Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2004

 

REGELING  PREMIEHEFFING  WAZ

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2005
(art. I, onderdeel L, Wet einde toegang verzekering WAZ)

 
 

17 december 1997, Stcrt. 1997, 248
Inwerkingtreding: 1 januari 1998
(T.a.v. artt. 72, 73 en 77 WAZ)

 

 

 

 
17 december 1997/nr. SV/WV/97/5121
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Financin;
     Gelet op de artikelen 72, 73 en 77 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Algemeen
-1. Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 71, 72, 73 en 77 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
-2. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
b. de verzekerde: de verzekerde in de zin van de wet;
c. het heffingspercentage: het percentage dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het premiepercentage, bedoeld in artikel 73 van de wet, en op honderdsten naar beneden wordt afgerond;
d.
inkomensbestanddelen: de in het kalenderjaar genoten winst uit onderneming, winst uit Nederlandse onderneming alsmede de zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid, bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de wet.
-3. Voor de toepassing van deze regeling wordt onder mogendheid mede verstaan de Nederlandse Antillen en Aruba.

 

Art. 2. Maximumpremie-inkomen
Het maximumpremie-inkomen, bedoeld in artikel 72, tweede lid, van de wet, wordt gesteld op |38 118,00.

 

Art. 3. Samenstelling premie-inkomen
Voor de premieheffing behoren niet tot het premie-inkomen:
a. winst uit een onderneming of Nederlandse onderneming die niet voor eigen rekening feitelijk wordt gedreven;
b. winst genoten uit hoofde van een dienstbetrekking;
c. uitkeringen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid op grond van de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van die andere mogendheid inzake uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid;
d. ten aanzien van de verzekerde die tevens inkomensbestanddelen geniet als bedoeld in artikel 4 of 5 van de wet uit hoofde waarvan hij niet is verzekerd: de inkomensbestanddelen uit hoofde waarvan hij niet is verzekerd.
e. bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdeel a, b en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

 

Art. 4. Hoogte basisfranchise
Het bedrag, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet, wordt gesteld op |13 160,00.

 

Art. 5. Samenstelling franchise
-1. De inkomsten uit dienstbetrekking, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet, worden gevormd door:
a. inkomsten uit in dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid;
b. inkomsten uit tegenwoordige arbeid van de persoon die op grond van artikel 3 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de daarop berustende bepalingen niet als werknemer wordt beschouwd, behoudens:
1. inkomensbestanddelen uit hoofde waarvan hij verzekerd is;
2. inkomsten verkregen uit werkzaamheden als bedoeld in artikel 6, eerste lid aanhef, tweede lid aanhef, derde lid aanhef, vierde lid aanhef, artikel 7, eerste lid aanhef, of artikel 8, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990;
c. winst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b;
d. uitkeringen uit hoofde van de verplichte verzekering op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet, hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet en de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria;
e. uitkeringen uit hoofde van wettelijke regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de in onderdeel d genoemde uitkeringen; en
f. uitkeringen van een volkenrechtelijke organisatie of op grond van de wetgeving van een andere mogendheid, die naar aard en strekking overeenkomen met de in onderdeel d genoemde uitkeringen;
doch ten hoogste het bedrag aan inkomsten gelijk aan het loonbedrag waarnaar in een kalenderjaar op grond van artikel 9, eerste lid, van de Cordinatiewet Sociale Verzekering ten hoogste premie wordt geheven.
-2. Tot de inkomsten uit dienstbetrekking, bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet, behoort niet het bedrag dat tot het belastbaar loon wordt gerekend, bedoeld in artikel 3.145, eerste en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

 

Art. 6. 65-jarige leeftijd
Ingeval de premieplicht eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt van hem de premie geheven naar het heffingspercentage.

 

Art. 7. Wijziging in de premieplicht
-1. Ten aanzien van de persoon die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar niet premieplichtig doch wel belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting en op wie artikel 6 van deze regeling niet van toepassing is, wordt voor de premieheffing als premie-inkomen in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het in artikel 2 van deze regeling vermelde premie-inkomen dat maximaal in aanmerking zou zijn genomen indien gedurende het gehele kalenderjaar sprake zou zijn geweest van premieplicht, tenzij toepassing van de bepalingen in de wet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager premie-inkomen leidt.
-2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt als premie-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan de inkomensbestanddelen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en n of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van een andere mogendheid inzake uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.

 

Art. 8. Rekenregels
Ingeval het heffingspercentage of het premie-inkomen moet worden bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:
a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;
b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;
c. de dag waarop het tijdvak aanvangt als een gehele dag in aanmerking genomen;
d. de dag waarop het tijdvak eindigt niet in aanmerking genomen.

 

Art. 9. Fictieve premieplicht
Voor de toepassing van artikel 72 van de wet wordt de persoon die verzekerd is uit hoofde van werkzaamheden waarvan de opbrengst niet aan de inkomstenbelasting is onderworpen, geacht ook voor die opbrengst daaraan te zijn onderworpen. In dat geval wordt tot het premie-inkomen gerekend het bedrag aan winst dan wel aan inkomsten uit de werkzaamheden uit hoofde waarvan hij verzekerd is.

 

Art. 10. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.

