Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2002

 

REGELING  VRIJWILLIGE  WAO-VERZEKERING  VOOR  GROEPEN  GEWEZEN  AAW-VERZEKERDEN  EN  VRIJWILLIG  WW-VERZEKERDEN

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2003
(art. V:2 Inga)

 
 

2 maart 1998, Stcrt. 1998, 43
Inwerkingtreding: 1 januari 1998
(T.a.v. artt. V:5 Inga en 99 WAO)

 

 

 

 
REGELING houdende regels als bedoeld in artikel V, vijfde lid, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen en artikel 99 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

2 maart 1998/nr. SV/WV/98/669
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op artikel V, vijfde lid, van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen en artikel 99 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

     Besluit:

 

 

§ 1.  Algemeen

 

Art. 1. Begrippen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen;
b. de belanghebbende: de persoon op wie artikel V, tweede lid, onderdeel a of b, van de wet van toepassing is;
c. WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
d. het loon: het daadwerkelijk loon dat een belanghebbende geniet en dat zonder toepassing van artikel V, tweede en derde lid, van de wet ten grondslag zou liggen aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO;
e. jaar: kalenderjaar.

 

 

§ 2.  Overgangsregeling gewezen vrijwillig AAW-verzekerden

 

Art. 2. Verzoektermijn
Een verzoek als bedoeld in artikel V, tweede lid, van de wet wordt gedaan vσσr 1 juli 1998. Het verzoek wordt ingewilligd met ingang van 1 januari 1998.

 

Art. 3. Wijze van vaststelling van dagloon
Het dagloon wordt voor elk jaar, vanaf het jaar 1998 tot en met het jaar 2002, berekend volgens de volgende formule:
[(AW - L) x a/b] + L
waarbij:
1. AW is: de grondslag waarnaar voor de belanghebbende de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn berekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet indien zijn arbeidsongeschiktheid vσσr 1 januari 1998 zou zijn ingetreden;
2. L is: het loon;
3. a/b is:
5/6 in het jaar 1998;
4/6 in het jaar 1999;
3/6 in het jaar 2000;
2/6 in het jaar 2001;
1/6 in het jaar 2002.

 

Art. 4. Dagloonvaststelling bij tussentijdse wijziging van het loon
-1. Bij een wijziging in het loon van de belanghebbende wordt de berekening, bedoeld in artikel 3, met inachtneming van dat loon, toegepast, tenzij als gevolg van die wijziging de berekening [(AW - L) x a/b] + L, genoemd in dat artikel, in het eerste jaar waarin het gewijzigde loon in aanmerking wordt genomen, tot een uitkomst leidt groter dan of gelijk aan het dagloon van het daaraan voorafgaande jaar, in welk geval, wat de dagloonvaststelling betreft, artikel V, tweede en derde lid, van de wet en artikel 3 geen toepassing meer vinden.
-2. Indien een wijziging in het loon optreedt in de loop van een jaar, geldt het eerste lid met ingang van het daaropvolgende jaar. Indien de wijziging van het loon ingaat op 1 januari van enig jaar, geldt het eerste lid met ingang van dat jaar.

 

Art. 5. Wijze van vaststelling van premie
De premie wordt voor elk jaar, vanaf het jaar 1998 tot en met het jaar 2002, voor de persoon op wie artikel V, tweede lid, onderdeel a, van de wet van toepassing is, berekend volgens de volgende formule:
[(PL - PAW) x c/d] + PAW
waarbij:
1. PL is: de premie die belanghebbende zonder toepassing van artikel V, tweede en derde lid, van de wet over zijn loon verschuldigd zou zijn uit hoofde van zijn vrijwillige verzekering op grond van de WAO;
2. PAW is: de premie die belanghebbende uit hoofde van de vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet in het jaar 1997 verschuldigd was;
3. c/d is:
1/6 in het jaar 1998;
2/6 in het jaar 1999;
3/6 in het jaar 2000;
4/6 in het jaar 2001;
5/6 in het jaar 2002.

