Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

BESLUIT  BUITEN  AANMERKING  LATEN  VAN  ARBEIDSONGESCHIKTHEID  (WAO,  WAZ  EN  WAJONG)

Vervallen
m.i.v. 23 juni 2004
(art. 5 Regeling van 1 juni 2004, Stcrt. 2004, 115)

 
 

8 juli 1998, Stcrt. 1998, 140
Inwerkingtreding: 27 september 1998
(T.a.v. artt. 30 WAO, 11 WAZ en 10 Wajong)

 

 

 

 
     Het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op artikel 30 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), artikel 11 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong);

     Besluit:

 

 

Art. 1.
Het Lisv hanteert ten aanzien van de wettelijke bevoegdheid om arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten het in de bijlage weergeven beleid.

 

Art. 2.
Per datum ingang van dit besluit vervalt de FBV-circulaire d.d. 31 januari 1990 en wordt het beleid van de voormalige bedrijfsverenigingen voor de Bouwnijverheid (BV Bouw), de Bakkers, Detam, de Overheid en de Nieuwe Industrile Bedrijfsvereniging ten aanzien van artikel 30 WAO en artikel 21 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en het beleid van de BV Bouw met betrekking tot artikel 7b en 37 WAO ingetrokken.

 

Art. 3.
Dit besluit treedt in werking twee maanden na de bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid (WAO, WAZ en Wajong).

 

 

Amsterdam, 8 juli 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

Zakelijke weergave besluit

 

1. Inleiding


     De WAO, WAZ en Wajong kennen bepalingen waarbij toekennen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk geweigerd kan worden wanneer de verzekerde reeds geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is bij aanvang verzekering/ingezetenschap/studie of wanneer zijn gezondheidstoestand bij aanvang verzekering/ingezetenschap/studie arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten.
     Doel van de bepalingen is het weren van misbruik en oneigenlijk gebruik. Vr 1 januari 1998 stonden dergelijke bepalingen ook in artikel 30 WAO en artikel 21 AAW.

 

2. WAO en WAZ


2.1. Artikel 30, eerste lid, onderdeel a en b, WAO en artikel 11, eerste lid, en  2 WAZ


     Het Lisv (gemandateerd aan de uitvoeringsinstelling) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] is op grond van artikel 30, eerste en tweede lid, WAO en artikel 11, eerste en tweede lid, WAZ bevoegd met betrekking tot aanspraken op grond van de WAO en de WAZ geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten:
a. gehele arbeidsongeschiktheid welke bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid welke binnen een halfjaar na het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, is ingetreden, terwijl de gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van de aanvang van zijn verzekering het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten.
     De onder b aangegeven bevoegdheid geldt ook voor toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na de aanvang van de verzekering is ingetreden (artikel 30, tweede lid, WAO en artikel 11, tweede lid, WAZ).
     De onder b aangegeven bevoegdheid bestaat niet indien betrokkene onmiddellijk vr aanvang van de verzekering voor de WAO ambtenaar was (artikel 30, derde lid, WAO).

 

2.2. Aanvang van de verzekering


     De WAO-verzekering vangt aan op de eerste werkdag om 00.00 uur. Voor uitzendkrachten vangt de verzekering aan op het moment van aanvang van de werkzaamheden. Bij aaneensluitende verzekeringen is voor de toepassing van artikel 30 WAO bepalend de dag waarop de eerste verzekering inging. Een vrijwillige WAO-verzekering aansluitend aan een verplichte WAO-verzekering wordt als n verzekering beschouwd. Bij WAO-verzekering in Nederland aansluitend aan een in de EU/EER bestaande buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als aanvang van de verzekering beschouwd de aanvang van die buitenlandse verzekering.
     De WAZ-verzekering vangt aan op het moment waarop betrokkene als zelfstandige, beroepsbeoefenaar of meewerkend echtgenoot inkomsten uit arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven is gaan verwerven

 

2.3. Bevoegdheid op grond van de wet


     De bevoegdheid tot weigeren bestaat bij a. "gehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang" bij elke uitval ongeacht de periode gedurende welke betrokkene heeft gewerkt. Naarmate hij langer heeft gewerkt, is het wel minder waarschijnlijk dat hij inderdaad al arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering. De bevoegdheid tot weigeren bij b. "op grond van de gezondheidstoestand arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk te verwachten" bestaat alleen als de arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar na aanvang van de verzekering is ingetreden.
     De artikelen 30, eerste lid, WAO en 11, eerste lid, WAZ behandelen twee situaties die elkaar uitsluiten. Bij a. is betrokkene geheel arbeidsongeschikt bij aanvang van de verzekering, bij b. is hij nog niet arbeidsongeschikt, maar doet zijn gezondheidstoestand het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk verwachten. Achteraf is vaak wel te beoordelen dat n van beide situaties zich voordoet, maar niet altijd met voldoende zekerheid welke. De uitvoeringsinstelling mag zich primair beroepen op de ene grond en subsidiair op de andere grond.

