|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Nadere
regelgeving:
- Algemeen
inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Bekendmaking
op grond van de Wet beperking export uitkeringen 2003
- Beleidsregel boete werknemer 2010
- Beleidsregel
intermediaire activiteiten
- Beleidsregel kostenvergoeding UWV
- Beleidsregel
maatregelen UWV
- Beleidsregels arbeidsinschakeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten
- Beleidsregels
beoordelingskader poortwachter
-
Beleidsregels proefplaatsing UWV 2013
- Beleidsregels schorsing,
opschorting, intrekking en herziening
uitkeringen 2006
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2008
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2009
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2010
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2011
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2012
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2013
- Beleidsregels UWV pilot
participatiebudget
- Beleidsregels
UWV Protocol Jobcoach 2012
- Beleidsregels vergoeding
hoorhulpmiddelen
- Beleidsregels
verlenging loondoorbetaling poortwachter
- Beleidsregels
vorm- en herkenbaarheidsvereisten reïntegratieverslagen
- Beleidsregel uurloonschatting
2008
- Beleidsregel verhoging
uitkering bij hulpbehoevendheid
- Besluit aanspraken bij
beroepsziekten van niet ingevolge de WAO of de Wet WIA verzekerden
- Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit
beoordelingskader loonkostensubsidie
- Besluit betaling
zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen
- Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Besluit gelijkstelling loondagen
Werkloosheidswet en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
- Besluit
maatschappelijke ondersteuning
- Besluit ontheffing verplichtingen socialezekerheidswetten
- Besluit regels export uitkeringen
- Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar
2006
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar
2007
- Besluit vaststelling factoren L en r voor het boekjaar
2008
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2009
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2010
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2011
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2012
- Besluit
vaststelling factoren L en r voor het boekjaar 2013
- Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet en
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vervallen)
- Besluit verlaagde wekeneis WW en
Wet WIA
- Besluit
voorkoming en beperking samenloop WAO- en WIA-uitkeringen met
uitkeringen op grond van de sociale wetgeving van een andere mogendheid
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften arbeidsongeschiktheidswetten
2006
- Controlevoorschriften buitenland
arbeidsongeschiktheidswetten 2006
- Gelijkstellingsregeling arbeidsuren
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Regeling
aanwijzing als werkgever en uitzondering verzekeringsplicht
werknemersverzekeringen
- Regeling
aanwijzing regelingen ex artikel 7 en 7a WAO
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland 2010
- Regeling bepaling eerste werkdag (2006)
- Regeling betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de
socialeverzekeringswetten door andere organen dan de Sociale
Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen
- Regeling
instroomcijfers WAO en Wet WIA
- Regeling
mantelzorgforfait WW en Wet WIA
- Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
- Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar
- Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar voor vangnetters zonder werkgever
-
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
- Regeling uitbreiding kring van verzekerden ingevolge de
ZW, WAO en Wet WIA
- Regeling
vaststelling periode eigen risico dragen WGA-uitkeringen
- Regeling
verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten
- Regeling vordering contante waarde periodieke verstrekkingen
WAO en Wet WIA
- Regeling vrijstelling
verplichtingen socialezekerheidswetten
- Regeling
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012
- Regels vrijwillige
verzekering Wet WIA 2007
- Reïntegratiebesluit
- Reïntegratieregeling
- Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten
Vervallen
nadere regelgeving:
- Beleidsregel boete werknemer
(vervallen)
- Beleidsregel
kostenvergoedingen Wet WIA
(vervallen)
- Beleidsregels Protocol Jobcoach
(vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2006 (vervallen)
- Beleidsregels
UWV normbedragen voorzieningen 2007 (vervallen)
- Besluit
beleidsregels uurloonschatting 2004 (vervallen)
- Besluit
incasso boeten en onverschuldigde betalingen werkgevers
(vervallen)
- Besluit verhoging
IVA-uitkering (vervallen)
- Inkomensbesluit Wet WIA
(vervallen)
- Maatregelenbesluit
UWV (vervallen)
- Regeling
aanwijzing volkenrechtelijke organisaties in Nederland
(vervallen)
- Regeling afwijkende regels
omtrent de uitbetaling van de vakantie-uitkering op grond van de
WAO en de Wet WIA (vervallen)
- Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde
betalingen (vervallen)
-
Regels vrijwillige
verzekering Wet WIA (vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Beleidsregels
Protocol Scholing 2008 (vervallen)
- Beleidsregels
Protocol Scholing 2012
- Beleidsregels UWV gebruik
polisgegevens
- Besluit gedifferentieerde premie
Werkhervattingskas 2008
-
Besluit gedifferentieerde premie WGA
2007
- Besluit premievaststelling vrijwillige
verzekering Wet WIA 2006
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2007
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2008
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2009
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2010
- Besluit premievaststelling
vrijwillige verzekering Wet WIA 2011
- Regeling inzage- en correctierecht UWV
- Reglement
behandeling bezwaarschriften UWV 2009
- Tijdelijke
SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering
(vervallen)
- Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
- Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Inhoudsopgave
Wet WIA
| Hoofdstuk
1 |
Definities
en algemene bepalingen |
artt.
1 - 15 |
| §
1.1x |
Diverse algemene
begrippen |
artt.
1 - 3 |
| §
1.2x |
Begrip volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk arbeidsgeschikt |
artt.
4 - 6 |
| §
1.3x |
Begrip verplicht
verzekerde |
artt.
7 - 10 |
| §
1.4x |
Begrip werkgever |
art.
11 |
| §
1.5x |
Het begrip loon en
het begrip dagloon |
artt.
12 - 14 |
| §
1.6x |
Het begrip
arbeidsverleden |
art.
15 |
| Hoofdstuk
2 |
De
verzekering |
artt.
16 - 22 |
| §
2.1x |
De verzekering |
artt.
16 - 17 |
| §
2.2x |
De vrijwillige
verzekering |
artt.
18 - 22 |
| Hoofdstuk
3 |
De
wachttijd en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting |
artt.
23 - 26 |
| Hoofdstuk
4 |
Rechten
en plichten in verband met het recht op een uitkering op grond van
deze wet |
artt.
27 - 42 |
| §
4.1x |
Verplichtingen van
de verzekerde |
artt.
27 - 32 |
| §
4.2x |
Rechten van de
verzekerde en reïntegratie-instrumenten |
artt.
33 - 37b |
| §
4.3x |
Bevoegdheden en
verplichtingen van het UWV |
artt.
38 - 41 |
| §
4.4x |
Verplichtingen van
de eigenrisicodrager |
art.
42 |
| Hoofdstuk
5 |
Uitsluitingsgronden
voor het recht op een uitkering |
artt.
43 - 46a |
| Hoofdstuk
6 |
Inkomensverzekering
voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten |
artt.
47 - 53 |
| §
6.1x |
Bepalingen in
verband met het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering |
artt.
47 - 50 |
| §
6.2x |
De duur en hoogte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering |
artt.
51 - 53 |
| Hoofdstuk
7 |
Uitkering
in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten |
artt.
54 - 63 |
| §
7.1x |
Bepalingen in
verband met het recht op een WGA-uitkering |
artt.
54 - 58 |
| §
7.2x |
De duur en hoogte
van de WGA-uitkering |
artt.
59 - 63 |
| Hoofdstuk
8 |
De
aanvraag van de uitkering en de betaling van de uitkering door het
UWV |
artt.
64 - 81 |
| §
8.1x |
De aanvraag van de
uitkering |
artt.
64 - 66 |
| §
8.2x |
De betaling van de
uitkering door het UWV |
artt.
67 - 81 |
| Hoofdstuk
9 |
Eigen
risico dragen door de werkgever |
artt.
82 - 87 |
| Hoofdstuk
10 |
Handhaving |
artt.
88 - 97a |
| Hoofdstuk
11 |
Invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht |
artt.
98 - 100 |
| Hoofdstuk
12 |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang |
artt.
101 - 119 |
| §
12.1x |
Beslistermijnen |
artt.
101 - 102 |
| §
12.2x |
Bijzondere
bepalingen in verband met medische beschikkingen |
artt.
103 - 110 |
| §
12.3x |
Beslistermijnen
in bezwaar en afzien horen belanghebbende |
artt.
111 - 113 |
| §
12.4x |
Overige
bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang |
artt.
114 - 119 |
| Hoofdstuk
13 |
Overgangsrecht |
artt.
120 - 133h |
| Hoofdstuk
14 |
Strafbepalingen |
artt.
134 - 136 |
| Hoofdstuk
15 |
Slotbepalingen |
artt.
137 - 142 |
| xxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxxxrr |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 2004-2005, 30 034.
Handelingen II 2004-2005, blz. 5841-5869, 5904-5929, 6058-6060,
6062-6063
Kamerstukken I 2004-2005, 30 034 (A); 2005-2006, 30 034 (B, C, D, E, F).
Handelingen I 2005-2006, blz. 154-176, 187-211, 226-227.
Geschiedenis:
Staatsblad
2005, 572; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 710; Staatsblad 2005, 708;
Staatsblad 2006, 167; Staatsblad
2006, 303; Staatsblad 2006, 673;
Staatsblad 2006, 703; Staatsblad
2007, 305; Staatsblad 2007, 551;
Staatsblad 2007, 553; Staatsblad
2007, 555; Staatsblad 2007, 557;
Staatsblad 2007, 564; Staatsblad
2008, 192; Staatsblad 2008, 199;
Staatsblad 2008, 414; Staatsblad
2008, 510; Staatsblad 2008, 590;
Staatsblad 2008, 598; Staatsblad
2008, 600; Staatsblad 2009, 108;
Staatsblad 2009, 384;
Staatsblad 2009, 265; Staatsblad
2009, 390;
Staatsblad 2009, 282; Staatsblad
2009, 318; Staatsblad 2009, 542;
Staatsblad 2009, 580; Staatsblad
2009, 589; Staatsblad 2009, 596;
Staatsblad 2010, 350; Staatsblad
2010, 840; Staatsblad
2010, 838; Staatsblad 2010, 867;
Staatsblad 2011, 288;
Staatsblad 2011, 299; Staatsblad
2011, 618; Staatsblad 2011, 608;
Staatsblad 2012, 2;
Staatsblad 2011, 645; Staatsblad
2011, 650; Staatsblad 2011, 670;
Staatsblad 2012, 198; Staatsblad
2012, 224; Staatsblad 2012, 361;
Staatsblad 2012, 657;
Staatsblad 2012, 462; Staatsblad
2012, 464; Staatsblad 2012, 675;
Staatsblad 2012, 682.
WET
van 10 november 2005, Stb. 2005, 572,
houdende bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of
van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn
en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen
alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn
(Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Inwerkingtreding: 29
december 2005 (Stb. 2005, 619).
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is om werknemers die gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden deel
te laten blijven nemen aan het arbeidsproces alsmede om een
inkomensverzekering te regelen voor deze werknemers en voor werknemers
die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn geworden en in verband
daarmee een nieuwe wet vast te stellen;
Zo is het, dat Wij, de Raad
van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben
goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Definities
en algemene bepalingen
§ 1.1.
Diverse algemene
begrippen
Art.
1.
Algemene begrippen (1.1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573; Stb.
2006, 673; Stb. 2007, 557;
Stb 2007, 564; Stb.
2009, 108; Stb. 2009, 318;
Stb. 2010,
838; Stb. 2012, 361;
Stb.
2012, 675]
Voor de toepassing van
deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- arbeidsongeschiktheidsuitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in hoofdstuk 6;
- arbodienst: een dienst als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet;
- burgerservicenummer: het nummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b,
van de Wet
algemene bepalingen burgerservicenummer;
- eigenrisicodrager: de werkgever aan wie op grond van artikel
40, aanhef en eerste lid, onderdeel b,¹ van de Wet
financiering sociale verzekeringen toestemming is verleend om zelf
het risico te dragen van betaling van het daarvoor in aanmerking komende
deel van de WGA-uitkering;
- inkomen uit arbeid: loon als bedoeld in artikel
12, met dien
verstande dat niet tot het inkomen uit arbeid worden gerekend:
1º. uitkeringen op grond van een
werknemersverzekering en de Wet arbeid en zorg
of wachtgeld als bedoeld
in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de
Werkloosheidswet al dan
niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de
aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking
staat;
2º. hetgeen wordt genoten op grond van
artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door
de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten
op grond van naar aard en strekking met artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstige regelingen, al dan niet vermeerderd
met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop
van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
3º. het voordeel van het voor privédoeleinden ter beschikking stellen van een auto, bedoeld in
artikel 13bis van de Wet
op de loonbelasting 1964;
4º. een uitkering ingevolge een
voorziening op grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel
39d van de Wet
op de loonbelasting 1964;
- justitiële inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting
voor verpleging van terbeschikkinggestelden of een inrichting als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet
justitiële jeugdinrichtingen;
- lichaam: publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon,
maat- en vennootschap, samenwerkingsvorm zonder rechtspersoonlijkheid die
maatschappelijk kan worden gelijkgesteld met een vereniging, onderneming
van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens;
- maatmaninkomen: hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen;
- onbetaald verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een
gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen verlof waarin
de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht;
- Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
- reïntegratie: herstel, behoud en bevordering van de mogelijkheden
tot het verrichten van arbeid en bevordering van inschakeling in de
arbeid, met dien verstande dat onder arbeid niet wordt verstaan arbeid
op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening;
- reïntegratiebedrijf:
een natuurlijk persoon dan wel rechtspersoon die in het kader van de
uitoefening van beroep of bedrijf de inschakeling van personen in de arbeid
bevordert, met dien verstande dat onder arbeid niet wordt verstaan
arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening;
- reïntegratieplan: het plan, bedoeld in artikel 39, derde lid;
- reïntegratievisie: de reïntegratievisie, bedoeld in artikel
39,
eerste lid;
- sociaal-fiscaal nummer: het nummer, bedoeld in artikel 2, derde lid,
onderdeel k, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen;
- UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
- vreemdeling: de persoon, bedoeld in de Vreemdelingenwet
2000;
- vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk
geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
als bedoeld in het Wetboek
van Strafrecht, behoudens de gevallen, bedoeld in artikel 37, eerste
lid, van het Wetboek
van Strafrecht;
- wachtgeld:
wachtgeld op grond van het Rijkswachtgeldbesluit
1959, uitkering op grond van het Besluit
werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel, wachtgeld of daarmee
gelijkgestelde uitkering op grond van de
Algemene militaire pensioenwet of een
met die wachtgelden of die uitkeringen vergelijkbare uitkering op grond
van ontslag of werkloosheid, met uitzondering van een uitkering in
verband met functioneel leeftijdsontslag of vrijwillig vervroegd
uittreden;
- wachttijd: de wachttijd, bedoeld in artikel 23;
- WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7;
- zelfstandige: de persoon
die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt:
1º. die in Nederland woont en die belastbare winst uit onderneming als
bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van
die wet,
en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet, geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening
feitelijk drijft;
2º. die niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse
onderneming als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet
inkomstenbelasting 2001 vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4
van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet, geniet, tenzij hij de onderneming niet voor eigen rekening
feitelijk drijft; of
3º. die directeur-grootaandeelhouder is en het werk tot stand brengt
uitsluitend voor rekening en risico van de onderneming van de
rechtspersoon waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is.