 

Art. 11. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling premieheffing WAZ.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

s-Gravenhage, 17 december 1997.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

TOELICHTING
[17 december 1997]

 

Algemeen

 

     Als onderdeel van een pakket van wetten waarmee wordt beoogd om de marktwerking op het terrein van de sociale verzekeringen te versterken, is de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) tot stand gekomen. De WAZ voorziet in een afzonderlijke verzekering tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid en in een uitkeringsregeling in verband met bevalling [zie Wet arbeid en zorg, red.] voor zelfstandigen, meewerkende echtgenoten en overige niet-werknemers met inkomsten uit arbeid. De WAZ (Stb. 1997, 176) treedt in werking met ingang van 1 januari 1998. Onder niet-werknemers worden in dit verband verstaan degenen die geen dienstbetrekking in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vervullen. Daarbij is niet van belang of sprake is van een dienstbetrekking volgens de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), zoals bij directeuren-grootaandeelhouders het geval kan zijn.
     De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) wordt per 1 januari 1998 ingetrokken.
     In hoofdstuk 6 van de WAZ is de financiering geregeld. Uitgangspunt daarbij is dat voor de premieheffing is aangesloten bij begrippen uit de Wet IB 1964, met uitzondering van het begrip dienstbetrekking dat overeenkomstig de bepalingen van de WAO wordt uitgelegd. Verder is in de onderhavige ministerile regeling (hierna: regeling) zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels die gelden voor de premieheffing volksverzekeringen.
     De premieheffing strekt zich uit over het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar genoten winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming en zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid, zoals deze begrippen zijn gedefinieerd in artikel 1 van de WAZ. Daarbij wordt rekening gehouden met een maximumpremie-inkomensgrens en een franchise.
     Meestal zal de premieheffing zich probleemloos voltrekken door het volledig samenvallen van de premieplicht met de belastingplicht. Dit geldt ook wanneer de premieplicht niet het gehele jaar duurt, maar zowel de premieheffing als de belastingheffing betrekking hebben op eenzelfde gedeelte van het kalenderjaar. Ook in dat geval wordt premie geheven over het gezamenlijke bedrag van de in het kalenderjaar genoten winst uit onderneming, winst uit binnenlandse onderneming en zuivere inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid. Daarbij wordt rekening gehouden met zowel het volledig maximumpremie-inkomen als met de gehele franchise. Deze wijze van premieheffing komt overeen met de regeling die gold voor de AAW en sluit nauw aan bij de regels die van toepassing zijn bij de premieheffing volksverzekeringen.
     Indien de premieplicht het hele jaar duurt maar er in een kalenderjaar zowel sprake is van binnenlandse als buitenlandse belastingplicht, dan worden er overeenkomstig de regels die gelden voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, twee aanslagen voor de premieheffing WAZ opgelegd, n aanslag over de binnenlandse en n aanslag over de buitenlandse periode. Hierbij worden voor elke aanslag het maximumpremie-inkomen en de franchise gehanteerd. Over de vraag of deze wijze van premieheffing voor wat betreft de volksverzekeringen strijdig is met het EG-recht zijn prejudicile vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de EG (Terhoeve, zaak C-18/95). Nu voor de premieheffing WAZ is aangesloten bij de heffing bij wege van aanslag op grond van de Wet IB 1964 en de Wet financiering volksverzekeringen, is besloten deze heffingssystematiek ook voor de WAZ te volgen in afwachting van een beslissing van het Europees Hof.
     Het voorgaande neemt niet weg dat de in de WAZ opgenomen bepalingen inzake de premieplicht, de maatstaf van premieheffing, de franchise en het tarief, voor een aantal situaties nadere en zo nodig afwijkende regelgeving behoeven. De WAZ biedt hiertoe de mogelijkheid in artikel 77. Daarnaast wordt met de onderhavige regeling uitvoering gegeven aan de delegatiebepalingen van de artikelen 72 en 73 van de WAZ, ter vaststelling van respectievelijk het maximumpremie-inkomen en de franchise (artikel 2 en 4 van de regeling). Hiermee wordt bereikt dat in de uitvoeringspraktijk zo weinig mogelijk verschillende regelingen behoeven te worden geraadpleegd. Met betrekking tot de franchise is verder in artikel 5 van de regeling bepaald wat onder de inkomsten uit dienstbetrekking moet worden verstaan.
     Voorts zijn in de regeling nadere voorzieningen opgenomen voor een viertal situaties, zijnde:
- een aantal binnenlandse en buitenlandse situaties (artikel 3);
- de situatie waarin de verzekerde in het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar bereikt (artikel 6);
- de situatie waarin de premieplicht eindigt in de loop van het kalenderjaar of in de loop van het voor de belastingheffing geldende tijdvak waardoor de premieplicht zich niet uitstrekt over de gehele periode van de belastingplicht anders dan in het geval waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt (artikel 7);
- de situatie waarin zich premieplicht voordoet terwijl er geen belastingplicht is (artikel 9).
     In de hierna opgenomen artikelsgewijze toelichting zijn ter verduidelijking cijfervoorbeelden opgenomen, waarbij het voor 1998 geldende premiepercentage van 7,9% wordt gehanteerd.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 1. Algemeen

     In het eerste lid wordt tot uitdrukking gebracht op welke bepalingen in de WAZ deze regeling betrekking heeft. In het tweede lid zijn enige definitiebepalingen opgenomen.