 

2.4. Dezelfde oorzaak


     De bevoegdheid tot weigering bestaat alleen indien betrokkene arbeidsongeschikt is wegens dezelfde oorzaak als de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid die bestond bij aanvang van de verzekering, respectievelijk van de gezondheidstoestand op grond waarvan de stellige verwachting bestond van het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar na aanvang verzekering.

 

2.5. Beoordeling achteraf


     Nadat de betrokkene is uitgevallen, wordt de gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering beoordeeld. De uitvoeringsinstelling moet bij toepassing van a. "gehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering" beoordelen of hij de arbeidsongeschiktheid bij aanvang had kunnen vaststellen indien betrokkene bij aanvang van de verzekering medisch onderzocht zou zijn. Bij toepassing van b. "arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk te verwachten" moet de uitvoeringsinstelling beoordelen of na een onderzoek bij aanvang van de verzekering de stellige verwachting, een grote mate van zekerheid, zou hebben bestaan dat de gezondheidstoestand binnen een halfjaar tot arbeidsongeschiktheid zou leiden. Een stellige verwachting vereist niet dat absolute zekerheid bestaat dat betrokkene arbeidsongeschikt zal worden. Als slechts een verhoogde kans bestaat op arbeidsongeschiktheid is er echter nog geen stellige verwachting.

 

2.6. Gebruik van de bevoegdheid


     Niet in alle gevallen waarin de uitvoeringsinstelling op grond van de wet de bevoegdheid heeft tot weigering, maakt zij daarvan gebruik. De uitvoeringsinstelling hanteert bij het gebruik van de bevoegdheid van artikel 30, eerste en tweede lid, WAO en artikel 11, eerste en tweede lid, WAZ de volgende richtlijnen:
1. Als de verzekerde de uitval bij aanvang van de verzekering had kunnen verwachten - zulks ter beoordeling van de verzekeringsarts -, is weigering als regel gerechtvaardigd.
2. Als de verzekerde bij aanvang van de verzekering de uitval niet had kunnen verwachten - zulks ter beoordeling van de verzekeringsarts -, wordt arbeidsongeschiktheidsuitkering niet geweigerd als de verzekerde gedurende zes maanden normaal arbeid heeft verricht.
3. Als de verzekerde bij aanvang van de verzekering arbeidsongeschiktheid niet had kunnen verwachten - zulks ter beoordeling van de verzekeringsarts - en nog geen zes maanden normaal arbeid heeft verricht, wordt in beginsel arbeidsongeschiktheidsuitkering niet geweigerd, als:
- de verzekerde te goeder trouw een arbeidsverhouding is aangegaan maar nog vr de dag waarop de arbeid zou beginnen arbeidsongeschikt wordt door een niet voorzienbare, plotseling aan de dag tredende ziekte (bijvoorbeeld door een ongeval);
- wanneer de verzekerde vr aanvang van de verzekering is gekeurd en goedgekeurd en hij daarbij alle relevante gegevens heeft verstrekt.
     Er bestaat meer aanleiding tot weigering wanneer de verzekerde voor het eerst aan het arbeidsleven is gaan deelnemen.
     Er bestaat minder aanleiding tot weigeren naarmate er sinds de aanvang van de verzekering meer tijd is verstreken. Er is minder aanleiding te weigeren naarmate voor toepassing van de bevoegdheid langer uitkering is verstrekt. Ook indien de uitvoeringsinstelling aanvankelijk wel ziekengeld en eventueel arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt, maar later tot de conclusie komt dat zij bevoegd is tot weigeren, kan in beginsel namelijk doorgaans nog van de bevoegdheid om uitkering te weigeren gebruik worden gemaakt.
4. Van de bevoegdheid tot weigeren wordt geen gebruik gemaakt bij arbeidsongeschiktheid na een periode van ouderschapsverlof waarin geen verzekering bestond.
     De uitvoeringsinstelling is in beginsel bevoegd gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 30 WAO en artikel 11 WAZ nadat hij eerder ten onrechte een beroep gedaan heeft op artikel 18, tweede lid, WAO respectievelijk artikel 2, tweede lid, WAZ.