1. Volgens de redactie
dient "artikel 40, aanhef en eerste
lid, onderdeel b" te worden vervangen door: artikel
40, eerste lid, aanhef en onder b.
Art.
1a. [Begrip arbeidsduur, red.] [Geschiedenis:
Stb. 2012, 675]
-1. Onder arbeidsuur wordt in deze wet
verstaan:
a. uur waarover een werknemer inkomen uit
arbeid heeft ontvangen; of
b. uur waarover een werknemer recht heeft
op inkomen uit arbeid.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld waarbij: [Ga]
a. uren worden gelijkgesteld met een
arbeidsuur als bedoeld in het eerste lid;
b. arbeidsuren als bedoeld in het eerste
lid niet als arbeidsuren worden aangemerkt;
c. vastgesteld wordt welke in het kader
van een dienstbetrekking ontvangen bedragen in aanmerking komen voor
omrekening naar arbeidsuren en hoeveel arbeidsuren deze bedragen
vertegenwoordigen.
Art.
2.
Gelijkstelling niet-gehuwden met gehuwden (1.1.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 596]
-1. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
-2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in
de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt de persoon die duurzaam gescheiden leeft
van de persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun
hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te
dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de
kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-4. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht
indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van
deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden
van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de
huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een
gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de
gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met
betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te
dragen voor een ander als bedoeld in het derde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke
registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen
voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel d. [Bargh98]
-7. Onder bloedverwant in de eerste graad als
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan een
meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de
ongehuwde meerderjarige.
-8. Onder voormalig pleegkind als bedoeld in
het zevende lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde
meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving op
grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art.
3.
Woon- en
vestigingsplaats (1.1.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de
omstandigheden beoordeeld.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid worden schepen die binnen
Nederland hun thuishaven hebben als deel van Nederland beschouwd.
§ 1.2.
Begrip volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt en gedeeltelijk arbeidsgeschikt
Art.
4.
Definitie
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (1.2.1)
[Bu08] [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710; Stb. 2006, 703]
-1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek,
zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten
hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen
per uur.
-2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch
stabiele of verslechterende situatie.
-3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op
lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Art.
5.
Definitie
gedeeltelijk arbeidsgeschikt (1.2.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of
bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen
van het maatmaninkomen
per uur, doch die niet volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is. [Bu08]
Art.
6.
Nadere
bepalingen definitie volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en definitie
gedeeltelijk arbeidsgeschikt (1.2.3) [Bbu04]
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710; Stb.
2009, 318]
-1. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of
gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, wordt gebaseerd op een
verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
-2. Bij het vaststellen van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid wordt,
zo mogelijk, rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden, maar wordt buiten beschouwing gelaten of
de verzekerde de arbeid feitelijk kan verkrijgen.
-3. Onder arbeid als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, en 5 wordt
verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking
tot het eerste, tweede en derde lid en de artikelen
4 en 5 nadere en zo nodig
afwijkende regels worden gesteld die voor volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten en gedeeltelijk arbeidsgeschikten verschillend
kunnen zijn. Hierbij kan tevens onderscheid worden gemaakt tussen de
situaties, bedoeld in artikel
4, tweede en derde lid. [Sa]
-5. De voordracht
voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van
bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis
van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet gedaan dan
nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een
ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de
bekendmaking is geschied wensen en bedenkingen ter kennis van Onze
Minister te brengen.
Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers
der Staten-Generaal overgelegd.
-6. Bij de beoordeling,
bedoeld in het eerste lid, maakt de verzekeringsarts zoveel
mogelijk gebruik van de bij ministeriële regeling vastgelegde
wetenschappelijke inzichten die de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid of
de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid kunnen ondersteunen.
[Rvpa]
§ 1.3.
Begrip verplicht
verzekerde
Art.
7.
De
verplicht verzekerde (1.3.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Verplicht verzekerd is de werknemer.
-2. Een aanvraag tot het geven van een beschikking over het verplicht
verzekerd zijn op grond van deze wet kan door de werknemer uitsluitend
bij het UWV worden ingediend.
Art.
8.
De
werknemer (1.3.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Werknemer is de werknemer in de zin van de
Ziektewet met uitzondering
van de werknemer die zijn werknemerschap ontleent aan artikel
4, eerste
lid, onderdeel g, van die wet.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden
bepaald dat personen
die buiten Nederland wonen ook als werknemer worden aangemerkt, voor
zover zij hun dienstbetrekking buiten Nederland vervullen. [Bubkvw90]
-3. Bij de toepassing van het eerste lid blijft
artikel 6, tweede lid,
van de Ziektewet buiten toepassing ten aanzien van de persoon die geen
arbeid verricht wegens het genieten van ononderbroken onbetaald verlof
tot een maximum van achttien maanden, waarbij perioden van onbetaald
verlof die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen als ononderbroken onbetaald verlof worden aangemerkt.
Art.
9.
Uitbreiding
werknemerschap (1.3.3) [Rara77aW]
[RukvZW] [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2012, 675]
Als werknemer wordt mede beschouwd:
a. in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen de
persoon die ten minste vijf arbeidsuren minder
heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een
aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn
gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek als bedoeld in artikel
16, eerste lid,
onderdeel a, van de Werkloosheidswet, doch aan wie geen uitkering wordt
verleend op grond van enige bepaling van die wet of van een regeling als
bedoeld in onderdeel b;
b. de persoon die wegens werkloosheid niet werkt en die op grond van
een bij ministeriële regeling aan te wijzen, van overheidswege
getroffen, regeling uitkering ontvangt.
Art.
10.
Nawerking
verzekering (1.3.4) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2010, 867]
-1. De persoon die
binnen vier weken na het einde van zijn verzekering ziek wordt, wordt
voor het recht op een uitkering op grond van deze wet beschouwd alsof
hij verzekerd was gebleven. Indien de verzekering berust op een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van
de Ziektewet, is de eerste zin eerst na het
eindigen van die dienstbetrekking van toepassing.
-2. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de
persoon
die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b, van de
Ziektewet niet verzekerd is.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld op grond waarvan personen die niet verzekerd zijn en die
volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt
worden als gevolg van bij die maatregel aan te wijzen beroepsziekten,
voor het recht op een uitkering worden beschouwd alsof zij verzekerd
zijn. [BabWWv]
§ 1.4.
Begrip werkgever
Art.
11.
De
werkgever (1.4.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Werkgever is de werkgever in de zin van de
Ziektewet behoudens voor zover deze zijn werkgeverschap ontleent aan artikel
10, onder 1º,
onder g, van die wet.
-2. In de gevallen, bedoeld in artikel
8, tweede lid, is werkgever de
natuurlijke persoon tot wie, het lichaam of het orgaan van een lichaam
tot welk, de werknemer in dienstbetrekking staat.
-3. In de gevallen, bedoeld in artikel
9, wordt als werkgever
aangemerkt de persoon of instantie die door Onze Minister
als werkgever
wordt aangewezen. [Rara77aW] [Rawuvw]
§ 1.5.
Het begrip loon en
het begrip dagloon
Art.
12.
Het loon (1.5.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. loon: het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de
Wet financiering
sociale verzekeringen; en
b. minimumloon: het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van
de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een
werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende
minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid,
van laatstgenoemde
wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die
wet.
-2. Loon door verschillende personen tezamen onverdeeld genoten, wordt,
voor zover niet blijkt van een andere verdeling, geacht door ieder van
hen voor een gelijk deel te zijn genoten.
-3. De persoon die op
grond van een regeling als bedoeld in artikel 9, aanhef en
onder b,
een uitkering ontvangt, wordt geacht op elke dag waarover hij die
uitkering ontvangt loon te ontvangen ter hoogte van die uitkering.
Art.
13.
Dagloon en
maandloon (1.5.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710; Stb.
2012, 198; Stb.
2012, 657]
-1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet
recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat
de werknemer verdiende in de periode van één jaar die eindigt op de
laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak
waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden, doch ten
hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de
Wet financiering sociale
verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van één
dag.
-2. In afwijking van het eerste lid wordt in het in
artikel 21
bedoelde geval het dagloon op de daar genoemde wijze vastgesteld.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking
tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de
herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. Daarbij
kunnen tevens regels worden gesteld ter bepaling van het dagloon ten
behoeve van de vaststelling van de hoogte van de vervolguitkering van de
WGA-uitkering, bedoeld in artikel 62, vierde lid. [Bdw]
-4. Het maandloon bedraagt:
a. indien recht op een uitkering bestaat over een volledige
kalendermaand: 21,75 maal het dagloon; of
b. indien niet over een volledige kalendermaand recht op een uitkering
bestaat: de uitkomst van het aantal dagen in de betreffende kalendermaand waarover recht
op een uitkering bestaat, gedeeld door het totaal aantal dagen in de
betreffende kalendermaand vermenigvuldigd met 21,75 maal het dagloon.
Bij het bepalen van het aantal dagen worden de zaterdagen en zondagen
buiten beschouwing gelaten.
Art.
14.
Indexering (1.5.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265]
-1. De daglonen worden herzien met ingang van de dag waarop en in de mate
waarin het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt herzien.
-2. Onze Minister
maakt in de Staatscourant bekend met ingang van welke
dag en met welk percentage een herziening als bedoeld in het eerste lid
plaatsvindt.
-3. Een herziening van de uitkering als
gevolg van een herziening van het dagloon vindt plaats zonder dat dit
bij beschikking is vastgesteld.
-4. Het UWV
betaalt de herziene uitkering, bedoeld in het derde lid, bij de
eerstvolgende uitkeringsbetaling nadat de herziening, bedoeld in het
eerste lid, heeft plaatsgevonden.
§ 1.6.
Het begrip
arbeidsverleden
Art.
15.
Arbeidsverleden (1.6.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710; Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 703;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 318; Stb.
2010, 867; Stb.
2012, 675]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder
arbeidsverleden verstaan de periode die wordt berekend door samentelling
van:
a. het aantal kalenderjaren, vanaf en met
inbegrip van 2013 tot en met het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande
aan het kalenderjaar waarin de dag is gelegen waarop het recht op een
uitkering op grond van deze wet is ontstaan of zou zijn ontstaan als
artikel 23, zesde lid, of 64, elfde lid, niet zou zijn toegepast, waarin
de werknemer over 208 of meer uren loon heeft ontvangen; en
b. het aantal kalenderjaren, gelegen in de periode vanaf en met inbegrip
van 1998
tot 2013, waarover de werknemer
aantoont over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen; en
c. het aantal kalenderjaren vanaf en met inbegrip van het jaar waarin de
werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot 1998.
-2. Een kalenderjaar wordt in aanmerking genomen bij de berekening,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b, indien volgens de
informatie als bedoeld in artikel 33d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen, de werknemer in dat jaar over 52 of meer dagen respectievelijk over 208 of meer uren
loon heeft ontvangen, waarbij vóór 1 januari 2013 52 of meer dagen
bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a en b, worden met dagen
waarover loon is ontvangen of met acht uren waarover loon
is ontvangen, gelijkgesteld:
a. dagen waarover recht bestond op een uitkering die naar aard en
strekking overeenkomt met een uitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of met een uitkering op grond van deze
wet voor zover deze uitkering wordt toegekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% respectievelijk wordt toegekend
over periodes waarin de verzekerde slechts in staat is om met arbeid ten
hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen
per uur;
b. dagen waarover een persoon een uitkering ontvangt op grond van
hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een
toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon
waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend.
-4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a en b, worden niet reeds
in aanmerking genomen kalenderjaren waarin een persoon recht heeft op
kinderbijslag op grond van artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of
een andere gezinsbijslag als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel
h, van Verordening (EG) nr. 1408/71 van de Raad van de Europese
Gemeenschap van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van
socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op
hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149)
voor een tot zijn huishouden behorend kind dat bij de aanvang van dat
kalenderjaar de leeftijd van 5 jaar niet heeft bereikt, voor de helft
gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen respectievelijk 208 of meer uren
loon is ontvangen, waarbij vóór 1 januari 2013 52 of meer
dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren. De in de eerste zin bedoelde persoon wordt aangemerkt als
verzorgend persoon.
-5. In afwijking van het vierde lid worden
¹ over de periode tot 1 januari 2005 waarin een persoon recht heeft op kinderbijslag op grond van
artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet of een andere gezinsbijslag
als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel h, van Verordening (EG)
nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 14 juni 1971
betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers
en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de
Gemeenschap verplaatsen (PbEG L 149) voor een tot zijn huishouden
behorend kind dat bij de aanvang van dat kalenderjaar de leeftijd van 5 jaar niet heeft bereikt, gelijkgesteld met, en worden dergelijke
kalenderjaren over de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2007 voor
drie kwart gelijkgesteld met, kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen
respectievelijk over 208 of meer uren
loon is ontvangen, waarbij vóór 1 januari 2013 52 of
meer dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren.
-6. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a en b,
worden niet reeds in aanmerking genomen kalenderjaren vanaf en met in
begrip van een bij ministeriële regeling nader te bepalen kalenderjaar,
waarin een persoon inkomsten ontvangt voor het verlenen van zorg op
grond van een regeling voor persoonsgebonden budget die is gegrond op
artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten of op artikel 5,
eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning
of die
voldoet aan artikel 14a van de Zorgverzekeringswet, voor de helft
gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen respectievelijk 208 of meer uren
loon is ontvangen, waarbij vóór 1 januari 2013 52 of meer
dagen bepalend is en vanaf 1 januari 2013 208 of meer uren, tenzij hij deze inkomsten ontvangt uit arbeid als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Ziektewet.
De eerste zin is uitsluitend
van toepassing indien de in de eerste zin bedoelde persoon aantoont dat
deze zorgverlening aan deze voorwaarden voldoet of heeft voldaan. Die
persoon wordt aangemerkt als verzorgend persoon. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van dit lid.
-7. Het vierde, vijfde en zesde lid vinden geen toepassing indien de verzorgende
persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een halfjaar
als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid
recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid of op de
loongerelateerde uitkering op grond van hoofdstuk 7 van deze
wet. [RmWW]
-8. Voor de toepassing van het vierde en
vijfde lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
-9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a en b, worden dagen, tot
een maximum van achttien maanden, waarover de werknemer onbetaald verlof
heeft genoten, gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen of met acht uren waarover
loon is ontvangen.
-10. Voor de toepassing van dit artikel
wordt niet als loon beschouwd een uitkering:
a. op grond van de Werkloosheidswet, met
uitzondering van een uitkering op grond van hoofdstuk
IV van die wet;
b. op grond van hoofdstuk
7 van deze wet, met uitzondering van een uitkering aan de persoon die
slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het
maatmaninkomen per uur;
c. op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van minder dan 80%; of
d. die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a, b of
c.
