Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 19 september 2008

 

BESLUIT  BELEIDSREGELS  UURLOONSCHATTING  2004

Vervallen
m.i.v. 20 september 2008
(art. 5 Bu08)

 
 

13 september 2004, Stcrt. 2004, 186
Inwerkingtreding: 1 oktober 2004
(T.a.v. artt. 6 en 46 Wet WIA, 18 WAO, 2 WAZ en 2 Wajong en Sa)
(Zie ook Bu99)

 

 

 

 
     Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
     Gelet op artikel 18 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsomschrijvingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid: arbeid als bedoeld in artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten;
b. maatgevende arbeid: arbeid verricht door de gelijksoortige gezonde persoon als bedoeld in artikel 1 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 18 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en artikel 2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
c. mediane uurloon: uurloon als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

 

Art. 1a. Grondslag
Dit besluit berust mede op de artikelen 6 en 46 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

 

Art. 2. Toepassingsbereik
Bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan de hand van een uurloonvergelijking als bedoeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat luidt sinds 1 oktober 2004, worden de volgende bepalingen in acht genomen.

 

Art. 3. Berekening resterende verdiencapaciteit
-1. Is de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid kleiner dan de urenomvang van de maatgevende arbeid, dan wordt het mediane uurloon vermenigvuldigd met een factor a/b. Hierbij is a gelijk aan de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid en is b gelijk aan de urenomvang van de maatgevende arbeid.
-2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt de urenomvang van de aan de schatting ten grondslag gelegde arbeid als volgt vastgesteld:
a. de urenomvang wordt per SBC-code gesteld op de grootste urenomvang van de binnen de SBC-code geselecteerde functies;
b. vervolgens wordt van de drie bij de schatting gehanteerde SBC-codes de kleinste urenomvang aangehouden.
-3. Bij de toepassing van het eerste lid wordt de urenomvang van de maatgevende arbeid maximaal gesteld op 38 uur.
-4. Is betrokkene op medische gronden minder dan 38 uur en tevens minder dan het aantal uren van de maatgevende arbeid belastbaar, dan wordt het eerste lid pas toegepast nadat het mediane uurloon overeenkomstig het bepaalde in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is gemaximeerd op het maatmaninkomen per uur.

 

Art. 4. Feitelijk verrichte arbeid
-1. Wordt bij het bepalen van hetgeen nog kan worden verdiend uitgegaan van feitelijk verrichte arbeid met een urenomvang kleiner dan de, met inachtneming van het derde lid van artikel 3 vastgestelde, urenomvang van de maatgevende arbeid, dan wordt het uurloon van de feitelijk verrichte arbeid vermenigvuldigd met een factor a/b.
-2. Hierbij is a gelijk aan de urenomvang van de feitelijk verrichte arbeid; b is gelijk aan de urenomvang van de maatgevende arbeid en bedraagt maximaal 38 uur.

 

Art. 5. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 2004.

 

 

     Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

Amsterdam, 13 september 2004.
J.M. Linthorst, voorzitter Raad van bestuur UWV
.

 

 

 

TOELICHTING
[13 september 2004]

 

Algemeen

 

     De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door vergelijking van het inkomen dat betrokkene zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden (maatmaninkomen) met het inkomen dat hij na het intreden van de arbeidsongeschiktheid nog kan verdienen (resterende verdiencapaciteit). Sinds de wijziging van het Schattingsbesluit per 31 december 1997 worden hierbij uurlonen gehanteerd. In het Besluit uurloonschatting 1999 (BUS 1999) is neergelegd op welke wijze, zowel bij het selecteren van de arbeid die nog kan worden verricht als bij de berekening van het uurloon dat nog kan worden verdiend, rekening wordt gehouden met de urenomvang van de arbeid die door de gelijksoortige gezonde persoon wordt verricht (maatgevende arbeid). Volgens het BUS 1999 wordt bij het selecteren van functies de zogenaamde bandbreedtemethode gehanteerd. Bij het berekenen van het uurloon dat nog kan worden verdiend, wordt een reductiefactor toegepast in gevallen waarin de urenomvang van de nog te verrichten arbeid kleiner is dan die van de maatgevende arbeid.
     Met de aanpassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten per 1 oktober 2004 is de urenomvang van de maatgevende arbeid niet langer relevant bij het selecteren van de arbeid die nog kan worden verricht. Elke functie, ongeacht de urenomvang, wordt voortaan in de selectie betrokken. Deze wijziging heeft geleid tot hernieuwde vaststelling van het door UWV bij de uurloonvergelijking te hanteren beleid. De zogenaamde bandbreedtemethode vervalt. De toepassing van de reductiefactor is gehandhaafd, met dien verstande dat rekening gehouden wordt met de in het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten voorgeschreven maximering van de urenomvang van de maatgevende arbeid op 38 uur.
     Het beleid bij schatting op basis van een combinatie van functies is niet langer opgenomen. Het samenvoegen van (deeltijd)functies, opdat de totale urenomvang van die combinatie de urenomvang van de maatgevende functie zoveel mogelijk benadert, kwam namelijk vooral aan de orde in gevallen waarin de urenomvang van de maatgevende functie (veel) groter is dan 38 uur. Nu de omvang van de maatgevende arbeid op maximaal 38 uur wordt gesteld is, zal het combineren van functies vrijwel niet meer voorkomen en vervalt de noodzaak tot het vaststellen van beleid hieromtrent. De bepalingen inzake de ingangsdatum van een herziening zijn eveneens niet overgenomen. In tegenstelling tot de situatie in december 1997, waarbij van een maandloonvergelijking werd overgegaan naar een uurloonvergelijking, zal de per 1 oktober 2004 gerealiseerde aanpassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in beginsel niet leiden tot een verhoging van de uitkering op uitsluitend arbeidsdeskundige gronden. Vaststelling van beleid inzake de bij een dergelijke verhoging te hanteren ingangsdatum is daarom nu niet nodig. Toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten kan wel leiden tot verlaging of intrekking van de uitkering. De wijze waarop de ingangsdatum van een eventuele verlaging of intrekking van de uitkering wordt vastgesteld, is reeds opgenomen in het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijnen WAO, WAZ en Wajong 1999.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 2