1. Als de Wet onbetaald zorgverlof in werking treedt (vermoedelijk per 1 oktober 1998), is dit ook wettelijk geregeld.

 

3. Wajong


3.1. Artikel 10, eerste lid, Wajong


     Op grond van artikel 10, eerste lid, Wajong is het Lisv (gemandateerd aan de uitvoeringsinstelling) bevoegd met betrekking tot aanspraken op grond van de Wajong geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten:
a. gehele arbeidsongeschiktheid die bestond op de dag dat een persoon ingezetene werd;
b. arbeidsongeschiktheid die is ingetreden binnen een halfjaar na het tijdstip waarop een persoon ingezetene werd, terwijl de gezondheidstoestand van die persoon op dat tijdstip het intreden van de arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten;
c. arbeidsongeschiktheid die bestond op de eerste dag dat een persoon studerende was als bedoeld in artikel 5, tweede lid, Wajong;
d. arbeidsongeschiktheid die is ingetreden binnen een halfjaar na het tijdstip waarop een persoon studerende werd, terwijl de gezondheidstoestand van die persoon op dat tijdstip het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen verwachten. De onder b en d aangegeven bevoegdheid geldt ook voor toeneming van de arbeidsongeschiktheid, voor zover deze toeneming kennelijk is voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na de aanvang van het ingezetenschap of na aanvang van de studie is ingetreden (artikel 10, tweede lid, Wajong).
     De bevoegdheid bestaat niet ten aanzien van de jonggehandicapte die op de dag dat hij ingezetene werd (in Nederland ging wonen) jonger dan 17 jaar was en die gedurende de zes jaar onmiddellijk voor zijn 17e jaar in Nederland heeft gewoond (artikel 10, derde lid, Wajong). Bij deze jonggehandicapten wordt dus geen arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking gelaten. Voor de zesjareneis en voor de eis dat de jonggehandicapte op zijn 17e jaar in Nederland moet wonen, moeten de tijdvakken van wonen in een andere EU/EER-lidstaat worden gelijkgesteld aan tijdvakken van wonen in Nederland. Dit geldt uitsluitend voor betrokkenen in de situaties waarop de Verordening 1408/71 van toepassing is (Mededeling M 97.81).
     Vroeggehandicapte kinderen en studerenden op wie de Verordening 1408/71 van toepassing is en die op hun 17e verjaardag en daarna in een andere EU/EER-lidstaat wonen, kunnen dus in aanmerking worden gebracht voor een Wajong-uitkering. Bij een eventuele verhuizing naar het buitenland is de Wajong-uitkering echter niet exporteerbaar.

1. Daar waar in het vervolg wonen in Nederland staat, dient gelezen te worden: wonen in Nederland en/of een ander EU/EER-lidstaat. Zoals vermeld, geldt dit uitsluitend voor betrokkenen in de situaties waarop de Verordening 1408/71 van toepassing is.

 

3.2. Aanvang ingezetenschap en studerend


     Op de dag waarop de jonggehandicapte arbeidsongeschikt wordt, moet deze in Nederland wonen (ingezetene zijn). Jonggehandicapten kunnen onderscheiden worden in:
- degenen die op de dag waarop hij 17 jaar wordt arbeidsongeschikt is;
- degenen die na het 17e jaar arbeidsongeschikt zijn geworden en in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten minste zes maanden hebben gestudeerd.

 

3.3. Dezelfde oorzaak


     De bevoegdheid tot weigering bestaat alleen indien betrokkene arbeidsongeschikt is wegens dezelfde oorzaak als de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid die bestond bij aanvang van het ingezetenschap of aanvang van de studie, respectievelijk van de gezondheidstoestand op grond waarvan de stellige verwachting bestond van het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar na aanvang ingezetenschap of aanvang studie.

 

3.4. Beoordeling achteraf


     Nadat de betrokkene is uitgevallen, wordt de gezondheidstoestand bij aanvang van het ingezetenschap respectievelijk aanvang van de studie beoordeeld. De uitvoeringsinstelling moet bij toepassing van a. "gehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van het ingezetenschap" en c. "arbeidsongeschiktheid die bestond op de eerste dag dat een persoon studerende was" beoordelen of hij de arbeidsongeschiktheid bij aanvang had kunnen vaststellen indien betrokkene bij aanvang van het ingezetenschap/de studie medisch zou zijn onderzocht. Bij toepassing van b. en d. "arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk te verwachten" moet de uitvoeringsinstelling beoordelen of na een onderzoek bij aanvang van het ingezetenschap/de studie de stellige verwachting, een grote mate van zekerheid, zou hebben bestaan dat de gezondheidstoestand binnen een halfjaar tot arbeidsongeschiktheid zou leiden. Een stellige verwachting vereist niet dat absolute zekerheid bestaat dat betrokkene arbeidsongeschikt zal worden. Als slechts een verhoogde kans bestaat op arbeidsongeschiktheid, is er echter nog geen stellige verwachting.