-11. Voor de toepassing van dit artikel
wordt niet als loon beschouwd:
a. het voordeel van het voor privédoeleinden ter beschikking stellen van een auto, bedoeld in
artikel 13bis van de Wet
op de loonbelasting 1964;
b. een uitkering ingevolge een
voorziening op grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel
39d van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-12. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld: [BglWW]
a. ter vaststelling van het aantal dagen
waarover loon is ontvangen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
tweede lid;
b. op grond waarvan voor het bepalen van
het aantal van 52 dagen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en
tweede lid, dagen waarover, anders dan bedoeld in het negende lid, geen
loon is ontvangen, worden gelijkgesteld met dagen waarover loon is
ontvangen.
-13. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ter vaststelling van het aantal uren,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid.
1. Volgens de redactie
dient na "worden" te worden ingevoegd: kalenderjaren.
HOOFDSTUK
2
De
verzekering
§ 2.1.
De verzekering
Art.
16.
De
verzekerden (2.1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Naast de op grond van artikel 7 verplicht verzekerde personen en de
op grond van artikel 10 als verzekerd beschouwde personen zijn op
grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen eveneens verzekerd
personen die zich vrijwillig hebben verzekerd op grond van paragraaf 2
van dit hoofdstuk.
Art.
17.
Aaneensluitende verzekeringen (2.1.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gelden aaneensluitende verzekeringen op grond van deze wet als één
verzekering.
§ 2.2.
De vrijwillige
verzekering
Art.
18.
Verplichte
toelating tot vrijwillige verzekering (2.2.1)
[Geschiedenis:
MvT +
bis; versie 10 november 2005;
Stb. 2006, 703; Stb.
2009, 318; Stb. 2011, 618;
Stb. 2012, 361]
-1. Het UWV laat op grond van deze paragraaf tot de vrijwillige
verzekering toe, mits hij hier te lande woont:
a. de persoon wiens verplichte verzekering is geëindigd en van wie op
grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te nemen dat
onderbreking van die verplichte verzekering van korte duur zal zijn, dan
wel die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel
16, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet;
b. de persoon die, terwijl hij hier te lande woonde, in het buitenland
verplicht verzekerd was tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid, mits:
1º. hij niet meer in het buitenland verzekerd is, omdat hij niet langer
werkzaamheden verricht in het buitenland; en
2º. op grond van gebleken omstandigheden redelijkerwijze valt aan te
nemen dat het zijn bedoeling is bij geboden gelegenheid opnieuw een
dienstbetrekking aan te gaan;
c. de persoon wiens verplichte verzekering is geëindigd en die als
zelfstandige werkzaamheden verricht of gaat verrichten, of als
echtgenoot van de zelfstandige meewerkt of gaat meewerken, indien
gedurende één jaar onmiddellijk voorafgaande aan het einde van zijn
verplichte verzekering onafgebroken, al dan niet in Nederland, op grond
van een wettelijke regeling een voorziening tegen geldelijke gevolgen
van langdurige arbeidsongeschiktheid op hem van toepassing is geweest;
d. de persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking op grond waarvan
slechts een gedeelte van een normale werkweek arbeid wordt verricht
verplicht verzekerd is, indien op hem gedurende de drie jaren
onmiddellijk voorafgaande aan de dag van aanvang van de vrijwillige
verzekering onafgebroken een wettelijke regeling tegen geldelijke
gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid van toepassing is geweest;
e. de persoon wiens arbeidsverhouding op grond van
artikel 6, eerste
lid, onderdeel c, van de Ziektewet niet als dienstbetrekking wordt
beschouwd;
f. de persoon die op grond van artikel 7 van de
Ziektewet als werknemer
wordt beschouwd en tevens als zelfstandige werkzaamheden gaat verrichten,
of als echtgenoot van die zelfstandige meewerkt of gaat meewerken,
indien gedurende de drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan de dag van
aanvang van zijn vrijwillige verzekering onafgebroken, al dan niet in
Nederland, op grond van een wettelijke regeling een voorziening tegen
geldelijke gevolgen van volledig duurzame arbeidsongeschiktheid of
verminderde arbeidsgeschiktheid op hem van toepassing is geweest;
g. de
persoon wiens recht op een uitkering krachtens deze wet is beëindigd.
-2. De in het eerste lid bedoelde verplichting bestaat eveneens ten
aanzien van de persoon die de pensioengerechtigde
leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de
Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en
die op grond van artikel
3,
tweede of vijfde lid, van de Ziektewet niet als werknemer wordt
beschouwd en:
a. wiens verplichte verzekering is geëindigd en die buiten Nederland
woont, aldaar direct aansluitend op de beëindiging van de verplichte
verzekering een dienstbetrekking vervult voor de duur van maximaal vijf
jaar en wiens werkgever binnen Nederland woont of gevestigd is;
b. die Nederlander is en die is uitgezonden om werkzaamheden te
verrichten voor door Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen organisaties voor
ontwikkelingssamenwerking;
c. die Nederlander is en die is uitgezonden om, in of buiten Nederland,
werkzaamheden te verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie
waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland
worden ondersteund;
d. die in Nederland woont en buiten Nederland een dienstbetrekking
vervult; of
e. die Nederlander is en buiten Nederland werkzaamheden verricht die
worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk
worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter
uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te
stellen overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie.
-3. Aan het vervullen van een dienstbetrekking als bedoeld in het tweede
lid, onderdeel a, dient een aaneengesloten periode van verplichte
verzekering van ten minste één jaar te zijn voorafgegaan.
-4. Met de Nederlander, bedoeld in het tweede lid,
onderdeel
b, c en e,
wordt gelijkgesteld de persoon die onderdaan is van één van de
lidstaten van de Europese Gemeenschap of onderdaan is van een staat
waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten,
mits hij vóór hij werd uitgezonden in Nederland woonde.
-5. De in het eerste lid, onderdeel c en
d, genoemde termijn van één
jaar respectievelijk van drie jaren wordt geacht niet te zijn
onderbroken:
a. indien de betrokkene gedurende niet meer dan 60 dagen niet
verzekerd is geweest;
b. gedurende de wachttijd als bedoeld in
artikel 23.
-6. De in het eerste lid, onderdeel c respectievelijk
d, genoemde
voorwaarde van een verzekeringsduur van één jaar respectievelijk van
drie jaren wordt geacht te zijn vervuld indien de betrokkene een
uitkering ontvangt op grond van deze wet.
Art.
19.
Indiening
verzoek en aanvang vrijwillige verzekering (2.2.2)
[Geschiedenis:
MvT +
bis; versie 10 november 2005;
Stb. 2008, 192]
-1. Het verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering wordt
ingediend bij het UWV:
a. door de in artikel 18, eerste lid,
onderdeel a,
b en c, bedoelde
personen: binnen dertien weken na het einde van hun verplichte verzekering;
b. door de in artikel
18, eerste lid, onderdeel
f, bedoelde persoon:
binnen dertien weken na de dag waarop zijn werkzaamheden als zelfstandige,
of zijn werkzaamheden als echtgenoot van de zelfstandige in diens
bedrijfs- of beroepsuitoefening, een aanvang hebben genomen;
c. door de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
a, bedoelde persoon:
binnen dertien weken na de dag waarop de verplichte verzekering is
geëindigd;
d. door de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
b, c en e, bedoelde
persoon: binnen dertien weken na de dag van zijn vertrek naar het
buitenland dan wel, indien de in artikel
18, tweede lid, onderdeel c,
bedoelde werkzaamheden worden verricht in Nederland, binnen dertien weken
na de dag waarop die werkzaamheden een aanvang hebben genomen;
e. door de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
d, bedoelde persoon:
binnen dertien weken na de dag waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland
een aanvang hebben genomen.
-2. Het UWV kan bepalen dat een verzoek om toelating tot de vrijwillige
verzekering, ingediend na de daartoe op grond van deze wet of de daarop
berustende bepalingen gestelde termijn, geacht wordt tijdig te zijn
ingekomen indien de persoon die het verzoek heeft gedaan
redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.
-3. De vrijwillige verzekering vangt aan:
a. voor de in artikel
18, eerste lid,
onderdeel a,
b en c, en tweede
lid, onderdeel a, bedoelde persoon: op de dag na die waarop de
verplichte verzekering is geëindigd;
b. voor de in artikel
18, eerste lid, onderdeel
d, e en f, bedoelde
persoon: op de dag van ontvangst van zijn verzoek om toelating;
c. voor de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
b, c en e, bedoelde
persoon: op de dag van zijn vertrek naar het buitenland dan wel, indien
de in artikel 18, tweede lid, onderdeel c, bedoelde werkzaamheden
worden verricht in Nederland, op de dag waarop die werkzaamheden een
aanvang hebben genomen.
d. voor de in artikel
18, tweede lid, onderdeel
d, bedoelde persoon:
op de dag waarop zijn werkzaamheden buiten Nederland een aanvang hebben
genomen.
Art.
20.
Beëindiging vrijwillige verzekering (2.2.3)
[Geschiedenis:
MvT +
bis; versie 10 november 2005;
Stb.
2010, 867]
Het UWV beëindigt de vrijwillige verzekering:
a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem
te bepalen datum;
b. met ingang van de dag waarop de termijn van vijf jaar, bedoeld in
artikel 18, tweede lid, onderdeel a, is verstreken;
c. met ingang van de dag waarop de werkzaamheden, bedoeld in
artikel 18, tweede lid, worden beëindigd en de vrijwillig verzekerde niet
langer geacht kan worden inkomsten te verkrijgen wegens eindiging van
die werkzaamheden dan wel inkomsten te derven in geval van ziekte;
d. met ingang van de dag waarop de vrijwillig verzekerde verplicht
verzekerd wordt op grond van deze wet;
e. indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle
kalendermaanden niet, niet volledig of niet tijdig wordt betaald; of
f. indien niet langer wordt voldaan aan andere vereisten voor toelating
tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 18, tweede lid.
Art.
21.
Hoogte
dagloon en WGA-uitkering vrijwillige verzekering (2.2.4)
[Geschiedenis:
MvT +
bis; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710 + bis;
Stb. 2006, 703]
-1. De persoon die om
toelating tot de vrijwillige verzekering verzoekt, bepaalt bij de aanvang
van de vrijwillige verzekering de hoogte van het dagloon, met dien
verstande dat dit niet meer kan bedragen dan:
a. het in artikel 17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen genoemde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van één
dag eventueel
verhoogd of verlaagd krachtens artikel 18 van
die wet; en
b. het loon of het
inkomen dat hij in geval van volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid
naar het oordeel van het UWV derft.
-2. Voor de persoon die
verzekerde is op grond van deze paragraaf blijven bij het
vaststellen van het recht op een WGA-uitkering en de duur en hoogte daarvan de
artikelen 54, derde en vierde lid, 58 en 59
tot en met 62 buiten
toepassing.
-3. De hoogte van de
WGA-uitkering op grond van de vrijwillige verzekering bedraagt per
kalendermaand:
I x J
waarbij:
I staat voor het maandloon;
en
J staat voor het uitkeringspercentage, dat bij een arbeidsongeschiktheid
van:
a. 35-45%, 28%;
b. 45-55%, 35%;
c. 55-65%, 42%;
d. 65-80%, 50,75%; en
bij
e. 80% of meer, 70%
bedraagt.
-4. De hoogte van de
uitkering, bedoeld in het derde lid, wordt eerst nadat een wijziging in de
mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee kalendermaanden heeft
voortgeduurd, herzien.
-5. Op de WGA-uitkering, bedoeld in het derde lid, wordt, indien de
persoon die op grond van deze paragraaf verzekerd is meer verdient dan
zijn resterende verdiencapaciteit als bedoeld in artikel
60, vierde en
vijfde lid, per kalendermaand in mindering gebracht:
0,7 x A x B/C
waarbij:
A staat voor dat meerdere;
B staat voor het dagloon waarnaar de WGA-uitkering is berekend;
C staat voor het dagloon waarnaar de WGA-uitkering zou zijn berekend
indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel
17, eerste lid,
van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met
betrekking tot een loontijdvak van één dag.
Art.
21a. Nadere regels UWV [RvvW] [RvvW07]
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 710]
Het UWV stelt nadere regels met betrekking tot de vrijwillige verzekering.
Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot:
a. de toelating tot de vrijwillige
verzekering;
b. het einde van de vrijwillige
verzekering; en
c. het dagloon, bedoeld in artikel
21, eerste lid.
Art.
22.
Schakelbepaling (2.2.5) [Geschiedenis:
MvT +
bis; versie 10 november 2005]
Voor zover daarvan in deze
paragraaf niet wordt afgeweken, zijn de overige artikelen van
deze wet en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige
toepassing op deze paragraaf.
HOOFDSTUK
3
De
wachttijd en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting
Art.
23.
De wachttijd (3.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710; Stb. 2006, 703;
Stb. 2009, 318; Stb. 2010,
838; Stb.
2012, 657; Stb.
2012, 464]
-1.
Voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van
deze wet geldt voor hem een wachttijd van 104 weken.
-2.
Als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een
dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt
of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Bij ministeriële regeling kunnen nadere
regels worden gesteld en kunnen dagen waarop niet zou worden gewerkt als
werkdag worden aangemerkt. [Rbew06]
-3.
Bij het bepalen van de wachttijd worden de volgende perioden in aanmerking
genomen:
a. perioden waarin recht bestaat op
ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet
en de daarop berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden
samengeteld, indien zij:
1º. elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen; of
2º. direct voorafgaan aan en aansluiten op
een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op
grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste
lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid
aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort
te vloeien uit dezelfde oorzaak; en
b. perioden die niet al op grond van
onderdeel a meetellen, maar waarin de verzekerde ongeschikt is
geweest voor zijn arbeid. Deze perioden worden samengeteld, indien zij:
1º. elkaar met een onderbreking van minder
dan vier weken opvolgen; of
2º. direct voorafgaan aan en aansluiten op
een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op
grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10, eerste
lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid voorafgaande aan en de ongeschiktheid
aansluitende op die periode redelijkerwijs niet geacht kunnen worden voort
te vloeien uit dezelfde oorzaak.
-4.
Met recht op ziekengeld als bedoeld in het derde lid wordt gelijkgesteld
de situatie dat aan een verzekerde geen ziekengeld wordt betaald als
gevolg van de toepassing van de artikelen 19a
en 19b van de Ziektewet
en de daarop berustende
bepalingen.
-5.
Voor het bepalen van de wachttijd
worden niet in aanmerking genomen perioden gedurende welke:
a. een uitkering wordt genoten
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 2º;
b. geen recht op ziekengeld
bestond op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de Ziektewet.
-6.
Op aanvraag van de verzekerde stelt het UWV,
in afwijking van het eerste lid, een verkorte wachttijd vast indien de
verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel
4, tweede lid, en bij de aanvraag artikel 66 in acht
is genomen. Een verkorte wachttijd bedraagt ten minste dertien weken en ten
hoogste 78 weken. Het einde van een verkorte wachttijd wordt niet eerder
vastgesteld dan tien weken na de dag waarop de aanvraag daartoe is
ingediend.
Art.
24.