 

Art. 6. Premievaststelling in geval van hoger dagloon
Voor de persoon op wie uitsluitend artikel V, tweede lid, onderdeel b, van de wet van toepassing is, geldt de formule, genoemd in artikel 5, met dien verstande dat in plaats van "PL" wordt gelezen: PBL, waarbij:
PBL is: de premie die de persoon zonder toepassing van artikel V, tweede en derde lid, van de wet verschuldigd zou zijn uit hoofde van zijn vrijwillige verzekering op grond van de WAO over het door hem op grond van artikel 84, eerste lid, van de WAO bepaalde dagloon, welk dagloon evenwel niet lager ligt dan de grondslag, bedoeld in artikel V, tweede lid, onderdeel a, van de wet.

 

Art. 7. Premievaststelling bij tussentijdse wijziging premiebedrag
-1. In geval van wijziging van de factor PL, genoemd in artikel 5, wordt de berekening, bedoeld in artikel 5, met inachtneming van die wijziging, toegepast, tenzij als gevolg van die wijziging de berekening [(PL - PAW) x c/d] + PAW, genoemd in dat artikel, tot een uitkomst leidt hoger dan het premiebedrag dat voor het jaar 2002 zou gelden als die wijziging niet had plaatsgevonden, in welk geval, wat de premievaststelling betreft, artikel V, tweede en derde lid, van de wet en artikel 5 geen toepassing meer vinden.
-2. Indien een wijziging van de factor PL, genoemd in artikel 5, optreedt in de loop van een jaar, geldt het eerste lid met ingang van het daaropvolgende jaar. Indien de wijziging van die factor ingaat op 1 januari van enig jaar, geldt het eerste lid met ingang van dat jaar.
-3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de factor PBL, genoemd in artikel 6.

 

Art. 8. Dagberekening factoren
De factoren AW, L, PL, PBL en PAW, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 7, worden berekend per dag.

 

Art. 9. Toetsing van het loon
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen toetst ιιn keer per jaar de gegevens met betrekking tot het loon van de belanghebbende in verband met een goede toepassing van artikel V, derde lid, van de wet in het daaropvolgende jaar.
-2. Een wijziging van het loon van een belanghebbende in de loop van een kalenderjaar brengt geen herziening van verschuldigde premie over dat jaar met zich.

 

Art. 10. Eindiging vaststelling op verzoek van belanghebbende
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beλindigt de vaststelling, bedoeld in artikel V, tweede lid, van de wet tussentijds met ingang van enig kalenderjaar op een daartoe strekkend verzoek van de belanghebbende.

 

 

§ 3.  WAO-verzekering (gewezen) vrijwillig WW-verzekerde

 

Art. 11. Vrijwillige WAO-verzekering voor vrijwillig WW-verzekerde
-1. Een persoon die vrijwillig is verzekerd op grond van de Werkloosheidswet, doch die op 31 december 1997 niet vrijwillig verzekerd was op grond van de WAO, wordt op een daartoe strekkend verzoek toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO. De eerste zin is niet van toepassing op de persoon die op grond van artikel 53, tweede lid, van de Werkloosheidswet is verzekerd.
-2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan vσσr 1 juli 1998. De vrijwillige verzekering vangt aan op 1 januari 1998.

 

Art. 12. Vrijwillige WAO-verzekering voor vrijwillig WW-gerechtigde
-1. Een persoon die op 31 december 1997 recht had op uitkering uit hoofde van de vrijwillige verzekering op grond van de Werkloosheidswet wordt op een daartoe strekkend verzoek toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO.
-2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan vσσr 1 april 1998. De vrijwillige verzekering vangt aan op 1 januari 1998.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder het hebben van recht op uitkering uit hoofde van de vrijwillige verzekering op grond van de Werkloosheidswet mede begrepen het niet hebben van dat recht wegens een omstandigheid die op grond van enige bepaling van de Werkloosheidswet of de daarop berustende bepalingen heeft geleid tot het einde van dat recht, welk recht evenwel door het ophouden te bestaan van die omstandigheid herleeft. In het geval, bedoeld in de eerste zin, wordt een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de WAO gedaan vσσr 1 april 1998 of, indien de omstandigheid, bedoeld in de eerste zin, ophoudt te bestaan na 3 maart 1998, binnen vier weken na de dag waarop de omstandigheid ophoudt te bestaan.