 

Artikel 2. Maximumpremie-inkomen

     Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 3. Samenstelling premie-inkomen

     Op de voet van het eerste lid, onderdeel a, wordt winst, behaald met een onderneming of binnenlandse onderneming die niet voor eigen rekening feitelijk wordt gedreven, uitgesloten van het premie-inkomen. Deze uitsluiting vloeit voort uit artikel 4 van de WAZ en leidt ertoe dat over de winst die de verzekerde, bijvoorbeeld als commanditaire vennoot, geniet, geen WAZ-premie is verschuldigd.
     In het eerste lid, onderdeel b, is sprake van winst genoten uit hoofde van een dienstbetrekking. Het gaat hier om de in de praktijk weinig voorkomende situatie dat in fiscale zin weliswaar sprake is van het genieten van winst uit onderneming, maar voor de WAO sprake is van een dienstbetrekking. Het kan hierbij onder andere gaan om de persoon die zelfstandig organisatieadviseur is en uit hoofde van zijn adviseurschap tijdelijk wordt binnengehaald door een bedrijf om daarbinnen als interimmanager te fungeren. De inkomsten die hij uit hoofde van dat interimmanagerschap verwerft, worden fiscaal beschouwd als onderdeel van de winst. Deze winst is echter, omdat er sprake is van een dienstbetrekking in de zin van de WAO, in de premieheffing WAO betrokken. Om te bereiken dat deze winst niet ook nog eens voor de premieheffing WAZ in aanmerking wordt genomen, wordt deze op de voet van het eerste lid, onderdeel b, niet tot het premie-inkomen gerekend. Deze winst dient dan ook in aanmerking te worden genomen voor de franchise. Dat is geregeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b.
     Het eerste lid, onderdeel c, van dit artikel voorziet erin dat buitenlandse arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van de inkomstenbelasting als winst uit onderneming worden aangemerkt, niet tot het premie-inkomen worden gerekend. Als voorwaarde wordt daarbij gesteld dat die uitkeringen krachtens de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid zijn onderworpen aan een premieheffing uit hoofde van een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid. Met deze voorziening wordt dubbele premieheffing voorkomen.
     Op grond van het eerste lid, onderdeel d, worden de inkomensbestanddelen die niet tot WAZ-verzekering leiden, uitgezonderd van het premie-inkomen. Een voorbeeld van een dergelijke situatie is een buitenlands diplomatiek personeelslid dat naast zijn werkzaamheden in diplomatieke dienst andere werkzaamheden als bedoeld in artikel 4 of 5 van de WAZ verricht. Op grond van artikel 3 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden WAZ is deze persoon, wat zijn werkzaamheden in diplomatieke dienst betreft, uitgezonderd van verzekering. Op grond van zijn overig inkomen kan hij wel WAZ-verzekerd zijn. Aangezien tot het premie-inkomen in de zin van artikel 72 van de wet alle inkomsten uit buiten dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid behoren, zou zonder nadere regeling ook premie worden geheven over de inkomensbestanddelen uit hoofde van de werkzaamheden in diplomatieke dienst.
     Een ander voorbeeld is de directeur-grootaandeelhouder die zowel in Nederland als in Belgi werkzaam is. In een dergelijke grensoverschrijdende situatie dient aan de hand van de bepalingen van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PbEG, L 149, nadien gewijzigd (hierna de Verordening), te worden vastgesteld welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is. De conflictregels van de Verordening knopen in dit verband aan bij de aard van de werkzaamheden, namelijk of deze al dan niet in loondienst worden verricht. De vraag of iemand voor de toepassing van artikel 14bis en artikel 14quater van de Verordening werkzaamheden in loondienst of werkzaamheden anders dan in loondienst verricht, moet worden beantwoord aan de hand van de socialeverzekeringswetgeving van het land waar de werkzaamheden worden verricht, zo vloeit voort uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EG (arrest van 30 januari 1997, zaak C-340/94, E.J.M. de Jaeck versus de Staatssecretaris van Financin, VN1997/954).
     De kwalificatie van de werkzaamheden van de directeur-grootaandeelhouder vertoont in de Nederlandse situatie bijzondere aspecten. Voor de toepassing van de volksverzekeringen worden deze werkzaamheden aangemerkt als werkzaamheden in loondienst, omdat de premieheffing bij wege van inhouding plaatsvindt; voor de WAZ worden deze werkzaamheden aangemerkt als verricht door een zelfstandige. Voor deze hybride situatie bevat titel II van de Verordening thans geen uitdrukkelijke regel. Niettemin dient zoveel mogelijk aansluiting te worden gevonden bij de wel daarin geregelde gevallen. Uitgangspunt daarbij dient dan te zijn dat een persoon gedurende hetzelfde tijdvak wegens de uitoefening van dezelfde werkzaamheden niet kan worden onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van twee verschillende lidstaten. Hieruit zou immers een dubbele premieheffing kunnen voortvloeien over dezelfde