
[Hoogte en uitbetaling vakantie-uitkering]
[Geschiedenis:
(TBA); Stb. 1995, 691 + bis;
Stb. 1995, 696; versie 1 januari 1999;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 657]
-1. De
vakantie-uitkering bedraagt 8 procent van het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop recht bestond in de
periode van
twaalf maanden voorafgaande aan de maand
mei.
-2. Indien artikel 44 is toegepast,
wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in
het eerste lid verstaan het bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat artikel 44 is toegepast.
-3. De uitbetaling van de vakantie-uitkering vindt eenmaal per jaar
ambtshalve plaats in de maand mei.
-4. Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt het percentage van de in het
eerste lid bedoelde vakantie-uitkering, alsmede de noemer van de in
de artikelen 21, tweede lid, en 22 bedoelde breuk dienovereenkomstig
aangepast. Het gewijzigde percentage wordt in aanmerking genomen over de
uitkering waarop recht bestaat over de periode aanvangende
met de dag waarop de wijziging ingaat. Het aldus gewijzigde
percentage en de aldus gewijzigde noemer treden in de plaats van het in het
eerste lid genoemde percentage onderscheidenlijk de in de artikelen
21, tweede lid, en
22 genoemde noemer.
-5. De vakantie-uitkering wordt betaald
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-6. In afwijking van het derde lid vindt,
indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd en het niet
aannemelijk is dat binnen korte tijd wederom recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering zal ontstaan, uitbetaling van de
vakantie-uitkering plaats gelijktijdig met de uitbetaling van de laatste
termijn van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of zo spoedig mogelijk
daarna.
-7. Indien na de toepassing van het zesde
lid wederom recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat en
dientengevolge het derde lid of het zesde lid moet worden toegepast,
wordt daarbij rekening gehouden met hetgeen met toepassing van het zesde
lid reeds werd uitbetaald.
Art.
59c.
[Nadere regelgeving berekening vakantie-uitkering
bij samenloop] [Geschiedenis:
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 708; Stb.
2012, 657]
Onze Minister
kan nadere regelen stellen ter
berekening van de vakantie-uitkering van degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering met toepassing van het
bepaalde krachtens artikel 65 niet of niet ten
volle wordt uitbetaald en die naast de uitkering ingevolge de wetgeving van een andere
mogendheid eveneens
recht heeft op een vakantie-uitkering
ingevolge die wetgeving.
Art.
59d.
[Schakelbepaling] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 696; Stb
1996, 248; Stb. 1997,
175; versie
1 januari 1999]
Het bepaalde bij of krachtens de
artikelen 50, 53, 54, 56,
57 en 80 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
van de vakantie-uitkering voor zover bij of krachtens deze paragraaf niet
anders is bepaald.
Art.
59e.
[Nadere regelgeving] [Geschiedenis:
versie 1 januari 1999; Stb.
2012, 657]
Onze Minister
kan met betrekking tot
het bepaalde in deze paragraaf nadere regelen stellen.
[RaruvWW]
HOOFDSTUK
IIA
Garantieregeling
voor oudere arbeidsongeschikten, samenloop, verstrekkingen die
onvervreemdbaar zijn en verstrekkingen die niet vatbaar zijn voor beslag
Art. 60. Vervallen.
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 560; Stb.
1998, 290 + bis; versie
1 januari 1999]
Art.
61.
[Garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 560; Stb.
1998, 290; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
708; Stb.
2010, 867]
Indien een persoon die recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op of na de dag waarop hij de
leeftijd van 45 jaar heeft bereikt inkomen gaat
verdienen in verband waarmee zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt beëindigd, binnen vijf
jaar na
de datum van die beëindiging opnieuw recht
heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt het aan die uitkering ten
grondslag te leggen dagloon niet lager gesteld dan het
dagloon of vervolgdagloon dat voor de berekening van de laatstelijk
ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen, zoals dat
vanaf de beëindiging tot aan de datum van de in dit artikel bedoelde
toekenning op grond van artikel 15 van deze wet, al dan niet in verbinding
met artikel 14 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, zou zijn
herzien indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet was beëindigd.
Art. 62.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 560; Stb.
1995, 635; Stb 1996, 248;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 1997, 162 + bis;
Stb. 1997, 768; Stb.
1998, 290 + bis; versie
1 januari 1999]
Art.
63.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 560; Stb
1996, 248; Stb. 1997,
96 + bis + bis;
Stb.
1998, 290 + bis; versie 1 januari 1999]
Art.
64.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 560; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 175;
Stb.
1998, 290 + bis; versie 1 januari 1999]
Art.
65.
[Nadere regelgeving voorkoming of beperking
samenloop] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis; Stb.
1998, 290; versie
1 januari 1999; Stb. 2005,
708; Stb. 2010, 350]
-1. Bij
algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking
van samenloop van arbeidsongeschiktheidsuitkering met arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van andere wetten.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of beperking van samenloop
van arbeidsongeschiktheidsuitkering met uitkering op grond van de
sociale wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, de sociale
wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba of van een
andere mogendheid. [BvbsWWuswm]
Art.
65a.
[Onvervreemdbaarheid verstrekkingen] [Geschiedenis:
OvW;
MvT;
Stb. 1997, 17; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 290; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 573; Stb. 2009, 589]
-1. Onvervreemdbaar en
niet vatbaar voor verpanding en belening zijn:
a. de
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. de vakantie-uitkering;
c. de loonsuppletie,
bedoeld in artikel 65c;
d. de inkomenssuppletie,
bedoeld in artikel 65d.
-2. Volmacht tot ontvangst van een
uitkering onder welke vorm of benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.
Art.
65b.
[Niet voor beslag vatbare verstrekkingen]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 573; Stb. 2009, 589]
Niet vatbaar voor beslag zijn:
a. de verhoging, bedoeld in artikel 22;
b. de overlijdensuitkering, bedoeld in
artikel 53.
HOOFDSTUK
IIB
Reïntegratie-instrumenten
Art.