 

 

§ 4.  Slotbepalingen

 

Art. 13. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vrijwillige WAO-verzekering voor groepen gewezen AAW-verzekerden en vrijwillig WW-verzekerden.

 

Art. 14. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998.

 

 

’s-Gravenhage, 2 maart 1998.
De Staatssecretaris voornoemd,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

TOELICHTING
[2 maart 1998]

 

Algemeen

 

     De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) is met ingang van 1 januari 1998 ingetrokken. Dat is geregeld in artikel II van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. In artikel V, eerste lid, van die wet is de overgang geregeld van personen die tot 1 januari 1998 vrijwillig verzekerd waren voor de AAW. Zij gaan over naar de vrijwillige WAO-verzekering. Het gaat hierbij om de verzekering van gewezen AAW-verzekerden die door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden verrichten in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Omdat zonder nadere regeling deze overgang voor een aantal groepen een naar verhouding hoge premielast c.q. lage uitkeringsgrondslag met zich zou brengen, is in het tweede en derde lid van genoemd artikel V een overgangsregeling opgenomen. Hierdoor is een geleidelijke toegroei naar het nieuwe systeem mogelijk. Het vijfde lid van artikel V bepaalt dat bij ministeriλle regeling verdere regels worden gesteld. Voor gevallen waarin het tweede of derde lid van dat artikel niet voldoende voorziet, kan worden afgeweken van die leden. Onder meer is hierbij gedacht aan hetgeen dient te gebeuren bij tussentijdse wijzigingen in het inkomen van betrokkene of in het premiepercentage voor de vrijwillige verzekering op grond van de WAO. Dit besluit strekt in de eerste plaats tot invulling van deze regels.
     Een tweede categorie personen voor wie de intrekking van de AAW zonder nadere regeling ongewenste consequenties zou hebben, zijn de personen die op grond van artikel 53, eerste lid, van de Werkloosheidswet tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering zijn toegelaten en die op 31 december 1997 niet vrijwillig voor de WAO of de AAW verzekerd zijn. Deze personen kunnen bij arbeidsongeschiktheid, ontstaan tijdens verblijf in het buitenland, geen recht doen gelden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Er is immers geen sprake van een vrijwillige arbeidsongeschiktheidsverzekering.
     Een derde categorie betreft personen die op grond van de vrijwillige werkloosheidsverzekering een uitkering ontvangen en die na 31 december 1997 arbeidsongeschikt worden. Zij kunnen geen recht doen gelden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de verplichte AAW-verzekering. Wanneer zij zich niet verzekerd hebben voor de vrijwillige WAO-verzekering, hebben zij geen aanspraak meer op een arbeidsongeschiktheidsverzekering. De AAW is immers per 1 januari 1998 ingetrokken. Omdat dit ongewenste consequenties heeft, zal beide groepen de mogelijkheid worden geboden zich alsnog vrijwillig voor de WAO te verzekeren. Paragraaf 3 van dit besluit strekt daartoe.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Begrippen

     Dit artikel behelst enkele voor de toepassing van deze regeling relevante begrippen. Wat de begripsbepaling "loon" betreft, kan nog het volgende worden opgemerkt. Bij dat begrip gaat het om het werkelijke loon van de belanghebbende. In de artikelen 3 en 4 van deze regeling gaat het om de vaststelling van het dagloon gedurende de overgangsperiode. Dat dagloon geldt in afwijking van het werkelijke loon. Voor de berekening van het dagloon en de premie wordt een vergelijking gemaakt, in welke vergelijking het loonbegrip eveneens een rol speelt.

 

Artikel 2. Verzoektermijn

     In verband met het feit dat deze regeling eerst na 1 januari 1998 wordt gepubliceerd en het bovendien gaat om groepen oud-vrijwillig-AAW-verzekerden die niet allen snel op de hoogte kunnen worden gebracht van deze regeling, is de verzoektermijn ruim gehouden. Uiterlijk 1 juli 1998 dient het verzoek te zijn gedaan. Betrokkene wordt dan alsnog per 1 januari 1998 tot de regeling toegelaten.