inkomsten wegens verzekering voor dezelfde takken van sociale zekerheid. Dit zou het geval zijn wanneer de werkzaamheden in Nederland, voor zover die tot verzekering op grond van de WAZ leiden, moeten worden aangemerkt als werkzaamheden anders dan in loondienst waarop niet de Nederlandse wetgeving maar de wetgeving voor zelfstandigen van het woonland van toepassing zou zijn. Op grond van artikel 14bis, tweede lid, juncto artikel 14quater, aanhef en onder b, van de Verordening is immers bij de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst in twee lidstaten, waaronder de woonstaat, de wetgeving van deze woonstaat van toepassing. De inkomsten uit dezelfde werkzaamheden worden evenwel bij wege van inhouding in de premieheffing voor de Nederlandse volksverzekeringen betrokken. De verzekering voor de volksverzekeringen brengt om die reden mee dat die werkzaamheden voor de toepassing van de conflictregels van de Verordening worden aangemerkt als werkzaamheden in loondienst en zijn onderworpen aan de Nederlandse premieheffing volksverzekeringen. Een dergelijke dubbele onderworpenheid is onwenselijk en strookt niet met het hiervoor genoemde uitgangspunt van de Verordening.
     De vraag rijst hier of de Verordening aanknopingspunten biedt voor het bepalen van een voorrang tussen een stelsel voor werknemers en voor zelfstandigen wanneer op dezelfde werkzaamheden binnen het stelsel van n lidstaat beide stelsels van toepassing zijn. Dit aanknopingspunt kan worden gevonden in artikel 14quater, aanhef en onder a, waarin in geval van werkzaamheden in loondienst in land A en werkzaamheden anders dan in loondienst in land B, als enige toepasselijke wetgeving wordt aangewezen de wetgeving van land A. Deze aanwijzing is terug te voeren op de veronderstelling dat de sociale zekerheid van werknemers in het algemeen beter en uitgebreider is geregeld dan die van zelfstandigen. Een dergelijke benadering kan ook worden gevolgd voor de bepaling van de prioriteit wanneer volgens de wetgeving van een lidstaat dezelfde werkzaamheden kunnen worden beschouwd als te worden verricht in loondienst en buiten loondienst. Voor de toepassing van de conflictregels moet dan worden uitgegaan van de aanwezigheid van een wettelijke regeling inzake sociale zekerheid op grond waarvan de werkzaamheden moeten worden aangemerkt als werkzaamheden in loondienst in de zin van de Verordening, terwijl de kwalificatie van dezelfde werkzaamheden als zelfstandige, uitsluitend voor het risico van arbeidsongeschiktheid, slechts als accessoir moet worden aangemerkt. Hiermee wordt tevens voldaan aan het uitgangspunt dat na de opheffing van de verplichte verzekering voor de AAW een continuering van het verzekeringspakket wordt gevonden in de verplichte verzekering voor de WAZ.
     Dit betekent voor de Nederlandse situatie het volgende. In de in artikel 14quater, aanhef en onder b, bedoelde gevallen moeten in het voorbeeld van een directeur-grootaandeelhouder die in Nederland woont, aldaar werkzaamheden verricht als directeur-grootaandeelhouder en in Belgi werkzaamheden als zelfstandige verricht, zijn werkzaamheden in Nederland geheel onder de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving vallen. Dat heeft tot gevolg dat hij in Nederland zowel verzekerd en premieplichtig is op grond van de volksverzekeringen als voor de WAZ. Op zijn Belgische werkzaamheden is evenwel de Belgische wetgeving van toepassing en de inkomsten daaruit moeten dus worden uitgezonderd van het premie-inkomen voor de WAZ. Dat gebeurt op de voet van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van de regeling.
     Omdat deze bepaling niet aanknoopt bij de woonplaats van de WAZ-verzekerde, is deze ook van toepassing wanneer een in Belgi wonende persoon in Nederland werkzaamheden verricht als directeur-grootaandeelhouder en daarnaast zowel in Nederland als in Belgi winst uit onderneming geniet. Voor de berekening van de verschuldigde WAZ-premie over de inkomsten uit de werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder moet de Nederlandse winst behaald met een vaste inrichting/vaste vertegenwoordiger (deel van het premie-inkomen) buiten aanmerking blijven, omdat de werkzaamheden in Nederland waarmee deze winst wordt behaald, evenals de werkzaamheden in Belgi, uitsluitend zijn onderworpen aan de Belgische socialezekerheidswetgeving. De Belgische winst behoeft niet uit het premie-inkomen gelimineerd te worden, omdat deze reeds geen deel uitmaakt van het premie-inkomen in de zin van artikel 72, eerste lid, van de WAZ.
     Tot slot kan hierover worden opgemerkt dat waar in de hiervoor genoemde voorbeelden Belgi wordt genoemd, deze voorbeelden mutatis mutandis ook van toepassing zijn op de andere lidstaten genoemd in Bijlage VII van de Verordening, en de EER-staten IJsland, Liechtenstein en Noorwegen, voor zover het gaat om in deze laatste staten wonende personen (Bijlage VI, punt 1, onder o, bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, Trb. 1992, 132; Trb. 1953, 69 en Trb. 1953, 156).