Vrijwillige
loondoorbetaling werkgever (3.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2006, 703]
-1. Na afloop van de wachttijd wordt het tijdvak gedurende welke de
verzekerde jegens zijn werkgever recht heeft op loon of bezoldiging, op
gezamenlijk verzoek van de verzekerde en die werkgever door het UWV
verlengd, tenzij:
a. artikel 29 of 29a, eerste of vierde lid, of
artikel 76c, onderdeel
a,
van de Ziektewet van toepassing is; of
b. zwaarwegende omstandigheden zich daartegen
verzetten.
-2. Het verlengde tijdvak,
bedoeld in het eerste lid, eindigt op de door het UWV aangegeven datum
en kan op verzoek van de werkgever of de verzekerde worden verkort of wordt op hun gezamenlijk verzoek verder verlengd, tenzij
zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.
-3. Het UWV stelt bij
toepassing van het tweede lid een nieuwe datum vast waarop het verlengde
tijdvak eindigt, met dien verstande dat dit tijdvak niet eerder
eindigt dan vijftien weken na het verzoek, bedoeld in het tweede lid, tenzij de
werkgever vóór het verstrijken van het tijdvak van die vijftien weken geen
loon meer verschuldigd is, omdat de dienstbetrekking is geëindigd.
Art.
25.
Reïntegratieverplichtingen en verplichte loondoorbetaling
werkgever (3.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 673;
Stb. 2006, 703; Stb.
2007, 551; Stb. 2008, 414;
Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 618]
-1. De werkgever jegens
wie de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid
wegens ziekte recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond
van artikel
76a,
eerste lid, van de Ziektewet
houdt
aantekening van het verloop van de ziekte en de reïntegratie van
de verzekerde.
-2. De werkgever, bedoeld
in het eerste lid, stelt binnen een bij ministeriële regeling nader te bepalen
termijn in overeenstemming met de verzekerde een plan van
aanpak op. De afspraken die in het plan van aanpak zijn gemaakt,
worden door werkgever en verzekerde nageleefd. Het plan van aanpak wordt
periodiek geëvalueerd. [Rpetz]
-3. Uiterlijk vijftien
weken vóór het verstrijken van de wachttijd stelt de werkgever, bedoeld in het
eerste lid, in overleg met de verzekerde een reïntegratieverslag op
en verstrekt hiervan een afschrift aan de verzekerde.
-4. Indien artikel 24,
eerste lid, toepassing heeft gevonden:
a. stelt de werkgever in
overleg met de verzekerde, indien hij nog geen reïntegratieverslag
heeft opgesteld, in afwijking van het derde lid, het reïntegratieverslag
uiterlijk vijftien weken vóór het verstrijken van het door het UWV
vastgestelde
verlengde tijdvak, bedoeld in artikel
24, eerste lid, op en verstrekt een
afschrift daarvan aan de verzekerde;
b. vult de werkgever in
overleg met de verzekerde, indien hij al een reïntegratieverslag
heeft opgesteld, dit reïntegratieverslag uiterlijk vijftien weken vóór het
verstrijken van het door het UWV vastgestelde verlengde tijdvak, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, aan en verstrekt een afschrift daarvan aan de
verzekerde, tenzij de verzekerde verzoekt dit in verband met het doen van een
aanvraag als bedoeld in artikel 64 eerder te doen. De werkgever komt binnen
twee weken aan dit verzoek tegemoet.
-5. Bij de uitvoering van
het eerste tot en met het vierde lid laat de werkgever zich bijstaan
door een persoon als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet
die belast is met de bijstand, bedoeld in artikel 14,
eerste lid, onderdeel b, van die
wet, of door een arbodienst.
-6. De verzekerde verleent
zijn medewerking bij het opstellen van het plan van aanpak en het
opstellen van het reïntegratieverslag.
-7. Bij ministeriële
regeling kunnen regels met betrekking tot het eerste tot en met zesde lid
worden gesteld. [Rpetz]
-8. Indien bij de
behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64, blijkt dat de werkgever
zijn verplichting om een reïntegratieverslag op te stellen niet of niet
volledig is nagekomen, stelt het UWV aan de werkgever een termijn waarbinnen
het reïntegratieverslag wordt verstrekt of aangevuld.
-9. Indien bij de
behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64, en de beoordeling, bedoeld
in artikel 65, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn
verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde
lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet
volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, verlengt
het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde
jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond
van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn
tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen
of reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak, bedoeld in de eerste zin, is
ten hoogste 52 weken. Indien op het moment van verlenging van het
tijdvak, bedoeld in de eerste zin, recht bestaat op verlof op grond van artikel
3:1 van de Wet arbeid en zorg, vangt het tijdvak
aan met ingang van de dag waarop dat verlof eindigt. Indien tijdens het
verlengde tijdvak, bedoeld in de eerste zin, recht ontstaat op verlof als
bedoeld in de derde zin, wordt het tijdvak onderbroken voor de duur van dat
verlof.
-10. Het UWV geeft de
beschikking omtrent de toepassing van het negende lid uiterlijk zes weken vóór de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel
23, of indien toepassing
is gegeven aan artikel 24, vóór de afloop van het verlengde tijdvak, indien
de aanvraag, bedoeld in artikel 64, tijdig is gedaan. Indien de
aanvraag, bedoeld in artikel 64, niet tijdig is gedaan, wordt de in de vorige zin
bedoelde beschikking uiterlijk zes weken vóór de afloop van het tijdvak,
bedoeld in artikel 629, elfde lid, onderdeel a, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, gegeven dan wel van het tijdvak, bedoeld in artikel 76a,
zesde lid, onderdeel a, van de Ziektewet.
-11. Verlenging van het
tijdvak als bedoeld in het negende lid vindt niet plaats indien het UWV de
beschikking omtrent de toepassing van het negende lid niet geeft vóór de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel
23, of indien toepassing
is gegeven aan artikel 24 van deze wet dan wel aan
artikel 629, elfde lid, onderdeel a, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of
artikel 76a, zesde lid, onderdeel a, van de Ziektewet,
vóór afloop
van het verlengde tijdvak.
-12. Indien de werkgever
na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn
tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of
reïntegratie-inspanningen heeft hersteld, meldt hij dit aan het UWV, waarbij hij
aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld.
-13. Het UWV geeft de
beschikking waarin wordt vastgesteld of de tekortkoming, bedoeld in
het negende lid, is hersteld binnen drie weken na de ontvangst van de
melding, bedoeld in het twaalfde lid.
-14. Het tijdvak, bedoeld
in het negende lid, eindigt zes weken nadat het UWV heeft vastgesteld dat
de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid
bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen heeft hersteld, maar niet
later dan na 52 weken. Indien het UWV de beschikking omtrent de
toepassing van het negende lid, de beschikking waarin wordt vastgesteld dat
een tekortkoming is hersteld of de beschikking waarin wordt vastgesteld dat
een tekortkoming niet is hersteld te laat geeft, eindigt het tijdvak zoveel
eerder als de beschikking later is afgegeven.
-15. Indien het UWV heeft
vastgesteld dat de tekortkoming, bedoeld in het negende lid, is
hersteld, geeft het UWV binnen zes weken een beschikking over het
ontstaan van het recht op een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 6 en
7.
-16. Bij ministeriële
regeling kunnen voor de toepassing van het negende tot en met het
vijftiende lid nadere regels worden gesteld.
Art.
26.
Vangnetsituaties (3.4) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710; Stb.
2007, 553; Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 299; Stb. 2011, 618]
-1. Ten aanzien van de verzekerde die op
grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel a,
b, c of d, van de Ziektewet
recht heeft op ziekengeld is op het UWV artikel
25, tweede, vierde, vijfde, en achtste tot en met zestiende lid,
niet van toepassing en is artikel 25, eerste, derde en
zesde lid, van overeenkomstige toepassing. Het UWV stelt, binnen een bij
ministeriële regeling nader te bepalen termijn, in overleg met die
verzekerde, een plan van aanpak op. Het plan van aanpak wordt periodiek
geëvalueerd. Artikel 30a, zesde en
zevende lid, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is van overeenkomstige
toepassing, waarbij voor "de re-integratievisie" telkens wordt
gelezen: het plan van aanpak.
-2. In afwijking van het
eerste lid is artikel 25, eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, zevende en
achtste lid, van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet, ten aanzien van
de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid,
onderdeel a, b en
c, van
die wet, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden. Indien bij de
behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64, en de
beoordeling, bedoeld in artikel 65, blijkt dat de eigenrisicodrager, bedoeld in de eerste zin,
zonder deugdelijke grond de uit die zin voortvloeiende
verplichtingen niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen
heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de
persoon, bedoeld in de eerste zin, recht op ziekengeld heeft op grond van
artikel 29 van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien
van de in de tweede zin bedoelde verplichtingen of
reïntegratie-inspanningen kan herstellen. Artikel
25, tiende tot en met
zestiende lid, is van
overeenkomstige toepassing.
-3. Het eerste lid is niet van toepassing
ten aanzien van de verzekerde die een werkgever als bedoeld in artikel
25, eerste lid, heeft en op die ¹ op de dag voordat recht op
ziekengeld op grond van artikel 29, tweede
lid, onderdeel d, van de Ziektewet
ontstond uitsluitend recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet
had omdat artikel 20, zesde lid, onderdeel b,
van die wet van toepassing was.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van dit
artikel. [Rpetzvw]
1.
Volgens de redactie dient "op die" te worden vervangen
door: die.
HOOFDSTUK
4
Rechten
en plichten in verband met het recht op een uitkering op grond van deze
wet
§ 4.1.
Verplichtingen van
de verzekerde
Art.
27.
Informatieplicht en medewerking aan controle (4.1.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2006, 703; Stb.
2007, 555; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 318]
-1. De verzekerde die een
aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van
artikel 71 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald,
verstrekt op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle
informatie
waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed
kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de
betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader
van reïntegratie, aan het UWV. Deze
verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld
op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte
gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan
te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor
welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
-2. De verzekerde die een
aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet is verplicht:
a. te voldoen aan elke
oproep van het UWV of van één of meer door het UWV aangewezen personen
om aanwezig te zijn op een door of vanwege het UWV te bepalen plaats
voor beantwoording van vragen als bedoeld in onderdeel b, het meewerken
aan onderzoek als bedoeld in onderdeel c of het naleven van de controlevoorschriften, bedoeld in onderdeel
d;
b. vragen te beantwoorden
die door het UWV of door één of meer door het UWV aangewezen
personen in verband met het recht op uitkering op grond van deze wet worden
gesteld;
c. mee te werken door
zich te laten onderzoeken door het UWV of door één of meer daartoe door
het UWV aangewezen personen;
d. tot naleving van door
het UWV vastgestelde controlevoorschriften die noodzakelijk zijn
voor een juiste uitvoering van deze wet;
e. op verzoek onverwijld
inzage te geven aan het UWV in een op hem betrekking hebbend
document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de
Wet op de
identificatieplicht.
-3. De verplichtingen,
bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van:
a. het reïntegratiebedrijf dat in opdracht van het UWV of de eigenrisicodrager
werkzaamheden verricht;
of
b. personen die met
toestemming van het UWV of de eigenrisicodrager zijn aangewezen door een
reïntegratiebedrijf als bedoeld in onderdeel b, voor zover dit
noodzakelijk is voor de uitvoering van de bij wet of overeenkomst aan deze
personen en rechtspersonen opgedragen taken.
-4. De verzekerde die
recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en die bij deelname aan
een reïntegratietraject zijn reïntegratieverplichtingen niet naleeft, deelt de
reden daarvan onmiddellijk mede aan het reïntegratiebedrijf.
-5. De verzekerde die een
aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet is verplicht te voldoen aan het
voorschrift gegeven door het UWV of de door hem daartoe aangewezen
deskundige om zich ter observatie te doen opnemen of te verblijven in een
aangewezen inrichting.
-6. De eigenrisicodrager
treedt voor de toepassing van het eerste en tweede lid, voor zover het
betreft de naleving door zijn werknemer of gewezen werknemer van
plichten die reïntegratie betreffen, in de plaats van het UWV.
-7. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op de persoon die tijdens de wachttijd, met
uitzondering van de eerste dag van die wachttijd, geen verzekerde is op
grond van deze wet.
-8. De werkgever die een
aanvraag heeft ingediend voor of recht heeft op een subsidie als
bedoeld in artikel 36 en de persoon, niet zijnde
verzekerde, bedoeld in
het eerste lid, die een aanvraag heeft ingediend voor of recht heeft op
een voorziening als bedoeld in artikel 35 verstrekken op verzoek
van het UWV of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie
waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
kan zijn op de verstrekking of toekenning of op de duur of de hoogte van het
reïntegratie-instrument, aan het UWV.
Art.
28.
Plichten
ter voorkoming van ontstaan en bestaan van recht op uitkering op
grond van deze wet (4.1.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710]
-1. De verzekerde voorkomt
het ontstaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde
arbeidsgeschiktheid en beperkt het bestaan van arbeidsongeschiktheid of verminderde
arbeidsgeschiktheid, voor zover dit redelijkerwijs van hem verwacht mag
worden.
-2. De verzekerde is
gedurende de wachttijd alsmede het verlengde tijdvak, bedoeld in
artikel 24, eerste lid, en het tijdvak, bedoeld in artikel
25, negende lid,
verplicht:
a. mee te werken aan door
zijn werkgever of door een door die werkgever aangewezen
deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die
erop gericht zijn om hem in staat te stellen passende arbeid te
verrichten; en
b. voldoende
reïntegratie-inspanningen te verrichten;
c. een naar algemeen
medische maatstaven adequate behandeling te ondergaan voor zijn
ziekte of gebrek.
Voor de toepassing van
dit artikellid wordt onder werkgever mede verstaan de
eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet.
-3. Dit artikel is van
overeenkomstige toepassing op de persoon die tijdens de wachttijd, met
uitzondering van de eerste dag van die wachttijd, geen verzekerde is op
grond van deze wet.
Art.
29.
Plichten
gericht op vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid
(4.1.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb 2007, 564]
-1. De verzekerde die
recht heeft op een WGA-uitkering is verplicht in voldoende mate te
trachten mogelijkheden tot het verrichten van passende arbeid te
behouden of te verkrijgen.
-2. Ter naleving van de
plicht, bedoeld in het eerste lid, is de verzekerde die recht heeft op een
WGA-uitkering in elk geval verplicht:
a. zich geneeskundig te
laten behandelen of aanwijzingen van een arts op te volgen indien het UWV
of de eigenrisicodrager, of het reïntegratiebedrijf in opdracht van het UWV
of de eigenrisicodrager, daartoe opdracht geeft en zijn genezing
niet te belemmeren;
b. mee te werken aan
activiteiten of werkzaamheden gericht op zijn inschakeling in de arbeid die het UWV of de eigenrisicodrager wenselijk acht voor verkrijging van
mogelijkheden tot verrichten van passende arbeid;
c. mee te werken aan
aanpassing van de arbeidsplaats en aan persoonsgebonden
voorzieningen die het UWV of de eigenrisicodrager verstrekt voor
verkrijging van mogelijkheden tot verrichten van passende arbeid en zo nodig
trachten die aanpassing en die voorzieningen te verkrijgen;
d. mee te werken aan het
opstellen van de reïntegratievisie en het reïntegratieplan;
e. te voldoen aan
verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie en het
reïntegratieplan.