 

Artikel 3. Wijze van vaststelling van dagloon

     Dit artikel geeft een berekeningsregel voor de overgang van de grondslag op basis waarvan de AAW-uitkering bij arbeidsongeschiktheid zou zijn berekend als de AAW niet zou zijn ingetrokken, naar het werkelijke dagloon dat ten grondslag ligt aan een WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid. Het dagloon dat in een jaar gelegen in de jaren 1998 tot en met 2002 geldt, vormt de basis voor de alsdan toe te kennen WAO-uitkering indien arbeidsongeschiktheid intreedt. Uitgangspunt is dat de AAW-grondslag in vijf gelijke stappen jaarlijks afneemt naar het werkelijke WAO-dagloon. In dit artikel is de formule neergelegd op basis waarvan het dagloon voor elk jaar kan worden bepaald.

     Aan de hand van een voorbeeld kan ιιn en ander worden verduidelijkt.

     Stel:
1. verzekerd AAW-inkomen = minimumloon = ƒ2300,00 per maand (AW);
2. werkelijk loon is ƒ1200,00 per maand (L).

     Volgens de berekeningsformule wordt het bedrag van ƒ2300,00 in vijf stappen aangepast aan het werkelijk loon van ƒ1200,00. De factor a/b is daarbij 5/6 in het jaar 1998 en 1/6 in het jaar 2002. Deze factor wordt afgezet tegen het verschil tussen het oorspronkelijk verzekerd inkomen en het werkelijk loon, dus ƒ1100,00 en het verkregen resultaat wordt vervolgens vermeerderd met het werkelijke loon.
     Aldus wordt het volgende verloop verkregen:

Jaar Verzekerdvloon
1997 ƒ2300,00
Start overgangsregeling
1998 ƒ2116,67
1999 ƒ1933,33
2000 ƒ1750,00
2001 ƒ1566,67
2002 ƒ1383,33
Einde overgangsregeling
2003 ƒ1200,00

 

 
Artikel 4. Dagloonvaststelling bij tussentijdse wijziging van het loon

     Een tussentijdse wijziging in het werkelijke loon van belanghebbende leidt tot een herberekening van de stapsgewijze aanpassing van het dagloon. Mocht er sprake zijn van een wijziging van het loon, dan wordt dat loon voor dat jaar in aanmerking genomen en vergeleken met het verzekerd AAW-inkomen. Vervolgens wordt de factor a/b van de desbetreffende volgende jaren op het gewijzigde verschil toegepast. Om ιιn en ander te verduidelijken, volgt hierna het voorbeeld bij artikel 3 nogmaals, maar nu eerst met inachtneming van een verhoging van het werkelijke loon, daarna met een verlaging van het werkelijke loon.


a. Stijging van het werkelijke loon

     Stel:
1. verzekerd AAW-inkomen = minimumloon = ƒ2300,00 per maand (AW);
2. werkelijk loon is ƒ1200,00 per maand (L);
3. in het jaar 2000 stijgt het loon naar ƒ1400,00 per maand.

Jaar Verzekerdvloon
1997xxxxxxxxxxxx ƒ2300,00xx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Start overgangsregeling
1998 ƒ2116,67 L = ƒ1200,00
1999 ƒ1933,33 L = ƒ1200,00
2000
-----------------------
ƒ1750,00
--------------
L = ƒ1200,00, wordt ƒ1400,00
--------------------------------------
2001 ƒ1700,00 L = ƒ1400,00
2002 ƒ1550,00 L = ƒ1400,00
Einde overgangsregeling
2003 ƒ1400,00  

 

b. Daling van het werkelijke loon

     Stel:
1. verzekerd AAW-inkomen = minimumloon = ƒ2300,00 per maand (AW);
2. werkelijk loon is ƒ1200,00 per maand (L);
3. in het jaar 1999 daalt het loon naar ƒ1000,00 per maand.