     Voorbeeld 1: een dga met Nederlands en buitenlands inkomen
     Een inwoner van Nederland is het gehele jaar belastingplichtig alsmede verzekerd en premieplichtig voor de WAZ in Nederland. Hij verricht in Nederland werkzaamheden als directeur-grootaandeelhouder ten behoeve van een onderneming waarin hij aanmerkelijk belanghouder is en, hoewel hij strikt genomen op grond van artikel 72, derde lid, van de WAZ, premie verschuldigd zou zijn over het maximumpremie-inkomen, kan hij aannemelijk maken dat hij een loon geniet van 30 000,-. Daarnaast is hij als zelfstandige werkzaam in Belgi. Daarmee behaalt hij een winst van 10 000,-. Op grond van de Verordening is hij het gehele jaar verzekerd en premieplichtig in Belgi voor zijn Belgische winst en is hij het gehele jaar verzekerd en premieplichtig op grond van de WAZ voor zijn Nederlandse loon als directeur-grootaandeelhouder. De in Belgi behaalde winst van 10 000,- behoort weliswaar in beginsel tot het premie-inkomen, echter op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, is alleen premie verschuldigd over 30 000,-. De verschuldigde premie bedraagt: 7,9% over 30 000,- - 29 000,-, derhalve 79,-.

     Het tweede lid van artikel 3 schrijft voor dat de voor de toepassing van artikel 3 van belang zijnde gegevens via een verklaring bij de aangifte dienen te worden verstrekt.

 

Artikel 4. Hoogte basisfranchise

     In deze bepaling is het bedrag van de franchise opgenomen. Er zijn twee soorten franchise. In de eerste plaats is er een "basisfranchise". Deze basisfranchise is op grond van dit artikel vastgesteld op 29 000,- per kalenderjaar. Wanneer de premieplichtige inkomsten uit dienstbetrekking verwerft naast de inkomsten die hij als verzekerde in de zin van de WAZ geniet, kan sprake zijn van een andere franchise. Ingeval het bedrag van de inkomsten uit dienstbetrekking namelijk hoger is dan 29 000,-, wordt dat bedrag - als bijzondere franchise als bedoeld in artikel 73, eerste lid, van de wet - in aanmerking genomen tot een bedrag tot ten hoogste het maximumpremieloon op grond van artikel 9 van de Cordinatiewet Sociale Verzekering. In 1998 geldt een maximumpremieloon per jaar van 78 561,-.

 

Artikel 5. Samenstelling franchise

     Dit artikel bepaalt welke inkomsten wel en welke inkomsten niet meetellen bij de toepassing van de bijzondere franchise, bedoeld in artikel 73, eerste lid, WAZ. De bijzondere franchise geldt indien naast premie-inkomen in de zin van de WAZ inkomsten uit dienstbetrekking worden genoten die hoger zijn dan het bedrag van de basisfranchise van 29 000,-. Het meetellen van deze inkomsten uit dienstbetrekking verlaagt het premie-inkomen WAZ. Zoals hiervoor is aangegeven, wordt met het begrip dienstbetrekking voor de toepassing van de WAZ en de regeling niet bedoeld een dienstbetrekking in fiscale zin, maar een dienstbetrekking in de zin van de WAO (artikel 1, onderdeel h, van de WAZ).
     Artikel 5, eerste lid, bepaalt wat voor de toepassing van de bijzondere franchise onder de inkomsten uit dienstbetrekking wordt verstaan. Hiertoe worden niet uitsluitend gerekend de uit dienstbetrekking genoten inkomsten uit tegenwoordige arbeid, maar ook de uitkeringen uit hoofde van de verplichte verzekering op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (eerste lid, onderdeel d). Tot de WAO-uitkeringen uit hoofde van verplichte verzekering op grond van de WAO behoren ook de bedragen die de werkgever als eigenrisicodrager op grond van die wet namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.] aan zijn (gewezen) werknemer uitkeert. Overigens kan het bij de inkomsten uit tegenwoordige arbeid ook gaan om inkomsten uit buiten Nederland in dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid. Wat de inkomsten uit in dienstbetrekking verrichte tegenwoordige arbeid betreft, is een tweetal uitzonderingen opgenomen in het eerste lid, onderdeel b. Allereerst geldt de uitzondering die inkomensbestanddelen uit hoofde waarvan WAZ-verzekering bestaat. De tweede uitzondering geldt de inkomsten als bedoeld in artikel 6, vierde lid, artikel 7, derde lid, of artikel 8, tweede lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990. Deze uitzondering geldt met name voor hier te lande werkzaam zijnde internationale functionarissen en buitenlandse overheidsdienaren. Het gaat daarbij om personen die op grond van genoemde artikelen van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 voor de desbetreffende arbeidsverhouding niet als werknemer worden aangemerkt voor de werknemersverzekeringen. Nu voor deze arbeidsverhoudingen geen verzekeringsplicht bestaat, worden de inkomsten daaruit niet tot de franchise gerekend.
     Voor de toelichting op het eerste lid, onderdeel c, kan worden verwezen naar de toelichting op artikel 3, eerste lid, onderdeel b. De inkomensbestanddelen die fiscaal als winst worden belast, doch die inkomsten vormen uit dienstbetrekking in de zin van de WAO waarover premieheffing WAO plaatsvindt, dienen voor de bepaling van de franchise voor de premieheffing op grond van de wet in aanmerking te worden genomen.
     Voorts worden in de onderdelen e en f binnenlandse en buitenlandse uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria in de franchise betrokken. Wat de binnenlandse uitkeringen betreft, gaat het hierbij om uitkeringen uit hoofde waarvan verzekering in de zin van de WAO bestaat. Voorbeelden van binnenlandse uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de genoemde uitkeringen zijn bezoldiging of uitkering wegens ziekte na beindiging van het dienstverband als bedoeld in artikel 42 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, uitkering op grond van het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel en wachtgeld of daarmee gelijkgestelde uitkering op grond van de Algemene militaire pensioenwet.
     Voor het bepalen van de hoogte van de franchise wordt het gezamenlijke bedrag van de inkomsten uit dienstbetrekking (onderdeel a tot en met f) tot geen hoger bedrag dan het maximumpremieloon dat geldt voor de WAO, in aanmerking genomen. In 1998 geldt een maximumpremieloon van 301,- per dag, hetgeen neerkomt op een maximumpremieloon per jaar van 78 561,- (301,- x 261). Voor de toepassing van het eerste lid wordt het jaarbedrag van 78 561,- in aanmerking genomen, los van het aantal dagen waarover de inkomsten uit dienstbetrekking zijn verworven.
     Op grond van het tweede lid wordt het op de voet van artikel 42, derde en vierde lid, van de Wet IB 1964 tot de inkomsten uit tegenwoordige arbeid te rekenen bedrag in verband met het ter beschikking hebben van een personenauto van de werkgever niet tot de franchise gerekend. Reden hiervoor is dat dit bedrag niet is onderworpen aan de WAO-premieheffing.
     Het derde lid komt overeen met artikel 3, tweede lid. Voor een toelichting ter zake kan naar de toelichting op dat artikellid worden verwezen.