-3. De verplichtingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op de persoon die
blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de
doelgroep behoort van de Wet sociale
werkvoorziening. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel b,
wordt niet als inschakeling in de arbeid beschouwd inschakeling in
arbeid op grond van een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk
2 of 3 van de Wet
sociale werkvoorziening.
Art.
30.
Plichten
gericht op inschakeling in de arbeid (4.1.4)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2006, 303; Stb 2007, 564;
Stb. 2008, 600]
-1. De verzekerde die
recht heeft op een WGA-uitkering is verplicht: [Rvvs]
a. passende arbeid te
verrichten indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld;
b. in voldoende mate te
trachten passende arbeid te verkrijgen; en
c. geen eisen te stellen
in verband met door hem te verrichten arbeid die het aanvaarden of
verkrijgen van passende arbeid belemmeren.
-2. De verzekerde die zijn
resterende verdiencapaciteit als bedoeld in paragraaf 7.2 niet
volledig benut en die recht heeft op een WGA-uitkering is verplicht zich als
werkzoekende bij het UWV te laten registreren, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van
artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en het UWV of de eigenrisicodrager hem dit opdraagt.
-3. De verzekerde die recht heeft op een loongerelateerde uitkering van
de WGA-uitkering en arbeid in dienstbetrekking verricht, is verplicht:
a. zich te onthouden van verwijtbaar gedrag dat aangemerkt kan
worden als een dringende reden in de zin van artikel 678 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de dienstbetrekking niet door of op zijn verzoek te laten
beëindigen zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren
verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden
gevergd.
-4. In dit hoofdstuk wordt
onder passende arbeid verstaan alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de verzekerde is berekend, tenzij aanvaarding om redenen
van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden
gevergd. Niet als passende arbeid wordt beschouwd arbeid op grond van
een dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2
of 3 van de Wet sociale
werkvoorziening.
-5. Het door de verzekerde, bedoeld in het derde lid, niet voeren van
verweer tegen of het instemmen met een beëindiging van de
dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot
overtreding van de verplichting, bedoeld in het derde lid, aanhef en
onder a.
-6. De verplichtingen, bedoeld in het eerste
en tweede lid, zijn niet van toepassing op de verzekerde die blijkens een
indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort
van de Wet sociale werkvoorziening.
Art.
31.
Plichten
wettelijk vertegenwoordiger (4.1.5)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
De plichten, bedoeld in
artikel 27, 28, 29, 30
en 64, derde lid, worden, indien de in die
artikelen genoemde verzekerde een wettelijk vertegenwoordiger heeft,
door die vertegenwoordiger nageleefd. Voor zover de plichten
slechts door de verzekerde kunnen worden nageleefd, bevordert de
wettelijk vertegenwoordiger die naleving.
Art.
32.
Delegatiebevoegdheid (4.1.6) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2006, 303; Stb. 2009, 318]
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking
tot de
artikelen 27, 28, 29 en 30, eerste tot en met derde lid.
-2. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld waarbij bepaalde groepen
werknemers worden
vrijgesteld van verplichtingen hun op grond van artikel 29
en 30, eerste lid, opgelegd. [Rvvs]
-3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
gesteld op grond waarvan aan werknemers in individuele gevallen
tijdelijk ontheffing kan worden verleend van verplichtingen hun op
grond van artikel 30, eerste lid, opgelegd.
[Bovs]
§ 4.2.
Rechten van de
verzekerde en reïntegratie-instrumenten
Art.
33.
Mogelijkheid geldend maken aanspraken en naleven plichten (4.2.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
De verzekerde die een
aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet wordt door zijn werkgever in de
gelegenheid gesteld tot het geldend maken van de hem op grond van deze wet en
de daarop berustende bepalingen toekomende aanspraken en tot het
nakomen van de hem op grond van deze wet en de daarop berustende
bepalingen opgelegde verplichtingen, voor zover de uitoefening van die
bevoegdheden en de nakoming van die verplichtingen niet buiten de arbeidstijd kan geschieden.
Art.
34.
Recht op
ondersteuning bij arbeidsinschakeling van UWV (4.2.2)
[Bia] [BUnv09]
[BUnv10] [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710; Stb. 2006, 703;
Stb 2007, 564; Stb.
2009, 589]
-1. De verzekerde die
recht heeft op een WGA-uitkering die niet ten laste komt van een
eigenrisicodrager heeft recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en,
met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen, op
de naar het oordeel van het UWV
noodzakelijk geachte voorziening
gericht op arbeidsinschakeling, tenzij artikel 42 van toepassing is.
-2. Dit artikel is niet
van toepassing op de verzekerde die werkzaam is als werknemer in de zin
van de Wet sociale werkvoorziening.
-3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt
voor personen die blijkens een indicatiebeschikking of
herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren van de Wet
sociale werkvoorziening onder een voorziening gericht op
arbeidsinschakeling mede verstaan een voorziening gericht op het verkrijgen
van arbeid in een dienstbetrekking als bedoeld in de artikelen
2 en 7 van die wet.
Art.
34a. Voorzieningen ter bevordering en ondersteuning van arbeid
als zelfstandige [BUnv11] [BUnv12]
[BUnv13] [Bvh]
[Geschiedenis:
Stb. 2009, 589; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 618]
-1. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur kunnen regels worden gesteld op grond waarvan het UWV
op aanvraag van de persoon met een naar het oordeel van het UWV
structurele functionele beperking, die arbeid als zelfstandige verricht
of gaat verrichten, in het kader van de bevordering van de inschakeling
in en ondersteuning bij de arbeid als zelfstandige, voorzieningen kan
verstrekken. [Rb]
-2. Voorzieningen als bedoeld in het eerste
lid worden uitsluitend verstrekt in verband met een naar het oordeel van
het UWV structurele functionele beperking die het gevolg is van een
ziekte of handicap die:
a. bij
de aanvang van de arbeid als zelfstandige aanwezig was; of
b.
binnen drie jaar na de aanvang van de arbeid als zelfstandige is
ontstaan, indien bij de aanvang van de arbeid als zelfstandige reeds een
ziekte of handicap aanwezig was.
-3. Voorzieningen als bedoeld in het eerste
lid worden niet verstrekt of worden beëindigd indien het inkomen van de
persoon die arbeid als zelfstandige verricht, na een bij algemene
maatregel van bestuur te bepalen aantal kalenderjaren na de aanvang van
de arbeid als zelfstandige, meer bedraagt dan een bij die maatregel vast
te stellen bedrag. Bij of krachtens die maatregel wordt tevens bepaald
wat onder inkomen als bedoeld in de eerste zin wordt verstaan. [Rb]
-4. Voor de toepassing van dit artikel
en de daarop berustende bepalingen wordt, in afwijking van artikel
1, verstaan onder zelfstandige: de persoon die, anders dan in
dienstbetrekking, arbeid in eigen bedrijf verricht of een beroep
uitoefent, teneinde daarmee inkomen te verwerven.
-5. Dit artikel is niet van toepassing op
de persoon die recht op arbeidsondersteuning heeft op grond van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
Art.
35.
Arbeidsplaatsvoorzieningen en voorzieningen ter ondersteuning van
toeleiding naar arbeid (4.2.3) [Bia]
[BUnv06] [BUnv07]
[BUnv08] [BUnv09]
[BUnv10] [BUnv11]
[BUnv12] [BUnv13]
[BUpp]
[Bvh] [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 710; Stb
2007, 564; Stb.
2009, 580; Stb. 2009, 589]
-1. Het UWV kan
aan de
persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele
beperking en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in
dienstbetrekking gaat verrichten, doch niet werkzaam is of zal zijn als werknemer in
de zin van de Wet sociale werkvoorziening, of die scholing of opleiding in het kader
van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of
gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten, met
uitzondering van de persoon, bedoeld in artikel 34,
tweede lid, op aanvraag
voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering
van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de
scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op die proefplaats.
-2. Onder voorzieningen
als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend verstaan:
a. vervoersvoorzieningen
die ertoe strekken dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn
werkplek of opleidingslocatie kan bereiken;
b. intermediaire
activiteiten ten behoeve van personen met een visuele, auditieve of
motorische handicap;
c. meeneembare
voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de
productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingsplaats of de
proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen,
die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het
eerste lid, zijn afgestemd; en
d. noodzakelijke
persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan de persoon opgedragen
taken, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor
zijn beperkingen.
-3. Het UWV kan aan de
persoon, bedoeld in het eerste lid, op aanvraag vervoersvoorzieningen
toekennen die strekken tot verbetering van zijn leefomstandigheden en die
deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met
voorzieningen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
-4. Dit artikel is niet van toepassing op de
persoon die recht op arbeidsondersteuning heeft op grond van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
-5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot dit artikel. [Rb]
Art.
36.
Subsidieregeling werkgever (4.2.4)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb 2007, 564; Stb.
2012, 657]
-1. Het UWV kan op
aanvraag van de werkgever die met een werknemer een dienstbetrekking,
anders dan een dienstbetrekking in de zin van de Wet
sociale werkvoorziening,
van ten minste zes maanden is aangegaan of waarmee door elkaar opvolgende dienstbetrekkingen gedurende ten
minste zes maanden een
dienstbetrekking blijkt te bestaan, subsidie verstrekken voor
meerkosten, voor zover:
a. die werkgever aantoont
dat het totaal van de kosten die hij maakt of heeft gemaakt ten behoeve
van het in dienst houden of in dienst nemen van een werknemer met een
naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking
meer bedraagt dan bij algemene maatregel van bestuur te bepalen
bedragen, die in hoogte verschillen afhankelijk van de hoogte van het loon van
de werknemer; [Rb]
b. die werkgever, na
ommekomst van de periode van drie respectievelijk één jaar, genoemd in artikel
49 van de Wet financiering sociale
verzekeringen, kosten maakt of heeft
gemaakt ten behoeve van het in dienst houden van een werknemer als bedoeld
in onderdeel a;
c. die werkgever kosten heeft gemaakt als
bedoeld in het tweede lid en de periode van drie respectievelijk één
jaar, bedoeld in onderdeel b, voortijdig wordt beëindigd op initiatief
van de werknemer of omdat de werknemer wegens arbeidsongeschiktheid
definitief niet in de dienstbetrekking terugkeert;
d. die werkgever kosten heeft gemaakt als
bedoeld in het tweede lid en de periode van drie respectievelijk één
jaar, bedoeld in onderdeel b, voortijdig wordt beëindigd omdat er bij
die werkgever geen passende arbeid aanwezig is.
-2. Onder de kosten,
bedoeld in het eerste lid, worden verstaan de kosten van voorzieningen,
bedoeld in artikel 35, tweede lid, voor zover die naar de aard der zaak
duurzaam zijn verenigd met het bedrijf van de werkgever.
-3. Een subsidie als
bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien de subsidie wordt
aangevraagd voor een werknemer voor wie reeds eerder aan de werkgever
subsidie op grond van dit artikel is verstrekt, tenzij de
subsidieaanvraag:
a. geen verband houdt met
feiten en omstandigheden die aanleiding zijn geweest voor het
verstrekken van de subsidie;
b. betrekking heeft op
door de werkgever gemaakte kosten ter vervanging van de bij de
arbeid te gebruiken hulpmiddelen door de werknemer.
-4. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit
artikel. Daarbij kunnen regels worden gesteld met betrekking tot
subsidie in geval van overgang van onderneming als bedoeld in artikel
662 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek, met ¹ betrekking tot de te
verstrekken gegevens bij een aanvraag voor subsidie. Tevens kunnen
daarbij regels worden gesteld met betrekking tot het niet hanteren van
een drempelbedrag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien de
subsidie wordt verstrekt ten behoeve van een werknemer als bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, voor wie de werkgever geen korting als
bedoeld in artikel 49 van de Wet
financiering sociale verzekeringen kan toepassen. [Rb]
-5. De bedragen in dit artikel worden
verlaagd naar evenredigheid van de kortere duur van de dienstbetrekking.
1. Volgens de redactie
dient ", met" te worden vervangen door: alsmede met.
Art.
37.
Proefplaatsing (4.2.5) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2006, 703; Stb.
2012, 464]
-1. Het UWV en de
eigenrisicodrager kunnen, in het kader van de bevordering van de
inschakeling in de arbeid, toestemming verlenen aan de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet om op een
proefplaats bij een werkgever gedurende maximaal zes maanden
onbeloonde werkzaamheden te verrichten. [BpU13]
-2. De onbeloonde
werkzaamheden op een proefplaats zijn:
a. werkzaamheden waartoe
de gedeeltelijk arbeidsgeschikte met zijn krachten en bekwaamheden
in staat is;
b. werkzaamheden waarbij
de werkgever bij wie de proefplaatsing geschiedt een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte heeft afgesloten;
c. werkzaamheden die de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet reeds eerder onbeloond op een
proefplaats bij die werkgever of diens rechtsvoorganger heeft verricht; en
d. werkzaamheden waarbij
er, naar het oordeel van het UWV of de eigenrisicodrager, een
reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden
aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste
zes maanden.
-3.
Indien de
werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt
de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de
toepassing van dat lid buiten beschouwing gelaten.
-4. In afwijking van
artikel 30, eerste lid, onderdeel b, is de gedeeltelijk arbeidsgeschikte die
onbeloonde werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in het eerste of
tweede lid verricht, voor de duur van de proefplaatsing niet
verplicht passende arbeid te verkrijgen.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
uitvoering van dit artikel. [Rvvs]
Art.
37a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590; Stb.
2008, 598; Stb.
2011, 608]
Art.
37b. [Onbeloonde additionele
werkzaamheden] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
Het UWV
kan de persoon die recht heeft op een WGA-uitkering en voor wie de kans
op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor
vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde
additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.
Artikel 10a, tweede tot en met
tiende lid, van de Wet werk en bijstand is van
overeenkomstige toepassing.
§ 4.3.
Bevoegdheden en
verplichtingen van het UWV
Art.
38.
Controlevoorschriften (4.3.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Het UWV kan
controlevoorschriften vaststellen. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt
noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.
[Ca06] [Cba06]
Art.
39. Reïntegratieaanpak door het UWV (4.3.2)
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Nadat het recht op een
WGA-uitkering is vastgesteld, stelt het UWV
in samenspraak met de
verzekerde een reïntegratievisie vast waarin verplichtingen en rechten
van de verzekerde zijn vermeld.
-2. Het UWV evalueert, in
samenspraak met de verzekerde, periodiek de reïntegratievisie en
stelt deze zo nodig bij.
-3. Indien de
reïntegratievisie daartoe aanleiding geeft, laat het UWV ten behoeve van de
verzekerde, bedoeld in het eerste lid, een plan gericht op behoud en verkrijging van
mogelijkheden tot het verrichten van arbeid en inschakeling in arbeid
opstellen door een reïntegratiebedrijf. Het reïntegratieplan wordt
in samenspraak met de verzekerde opgesteld.