65c.
[Loonsuppletie] [Bli]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 573]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de verzekerde die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid in
dienstbetrekking aanvaardt of verricht, op aanvraag loonsuppletie
toekennen indien zijn
loon lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De loonsuppletie wordt
verstrekt over perioden waarin loon uit dienstbetrekking wordt
ontvangen, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen
vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal loonsuppletie is
toegekend.
-3. Als perioden waarin
loon uit dienstbetrekking wordt ontvangen als bedoeld in het tweede lid
worden eveneens aangemerkt perioden waarin een uitkering op grond
van de Ziektewet of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1,
van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen, tenzij de dienstbetrekking is
geëindigd.
-4. De loonsuppletie wordt
voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake
premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van deze wet.
-5. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
hoogte van de loonsuppletie. [Rb]
Art.
65d.
[Inkomenssuppletie] [Bli]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 573]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan aan de verzekerde die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die arbeid als zelfstandige
verricht of gaat verrichten, op aanvraag inkomenssuppletie toekennen indien zijn
inkomen uit het bedrijf of beroep lager is dan zijn resterende verdiencapaciteit.
-2. De inkomenssuppletie
wordt verstrekt over perioden waarin het bedrijf of beroep wordt
uitgeoefend, doch ten hoogste over een periode van vier jaar te rekenen
vanaf de dag met ingang waarvan voor de eerste maal inkomenssuppletie is
toegekend.
-3. De inkomenssuppletie
wordt voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake
premieheffing aangemerkt als een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
-4. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
hoogte van de inkomenssuppletie. [Rb]
Art.
65e. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 589]
Art.
65f.
[Recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling] [Geschiedenis:
Stb.
2005, 573]
De verzekerde die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling en, met inachtneming van de daarvoor geldende
wettelijke bepalingen, op de naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijk geachte voorziening
gericht op arbeidsinschakeling.
Art.
65g.
[Proefplaatsing] [Geschiedenis:
Stb.
2005, 573; Stb. 2006, 703;
Stb.
2012, 464]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de
verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering om op een proefplaats bij
een werkgever gedurende maximaal zes maanden onbeloonde
werkzaamheden te verrichten. [BpU13]
-2. Tijdens het verrichten
van werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien.
-3. De onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste lid zijn:
a. werkzaamheden waartoe
de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is;
b. werkzaamheden waarbij
de werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de verzekerde,
bedoeld in het eerste lid, heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de
verzekerde, bedoeld in het eerste lid, niet reeds eerder onbeloond op
een proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft
verricht; en
d. werkzaamheden waarbij
er, naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden
aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor
ten minste zes maanden.
-4. Indien de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt
de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de
toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van dit artikel.
Art.
65h.
[Nadere regelgeving re-integratie-instumenten]
[Geschiedenis:
Stb.
2005, 573; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 589]
Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
aanvraag van loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, van inkomenssuppletie,
bedoeld in artikel 65d, de termijn
waarbinnen die aanvraag wordt ingediend, alsmede omtrent de
rechtsgevolgen die aan overschrijding van die termijn zijn verbonden, en
met betrekking tot de aanvraag en van
toestemming als bedoeld in artikel 65g.
[Rr]
Art.
65i. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598; Stb.
2010, 867; Stb.
2011, 608]
Art.
65j. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598; Stb.
2011, 608]
Art.
65k.
[Onbeloonde additionele werkzaamheden] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en voor wie de kans op inschakeling in
het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar
is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten
verrichten gedurende maximaal twee jaar. Artikel
10a, tweede tot en met tiende lid, van de Wet
werk en bijstand is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
III
De
uitvoering der verzekering
§ 1.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Art.
66.
[Uitvoeringsinstelling] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV); Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 768; Stb. 1997,
789; Stb. 1998, 741 + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625 + bis; Stb.
2005, 573]
De verzekerde is verzekerd bij het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen. [RukvZW]
Art.
67.
[Aaneensluitende verzekeringen als één
verzekering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Voor de toepassing van deze wet gelden
aaneensluitende verzekeringen bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als één verzekering.
Art. 68.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625]
Art.
69.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Art.
70.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; Stb.
1998, 290; Stb. 1998, 742;
versie 1 januari 1999]
Art.
71. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV, TBA); Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2005, 525; Stb.
2005, 573; Stb.
2010, 867]
Art.
71a.
[Re-integratieverplichtingen en
loondoobetalingsplicht werkgever] [Bbp]
[Bmr97] [Geschiedenis:
(TAV, TZ);
Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 134 + bis + bis;
Stb. 1997, 96 + bis
+ bis; Stb. 1997,
789; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 481;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb.
2001, 628 + bis; Stb.
2001, 692; Stb. 2005, 202;
Stb.
2005, 573 + bis + bis;
Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 673]
-1. De werkgever jegens
wie de verzekerde, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
wegens ziekte, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond
van artikel 76a, eerste lid, van de
Ziektewet, houdt
aantekening van het verloop van de arbeidsongeschiktheid en
de reïntegratie van de verzekerde.
-2. De werkgever, bedoeld
in het eerste lid, stelt binnen een door Onze Minister
nader te bepalen
termijn, in overeenstemming met de verzekerde, een plan van aanpak op. De afspraken die in het plan van
aanpak zijn gemaakt,
worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt
periodiek geëvalueerd. [Rpetz]
-3. Uiterlijk twee weken
voordat de termijn is verstreken waarbinnen de belanghebbende op grond
van artikel 34, derde lid, eerste volzin, zijn aanvraag voor toekenning
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dient te doen, stelt de werkgever, bedoeld in het eerste lid, in overleg met de
verzekerde een reïntegratieverslag op en verstrekt de werkgever hiervan een afschrift aan de
verzekerde.