 

Artikel 6. 65-jarige leeftijd

     De premieplicht voor de WAZ eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt. Om te voorkomen dat over het totaal aan inkomensbestanddelen premie verschuldigd zou worden ingeval de premieplicht in de loop van het jaar eindigt maar de belastingplicht ook daarna nog doorloopt, bevat artikel 6 regels voor de herleiding van het premiepercentage. Daarmee wordt, om wille van de praktische uitvoerbaarheid, aangesloten bij het systeem dat geldt voor de premieheffing volksverzekeringen.
     Overigens ziet deze herleiding op een individuele mutatie in de premieplicht. Voor een eventuele algemene wijziging van het premiepercentage in de loop van het kalenderjaar voorziet artikel 74 van de WAZ in de vaststelling van een gemiddeld premiepercentage. Wordt dat gemiddelde premiepercentage vastgesteld, dan wordt dat percentage ook gehanteerd voor de toepassing van artikel 6.
     De herleiding vereist vaststelling van tijdvakken. Meestal zullen dat premietijdvakken zijn. In een aantal gevallen zal echter tevens een belastingtijdvak moeten worden vastgesteld. Dit is voor de juiste bepaling van de tijdsevenredigheid nodig wanneer de belastingplicht zich niet over het gehele jaar uitstrekt (bijvoorbeeld in geval van overlijden). Het bepalen van een tijdvak geschiedt mede op basis van de rekenregels van artikel 8.
     Ingeval sprake is van het bereiken van de 65-jarige leeftijd, is de regeling van artikel 7, waarin een tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen is neergelegd, niet van toepassing.

     Voorbeeld 2: herleiding premiepercentage bij bereiken van 65 jarige leeftijd
     De verzekerde wordt op 16 juni 65 jaar. Hij is het gehele jaar belastingplichtig. Hij heeft een premie-inkomen van 100 000,-.
     Met ingang van 1 juni is de verzekerde geen WAZ-premie meer verschuldigd. De herleiding van het premiepercentage verloopt aldus: 150/360 van 7,9% = 3,29%. De verschuldigde premie bedraagt: 3,29% over maximaal 84 000,- - 29 000,-, derhalve 1809,-.

     Voorbeeld 3: herleiding premiepercentage bij bereiken van 65 jarige leeftijd en overlijden in hetzelfde kalenderjaar
     Een verzekerde wordt op 16 juni 65 jaar en overlijdt op 14 oktober. Hij heeft een premie-inkomen van 75 000,-.
     Het belastingtijdvak bestaat in dit geval uit 283 dagen. Het premiepercentage wordt als volgt herleid: 150/283 van 7,9% = 4,18%.
     De verschuldigde premie bedraagt: 4,18% over 75 000,- - 29 000,-, derhalve 1922,-.

     Aangezien de berekeningswijze onbevredigende uitkomsten kan geven wanneer in een periode waarin geen premieplicht meer bestaat, bijzondere baten worden genoten waarop een bijzonder tarief van de inkomstenbelasting in beginsel van toepassing is, wordt in artikel 6, tweede lid, de mogelijkheid geboden om in dat geval een inkomensevenredige herleiding toe te passen. Onder bijzondere baten worden hier verstaan inkomensbestanddelen waarop artikel 57 of 57b van de Wet IB 1964 van toepassing is (artikel 1, tweede lid, onderdeel d). Het doet hierbij niet ter zake of het bijzondere tariefpercentage in feite toepassing heeft gevonden.
     De inkomensevenredige methode kan op grond van het tweede lid, eerste zin, worden toegepast indien het regelmatige inkomen lager is dan het maximumpremie-inkomen.
     In het tweede lid, tweede zin, is bepaald op welke wijze de inkomensevenredige methode dient te worden toegepast: het regelmatige inkomen (dit is op grond van artikel 1, tweede lid, onderdeel e, het premie-inkomen verminderd met de bijzondere baten) wordt naar tijdsevenredigheid toegerekend aan de verschillende tijdvakken waarbij de rekenregels van artikel 8 in acht worden genomen. De bijzondere baten worden vervolgens toegerekend aan het tijdvak waarin zij zijn genoten.