-4. In het
reïntegratieplan worden verplichtingen en rechten van de verzekerde vermeld
voor zover die niet in de reïntegratievisie zijn vermeld.
-5. Indien een
reïntegratiebedrijf aan het UWV heeft gemeld dat het gegronde vermoeden
bestaat dat een persoon aan wie een WGA-uitkering is toegekend onvoldoende
medewerking verleent aan de op hem betrekking hebbende
werkzaamheden van het reïntegratiebedrijf, neemt het UWV een beschikking
met betrekking tot de gehele of gedeeltelijke opschorting of schorsing
van de betaling van de uitkering aan die persoon voor de duur van ten
hoogste acht weken.
-6. Het UWV stelt het
reïntegratiebedrijf in kennis van een beschikking tot opschorting of
schorsing als bedoeld in het vijfde lid.
-7. Dit artikel is niet
van toepassing indien artikel 42 van toepassing is.
Art.
40.
Instroomcijfers Wet WIA (4.3.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2006, 703]
-1. Het UWV maakt per werkgever, die behoort tot een bij ministeriële
regeling te bepalen categorie, het percentage werknemers van die
werkgever dat in een kalenderjaar t recht heeft gekregen op een
WGA-uitkering openbaar in jaar t+1. Dat percentage wordt als volgt
berekend:
A/B
waarbij:
A staat voor het aantal werknemers dat in dienstbetrekking stond tot die
werkgever dat recht heeft gekregen op een WGA-uitkering in het jaar t;
en
B staat voor het gemiddelde aantal werknemers dat in dienstbetrekking
stond tot die werkgever gedurende het jaar t-2. [RiWW]
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt onder recht krijgen op een WGA-uitkering
verstaan het voor de eerste maal betaald krijgen van die uitkering.
-3. Indien een werkgever,
met toepassing van de artikelen 96 en 97 van de
Wet financiering
sociale verzekeringen, is aangesloten bij verschillende sectoren, vindt voor elk
bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden
verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de in het eerste lid
bedoelde openbaarmaking afzonderlijk plaats.
-4. Bij ministeriële
regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze
van openbaarmaking van gegevens als bedoeld in het eerste lid. [RiWW]
Art.
41. Vervallen. (4.3.4)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 318; Stb.
2011, 618]
Art.
41a. Reiskostenvergoeding [Geschiedenis:
Stb.
2005, 710]
In door het UWV vast te stellen gevallen
worden reiskosten, verblijfkosten en tijdverlies vergoed van personen
die door het UWV zijn opgeroepen en van hun begeleiders indien de
toestand van de persoon begeleiding noodzakelijk maakt. [BkW]
[BkU]
§ 4.4.
Verplichtingen van
de eigenrisicodrager
Art.
42.
Reïntegratieplicht eigenrisicodrager (4.4.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 108]
-1. De eigenrisicodrager
bevordert ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in artikel
82, eerste en tweede lid,
die recht heeft op een WGA-uitkering de inschakeling in de arbeid in zijn
bedrijf of in het bedrijf van een andere werkgever.
-2. Uit hoofde van de
uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, treft de
eigenrisicodrager maatregelen gericht op behoud, herstel of bevordering van de
mogelijkheid tot het verrichten van arbeid van de verzekerde.
-3. De
eigenrisicodrager verstrekt aan een re-integratiebedrijf gegevens voor
zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van werkzaamheden die de
eigenrisicodrager in verband met de taak, bedoeld in het eerste lid, aan
dat re-integratiebedrijf heeft opgedragen, alsmede het
burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaal
nummer van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door dat
re-integratiebedrijf wordt bevorderd. Het re-integratiebedrijf verwerkt
deze gegevens slechts voor zover dat noodzakelijk is voor deze
werkzaamheden en gebruikt slechts met dat doel het burgerservicenummer,
onderscheidenlijk het sociaal-fiscaal nummer, bij die verwerking.
-4. Indien artikel
72 van toepassing is, overlegt de eigenrisicodrager met het UWV
of met een
andere eigenrisicodrager indien de verzekerde meer werkgevers heeft
gehad die ook eigenrisicodrager zijn, over de uitoefening van de taak,
bedoeld in het eerste lid.
-5. De eigenrisicodrager
evalueert periodiek het plan van aanpak dat is opgesteld op grond
artikel 25, tweede lid.
-6. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit
artikel.
HOOFDSTUK
5
Uitsluitingsgronden
voor het recht op een uitkering
Art.
43.
Uitsluitingsgronden (5.1) [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 573; Stb. 2010, 840;
Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867; Stb. 2012, 2;
Stb. 2012, 361]
Voor de toepassing van
deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. het recht hebben op
een uitkering:
1º. op grond van
hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van deze wet; of
2º. op grond van
hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet
arbeid en zorg als gevolg van de
toepassing van artikel 3:6, eerste lid, onderdeel b, onder 2º, van
die wet;
b. het nog niet
geëindigd zijn van het tijdvak waarin recht bestaat op loon op grond van artikel
629, elfde lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of op bezoldiging
op grond van artikel
76a, zesde
lid, van de Ziektewet
of op ziekengeld op grond van artikel
29, tiende lid, van de Ziektewet, tenzij dit loon of deze bezoldiging uitsluitend wordt genoten
uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking,
bedoeld in artikel 23, tweede lid;
c. vervallen;
d. het rechtens zijn
vrijheid zijn ontnomen;
e. het
zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel;
f. het niet in Nederland
wonen;
g. het bereiken of bereikt hebben van de
pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel
7a, eerste lid, van de Algemene
Ouderdomswet;
h. overlijden van de
verzekerde.
Art.
44.
Nadere
bepalingen met betrekking tot vrijheidsstraffen en
vrijheidsbenemende maatregelen (5.3)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb. 2010,
838]
-1. Artikel 43, onderdeel d, is niet van toepassing op:
[Bevsz]
a. de gevallen, bedoeld
in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in
artikel 37, eerste lid, van het Wetboek
van Strafrecht; en
b. bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel plaatsvindt
buiten een justitiële inrichting.
-2. In afwijking van
artikel 49, eerste lid, onderdeel b, en 56, eerste lid, onderdeel
b, is
artikel 43, onderdeel d, eerst van toepassing met ingang van de dag dat de
persoon één maand rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Artikel
43, onderdeel d, is evenwel van toepassing met ingang van de
eerste dag van de vrijheidsontneming indien de persoon, bedoeld in de
eerste zin, op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een WGA-uitkering omdat er
op hem een uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel
43, onderdeel e.
-3. Voor de toepassing van
het tweede lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen.
Art.
45. Nadere
bepalingen met betrekking tot in Nederland wonen (5.4)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2010, 350; Stb. 2010,
838; Stb.
2012, 657]
-1. Artikel 43, onderdeel
f, is niet van toepassing op de verzekerde die
woont in een land waarin
op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke
organisatie recht op een uitkering op grond van deze wet kan bestaan.
-2. Onze Minister
deelt
mee in welke landen op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op een uitkering
op grond van deze wet kan
bestaan. In deze mededeling wordt tevens opgenomen: [BB03]
a. de vindplaats van het
desbetreffende verdrag of besluit; en
b. de eventueel in dat
verdrag of besluit aanwezige beperkingen.
-3. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kan worden geregeld dat het recht op een uitkering op grond
van deze wet ontstaat of herleeft dan wel dat een dergelijke uitkering
niet eindigt ten gunste van:
[Breu]
a. een verzekerde die werkzaamheden
verricht in het algemeen belang en niet in Nederland woont;
b. een verzekerde die in Aruba,
Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba woont; of
c. de gezinsleden van de in de onderdelen
a of b bedoelde verzekerde.
Art.
46. Vervallen. (5.5)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 710; Stb.
2010, 867]
Art.
46a. Niet
meewerken aan medisch onderzoek vóór recht op uitkering [Geschiedenis:
Stb.
2006, 703]
Indien voor het vaststellen van het recht op uitkering op grond van deze
wet, in het kader van een aanvraag voor de toekenning van een uitkering
op grond van deze wet, naar het oordeel van het UWV
een medisch
onderzoek nodig is en de betrokkene niet meewerkt aan dat onderzoek,
blijven eventuele uit deze wet voortvloeiende aanspraken op een
uitkering op grond van deze wet buiten aanmerking, voor zolang het recht
op uitkering niet kan worden vastgesteld.
HOOFDSTUK
6
Inkomensverzekering
voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten
§ 6.1.
Bepalingen in
verband met het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art.
47.
Ontstaan
van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.1.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt,
indien:
a. hij de wachttijd heeft
doorlopen;
b. hij volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is; en
c. er op hem geen
uitsluitingsgrond van toepassing is.
-2. Het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste
dag na afloop van de wachttijd of, indien op die dag de
uitsluitingsgrond,
bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van toepassing is, op de dag
dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet.
Art.
48.
Later
ontstaan van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.1.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2010,
838]
-1. Indien op de dag,
bedoeld in artikel 47, tweede lid, geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt is, ontstaat alsnog recht op die uitkering
met ingang van de dag dat hij wel volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een WGA-uitkering;
b. geen recht had op een
WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en
de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid intreedt
binnen vijf jaar na de in artikel 47, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt
uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd
ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of
c. geen recht had op een
WGA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en
de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid intreedt binnen vier
weken na de in artikel 47, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt
uit een andere oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de
wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
-2. Indien op de dag,
bedoeld in artikel 47, tweede lid, geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ontstaan omdat op die dag op de verzekerde
één of meer uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel
43, onderdeel d, e of f, van
toepassing waren, ontstaat alsnog recht op die uitkering op de dag dat
zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.
Art.
49.
Eindigen
van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.1.3)
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 318; Stb. 2010,
838]
-1. Het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt op de dag dat:
a. de persoon die recht
heeft op die uitkering niet meer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; of
b. er op hem een
uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43,
onderdeel d, e, f, g of h, van
toepassing is.
-2. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de persoon die aansluitend aan het recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van het feit dat hij niet gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is geen recht krijgt op een WGA-uitkering, na twee
maanden.
Art.
50.
Herleven
van het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.1.4)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2010,
838]
-1. Indien op grond van
artikel 49, eerste lid, onderdeel a, het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
is geëindigd, herleeft het recht op die uitkering op de dag dat
de verzekerde weer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt wordt,
indien hij op de dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een WGA-uitkering; of
b. geen recht had op een
WGA-uitkering en de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
intreedt binnen vijf jaar na die dag van eindiging en voortkomt uit dezelfde
oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-2. Indien op grond van artikel
49, eerste lid, onderdeel
b, het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd omdat op de
persoon die recht had op die uitkering één of meer uitsluitingsgronden
als bedoeld in artikel 43, onderdeel d, e
of f, van toepassing waren,
herleeft het recht op die uitkering op de dag dat zich geen van deze
uitsluitingsgronden meer voordoet.
§ 6.2.
De duur en hoogte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
Art.
51.
De hoogte
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering (6.2.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573; Stb.
2009, 318]
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt per kalendermaand 75% van het maandloon.
Art.
52.
Inkomen tijdens het recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering
(6.2.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2006, 703; Stb.
2009, 318; Stb.
2010, 867]
-1. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt per kalendermaand in
mindering gebracht:
0,7 x A x B/C
waarbij:
A staat voor inkomen per kalendermaand;
B staat voor het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is
berekend;
C staat voor het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou
zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het in artikel
17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde
bedrag met betrekking tot een loontijdvak van één dag.
-2. Indien de volledig en
duurzaam arbeidsongeschikte gedurende een aaneengesloten termijn
van twaalf kalendermaanden per kalendermaand een inkomen verwerft dat
meer bedraagt dan 20% van het maatmaninkomen
per maand, roept
het UWV de verzekerde op voor een onderzoek naar het voortbestaan van
volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
-3. Het tweede lid is niet
van toepassing op bij ministeriële regeling te bepalen groepen volledig
en duurzaam arbeidsongeschikten.
-4. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt
verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen
dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van
gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in
aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Ais]
[IW]
Art.
53.
Verhoging
uitkering bij hulpbehoevendheid (6.2.3)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573]
Indien de verzekerde
verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van
hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de duur van die hulpbehoevendheid
verhoogd door vermenigvuldiging met ten hoogste een factor
100/70. De eerste zin vindt geen toepassing indien de verzekerde in een
inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste
van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten
komen. [Bvuh]
HOOFDSTUK
7
Uitkering
in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
§ 7.1.
Bepalingen in
verband met het recht op een WGA-uitkering
Art.
54.
Ontstaan
van het recht op een WGA-uitkering (7.1.1)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005]
-1. Recht op een
WGA-uitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt, indien:
a. hij de wachttijd heeft
doorlopen;
b. hij gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is; en
c. er op hem geen
uitsluitingsgrond van toepassing is.
-2. Het recht op een
WGA-uitkering ontstaat niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de
wachttijd of, indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel
43,
onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond
niet meer voordoet.
-3. De WGA-uitkering
bestaat voor de verzekerde die voldoet aan de referte-eis, bedoeld in
artikel 58, uit een loongerelateerde uitkering en na afloop hiervan uit een
loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering.
-4. De WGA-uitkering
bestaat voor de verzekerde die niet voldoet aan de referte-eis, bedoeld in
artikel 58, uit een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering.
Art.
55.
Later
ontstaan van het recht op een WGA-uitkering (7.1.2)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 318;
Stb. 2010,
838]
-1. Indien op de dag,
bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is
ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is, ontstaat alsnog recht op die uitkering met ingang van de dag dat hij
wel gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt, indien hij op de dag hieraan
voorafgaand:
a. recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. minder dan 35%
arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde
oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd
ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of
c. minder dan 35%
arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit een andere
oorzaak dan die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd
ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.
-2. Indien op de dag,
bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is
ontstaan omdat op die dag op de verzekerde één of meer
uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43, onderdeel
d, e of f, van toepassing waren,
ontstaat alsnog recht op deze uitkering op de dag dat zich geen van deze
uitsluitingsgronden meer voordoet.
-3. Het recht op een
WGA-uitkering kan in de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
en het tweede lid, niet later ingaan dan vijf jaar na de dag, bedoeld in
artikel 54, tweede lid, en in de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel
c,
niet later dan vier weken na de dag, bedoeld in artikel 54, tweede
lid.
Art.
56.
Eindigen
van het recht op een WGA-uitkering (7.1.3)
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb. 2010,
838]
-1. Het recht op een
WGA-uitkering eindigt op de dag dat:
a. de verzekerde niet
meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is; of
b. er op hem een
uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43, onderdeel
a, onder 2º, d, e, f, g of h, van toepassing is.
-2. In afwijking van het
eerste lid, onderdeel a, eindigt het recht op een WGA-uitkering van de
verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35% twee
maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is,
doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt.
-3. In afwijking van het
tweede lid eindigt het recht op een WGA-uitkering van de
verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, omdat
hij met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen
per uur, één jaar na de dag waarop hij niet langer gedeeltelijk
arbeidsgeschikt is, doch niet
eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering
eindigt.