-4. Indien artikel 19,
zevende lid, toepassing heeft gevonden:
a. stelt de werkgever in
overleg met de verzekerde, indien hij nog geen reïntegratieverslag
heeft opgesteld, in afwijking van het derde lid, het reïntegratieverslag
uiterlijk veertien weken vóór het verstrijken van de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vastgestelde verlengde wachttijd, bedoeld in
artikel 19,
zevende lid, op en verstrekt een afschrift daarvan aan de verzekerde;
b. vult de werkgever in
overleg met de verzekerde, indien hij reeds een reïntegratieverslag
heeft opgesteld, dit reïntegratieverslag uiterlijk veertien weken vóór het verstrijken van de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
vastgestelde verlengde wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, aan en
verstrekt een afschrift daarvan aan de verzekerde, tenzij de verzekerde verzoekt dit, in verband met het doen van een aanvraag als bedoeld in
artikel 34, derde lid, eerder te doen. De werkgever komt binnen twee weken
aan dit verzoek tegemoet. Dit lid is van overeenkomstige
toepassing bij een aanvraag voor de uitkering na toepassing van artikel
34a, tweede lid.
-5. Bij de uitvoering van
het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan
door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van
de Arbeidsomstandighedenwet
die belast is
met de bijstand, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b,
van die
wet, of een arbodienst als bedoeld in
de Arbeidsomstandighedenwet.
-6. De verzekerde verleent
zijn medewerking bij het opstellen van het plan van aanpak en het
opstellen van het reïntegratieverslag.
-7. Bij ministeriële regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met
zesde lid worden gesteld. [Rpetz]
-8. Indien bij de
behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, blijkt dat de
werkgever zijn verplichting om een reïntegratieverslag op te stellen niet of
niet volledig is nagekomen, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
aan de werkgever een termijn waarbinnen het reïntegratieverslag
wordt verstrekt of aangevuld. [Bvhr]
-9. Indien bij de
behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel
34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel
34a blijkt dat de
werkgever zonder
deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde,
vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde
regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen
heeft verricht, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak
vast gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht op loon
heeft op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan
wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de
Ziektewet.
Dit tijdvak is ten
hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende
reïntegratie-inspanningen te leveren. [Bvhr] [Bvlp]
-10. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van het
negende lid nadere regels worden gesteld.
Art.
71b.
[Vangnetsituaties] [Geschiedenis:
Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628 + bis;
Stb. 2001, 692; Stb.
2002, 584; Stb. 2003, 544;
Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 573; Stb. 2005, 708]
-1. In afwijking van
artikel 71a is op het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ten aanzien
van de verzekerde
die op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a,
b, c of d, van de Ziektewet recht heeft op ziekengeld,
artikel 71a,
tweede tot en met het tiende lid, niet van toepassing en is
artikel 71a, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt, binnen een door
Onze Minister nader te bepalen
termijn, in overleg met die verzekerde, een plan van aanpak op. Het plan van aanpak wordt periodiek geëvalueerd.
[Bbp]
-2. In afwijking van
artikel 71a is
artikel 71a, vierde, achtste, negende en tiende lid, niet van
toepassing op de werkgever wiens verzekerde
op grond van artikel
29,
tweede lid, onderdeel e, f of g, van de Ziektewet
dan wel op grond van
artikel 29a, eerste of vierde
lid, van die wet recht heeft op ziekengeld.
-3. In afwijking van het
eerste lid is
artikel 71a, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en
achtste lid, van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel
h, van de
Ziektewet, ten aanzien van
de personen, bedoeld in
artikel 29, tweede lid, onderdeel a, b en c, van
die wet, die laatstelijk tot
hem in dienstbetrekking stonden. Indien bij de
behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de
beoordeling, bedoeld in artikel 34a, blijkt dat de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin,
zonder deugdelijke grond de uit die zin voortvloeiende
verplichtingen dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of
niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak
vast gedurende welke de persoon, bedoeld in
de eerste zin, recht op
ziekengeld heeft op grond van artikel
29 van de Ziektewet. Dit tijdvak is
ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en de ernst van het
verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog
voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren. [Bvhr]
[Bvlp]
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van dit
artikel.
§ 2.
Arbeidsongeschiktheidsfonds en
arbeidsongeschiktheidskas
Vervallen
Art. 72.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 37]
Art. 72a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie
1 januari 1999]
Art. 73.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TBA); Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
37]
Art. 73a. Vervallen.
[Geschiedenis:
(TAV); Stb. 1997, 96; Stb. 1997, 175;
versie 1 januari 1999]
Art.
74.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis; Stb. 1998, 290; versie 1 januari 1999]
HOOFDSTUK
IIIA
Eigen
risico dragen door de werkgever
Vervallen
Art. 75.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
Stb. 1998, 448; versie 1 januari 1999;
Stb. 2000, 561; Stb.
2001, 625; Stb. 2002, 330; Stb.
2003, 55; Stb. 2003, 544; Stb.
2005, 37 + bis]
Art.
75a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
Stb. 1998, 290 + bis;
Stb. 1998, 412; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2001, 628;
Stb. 2001, 695; Stb.
2003, 555; Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 720; Stb.
2004, 728; Stb. 2005, 274
+ bis; Stb.
2005, 525; Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2005, 708;
Stb. 2007, 557; Stb.
2008, 414; Stb.
2009, 580; Stb.
2010, 867]
Art.
75b. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175 + bis;
Stb.
1997, 794 + bis; Stb.
1998, 448; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
37; Stb. 2005, 525;
Stb.
2010, 867]
Art. 75c.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 695;
Stb. 2004, 296; Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 720]
Art.
75d. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 568; Stb.
2001, 625; Stb. 2005, 65;
Stb.
2005, 573; Stb. 2008, 414;
Stb.
2010, 867]
Art.
75e. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis + bis
+ bis; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb. 1999,
564; Stb. 2001, 481;
Stb. 2001, 628; Stb.
2010, 867]
Art.
75f. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628;
Stb. 2005, 37; Stb.
2010, 867]
Art.
75g. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2010, 867]
Art.
75h. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2005, 573; Stb. 2007, 557;
Stb.
2010, 867]
HOOFDSTUK
IV
Vervallen
§ 1.