     Voorbeeld 4: inkomensevenredige herleiding premiepercentage bij bereiken van de 65 jarige leeftijd
     Als voorbeeld 2, met dien verstande dat de verzekerde in juli een bijzondere bate geniet van 20 000,-. Het regelmatige inkomen bedraagt 40 000,- (premie-inkomen bedraagt 60 000,-).
     Het regelmatige inkomen wordt in eerste instantie als volgt toegerekend aan de tijdvakken 1 (tot 1 juni) en 2 (de rest van het jaar).
     Tijdvak 1: 150/360 van 40 000,- = 16 667,-. Voor tijdvak 2 resteert dan 23 333,-.
     De bijzondere bate wordt toegerekend aan tijdvak 2. Dit betekent dat het tijdvakinkomen in tijdvak 1 16 667,- bedraagt. Het premiepercentage wordt als volgt berekend: 16.667/60.000 van 7,9% = 2,19%.
     De verschuldigde premie bedraagt: 2,19% over 60 000,- - 29 000,-, derhalve 678,- (bij een tijdsevenredige herleiding van het premiepercentage zou de verschuldigde premie in dit voorbeeld zijn uitgekomen op 1019,-.

     Indien het premie-inkomen het maximumpremie-inkomen te boven gaat en het regelmatig inkomen beneden het maximumpremie-inkomen blijft, vindt de toerekening van de bijzondere baten op een andere wijze plaats. De toerekening geschiedt in dat geval door het verschil van het maximumpremie-inkomen en het regelmatige inkomen (dat deel van de bijzondere baten waarover premie verschuldigd zou zijn) naar evenredigheid van de bijzondere baten toe te rekenen aan de tijdvakken waarin deze zijn genoten (tweede lid, eerste zin, onderdeel b).

     Voorbeeld 5: nogmaals inkomensevenredige herleiding premiepercentage bij bereiken  van 65 jarige leeftijd
     Als voorbeeld 2, met dien verstande dat in april een bijzondere bate wordt genoten van 10 000,- en in juli een van 50 000,-. Het regelmatige inkomen bedraagt 40 000,-. Het totale inkomen bedraagt 100 000,-.
     Het regelmatige inkomen wordt als volgt toegerekend aan de tijdvakken 1 (tot 1 juni) en 2 (de rest van het jaar):
     Tijdvak 1:150/360 van 40 000,- = 16 667,-. Voor tijdvak 2: 23 333,-.
     Van het verschil tussen 84 000,- en 40 000,-, zijnde een bedrag van 44 000,-, wordt 7333,- (10 000/60 000) als bijzondere bate toegerekend aan tijdvak 1 en voor het overige, zijnde een bedrag van 36 667,-, aan tijdvak 2. Het tijdvakinkomen in tijdvak 1 wordt vastgesteld op 16 667,- + 7333,- = 24 000,-. Het premiepercentage bedraagt: 24 000/84 000 van 7,9% = 2,25%.
     De verschuldigde premie bedraagt: 2,25% over 84 000,- - 29 000,- = 1237,- (bij een tijdsevenredige herleiding van het premiepercentage zou de verschuldigde premie in dit voorbeeld 1809 bedragen.

     Om voor toepassing van de inkomensevenredige herleiding in aanmerking te komen dient de verzekerde op grond van het derde lid, door middel van een verklaring een verzoek bij de aangifte inkomstenbelasting te voegen onder vermelding van de bijzondere baten en de tijdstippen waarop deze zijn genoten.

 

Artikel 7. Wijziging in de premieplicht

     Naast de situatie waarin de premieplicht niet gelijk loopt aan de belastingplicht doordat in de loop van het kalenderjaar de 65-jarige leeftijd wordt bereikt en waarvoor artikel 6 een voorziening biedt, kunnen zich andere gevallen voordoen waarbij de premieplicht zich niet uitstrekt over de gehele periode van de belastingplicht. Dit kan zich voordoen indien de verzekeringsplicht in de loop van het heffingstijdvak is geindigd bijvoorbeeld doordat men in de loop van het jaar is gaan werken in het buitenland. Overigens ziet deze bepaling niet op gevallen waarin een onderneming wordt gestart of gestaakt.
     Bij toepassing van artikel 7 wordt het premie-inkomen afgeleid van het (over een langere periode vastgestelde) inkomen dat als maatstaf zou hebben gegolden als de premieplicht volledig zou zijn samengevallen met de belastingplicht (basispremie-inkomen). De afleiding van het premie-inkomen vindt in beginsel plaats naar tijdsevenredigheid, mede aan de hand van de rekenregels van artikel 8.