Jaar Verzekerdvloon
1997xxxxxxxxxxxx ƒ2300,00xx xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Start overgangsregeling
1998 ƒ2116,67 L = ƒ1200,00
1999
-----------------------
ƒ1933,33
--------------
L = ƒ1200,00, wordt ƒ1000,00
--------------------------------------
2000 ƒ1650,00 L = ƒ1000,00
2001 ƒ1433,33 L = ƒ1000,00
2002 ƒ1216,66 L = ƒ1000,00
Einde overgangsregeling
2003 ƒ1000,00  

 
     De regel omtrent herberekening lijdt uitzondering wanneer er sprake is van een dusdanige loonsverhoging dat de berekeningsregel leidt tot een dagloonuitkomst die gelijk is of hoger dan het dagloon van het jaar daaraan voorafgaand. Zou in voorbeeld a. de loonsverhoging niet ƒ200,00 zijn, maar ƒ500,00, dan zou in het jaar 2001 een dagloon worden vastgesteld van ƒ1900,00. Dat dagloon ligt hoger dan het dagloon van het jaar 2000, dat op ƒ1750,00 lag. Alsdan eindigt, wat de dagloonvaststelling betreft, de toepassing van artikel 3.

 

Artikel 5. Wijze van vaststelling van premie

     In dit artikel wordt de geleidelijke toegroei naar het premiepercentage dat uit hoofde van de vrijwillige WAO-verzekering geldt, geregeld. Het premiebedrag dat betrokkene in het kader van de AAW in 1997 was verschuldigd, wordt afgezet tegen het premiebedrag dat hij, zonder toepassing van de overgangsregeling, is verschuldigd uit hoofde van de vrijwillige WAO-verzekering. Het verschil wordt in vijf gelijke jaarlijkse stappen overbrugd. Aan de hand van het voorbeeld, genoemd bij artikel 3, kan het premieverloop worden weergegeven.

     Stel:
1. verzekerd AAW-inkomen = minimumloon = ƒ2300,00 per maand;
2. premie AAW in 1997 is ƒ20,00 per maand (PAW);
3. werkelijk loon is ƒ1200,00 per maand;
4. WAO-premie (voor 1998: 7,85%) over ƒ1200,00 per maand is ƒ94,20 (PL).

     Volgens de berekeningsformule wordt het premiebedrag van ƒ20,00 in vijf stappen aangepast aan het premiebedrag behorend bij het werkelijk loon van ƒ1200,00, zijnde ƒ94,20. De factor c/d is daarbij 1/6 in het jaar 1998 en 5/6 in het jaar 2002. Deze factor wordt afgezet tegen het verschil tussen het oorspronkelijk verschuldigde premiebedrag en het premiebedrag behorend bij het werkelijk loon, welk verschil ƒ74,20 bedraagt. Het verkregen resultaat (c/d x ƒ74,20) wordt vervolgens vermeerderd met het oorspronkelijk verschuldigde premiebedrag.
     Aldus wordt het volgende verloop verkregen:

Jaar Verzekerd loon Premie
1997xxx ƒ2300,00xx ƒ20,00xxxxx
Start overgangsregeling
1998 ƒ2116,67 ƒ32,37
1999 ƒ1933,33 ƒ44,73
2000 ƒ1750,00 ƒ57,10
2001 ƒ1566,67 ƒ69,47
2002 ƒ1383,33 ƒ81,83
Einde overgangsregeling
2003 ƒ1200,00 ƒ94,20

 