Middelen tot dekking van de
uitgaven
Vervallen
Art. 76.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis;
Stb. 1995, 560; Stb.
1995, 691; Stb 1996, 248;
Stb. 1996, 619; Stb.
1997, 96 + bis + bis
+ bis; Stb.
1997, 175; Stb. 1997, 789;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
Art. 76a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 644; Stb.
2001, 695; Stb. 2003, 544;
Stb. 2005, 37; Stb.
2004, 720]
Art. 76b.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 695;
Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 720]
Art. 76c.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis; Stb.
1998, 290; Stb. 1998, 742;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 324;
Stb. 2005, 37]
Art. 76d.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis; Stb.
1998, 290; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2001, 644; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 324; Stb.
2005, 37]
Art. 76e.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 742;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 296
+ bis; Stb.
2005, 37]
Art. 76f.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175 + bis;
Stb.
1997, 794 + bis; Stb.
1998, 290 + bis; Stb.
1998, 412; Stb. 1998, 742;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625; Stb. 2001, 628;
Stb. 2003, 555; Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 728; Stb. 2005, 274;
Stb. 2005, 708]
Art. 76g.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 290;
versie 1 januari 1999]
Art.
76h.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999]
§ 2.
De basispremie
Vervallen
Art. 77.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 175 + bis; Stb.
1997, 768; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2005, 37]
Art. 77a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2005, 37]
Art. 77b.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 465; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 290;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2001, 644]
Art.
77c.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 465; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 290;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 644]
Art.
77d.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 465; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 290;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2001, 644]
Art.
77e.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794; Stb. 1998, 290;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 644]
§ 3.
De gedifferentieerde premie
Vervallen
Art. 78.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT
+ bis;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 465; Stb.
1997, 794 + bis; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 568; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2001, 695; Stb. 2003, 544;
Stb. 2004, 296; Stb.
2005, 37; Stb.
2004, 720; Stb. 2005, 708]
Art. 78a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2004, 296]
Art. 79.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 96; Stb. 1997,
175; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
§ 4.
Premiekorting
Vervallen
Art. 79a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2001, 644; Stb.
2003, 376; Stb. 2003, 544
+ bis; Stb.
2003, 557; Stb. 2004, 296;
Stb.
2005, 37]
Art. 79b.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2001, 644; Stb.
2003, 544; Stb.
2005, 37 + bis]
HOOFDSTUK V
Het
verstrekken van inlichtingen
Art.
80.
[Inlichtingenverplichting] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb 1996, 248 + bis;
Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 1999, 564; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628;
Stb.
2005, 573; Stb. 2007, 555]
-1. Degene die de wachttijd,
bedoeld in artikel 19, doormaakt dan wel aanspraak maakt op of in het genot
is van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diens wettelijke
vertegenwoordiger
alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 54 de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging,
mededeling te doen van alle feiten of omstandigheden waarvan het hun redelijkerwijs
duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt
uitbetaald. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en
omstandigheden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als
authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij
ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële
regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing
is. [Bamb]
-2. Degene aan wie een
reïntegratie-instrument als bedoeld in hoofdstuk
IIb is verstrekt of
toegekend, of aan wie verstrekking of toekenning daarvan wordt overwogen,
alsmede diens wettelijke vertegenwoordiger, is ¹ verplicht aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit
eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden
waarvan het hem ¹ redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen
zijn op de verstrekking of toekenning of op de duur of de hoogte van het
reïntegratie-instrument.
1. Volgens de redactie
dient "is" te worden vervangen door "zijn" en
"hem" door: hun.
Art. 80a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2002, 647; Stb.
2003, 544; Stb.
2005, 37; Stb. 2006, 703]
HOOFDSTUK
VI
De vrijwillige
verzekering
Art.
81.
[Verplichte toelating tot vrijwillige verzekering]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb. 1997,
789 + bis; Stb.
1997, 794 + bis; Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2003, 544; Stb.
2005, 573; Stb. 2006, 703]
-1.
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
laat op verzoek tot de vrijwillige
verzekering toe, mits hij hier te lande woont:
a. de persoon aan wie een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%;
b. de persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van ten minste 45%, wegens afneming van de arbeidsongeschiktheid is
herzien naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%.
-2. Op de persoon die vóór
1 januari 2004 arbeidsongeschikt is geworden en op het
tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd verzekerde was op grond van de
vrijwillige verzekering, blijft de vrijwillige verzekering op grond van
dit hoofdstuk van toepassing:
a. gedurende de
wachttijd, bedoeld in artikel 19;
b. gedurende vier weken na afloop
van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, indien hij na
afloop van die wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt is, doch
binnen die vier weken 15% of meer arbeidsongeschikt is;
c. gedurende de periode
waarover hij recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Art. 82.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 573]
Art.
83.
[Indiening verzoek en aanvang vrijwillige
verzekering] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 1998, 742; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb.
2005, 573; Stb. 2008, 192]
-1. Het verzoek tot
toelating tot de vrijwillige verzekering wordt binnen dertien
weken na de
dagtekening van de beschikking waarbij de
arbeidsongeschiktheidsuitkering werd toegekend of herzien,
ingediend bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-2. Een verzoek tot
toelating wordt geacht binnen dertien
weken na de dagtekening van het
besluit te zijn gedaan indien dit verzoek geschiedt binnen vier weken na de
dag waarop de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijze
kennis heeft kunnen nemen van het besluit.
-3. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is bevoegd te verklaren dat een verzoek
tot toelating tot de vrijwillige verzekering, ingediend na de daartoe
op grond van deze wet gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn
gedaan indien de persoon die het verzoek heeft gedaan redelijkerwijs
niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
-4. De vrijwillige
verzekering vangt aan op de dag met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend of herzien.
Art. 83a. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Art.
83b.
[Beëindiging vrijwillige verzekering] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 573]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
beëindigt de vrijwillige verzekering:
a. op verzoek van de
vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;
b. met ingang van de dag
waarop de vrijwillig verzekerde op grond van deze wet als werknemer
wordt beschouwd;
c. indien de
verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet,
niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of
d. indien niet langer
wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in artikel
81.