     Artikel 2 regelt dat de bepalingen van het besluit alleen van toepassing zijn als de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld aan de hand van een uurloonvergelijking als bedoeld in het gewijzigde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Voor gevallen waarin wl een uurloonvergelijking aan de orde is, maar de hier relevante wijzigingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten net gelden, blijft het Besluit uurloonschatting 1999 van toepassing. Dit betreft degene:
- van wie de uitkering is ingegaan vr of op 1 oktober 2004; en
- die vr of op 1 juli 1949 is geboren dan wel op wie het tot 1 januari 1987 of het tot 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing is.

 

Artikel 3. Algemeen

     Uit het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door vergelijking van het maatmaninkomen met het inkomen dat nog met arbeid kan worden verdiend. Uit de toelichting bij het besluit tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten per 1 oktober 2004 blijkt dat in gevallen waarin de urenomvang van de nog te verrichten arbeid - op medische gronden dan wel anderszins - kleiner is dan die van de maatgevende arbeid, het uurloon dat nog kan worden verdiend moet worden aangepast. De eerder genoemde toelichting verwijst in dit verband expliciet naar de toepassing van de reductiefactor, zoals geregeld in het Besluit uurloonschatting 1999. In artikel 3 is daarom een daarmee vergelijkbare regeling tot toepassing van een reductiefactor opgenomen.

 

Artikel 3, eerste lid

     Volgens het bepaalde in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten wordt het uurloon dat nog met arbeid kan worden verdiend, vastgesteld op het middelste loon van de drie geselecteerde functies (in de uitvoeringspraktijk: SBC-codes [SBC: Standaard Beroepenclassificatie, red.]). Het aldus bepaalde mediane uurloon wordt vervolgens met toepassing van een reductiefactor verlaagd als de urenomvang van de geselecteerde arbeid kleiner is dan die van de maatgevende arbeid. In het eerste lid van artikel 3 is aangegeven hoe de reductiefactor wordt vastgesteld. Dit komt overeen met hetgeen hieromtrent in het Besluit uurloonschatting 1999 is bepaald, met dien verstande dat de omvang van de maatgevende arbeid nu op maximaal 38 uur wordt gesteld.

 

Artikel 3, tweede lid

     Volgens het bepaalde in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten worden ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen geselecteerd. Onder functies wordt in de uitvoeringspraktijk verstaan SBC-codes. In een SBC-code zijn gelijksoortige functies samengevoegd. Om te voldoen aan de voorwaarde van ten minste drie arbeidsplaatsen per SBC-code kan het voorkomen dat per SBC-code meer dan n functie wordt geselecteerd. Het is dan mogelijk dat de urenomvang van de binnen eenzelfde SBC-code vallende functies niet gelijk is. Ook is het mogelijk dat de urenomvang van de drie geselecteerde SBC-codes niet gelijk is. In het tweede lid van artikel 3 is daarom nader bepaald op welke wijze de urenomvang van de geselecteerde functies wordt vastgesteld. Dit komt overeen met hetgeen hieromtrent in het Besluit uurloonschatting 1999 is bepaald en is inmiddels door de CRvB [Centrale Raad van Beroep, red.] onderschreven (CRvB 9 december 2003, USZ 2004/33).

 

Artikel 3, derde lid

     Uit het bepaalde in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat, in gevallen waarin de urenomvang van de maatgevende arbeid groter is dan in het algemeen gebruikelijk is bij een voltijdse aanstelling, deze bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit - en dus bij vaststelling van de te hanteren reductiefactor - wordt gesteld op 38 uur.

 

Artikel 3, vierde lid

     Is betrokkene gedurende minder uren dan het aantal maatmanuren (maximaal 38) belastbaar, dan gelden twee bepalingen op grond waarvan het uurloon dat nog kan worden verdiend, wordt verlaagd. Enerzijds is in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten geregeld dat dit uurloon niet meer bedraagt dan het uurloon van de maatman. Anderzijds volgt uit de overige leden van artikel 3 van dit beleidsbesluit dat een reductiefactor wordt toegepast. Teneinde duidelijk te maken in welke volgorde deze bepalingen worden toegepast, is in het vierde lid van artikel 3 aangegeven dat eerst zo nodig het uurloon wordt gemaximeerd op het maatmanuurloon en dat daarna de reductiefactor wordt toegepast.

 

Artikel 4

     Wordt de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald aan de hand van feitelijk verrichte arbeid, dan wordt eveneens een reductiefactor toegepast als de omvang van deze arbeid kleiner is dan die van de maatgevende arbeid. De hierbij te hanteren methode is vergelijkbaar met de methode die volgens het bepaalde in artikel 3 wordt gehanteerd bij een schatting aan de hand van geselecteerde, niet feitelijk uitgeoefende, functies. Ook hier is aangesloten bij de reeds met het BUS 1999 ingevoerde handelwijze, met dien verstande dat de reductiefactor nog slechts kan worden toegepast als minder dan 38 uur wordt gewerkt.

 

Amsterdam, 13 september 2004.
J.M. Linthorst, voorzitter Raad van bestuur UWV
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x