 
Artikel 6. Premievaststelling in geval van hoger dagloon

     Dit artikel geldt ten aanzien van de persoon bij wie geen sprake is van een lager dagloon dan de AAW-grondslag en op wie artikel V, tweede lid, onderdeel a, van de wet dus niet van toepassing is. De situatie kan zich voordoen dat iemand een loon verdient hoger dan of gelijk aan de AAW-grondslag. Hij was dan tot 1 januari 1998 op grond van de AAW verzekerd voor een bedrag ter hoogte van het minimumloon. Teneinde een verzekering tegen dat minimumloon te continueren, wordt de betrokkene echter wel met een premiestijging geconfronteerd. artikel V, tweede lid, onderdeel b, van de wet is dus in zijn situatie wel van toepassing. Ingeval deze persoon geen behoefte heeft aan een verzekering tegen een hoger bedrag dan het minimumloon, bijvoorbeeld omdat hij voor het meerdere van zijn loon een aanvullende particuliere verzekering heeft afgesloten tegen arbeidsongeschiktheid, zou het niet redelijk zijn om bij de toepassing van artikel 5 uit te gaan van het werkelijke loon dat hij verdient. In verband hiermee wordt ingeval sprake is van een hoger dagloon dan het minimumloon en betrokkene heeft gekozen voor een vrijwillige verzekering tegen het minimumloon of een ander, hoger dagloon, in dit artikel voor het premieverloop uitgegaan van het door betrokkene bepaalde dagloon.

 

Artikel 7. Premievaststelling bij tussentijdse wijziging premiebedrag

     Het door de belanghebbende te betalen premiebedrag kan wijziging ondervinden ofwel doordat er wijziging optreedt in zijn daadwerkelijk verdiende loon, ofwel omdat het premiepercentage voor de vrijwillige WAO-verzekering wijziging ondervindt. In deze gevallen is het uiteindelijk te betalen bedrag aan premie (in het voorbeeld bij artikel 5 ƒ94,20) anders. Mocht er sprake zijn van een wijziging van de premie als gevolg van een wijziging van het loon in de loop van een jaar, dan wordt die premie voor het jaar daaropvolgend in aanmerking genomen en vergeleken met het premiebedrag behorend bij het verzekerd AAW-inkomen. In geval van wijziging van het premiepercentage voor de vrijwillige WAO-verzekering wordt de premie voor het jaar waarin dat gewijzigde premiepercentage geldt in aanmerking genomen. Vervolgens wordt de factor c/d op het gewijzigde verschil toegepast. De uitkomst daarvan, vermeerderd met het AAW-premiebedrag dat betrokkene was verschuldigd (PAW), levert het door betrokkene verschuldigde premiebedrag op in het desbetreffende jaar. Om ιιn en ander te verduidelijken volgt hierna het voorbeeld bij artikel 5 nogmaals, maar nu eerst met inachtneming van een verhoging van de premie op grond van de WAO in verband met verhoging van het werkelijke loon, daarna met een verlaging van de premie op grond van de WAO in verband met verlaging van het werkelijke loon.


a. Stijging van uiteindelijk te betalen premie als gevolg van stijging van het loon

     Stel:
1. verzekerd AAW-inkomen = minimumloon = ƒ2300,00 per maand;
2. premie AAW in 1997 is ƒ20,00 per maand (PAW);
3. werkelijk loon is ƒ1200,00 per maand: WAO-premie is ƒ94,20 (PL);
4. in het jaar 2000 stijgt het loon naar ƒ1400,00 per maand: WAO-premie is ƒ109,90.

Jaar Verzekerdvloon Premie
1997xxxx ƒ2300,00xxx ƒ20,00xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Start overgangsregeling
1998 ƒ2116,67 ƒ32,37xx Lt=lƒ1200,00xxxxxxxxxxxxxxx
1999 ƒ1933,33 ƒ44,73 L = ƒ1200,00
2000
------------
ƒ1750,00
---------------
ƒ57,10
-----------
L = ƒ1200,00, wordt ƒ1400,00
--------------------------------------
2001 ƒ1700,00 ƒ79,93 L = ƒ1400,00
2002 ƒ1550,00 ƒ94,92 L = ƒ1400,00
Einde overgangsregeling
2003 ƒ1400,00 ƒ109,90

 

b. Daling van uiteindelijk te betalen premie als gevolg van daling van het loon

     Stel:
1. verzekerd AAW-inkomen = minimumloon = ƒ2300,00 per maand;
2. premie AAW in 1997 is ƒ20,00 per maand (PAW);
3. werkelijk loon is ƒ1200,00 per maand: WAO-premie is ƒ94,20 (PL);
4. in het jaar 1999 daalt het loon naar ƒ1000,00 per maand: WAO-premie is ƒ78,50.