Art.
84.
[Vaststelling hoogte dagloon] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 96; Stb. 1997,
175; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
37; Stb. 2005, 708]
-1. De
persoon die om toelating tot de
vrijwillige verzekering verzoekt, bepaalt bij de aanvang van de vrijwillige
verzekering de hoogte van het dagloon, met dien verstande dat dit
niet meer kan bedragen dan:
a. het bedrag, bedoeld in artikel
17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van
één dag eventueel verhoogd of
verlaagd krachtens artikel 18
van die wet; en
b. het loon of het inkomen dat hij in geval van arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen derft.
-2. De uitkering op grond van de
vrijwillige verzekering wordt tijdens de duur, bedoeld in artikel 21a, berekend naar
het in het eerste lid bedoelde dagloon. Dit dagloon wordt eveneens in aanmerking genomen bij de
berekening
van het vervolgdagloon, bedoeld in
artikel 21b.
Art. 84a.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1995, 560; Stb.
1997, 175; Stb. 1997, 178;
Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999]
Art.
85.
[Nadere regelgeving UWV]
[RvaW07] [RvW06]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1998, 742; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
37]
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering. Deze
regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige
verzekering;
b. het einde van de vrijwillige
verzekering; en
c. het dagloon, bedoeld in artikel 84,
eerste lid.
Art.
86.
[Schakelbepaling] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
Met betrekking tot het bepaalde bij of
krachtens dit hoofdstuk zijn, met inachtneming van de wijzigingen welke de aard van
het onderwerp vordert, de bepalingen van de overige hoofdstukken en de ter
uitvoering van die bepalingen genomen besluiten, voor zoveel nodig,
van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan in het bij of
krachtens dit hoofdstuk bepaalde niet is afgeweken.
HOOFDSTUK
VII
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en beroep in cassatie
§ 1.
Algemeen
Art.
86a.
[Beperking begrip belanghebbende]
[Geschiedenis:
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 627; Stb.
2005, 37 + bis; Stb.
2005, 710]
In afwijking van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is de
werkgever geen belanghebbende bij een besluit van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen over het verzekerd zijn op
grond van deze wet als bedoeld in artikel 87, eerste lid.
Art.
86b.
[Algemene beslistermijnen aanvraag] [Geschiedenis:
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 627; Stb.
2005, 37; Stb.
2009, 318; Stb. 2009, 542]
-1. Onverminderd artikel 87 worden de
beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid een in het buitenland wonende
persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen acht
weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes
maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis
gesteld.
Art.
87.
[Bijzondere beslistermijnen aanvraag]
[Geschiedenis:
OvW;
MvT; (TAV);
Stb. 1997, 175;
Stb. 1997,
789; versie 1
januari 1999; Stb. 1999, 564;
Stb. 2000, 627 + bis
+ bis; Stb.
2001, 625; Stb. 2001, 628
+ bis; Stb.
2003, 544; Stb. 2004, 416;
Stb.
2005, 37; Stb.
2009, 542]
-1.
Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verzekerd
zijn op grond van deze wet kan door de werknemer uitsluitend bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ingediend. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geeft de beschikking binnen
dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
-2. Indien een beschikking
als bedoeld in het eerste lid om andere dan de in het tweede lid
bedoelde redenen niet binnen dertien weken kan worden gegeven, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis
gesteld onder vermelding
van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
tegemoet kan worden gezien.
-3. Een beschikking over
verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel
19, eerste lid, op grond
van het zevende lid van dat artikel wordt gegeven binnen twee weken na ontvangst van de
aanvraag.
Art.
87a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 573; Stb.
2012, 682]
Art.
87b.
[Nadere regelgeving behandeling medisch en
arbeidskundig bezwaar] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de behandeling van
bezwaarschriften tegen beschikkingen waaraan een medische of arbeidskundige
beoordeling
ten grondslag ligt.
Art.
87c.
[Beslistermijn bezwaar] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 178; Stb.
1997, 794; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 384]
In afwijking van artikel
7:10, eerste
lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag
na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is
verstreken.
Art.
87d.
[Beslistermijnen medisch en arbeidskundig bezwaar] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 178; Stb.
1997, 794 + bis + bis;
versie 1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 384;
Stb.
2009, 318]
-1. Indien bezwaar wordt gemaakt tegen een beschikking waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten
grondslag ligt, beslist het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in
afwijking
van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, binnen zeventien
weken of, indien hij advies vraagt aan een deskundige die niet onder zijn
verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen 21 weken, gerekend
vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het
bezwaarschrift is verstreken.
-2. Indien in verband met het geven van een
beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is
opgeroepen en om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in
het eerste lid bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing,
in afwijking van artikel 7:10, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht, verdaagd
met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verdaging
schriftelijk in kennis gesteld.
Art.
87e.
[Beperking bezwaar- en beroepsgronden werkgever]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb. 2005, 37; Stb.
2007, 557; Stb.
2010, 867]
Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen de in artikel
38, tweede of derde lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen bedoelde opslag of korting kan
niet zijn gegrond op de grief dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
87f.
[Beroep in cassatie] [Geschiedenis:
Stb. 1997,
789; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
-1. Tegen
uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen
ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid,
2 tot en met 11 en 13,
eerste lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften
betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de
gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing,
waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
Art.
87g. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 695; Stb.
2004, 720; Stb.
2005, 573; Stb.
2009, 589]
§ 2.
Medische beschikkingen
Art.
88.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
(TAV); Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 175; versie
1 januari 1999; Stb.
2005, 710]
Voor de toepassing van deze
paragraaf wordt verstaan onder:
a. medische beschikking: een
beschikking waaraan een beoordeling van medische gegevens ten
grondslag ligt;
b. werknemer: de persoon op
wiens medische gegevens de beoordeling betrekking heeft;
c. werkgever: de
belanghebbende bij een medische beschikking, die niet de werknemer is..