Art.
57.
Herleven
van het recht op een WGA-uitkering (7.1.4)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb. 2010,
838]
-1. Indien op grond van
artikel 56, eerste lid, onderdeel a, tweede of derde lid, het recht op
een WGA-uitkering is geëindigd, herleeft het recht op die uitkering op de
dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt, indien hij op de
dag hieraan voorafgaand:
a. recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. een mate van
arbeidsongeschiktheid had van minder dan 35% en de gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op grond waarvan hij eerder recht
had op een WGA-uitkering.
-2. Indien op grond van
artikel 56, eerste lid, onderdeel b, geen recht op een WGA-uitkering meer
bestaat omdat op de persoon die recht had op die uitkering één of meer
uitsluitingsgronden als bedoeld in artikel 43, onderdeel
a, onder 2º, d, e of f, van toepassing waren, herleeft het recht op die uitkering op de dag
dat zich geen van deze uitsluitingsgronden meer voordoet.
-3. Het recht op een
WGA-uitkering kan in de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
en het tweede lid, niet later herleven dan vijf jaar na de dag, bedoeld in
artikel 56.
Art.
58.
Referte-eis (7.1.5) [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 167;
Stb. 2006, 703; Stb.
2009, 318; Stb.
2012, 675]
-1. De verzekerde voldoet aan de referte-eis, indien:
a. hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag na de dag
waarop het recht op loon op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging op grond van hoofdstuk
IV, vierde
afdeling,¹ van de Ziektewet of het recht op ziekengeld op grond van
artikel 29 van de Ziektewet is geëindigd, in ten minste 26
kalenderweken ten minste één
arbeidsuur per kalenderweek heeft;
b. hij onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de wachttijd
recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet;
c. zijn recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is
geëindigd wegens het gaan verrichten van arbeid in dienstbetrekking en
hij op de eerste dag van de wachttijd recht op herleving van die
uitkering zou hebben gehad indien hij op die dag geen recht had
gekregen op ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet;
d. hij
onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de wachttijd wegens
werkloosheid niet werkt en wachtgeld ontvangt uit hoofde van een
dienstbetrekking die is geëindigd vóór 1 januari 2001;
e. hij onmiddellijk voorafgaande aan
de eerste dag van de wachttijd wegens werkloosheid niet werkt en wachtgeld
ontvangt uit hoofde van een dienstbetrekking die is geëindigd op of na 1
januari 2001 voor zover het recht op wachtgeld zich uitstrekt over een
periode gelegen na het bereiken van de volledige uitkeringsduur van het,
in verband met dezelfde werkloosheid ontstane, recht op uitkering op grond
van de Werkloosheidswet, bedoeld in hoofdstuk
II van die wet, inclusief een eventuele
verlenging van die duur op grond van artikel 76
van die wet; of
f. het
recht op uitkering op grond van de Werkloosheidwet is geëindigd wegens
het ontvangen van een uitkering op grond van hoofdstuk
3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en
zorg en de verzekerde onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van
de wachttijd deze laatste uitkering genoot.
-2. Voor de vaststelling
van het aantal van 36 kalenderweken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
worden niet in aanmerking genomen kalenderweken gedurende welke de
verzekerde:
a. wegens ziekte of
arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten;
b. werkzaamheden heeft
verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de Werkloosheidswet niet
als werknemer wordt beschouwd als bedoeld in artikel 8 van
die wet en
hij op grond van dat artikel de hoedanigheid van werknemer heeft
herkregen;
c. wegens het genieten
van onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht, tot een maximum van
achttien maanden; of
d. geen arbeid heeft
verricht, maar wel recht op uitkering heeft op grond van hoofdstuk 3, afdeling
2, paragraaf 1, van de Wet
arbeid en zorg.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kan
voor bepaalde groepen werknemers het in het eerste lid bedoelde aantal van
36 kalenderweken hoger worden vastgesteld en het in dat lid bedoelde aantal van 26
kalenderweken lager worden vastgesteld. [BvwWW]
[BvwWW06]
1. Volgens de redactie
dient "hoofdstuk IV, vierde
afdeling," te worden vervangen door: vierde
afdeling.
§ 7.2.
De duur en hoogte
van de WGA-uitkering
Art.
59.
De duur van
de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering (7.2.1)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 710; Stb.
2006, 303; Stb. 2009, 318;
Stb. 2011, 618]
-1. De duur van de loongerelateerde
uitkering van de WGA-uitkering is drie maanden. De uitkeringsduur wordt
verlengd met één maand voor ieder volledig kalenderjaar dat het
arbeidsverleden de duur van drie kalenderjaren overstijgt, met dien
verstande dat de totale uitkeringsduur maximaal 38 maanden bedraagt.
-2. De duur van de
loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt indien de
verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan deze loongerelateerde
uitkering recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, verminderd met de duur
van de ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering, doch bedraagt ten minste
één jaar.
-3. De duur van de loongerelateerde
uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt verminderd met de duur van de
ontvangen loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet
of met de duur van het ontvangen wachtgeld indien de verzekerde,
onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd, uitsluitend
verzekerd was als gevolg van het van toepassing zijn van de in artikel
58, eerste lid, onderdeel b, c, d, e of f,
bedoelde situaties. De duur van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in
het eerste lid, wordt voorts verminderd met de duur van de ontvangen
loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet die de
verzekerde ontving uit hoofde van dezelfde dienstbetrekking als de
dienstbetrekking waaruit het recht op een WGA-uitkering is ontstaan.
-4. De duur van de
loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd indien als
gevolg van de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel a,
onder 1º, geen recht op een uitkering is ontstaan indien de
eerste dag van de wachttijd van dit niet-ontstane recht op een uitkering is
gelegen vóór de dag dat recht op de loongerelateerde
uitkering is ontstaan en dit niet-ontstane recht op een uitkering tot een langere duur van de loongerelateerde
uitkering zou hebben geleid.
Art.
60.
De
loonaanvullingsuitkering en de vervolguitkering van de WGA-uitkering
(7.2.2) [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 318;
Stb.
2010, 867]
-1. Indien de duur van de
loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is
verstreken of als gevolg van artikel 54, vierde lid, geen aanspraak heeft bestaan
op deze uitkering, bestaat de WGA-uitkering uit:
a. een
loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per
kalendermaand een inkomen verdient dat
ten minste gelijk is aan de inkomenseis, bedoeld in het tweede lid, of voor wie op grond van het derde lid geen
inkomenseis geldt; of
b. een vervolguitkering.
-2. De inkomenseis wordt
vastgesteld op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering en is
voor de verzekerde die in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen
van het maatmaninkomen
per uur, gelijk aan 50% van de
resterende verdiencapaciteit. De inkomenseis wordt herzien nadat een
wijziging in de resterende verdiencapaciteit twee kalendermaanden heeft
voortgeduurd. De inkomenseis geldt niet meer nadat de verzekerde ten
minste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten
hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen
per uur.
-3. Voor de verzekerde die op de dag dat
recht ontstaat op een WGA-uitkering, of die gedurende ten minste twee
kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid ten hoogste 20%
te verdienen van het maatmaninkomen per uur, als bedoeld in het tweede
lid, geldt geen inkomenseis tot de dag dat zijn resterende
verdiencapaciteit hoger dan 20% van zijn maatmaninkomen per uur is geweest
gedurende een periode van 24 kalendermaanden. Deze periode eindigt op het
moment dat de verzekerde gedurende ten minste twee kalendermaanden slechts
in staat was met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het
maatmaninkomen per uur.
-4. Onder resterende
verdiencapaciteit als bedoeld in het tweede en derde lid wordt verstaan:
de op maandbasis berekende respectievelijk op uurbasis berekende
resterende verdiencapaciteit zoals vastgesteld op grond van artikel 6 en de
daarop berustende bepalingen.
-5. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt
verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen
dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van
gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in
aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Ais]
[IW]
Art.
61.
De hoogte
van de loongerelateerde uitkering en de loonaanvullingsuitkering
van de WGA-uitkering (7.2.3) [Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb.
2006, 303; Stb. 2006, 703
+ bis; Stb.
2010, 867]
-1.
De loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering bedraagt per
kalendermaand:
a. 0,75 x (A-B x C/D) over de eerste
twee maanden waarin het recht op uitkering bestaat; en
b. 0,7 x (A-B x C/D) vanaf de derde
maand waarin het recht op uitkering bestaat. Hierbij staat:
A voor het maandloon;
B voor het
inkomen per kalendermaand;
C voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering is berekend;
D voor het dagloon waarnaar de loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op het
in artikel 17, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot
een loontijdvak van één dag.
-2. De hoogte van de
loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering komt overeen met de hoogte van
de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
indien de verzekerde ten minste zijn overblijvende
verdiencapaciteit als bedoeld in het derde lid benut of indien voor hem
geen inkomenseis als bedoeld in artikel 60 geldt.
-3. De overblijvende
verdiencapaciteit, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan tweemaal de
inkomenseis, bedoeld in artikel 60, tweede lid.
-4.
De loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering bedraagt voor de
verzekerde die ten minste 50% van doch minder dan zijn overblijvende
verdiencapaciteit benut, per kalendermaand: 0,7 x (E - F x G/H). Hierbij
staat:
E voor het maandloon;
F voor de overblijvende verdiencapaciteit;
G voor het dagloon waarnaar de loonaanvullingsuitkering van de
WGA-uitkering is berekend;
H voor het dagloon waarnaar de loonaanvullingsuitkering van de
WGA-uitkering zou zijn berekend indien dat niet gemaximeerd zou zijn op
het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van
één dag.
-5. Indien de hoogte van de
uitkering, bedoeld in het vierde lid, per kalendermaand minder bedraagt
dan:
G x H
waarbij:
G staat voor het
uitkeringspercentage, bedoeld in het zesde lid; en
H staat voor het
minimumloon per maand of het maandloon in het geval het minimumloon per
maand hoger is dan het maandloon;
wordt de hoogte van de
uitkering, bedoeld in het vierde lid, vastgesteld op G x H, doch ten
hoogste op 0,7 x (A-B x C/D) als bedoeld in het eerste lid.
-6. Het
uitkeringspercentage, bedoeld in het vijfde lid, bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid
van:
a. 0-35%, 0%;
b. 35-45%, 28%;
c. 45-55%, 35%;
d. 55-65%, 42%;
e. 65-80%, 50,75%; en
bij
f. 80% of meer, 70%.
-7. De hoogte van de
uitkering, bedoeld in het vijfde lid, wordt eerst nadat een wijziging in de
mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee kalendermaanden
heeft voortgeduurd, herzien.
-8. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt bepaald wat onder inkomen als bedoeld in dit artikel wordt
verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen
dat gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van
gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in
aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Ais]
[IW]
Art.
62.
De hoogte
van de vervolguitkering van de WGA-uitkering (7.2.4)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 573; Stb. 2006, 703;
Stb. 2012, 198]
-1. De vervolguitkering
van de WGA-uitkering bedraagt per kalendermaand:
G x H
waarbij:
G staat voor het
uitkeringspercentage, bedoeld in artikel 61, zesde lid; en
H staat voor het
minimumloon per maand of het maandloon in het geval het minimumloon per
maand hoger is dan het maandloon.
Indien niet over een volledige kalendermaand recht op een uitkering
bestaat, bedraagt het minimumloon, bedoeld in de eerste zin, de uitkomst
van het aantal dagen in de desbetreffende kalendermaand waarover recht
op een uitkering bestaat gedeeld door het totaal aantal dagen in de
desbetreffende kalendermaand vermenigvuldigd met het minimumloon. Bij
het bepalen van het aantal dagen worden de zaterdagen en zondagen buiten
beschouwing gelaten.
-2. De vervolguitkering bedraagt voor een
verzekerde die woont buiten Nederland, één van de andere lidstaten van
de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, een bij
ministeriële regeling vastgesteld percentage van het op grond van het
eerste lid vastgestelde bedrag. Het percentage wordt zo bepaald dat het
een weergave is van de verhouding tussen het kostenniveau van het land
waar de verzekerde woonachtig is en dat van Nederland. Het percentage
bedraagt maximaal 100. [Rwsz12]
-3. Voor de toepassing van de Toeslagenwet
ten aanzien van de verzekerde, bedoeld in het tweede lid, bedraagt het
minimumloon het op grond van het tweede lid op hem van toepassing zijnde
percentage van het minimumloon, bedoeld in die wet.
Ten aanzien van die verzekerde worden de bedragen, genoemd in de artikelen
2 en 8 van de Toeslagenwet,
vastgesteld op het in de eerste zin bedoelde percentage van deze bedragen.
-4. Artikel 61, zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-5.
De hoogte van de vervolguitkering wordt voor de verzekerde:
a. die na het ontstaan van recht op
uitkering op grond van dit hoofdstuk ziek is geworden; en
b. voor wie als gevolg van de
toepassing van artikel 43, onderdeel a, onder 1º,
geen tweede recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat
omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat al recht op
een uitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat of indien op die eerste
dag het recht op een dergelijke uitkering herleeft;
gedurende de periode dat, in het geval hij wel recht gehad zou hebben op
een loongerelateerde uitkering en alleen in het geval dat de hoogte van de
loongerelateerde uitkering hoger zou zijn geweest dan de hoogte van de
vervolguitkering zoals die op grond van het eerste tot en met vierde lid is
vastgesteld, vastgesteld op de hoogte van die loongerelateerde uitkering.
Art.
63.
Verhoging
uitkering bij hulpbehoevendheid (7.2.5)
[Geschiedenis:
MvT + bis;
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 573]
Indien de verzekerde die
slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen
per
uur verkeert in een blijvende
of voorlopig blijvende
toestand van hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en verzorging
nodig maakt, wordt de WGA-uitkering voor de duur van die hulpbehoevendheid verhoogd door vermenigvuldiging met
ten hoogste de factor
100/70. De eerste zin vindt geen toepassing indien de verzekerde in een
inrichting is opgenomen en de kosten van verblijf ten laste
van een zorgverzekering of een verzekering inzake ziektekosten komen. [Bvuh]
HOOFDSTUK
8
De
aanvraag van de uitkering en de betaling van de uitkering door het UWV
§ 8.1.
De aanvraag van de
uitkering
Art.
64.
Aanvraag
van de uitkering (8.1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 318;
Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 299; Stb. 2011, 618]
-1. Het UWV stelt op
aanvraag vast of recht op een uitkering op grond van artikel 47 of
artikel 54 ontstaat.
-2. Het UWV stelt de
verzekerde van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk
in kennis uiterlijk op de dag waarop de wachttijd 87 weken heeft geduurd. Indien artikel
24, derde lid, van toepassing is, doet het UWV deze kennisgeving bij de
bekendmaking van de in dat artikellid bedoelde beschikking. Het UWV verstrekt aan de werkgever een afschrift
van de kennisgeving, bedoeld in de eerste en tweede zin.