Jaar Verzekerdvloon Premie
1997xxxx ƒ2300,00xxx ƒ20,00xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
Start overgangsregeling
1998 ƒ2116,67 ƒ32,37xx Lt=lƒ1200,00xxxxxxxxxxxxxxx
1999
------------
ƒ1933,33
---------------
ƒ44,73
-----------
L = ƒ1200,00, wordt ƒ1000,00
--------------------------------------
2000 ƒ1650,00 ƒ49,25 L = ƒ1000,00
2001 ƒ1433,33 ƒ59,00 L = ƒ1000,00
2002 ƒ1216,66 ƒ68,75 L = ƒ1000,00
Einde overgangsregeling
2003 ƒ1000,00 ƒ78,50

 
     De berekeningsregel omtrent het premiebedrag in geval van wijziging wordt niet langer toegepast wanneer volgens de berekening van artikel 5 het resultaat uitkomt op een hoger bedrag dan het bedrag dat betrokkene verschuldigd zou zijn in het laatste jaar van de overgangsregeling, het jaar 2002.
     De berekeningsregel geldt mutatis mutandis ook voor de personen voor wie artikel 6 geldt.

 

Artikel 8. Dagberekening factoren

     Gelet op het feit dat berekening van de premie uitgaat van een bedrag aan loon per dag, wordt in dit artikel geregeld dat de factoren, genoemd in de artikelen 3 tot en met 7, eveneens per dag worden berekend.

 

Artikel 9. Toetsing van het loon

     Uitgangspunt van deze regeling is dat het dagloon en de premie voor een belanghebbende die van de overgangsregeling gebruik maakt, steeds voor ιιn jaar vastliggen. Met het oog op een goede uitvoering toetst het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.] ιιn keer per jaar de gegevens van betrokkene voor de vaststelling van zijn dagloon en verschuldigde premie in het jaar daaropvolgend. Een toetsing meer dan ιιn keer per jaar zou een onevenredig grote uitvoeringslast voor het Lisv met zich brengen. De toetsing door het Lisv laat overigens de verplichting van betrokkene om relevante gegevens te zijnen aanzien te verstrekken onverlet. Een wijziging van het loon van betrokkene in de loop van een jaar leidt niet tot wijziging van zijn dagloon en verschuldigde premie voor dat jaar. Eventueel minder of meer betaalde premie als gevolg van opgekomen wijzigingen wordt niet nagevorderd of gerestitueerd.

 

Artikel 10. Eindiging vaststelling op verzoek van belanghebbende

     De onderhavige overgangsregeling heeft een duur van vijf jaar. Niettemin staat het betrokkene te allen tijde vrij de toepassing van de overgangsregeling te zijnen aanzien te doen beλindigen. Indien hij, hoewel hij nog steeds tot de doelgroep behoort, om hem moverende redenen niet langer gebruik wenst te maken van de overgangsregeling, kan hij het Lisv verzoeken de overgangsregeling te beλindigen. Het Lisv willigt dat verzoek in met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar. Los hiervan geldt uiteraard dat wanneer betrokkene overigens niet langer in de termen van de vrijwillige WAO-verzekering valt, toepassing van de overgangsregeling eindigt. In een situatie bijvoorbeeld dat betrokkene niet langer in aanmerking komt voor de vrijwillige WAO-verzekering omdat hij niet langer werkzaam is, eindigt die verzekering en daarmee de overgangsregeling. Alsdan is er sprake van een onmiddellijk einde en niet met ingang van enig kalenderjaar.