Art.
88a.
[Toestemming werknemer voor inzage medische
stukken door werkgever] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
-1. Stukken die medische
gegevens bevatten, worden door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen niet aan de werkgever ter inzage of ter kennisname
gegeven of toegezonden, tenzij de werknemer hiervoor schriftelijk
toestemming heeft gegeven.
-2. De toestemming kan te
allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.
-3. Tijdens het horen in
bezwaar kan de toestemming ook mondeling worden ingetrokken.
Art.
88b.
[Inzage door gemachtigde van werkgever bij
weigering inzage medische stukken] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
-1. Indien door de werknemer
geen toestemming is gegeven als bedoeld in artikel 88a, is de
inzage dan wel kennisname of toezending van stukken die medische gegevens
bevatten, voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die
advocaat of arts is dan wel daarvoor van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen bijzondere toestemming
heeft gekregen.
-2. De gemachtigde, bedoeld
in het eerste lid, treedt in de plaats van de werkgever bij:
a. de voorbereiding van een
medische beschikking;
b. het opstellen van een
bezwaar- of beroepschrift; en
c. de behandeling van een
bezwaar;
voor zover betrekking hebbend
op medische gegevens.
-3. Artikel 7:4, tweede,
vierde en zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
toepassing op stukken of inlichtingen die medische gegevens bevatten.
Art.
88c.
[Medische motivering beschikking in aparte bijlage] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vermeldt de motivering van een medische
beschikking, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, in een
aparte bijlage.
-2. Indien de werknemer geen
toestemming heeft gegeven als bedoeld in artikel 88a,
wordt de
bijlage, bedoeld in het eerste lid, niet aan de werkgever verstrekt.
-3. De bijlage wordt
verstrekt aan de gemachtigde van de werkgever, bedoeld in artikel 88b.
-4. Het tweede en derde lid
zijn van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van
een arts of een psycholoog waarnaar bij de motivering van een medische
beschikking wordt verwezen.
Art.
88d.
[Bekendmaking medische beschikking] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 710]
Bij de bekendmaking van een
medische beschikking wordt gewezen op de artikelen 88a,
88b,
88c en 88e.
Art.
88e.
[Medische gronden bezwaar en beroep in aparte
bijlage] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
De gronden van het bezwaar
of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de
Algemene wet bestuursrecht, worden in een aparte bijlage vermeld
voor zover ze
betrekking hebben op medische gegevens.
Art.
88f.
[Onderzoek ter zitting met gesloten deuren] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
-1. Indien artikel 8:32,
tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht
is toegepast, vindt in
afwijking van artikel 8:62, eerste lid, van
die wet het onderzoek ter zitting, voor
zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten
deuren plaats, tenzij de rechtbank ambtshalve of op verzoek van
één van de
partijen bepaalt dat het onderzoek openbaar is.
-2. In de uitnodiging,
bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt
mededeling gedaan van het eerste lid.
Art.
88g.
[Onderzoek ter zitting met gesloten deuren]
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
Artikel 88f is van
overeenkomstige toepassing bij de behandeling van het hoger beroep en bij de
behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening.
Art. 88h.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
Art. 88i.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1997, 175; versie 1 januari 1999;
Stb.
2005, 710]
HOOFDSTUK
VIII
De
invloed van de verzekering op het burgerlijk recht
Art.
89.
[Samenloop aanspraken bij regres] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
Bij de vaststelling van de
schadevergoeding waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter
zake van
zijn arbeidsongeschiktheid houdt de rechter rekening met de aanspraken die hij krachtens deze wet heeft.
Art.
90.
[Regresrecht UWV en eigenrisicodrager]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 1997, 175; Stb.
1997, 794 + bis; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625; Stb.
2008, 199; Stb.
2010, 867]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen heeft voor de krachtens deze wet gemaakte kosten verhaal op
degene die in verband met het veroorzaken van arbeidsongeschiktheid jegens de verzekerde naar
burgerlijk
recht tot schadevergoeding is
verplicht, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze bij het
ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk recht
aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat van de
schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de
verzekerde naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Overeenkomstig door Onze Minister
te stellen regelen kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
plaats van het bedrag der periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.
[RvcwpvWW]
-3. De in het eerste lid bedoelde
aansprakelijke is eveneens verplicht tot vergoeding van de door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot
inschakeling in de arbeid van de verzekerde, die op het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen rusten op grond van deze wet en de daarop rustende bepalingen alsmede de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen en de daarop berustende bepalingen. De aansprakelijke kan
hetzelfde verweer voeren dat hem jegens de verzekerde ten dienste zou
hebben gestaan.
Art.
91.
[Regresrecht binnen arbeidsverhouding]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
-1. Het bepaalde in het vorige artikel
geldt ten aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding
verplichte werkgever van de verzekerde, onderscheidenlijk ten aanzien
van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding verplichte verzekerde
die in dienstbetrekking staat tot dezelfde werkgever als de verzekerde
jegens wie naar burgerlijk recht verplichting tot schadevergoeding
bestaat, slechts indien de arbeidsongeschiktheid is te wijten aan opzet
of bewuste roekeloosheid van die werkgever onderscheidenlijk verzekerde.
-2. Voor de toepassing van het vorige lid
wordt mede als werkgever beschouwd de inlener, bedoeld in artikel 34 van
de Invorderingswet
1990.
HOOFDSTUK
VIIIA
Overgangsbepalingen
Art.
91a.
[Overgangsrecht 20 december 2005 beperking export
uitkering]
[Geschiedenis:
Stb. 2001, 644; Stb.
2005, 37; Stb.