 

3.5. Gebruik van de bevoegdheid


     Niet in alle gevallen waarin de uitvoeringsinstelling op grond van de wet de bevoegdheid heeft tot weigering, maakt zij daarvan gebruik. De uitvoeringsinstelling hanteert bij het gebruik van de bevoegdheid van artikel 10, eerste en tweede lid, Wajong de volgende richtlijnen ten aanzien van de onder 3.2 vermelde twee categorien jonggehandicapten:


3.5.1. Jonggehandicapten (die op de dag waarop zij 17 jaar zijn geworden arbeidsongeschikt zijn)

     Geen bevoegdheid om te weigeren bestaat ten aanzien van jonggehandicapten die in de zes jaar onmiddellijk vr het 17e jaar in Nederland hebben gewoond (zie onder 3.1).
     Van de weigeringsbevoegdheid wordt verder in de volgende situaties geen blijvend gebruik gemaakt en wordt Wajong-uitkering verstrekt nadat de jonggehandicapte die bij aanvang ingezetenschap reeds arbeidsongeschikt was, zes jaar onafgebroken in Nederland heeft gewoond:
1. De jonggehandicapte die in verband met gezinshereniging naar Nederland komt.
     Voldaan dient te worden aan de volgende voorwaarden:
- de jonggehandicapte moet op zijn 17e verjaardag en daarna in Nederland wonen;
- n van zijn ouders heeft voor hem kinderbijslag genoten;
- de reden van vestiging in Nederland van de jonggehandicapte moet gezinshereniging zijn;
- de kostwinner van het gezin waartoe de jonggehandicapte behoort, moet minstens drie jaar aaneengesloten in Nederland hebben gewerkt;
- de jonggehandicapte en het gezin waartoe hij behoort, moeten de intentie hebben blijvend deel uit te maken van de Nederlandse samenleving;
2a. de jonggehandicapte is een vluchteling met de zogenaamde A-status (de uitgenodigde vluchteling);
2b. de jonggehandicapte heeft Nederland verlaten hetzij wegens gezondheidsredenen, hetzij wegens redenen gelegen in de inkomensverwerving in het buitenland (door ouders/verzorgers) en heeft gedurende het verblijf in het buitenland een band met Nederland gehouden;
2c. de jonggehandicapte heeft Nederland verlaten om andere redenen dan onder 2b genoemd, verbleef slechts zeer kort in het buitenland (korter dan twee jaar) en heeft gedurende het verblijf in het buitenland een sterke band met Nederland gehouden.
     In deze drie gevallen dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
- de jonggehandicapte moet op zijn 17e verjaardag en daarna in Nederland wonen;
- de jonggehandicapte moet de bedoeling hebben blijvend deel uit te maken van de Nederlandse samenleving.
     Dit is een continuering van het beleid dat de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging hanteerde.


3.5.2. Jonggehandicapte studerenden (die na hun 17e jaar arbeidsongeschikt zijn geworden en in het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop zij arbeidsongeschikt zijn geworden gedurende ten minste zes maanden hebben gestudeerd).

     1. Als de jonggehandicapte studerende de uitval bij aanvang van de studie (als bedoeld in artikel 5, tweede lid) had kunnen verwachten - zulks ter beoordeling van de verzekeringsarts -, is weigering als regel gerechtvaardigd. Indien aan dit studeren ander studeren/leren is voorafgegaan, wordt van de bevoegdheid echter geen gebruik gemaakt.
     2. Als de jonggehandicapte studerende bij aanvang van de studie de uitval niet had kunnen verwachten - zulks ter beoordeling van de verzekeringsarts -, wordt arbeidsongeschiktheidsuitkering niet geweigerd. Wel moet voldaan zijn aan de wettelijke voorwaarde dat hij reeds zes maanden studerende was in het jaar voorafgaand aan de uitval (eerste arbeidsongeschiktheidsdag).
     De uitvoeringsinstelling is in beginsel bevoegd gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van artikel 10, eerste lid, Wajong nadat de jonggehandicapte eerder ten onrechte een beroep gedaan heeft op artikel 2, tweede lid, Wajong.

1. Tijdvakken van studie in een andere EU/EER-lidstaat tellen mee in de situaties waarop de EG-verordening 1408/71 van toepassing is.

 

Amsterdam, 8 juli 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x