 

Artikel 11. Vrijwillige WAO-verzekering voor vrijwillig WW-verzekerde

     Dit artikel en artikel 12 behelzen regels ten aanzien van personen die vrijwillig verzekerd zijn (geweest) op grond van de Werkloosheidswet (WW). Voor deze personen gold tot 1 januari 1998 dat zij uitzicht konden hebben op een AAW-uitkering na terugkeer in Nederland. Een aantal vrijwillig WW-verzekerden heeft reeds eerder een vrijwillige WAO-verzekering afgesloten uit hoofde waarvan zij tegen de geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid zijn verzekerd. Voor diegenen die deze verzekering niet hebben afgesloten, ontbreekt met ingang van 1 januari 1998 het uitzicht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van intrekking per die datum van de AAW. In verband daarmee wordt de groep personen die vrijwillig WW-verzekerd is alsnog de gelegenheid geboden een vrijwillige WAO-verzekering af te sluiten. Uitzondering geldt de categorie vrijwillig WW-verzekerden, genoemd in artikel 53, tweede lid, van de WW (huishoudelijk personeel). Deze categorie verzekerden is sedert 1 januari 1998 verzekerd op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
     Een aanvraag tot toelating tot de vrijwillige WAO-verzekering moet vσσr 1 juli 1998 worden gedaan. Deze datum komt overeen met de termijn waarbinnen gewezen vrijwillig AAW-verzekerden zich kunnen aanmelden voor de overgangsregeling vrijwillige WAO-verzekering (zie artikel 2).

 

Artikel 12. Vrijwillige WAO-verzekering voor vrijwillig WW-gerechtigde

     Voor de persoon die WW-uitkering geniet uit hoofde van zijn vrijwillige WW-verzekering gold tot 1 januari 1998 dat hij op grond van de AAW was verzekerd tegen de geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid. Met het vervallen van de AAW is die verzekering geλindigd. In verband hiermee wordt ook voor personen die WW-uitkering genieten de mogelijkheid geopend zich vrijwillig te verzekeren op grond van de WAO. Voor hen geldt een andere aanmeldingstermijn dan voor de groep vrijwillig WW-verzekerden (artikel 11). Dit omdat een persoon die uitkeringsgerechtigd is op grond van de vrijwillige WW-verzekering in Nederland verblijft, in tegenstelling tot de vrijwillig WW-verzekerde die in veel gevallen buiten Nederland verblijft. Een aanvraag door een persoon die uitkeringsgerechtigd is op grond van de vrijwillige WW-verzekering moet vσσr 1 april 1998 worden gedaan. Deze datum komt overeen met de termijn waarbinnen voor 1998 gestart zijnde zelfstandigen zich kunnen aanmelden voor de vrijwillige WAO-verzekering (zie artikel VI Invoeringswet Pemba [Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.]). Gelet op het feit dat op grond van de WW een uitkeringsrecht kan eindigen, bijvoorbeeld wegens een uitsluitingsgrond, doch na ommekomst weer herleeft, is in het derde lid geregeld dat een tijdelijke onderbreking van het recht op WW-uitkering de mogelijkheid van het afsluiten van een vrijwillige WAO-verzekering niet in de weg staat. Alsdan geldt na ommekomst van de uitsluitingsgrond en herleving van de WW-uitkering de mogelijkheid tot aanmelding voor de vrijwillige WAO-verzekering. Als de uitsluitingsgrond na 3 maart 1998 ophoudt te bestaan, bestaat de mogelijkheid tot aanmelding nog tot vier weken daarna. Immers, na 3 maart resteert minder dan vier weken tot het doen van een aanvraag vσσr 1 april. Teneinde betrokkene toch de gelegenheid te geven binnen een redelijke termijn van vier weken een aanvraag te doen, is daarom bepaald dat bij het eindigen van de uitsluitingsgrond na 3 maart 1998 alsnog binnen vier weken een aanvraag kan worden gedaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer een uitsluitingsgrond eindigt op 31 maart 1998, betrokkene vσσr 29 april 1998 een aanvraag tot toelating moet hebben gedaan.

 

Artikel 14. Inwerkingtreding

     Gelet op de noodzakelijke werking met ingang van 1 januari 1998 van zowel de overgangsregeling voor gewezen vrijwillig AAW-verzekerden die overgaan naar de vrijwillige WAO-verzekering, als de regeling die vrijwillig WW-verzekerden en uitkeringsgerechtigden de mogelijkheid biedt een vrijwillige verzekering voor de WAO af te sluiten, treedt deze regeling met terugwerkende kracht in werking met ingang van die datum.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x