     Voorbeeld 6: tijdsevenredige herleiding van het inkomen
     X, 60 jaar, is het gehele jaar binnenlands belastingplichtig en zijn winst uit onderneming bedraagt 115 000,-. De eerste acht maanden van het jaar wordt de onderneming in Nederland gedreven, de volgende maanden wordt de onderneming in Belgi voortgezet. X werkt vanaf september uitsluitend in Belgi en is vanaf dat tijdstip niet langer verzekerd voor de WAZ.
     Het inkomen wordt tijdsevenredig herleid: 240/360 van 115 000,- = 76 667,-. Het premie-inkomen bedraagt dan 76 667,- - 29 000,- = 47 667,-. Verschuldigde premie bedraagt: 7,9% over 47 667,-, derhalve 3765,-.
     Evenals artikel 6 bevat artikel 7 in het tweede lid een voorziening voor het geval de tijdsevenredige herleiding van het inkomen tot een onredelijke uitkomst leidt ingeval bijzondere baten worden genoten. In het tweede lid, tweede zin, is dit als volgt uitgewerkt. Het basispremie-inkomen verminderd met de daarin begrepen bijzondere baten wordt naar tijdsevenredigheid toegerekend aan de verschillende tijdvakken en de bijzondere baten worden toegerekend aan de tijdvakken waarin zij zijn genoten.

     Voorbeeld 7: inkomensevenredige herleiding
     Als voorbeeld 6, echter de normale winst bedraagt 75 000,-, in oktober wordt een bijzondere bate genoten van 40 000,- die tot de winst wordt gerekend (het basispremie-inkomen bedraagt 115 000,-).
     De inkomensevenredige herleiding van het basispremie-inkomen is als volgt: 240/360 van (115 000,- - 40 000,-) = 50 000,-. De bijzondere bate wordt toegerekend aan het tijdvak waarin geen premieplicht bestaat en behoort daarom niet tot het premie-inkomen. Verschuldigde premie bedraagt: 7,9% over 50 000,- - 29 000,-, derhalve 1659,- (bij tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen zou de premie 3765,- bedragen).

     In het derde lid is, in aanvulling op de tijds- en inkomensevenredige methode, een aftrekmethode opgenomen voor gevallen waarin in een belastingjaar de wetgeving van een andere mogendheid op grond van een internationale regeling inzake sociale zekerheid (bijvoorbeeld de Verordening) van toepassing is. In dat geval is het niet van belang of er ook sprake is van onderworpenheid aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van die andere mogendheid inzake uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.
     Wanneer evenwel een internationale regeling inzake sociale zekerheid ontbreekt, wordt als voorwaarde voor toepassing van de aftrekmethode gesteld dat het desbetreffende inkomensbestanddeel is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling van een ander land inzake uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid.

     Voorbeeld 8: aftrekmethode
     Als voorbeeld 6, echter van de winst uit onderneming die 115 000,- bedraagt, is 75 000,- behaald met de Belgische vaste inrichting. Gedurende de laatste vier maanden is de Belgische socialezekerheidswetgeving van toepassing op X op grond van de Verordening. Voor de vaststelling van het premie-inkomen dient daarom de Belgische winst buiten aanmerking te blijven: 115 000,- -/- 75 000,- = 40 000,-. De verschuldigde premie bedraagt: 7,9% van 40 000,- - 29 000,- = 869,- (een tijdsevenredige herleiding van het premie-inkomen zou in dit voorbeeld geleid hebben tot een premie van 3765,-.

     Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de in artikel 7, derde lid, opgenomen voorziening verschilt van die welke is getroffen in artikel 3, eerste lid, onderdeel d. In laatstgenoemde bepaling gaat het om situaties waarin over dezelfde periode niet alleen in Nederland maar ook in een ander land tegelijkertijd premieplicht ontstaat. Het derde lid van artikel 7 voorziet daarentegen in situaties waarin gedurende een deel van het jaar alleen premieplicht bestaat in Nederland en in een ander deel van het jaar alleen premieplicht bestaat in een ander land.
     Het vierde lid, eerste zin, komt overeen met artikel 6, derde lid. Voor een toelichting kan worden verwezen naar de toelichting op dat artikellid. Voorts is in het vierde lid voorgeschreven dat de van belang zijnde gegevens inzake de onderworpenheid voor de toepassing van de aftrekmethode, via een verklaring bij de aangifte worden verstrekt.

 

Artikel 8. Rekenregels

     Artikel 8 bevat regels voor de tijdsevenredige afleidingen.

 

Artikel 9. Fictieve premieplicht

     Ten slotte is een nadere regeling nodig voor de uitzonderlijke situatie waarin er wel verzekeringsplicht doch geen belastingplicht bestaat. Wanneer zich dit voordoet, zal het in de regel gaan om personen die naar de omstandigheden beoordeeld niet in Nederland wonen (of geacht kunnen worden te wonen). Bij gebreke van belastingplicht dient voor de premieheffing een eigen maatstaf van heffing te worden gecreerd. Artikel 9 bepaalt voor die situatie dat de opbrengst van werkzaamheden uit hoofde waarvan men verzekerd is zonder ter zake van die opbrengst belastingplichtig te zijn, fictief tot het premie-inkomen wordt gerekend.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAZ | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x