2006, 697]
De artikelen 20, 43b
en 47a zijn niet van toepassing op de persoon die:
a. op 31 december 1999 op
grond van artikel 18 recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
en op die dag niet in Nederland woont; en
b. op 19 december 2005 dit
recht op uitkering uitsluitend nog heeft op grond van artikel 2 van de Wet van 9 december 2004,
houdende goedkeuring van het
voornemen tot opzegging van het op 28 juni 1962 te Genève tot stand
gekomen Verdrag betreffende de gelijkheid van behandeling
van eigen onderdanen en vreemdelingen met betrekking tot de sociale
zekerheid (Verdrag nr. 118, aangenomen door de Internationale
Arbeidsconferentie in haar zesenveertigste zitting; Trb. 1962, 122, en
Trb. 1964, 23) (Stb. 2004, 715).
Art.
91b.
[Overgangsrecht 1 januari 2004 verlengde
loondoorbetalingsplicht] [Geschiedenis:
Stb. 2003, 524; Stb. 2003, 555;
Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 65; Stb.
2005, 525; Stb. 2006, 703;
Stb.
2011, 288]
-1. Ten aanzien van de persoon wiens eerste dag van
arbeidsongeschiktheid is gelegen vóór 1 januari 2004 blijven de artikelen
19, met uitzondering van het tweede lid, laatste zin, 34
en 75a
van toepassing zoals deze
luidden op 31 december 2003, met dien verstande dat het krachtens
artikel 75a, vierde lid, tweede zin, te verhalen bedrag respectievelijk
het krachtens artikel 75a, vijfde lid, aan 's Rijks kas af te dragen
bedrag wordt vermeerderd met de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld
in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over de
uitkering.
-2. Indien de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien in verband
met een vóór 1 januari 2004 ingetreden toeneming van de
arbeidsongeschiktheid,
zijn de artikelen 37, met uitzondering van
het derde lid, laatste zin, 40 en 41
van toepassing zoals deze luidden op 31 december 2003.
-3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden perioden van
ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van
ongeschiktheid te vormen indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct
voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
Art.
91c.
[Overgangsrecht 1 juni 2005 levensloopregeling]
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 274]
Zo nodig in afwijking van de overige artikelen van dit hoofdstuk blijven
de artikelen 75a, derde lid, en 76f,
vijfde lid, zoals deze luidden op de dag vóór inwerkingtreding van de
Wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet arbeid en zorg en enige
andere wetten in verband met het tot stand brengen van een recht op
langdurend zorgverlof en het aanbrengen van enkele verbeteringen (Stb.
2005,
274) van toepassing voor de duur van de periode waarin op grond van artikel
IXa van die wet recht bestaat op een financiële
tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 7 van
de Wet arbeid en zorg.
Art.
91d.
[Overgangsrecht 29 december 2005 inkomens- en
loonsuppletie] [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2009, 580]
-1. Een beschikking tot
toekenning van inkomenssuppletie op grond van artikel 29 van de
Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de persoon die op de dag
voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10
van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
vervalt recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur
waarvoor die inkomenssuppletie was toegekend, aangemerkt als
een beschikking tot toekenning van inkomenssuppletie als bedoeld in artikel
65d.
-2. Een beschikking tot
toekenning van loonsuppletie op grond van artikel 32 van de
Wet op
de (re)integratie arbeidsgehandicapten aan de persoon die op de dag
voorafgaand aan de dag waarop dat artikel op grond van artikel 2.10
van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
vervalt recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt voor de duur
waarvoor die loonsuppletie was toegekend, aangemerkt als
een beschikking tot toekenning van loonsuppletie als bedoeld in artikel
65c.
-3. De persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg van de toepassing
van artikel 34, vierde lid, van deze wet, artikel
35, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel
3:28, vijfde lid, van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, of de
persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het
Besluit eenmalige herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ingetrokken, wordt gedurende vijf jaar na de dag van intrekking
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aangemerkt als verzekerde
in de zin van artikel 65c en 65d.
Art.
91e. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2007, 567; Stb.
2009, 318; Stb.
2010, 867]
Art.
91f.
[Verval artikelen 65i en 65j]
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2009, 318]
-1. Artikel
65i vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
-2. Artikel 65j
vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art.
91g.
[Overgangsrecht 1 januari 2012 loonkostensubsidie]
[Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2009, 318; Stb. 2010, 840;
Stb.
2012, 224]
-1. Ten aanzien van dienstbetrekkingen die
voorafgaand aan 1 januari 2012 zijn ingegaan en waarvoor voorafgaand aan
1 januari 2012 een aanvraag voor subsidie voor loonkosten is ingediend,
blijven de artikelen 65i en 65j
van deze wet, de daarop berustende bepalingen en artikel
30e van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zoals die luidden op 31
december 2011 gelden.
-2. Dit artikel vervalt vijf jaar na de dag
waarop artikel VII van de Wet
van 21 mei 2012 tot wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met aanpassing van de
dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
werkgevers en werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor werk en
inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en
van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de beëindiging
van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van
loonkostensubsidies in werking is getreden.
Art.
91h.
[Overgangsrecht 13 juni 2008 verhaal
re-integratiekosten] [Geschiedenis:
Stb.
2008, 199; Stb.
2009, 318]
In gedingen aangevangen vóór het van toepassing worden van artikel
90, vierde lid, bepaalt de rechter op verzoek van één van de
partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid
wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te
passen aan artikel 90, vierde lid. Stelt de rechter
partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen
die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe
strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen slechts
gelijktijdig met de einduitspraak open.
Art.
91i. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
Art.
91j. [Overgangsrecht 1 januari 2011
eigenrisicodrager WAO] [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
Met betrekking tot de afwikkeling van zaken die verband houden met het
zijn van eigenrisicodrager gelegen vóór de datum van inwerkingtreding
van de artikelen IV en V van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven de artikelen
1, onderdeel f, 65i, eerste lid, 71,
87e, 90 en 91e
en hoofdstuk IIIa alsmede de artikelen
40 en 122e van de Wet
financiering sociale verzekeringen zoals deze artikelen en dat
hoofdstuk luidden op de dag vóór de inwerkingtreding van de artikelen
IV en V van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving van toepassing.
HOOFDSTUK
IX
Strafbepalingen
Art.
92.
[Strafbepaling overtreding artikel 12]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2005, 37]
Hij die niet voldoet aan de
verplichting omschreven in artikel 12 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
één maand of geldboete van de tweede categorie.
Art. 93.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 40]
Art.
94.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 40]
Art.
95.
Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 40]
Art.
96.
[Strafbepaling gedraging strijdig met AMvB]
[Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2009, 265]
Een gedraging die in strijd is met een
krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, voor
zover
uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede
categorie.
Art.
97. Vervallen. [Geschiedenis:
OvW; MvT;
Stb 1996, 248; Stb.
1997, 96; versie
1 januari 1999; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
98.
[Overtredingen] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999; Stb.
2000, 40]
De in de artikelen 92 en
96 bedoelde
strafbare feiten zijn overtredingen.
HOOFDSTUK
X
Slotbepalingen
Art.
98a.
[Verval particuliere verzekering] [Geschiedenis:
versie 1 januari 1999]
-1. Een overeenkomst met betrekking tot
de verzekering van geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid,
gesloten door degene die verplicht verzekerd wordt, vervalt met ingang van de
dag waarop de
verzekeraar van de verzekerde
mededeling van het verplicht verzekerd worden ontvangt, voor zover aan de
overeenkomst rechten kunnen worden ontleend gelijkwaardig aan die welke
uit de in deze wet geregelde verplichte verzekering voortvloeien.
Bereikt deze mededeling de verzekeraar vóór de dag waarop de betrokkene
verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de overeenkomst met ingang
van die dag.
-2. De premie welke degene wiens
verzekering krachtens het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk
is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar al
naargelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst terugbetaald, onder
aftrek van ten hoogste 25 procent van het terug te betalen bedrag voor
administratiekosten.
Art.
98b.
[Buitentoepassingverklaring Atw] [Geschiedenis:
(TBA); Stb. 1995, 560; Stb.
1995, 696; versie
1 januari 1999]
De Algemene
termijnenwet is niet van
toepassing op de termijnen, gesteld in de artikelen 6, tweede lid, onderdeel
a en c, 17, eerste lid, 19, tweede en derde lid,
21a, 38, 39, eerste lid,
39a, 43a, 47, eerste, tweede, derde en vierde lid, en
53.
Art.
98c.
[Nadere regelgeving veiligheid en gezondheid
verzekerden] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 96; versie 1 januari 1999;
Stb. 2001, 625]
Onze Minister
kan ter bevordering van
de veiligheid van de arbeid van verzekerden, alsmede van de gezondheid van
verzekerden bij de arbeid, regelen stellen inzake het door de werkgever
vastleggen van gegevens en het verstrekken van inlichtingen door de werkgever aan
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en een bij die regelen
aan te wijzen instelling omtrent bedrijfsongevallen en beroepsziekten.
Art.
98d.
[Overgangsrecht 1 januari 2006 vaststelling
dagloon] [Geschiedenis:
Stb. 2004, 311]
Artikel 14 en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op de
dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel
A, van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten, blijven van toepassing op de persoon wiens
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan vóór de datum van
inwerkingtreding van dat artikel, met betrekking tot die
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met betrekking tot de artikelen
40,
eerste lid, en 48, derde lid, is de eerste zin niet van toepassing.
Art.
98e.
[Overgangsrecht 1 oktober 2004 toekenning
uitkering voor onbepaalde tijd] [Geschiedenis:
Stb. 2004, 416]
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend vóór de
inwerkingtreding van de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten, dan wel daarna met toepassing van artikel
91b, worden geacht te zijn toegekend voor onbepaalde tijd.
Art.
98f. [Overgangsrecht 1 januari 2011
samenloop met ZW] [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
-1. De artikelen 39b
en 43a, zesde lid, alsmede 47,
zevende lid, zoals die zijn komen te luiden na inwerkingtreding van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving zijn niet
van toepassing op de persoon wiens arbeidsongeschiktheid vóór de dag
van inwerkingtreding van die wet is
toegenomen als bedoeld in de artikelen 38 tot en met 39a,
43a of 47, tot het moment
waarop in verband met diezelfde toename van de arbeidsongeschiktheid
geen recht meer bestaat op ziekengeld op grond van de Ziektewet.
-2. Artikel 43a,
vierde lid, onderdeel b, zoals dat luidde op de dag vóór
inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving blijft van toepassing op de persoon die op of
vóór de dag van inwerkingtreding van die wet arbeidsongeschikt werd
als bedoeld in artikel 43a, eerste lid.
-3. Dit artikel vervalt met ingang van de
dag gelegen tien jaar na de dag van inwerkingtreding van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving.
Art.
99.
[Ministeriële regelgeving] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
Hetgeen nog ter uitvoering van deze
wet nodig is, wordt door Onze Minister geregeld.
[Rara77aW] [RvbWow] [RvWggAvW]
Art. 99a. Vervallen.
[Geschiedenis:
versie 1 januari 1999]
Art.
100.
[Citeertitel] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
Deze wet kan worden aangehaald onder
de titel: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Art.
100a.
[Tekstplaatsing] [Geschiedenis:
versie 1 januari 1999]
Na de plaatsing van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering in het Staatsblad wordt de tekst van die wet,
zo nodig, door de zorg van Onze Minister van
Justitie, opnieuw in het
Staatsblad geplaatst, waarbij vernummeringen en daarmede verband houdende
wijzigingen in aanhalingen worden aangebracht.
Art.
101.
[Inwerkingtreding] [Geschiedenis:
OvW; MvT;
versie 1 januari 1999]
De artikelen van deze wet treden in
werking met ingang van een door Ons te bepalen tijdstip, dat voor de
onderscheidene artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.¹
1. Bij Besluit van 8 september 1966, Stb.
1966, 365, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 september
1966, red.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle Ministeriële Departementen,
Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize Soestdijk, 18
februari 1966
JULIANA
De Minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid,
G.M.J. Veldkamp
Uitgegeven de zeventiende maart
1966
De Minister van Justitie,
Samkalden
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|