-3. De verzekerde doet
zijn aanvraag uiterlijk dertien weken vóór afloop van de wachttijd of
indien toepassing is gegeven aan artikel 24, derde lid, dertien weken
vóór afloop
van het in dat lid bedoelde verlengde tijdvak.
-4. Indien het UWV de in
het eerste lid bedoelde aanvraag afwijst omdat een uitsluitingsgrond als
bedoeld in artikel 43, onderdeel d, e
of f, van toepassing is, maakt het
UWV melding van de mogelijkheid tot het doen van een nieuwe aanvraag
alsmede van de termijn waarbinnen een nieuwe aanvraag dient te worden gedaan.
-5. Indien het vierde lid
van toepassing is, doet de verzekerde zijn nieuwe aanvraag binnen de op
grond van dat lid door het UWV aangegeven termijn.
-6. Een aanvraag wordt
geacht tijdig te zijn ingediend indien het UWV de kennisgeving als bedoeld
in het tweede lid niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere
kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid of vierde lid de aanvraag wordt
ingediend binnen vier weken nadat deze kennisgeving is ontvangen. Dit
lid is niet van toepassing indien de werkgever de aangifte, bedoeld in artikel
38, eerste lid, van de Ziektewet, niet heeft
gedaan vóór de dag waarop de wachttijd 79 weken heeft geduurd.
-7. Indien het UWV
toepassing geeft aan artikel 25, negende lid, of
artikel 26, tweede lid,
tweede zin, wordt de behandeling van de aanvraag opgeschort.
-8. Het UWV hervat de
behandeling van de aanvraag in ieder geval:
a. indien het UWV heeft
vastgesteld dat de tekortkoming, bedoeld in artikel
25, negende lid,
of artikel 26, tweede lid, is hersteld;
b. op verzoek van de
werknemer in verband met de beëindiging van zijn dienstbetrekking; of
c. ten minste zes weken
voordat het tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, of
artikel 26, tweede lid, van 52 weken is verstreken.
-9. Artikel 25, vijftiende
lid, is van overeenkomstige toepassing op de situatie, bedoeld in het
achtste lid, onderdeel b en c.
-10. Indien de toepassing
van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het UWV
bevoegd het recht op een uitkering op grond van deze wet ambtshalve vast
te stellen.
-11. Het recht op een
uitkering op grond van deze wet kan niet worden vastgesteld over perioden
gelegen vóór 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om
een uitkering werd ingediend. Het UWV kan voor bijzondere gevallen
van de eerste zin afwijken.
-12. Het elfde lid is van overeenkomstige
toepassing indien het recht op uitkering op grond van deze wet later
ontstaat dan wel herleeft of indien de uitkering op grond van deze wet
wordt verhoogd.
-13. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de
gegevens die door de verzekerde bij de aanvraag worden verstrekt.
Art.
65.
Reïntegratieverslag bij aanvraag (8.1.2)
[Bbp] [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 318; Stb.
2011, 299; Stb. 2011, 618]
De aanvraag voor een
uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een
reïntegratieverslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van
toepassing voor zover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het
UWV beoordeelt
of de werkgever en de verzekerde dan wel de eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel
h, van de Ziektewet, en de personen,
bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a,
b en c, van die wet, die
laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden in redelijkheid hebben
kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen die zijn verricht.
Art.
66. Aanvraag
van de uitkering bij verkorte wachttijd (8.1.3)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 673;
Stb.
2012, 464; Stb.
2012, 675]
-1. Een aanvraag voor een
verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, wordt tevens
aangemerkt als aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid.
-2. Een aanvraag voor een
verkorte wachttijd kan slechts eenmaal worden gedaan.
-3. Op verzoek van de
werknemer verstrekt de persoon, bedoeld in artikel 14, eerste lid,
van de Arbeidsomstandighedenwet, die belast is met de bijstand,
bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van die
wet, een verklaring
waaruit de medische situatie alsmede de vooruitzichten van de werknemer blijken.
De verklaring wordt mede opgesteld op basis van gegevens inzake
de medische specialistische onderzoeken of behandelingen die de
aanvrager heeft ondergaan, tenzij in redelijkheid niet van de bedrijfsarts
kan worden gevergd dat hij deze gegevens aan zijn verklaring ten
grondslag legt.
-4. Een aanvraag voor een
verkorte wachttijd gaat vergezeld van de verklaring, bedoeld in
het derde lid.
-5. Indien de aanvraag
voor een verkorte wachttijd niet vergezeld gaat van een verklaring als
bedoeld in het derde lid, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.
-6. Artikel 65 is niet van
toepassing op een aanvraag voor een verkorte wachttijd.
-7. Het derde, vierde en vijfde lid
zijn niet van toepassing op de verzekerde aan wie ziekengeld als
bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet
wordt uitgekeerd
en die geen recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of op bezoldiging of hetgeen daarmee
overeenkomt als bedoeld in artikel 76a
van de Ziektewet, tenzij de verzekerde
laatstelijk in dienstbetrekking stond tot een eigenrisicodrager, bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de
Ziektewet.
§ 8.2.
De betaling van de
uitkering door het UWV
Art.
67.
Betaalbaarstelling (8.2.1) [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265; Stb. 2010,
838]
-1. Het UWV betaalt de
uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat. De betaling
geschiedt in termijnen van een kalendermaand.
-2. Het UWV schort de betaling van de
uitkering op of schorst de betaling indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel
is of het gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op uitkering
niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
uitkering bestaat;
c. de persoon die recht
heeft op een uitkering of zijn wettelijke vertegenwoordiger een
verplichting als bedoeld in artikel 27, 28,
29 of 30 of een
instelling als bedoeld in artikel 71 een verplichting als bedoeld in
artikel 27 niet of niet behoorlijk is nagekomen.
-3. Indien de uitkering, bedoeld in het
eerste lid, in het buitenland wordt uitbetaald, geschiedt de betaling,
in afwijking van artikel 4:89, derde lid,
van de Algemene wet bestuursrecht, op het
tijdstip waarop de rekening van de daartoe door de schuldeiser
aangewezen bank wordt gecrediteerd.
-4. Wanneer de persoon
die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, een ander
machtigt om de uitkering in ontvangst te nemen, onderscheidenlijk een
verleende machtiging intrekt, wordt daaraan gevolg gegeven met ingang van
een betalingstermijn aanvangende na de dag waarop de machtiging
wordt ingediend, onderscheidenlijk waarop van haar intrekking
mededeling wordt gedaan, doch niet later dan de eerste dag van de tweede maand
na de dag van indiening onderscheidenlijk intrekking van die
machtiging.
-5. Bij ministeriële
regeling kunnen regels worden gesteld inzake de betaalbaarstelling van de
uitkeringen op grond van deze wet door organen die belast zijn
met de uitbetaling van invaliditeitsuitkering of pensioen uit anderen
hoofde dan op grond van deze wet. [RbusaoSb]
[RPW]
-6. Het UWV kan onder door
hem te stellen voorwaarden, op verzoek van de in het zesde lid
bedoelde organen, gelijktijdig met een uitkering op grond van deze wet,
invaliditeitsuitkeringen of pensioenen verschuldigd door die organen
betaalbaar stellen.
Art.
68.
Betaling
vakantiebijslag (8.2.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265; Stb. 2010, 840;
Stb.
2012, 657]
-1. In afwijking van
artikel 67, eerste lid, betaalt het UWV
een gedeelte van de uitkering waarop
op grond van deze wet recht bestaat als vakantiebijslag jaarlijks
in de maand mei over de aan die maand voorafgaande kalendermaanden
of, indien het recht op uitkering eerder dan in de maand mei
geheel eindigt, in de desbetreffende kalendermaand. De vakantiebijslag
bedraagt 8/108 van de uitkering.
-2. Indien het percentage
van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wijzigt de in
het eerste lid genoemde breuk dienovereenkomstig. Het gewijzigde percentage
wordt in aanmerking genomen over de uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat vanaf de dag
waarop de wijziging
ingaat.
-3. De vakantiebijslag wordt betaald
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-4. Bij ministeriële
regeling kunnen met betrekking tot het eerste lid nadere regels worden gesteld. [RaruvWW]
-5. Indien na de uitbetaling van de
vakantiebijslag in een andere maand dan de maand mei wederom recht op
een uitkering ontstaat en dientengevolge het eerste lid moet worden
toegepast, wordt daarbij rekening gehouden met hetgeen in die andere
maand reeds werd uitbetaald.
Art.
69.
Opschorting
betaling uitkering aan vreemdelingen (8.2.3)
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Het UWV schort de
betaling van een uitkering op grond van deze wet op indien de persoon die
recht heeft op die uitkering een vreemdeling is die niet rechtmatig in
Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet
2000.
-2. De betaling van de
uitkering op grond van deze wet wordt hervat indien de betrokkene
daartoe een aanvraag indient en het UWV is gebleken dat hij
feitelijk buiten Nederland woont of verblijf houdt en aan de overige voorwaarden
voor het recht op uitkering voldoet.
Art.
70.
Betaling
aan een minderjarige (8.2.4) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Voor zover het betreft het
in ontvangst nemen van een uitkering op grond van deze wet en het
verlenen van kwijting voor de betaling daarvan, wordt een
minderjarige met een meerderjarige gelijkgesteld. Indien de wettelijke
vertegenwoordiger zich tegen de betaling aan de minderjarige schriftelijk
verzet bij het UWV, geschiedt de uitbetaling aan de wettelijke
vertegenwoordiger.
Art.
71.
Betaling
aan instellingen (8.2.5) [BbzmC]
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573; Stb.
2009, 265]
-1. Indien de persoon aan
wie een uitkering op grond van deze wet is toegekend aanspraak
heeft op verstrekking of vergoeding van zorg als bedoeld in de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten en op grond van die wet een bijdrage voor die
zorg verschuldigd is, is het
UWV bevoegd de uitkering tot het bedrag
van die bijdrage in plaats van aan degene aan wie de uitkering is
toegekend, zonder diens machtiging uit te betalen aan het College voor
zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de
Zorgverzekeringswet.
-2. Indien de persoon die
recht heeft op een uitkering op grond van deze wet in een inrichting ter
verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen en het UWV
van de desbetreffende inrichting of van het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente die de opnamekosten
betaalt het
verzoek ontvangt om de uitkering aan die inrichting of die
gemeente uit te betalen, is het UWV bevoegd dat verzoek zonder het stellen van
andere voorwaarden in te willigen.
-3. Indien het eerste lid
toepassing vindt, heeft de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid
betrekking op het gedeelte van de uitkering op grond van deze wet dat
niet aan het College voor zorgverzekeringen wordt uitbetaald.
-4. Een herziening van de uitkering op
grond van het eerste lid als gevolg van een wijziging van de
verschuldigde bijdrage vindt plaats zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld.
Art.
72.
Betaling
door UWV bij meerdere werkgevers (8.2.6)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573; Stb.
2011, 288]
-1. Indien de persoon die
recht heeft op een uitkering op grond van deze wet bij aanvang van de
wachttijd meer dan één werkgever heeft, wordt de uitkering betaald door
het UWV, ook indien één of meer werkgevers eigenrisicodrager zijn.
-2. In de situatie,
bedoeld in het eerste lid, verhaalt het UWV op de eigenrisicodrager, naar
rato van de loonsom, de door hem verschuldigde uitkering op grond van
deze wet, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering
verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden
gebracht en de verschuldigde inkomensafhankelijke
bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze
uitkering.
-3. De uitkering op grond
van deze wet wordt niet verhaald op de eigenrisicodrager indien
de persoon die recht heeft op die uitkering met behoud van hetzelfde loon
bij die werkgever arbeid is blijven verrichten.
Art.
73.
Betaling in
geval van samenloop (8.2.7) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2010,
350]
-1. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van een uitkering op grond van deze wet met een
uitkering in verband met volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of
gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid op grond van andere wetten.
-2. Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen regels worden gesteld ter voorkoming of
beperking van samenloop van uitkering op grond van deze wet met
uitkering op grond van de sociale wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint
Maarten, de sociale wetgeving van Nederland ten behoeve van de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of van een andere mogendheid. [BvbsWWuswm]
Art.
74.
Overlijdensuitkering (8.2.8) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2010,
838; Stb.
2010, 867; Stb. 2012, 2]
-1. Na het overlijden van
de persoon die recht had op een uitkering op grond van deze wet wordt
met ingang van de dag na het overlijden een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende
van de echtgenoten;
b. bij ontstentenis van
de in onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot
wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van
de in de onderdelen a en b bedoelde personen, aan de persoon
met wie de overledene in gezinsverband leefde.
-2. De
overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de uitkering op grond van deze wet over
één kalendermaand berekend naar de hoogte van die uitkering op de
dag of laatstelijk vóór de dag van overlijden van de persoon.
-3. In verband met het
overlijden van de persoon die recht had op een uitkering op grond van
deze wet is artikel 43, onderdeel g, niet van toepassing.
-4. De
overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of rechthebbenden, genoemd in
het eerste lid, door het UWV uitbetaald.
-5. De
overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
-6. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan uitkering op
grond van deze wet dat over na het overlijden gelegen dagen reeds is
uitbetaald.
Art.
75.
Verjaringstermijn (8.2.9) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Uitkeringen op grond van
deze wet die niet in ontvangst zijn genomen of zijn ingevorderd
binnen twee jaar na de dag van betaalbaarstelling worden door het UWV
niet
meer betaald.
Art.
76.
Intrekking
en herziening beschikkingen (8.2.10) [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 589]
-1. Het UWV herziet
beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen
in, indien:
a. als gevolg van het
niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met
32 en
de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond
van deze wet niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten
onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te
hoog bedrag is vastgesteld;
b. de verstrekking van
een voorziening als bedoeld in artikel 34a,
eerste lid, of
35 ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. anderszins de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
-2. Indien een voorziening
als bedoeld in artikel 34a,
eerste lid, of 36
in de vorm van een
subsidie wordt verstrekt, wijzigt of trekt het UWV de beschikking tot
vaststelling van de subsidie in indien sprake is van een omstandigheid als bedoeld
in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de
Algemene wet
bestuursrecht.
-3. Indien daarvoor
dringende redenen zijn, kan het UWV geheel of gedeeltelijk van
herziening of intrekking afzien.
Art.
77.
Terugvordering (8.2.11) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
-1. Een uitkering die op
grond van deze wet alsmede hetgeen
anderszins
onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van
een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het
UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt, wordt door het UWV teruggevorderd.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het UWV besluiten van terugvordering of van verdere
terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar
volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar
niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het
achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de
daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking
hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar
geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig
moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag
overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b
en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 27, eerste lid.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a en b, genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen
van degene van wie wordt teruggevorderd in die periode de
beslagvrije voet, bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet
het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de
verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid.
-5. Indien daarvoor
dringende redenen aanwezig zijn, kan het UWV besluiten geheel of
gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-6. Degene van wie wordt
teruggevorderd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen
te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
-7. In afwijking van het
eerste lid kan het UWV, onder bij ministeriële regeling te stellen
voorwaarden, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te
vorderen bedrag een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag niet te
boven gaat. [Rtgb]
Art.
78. Invordering bij dwangbevel (8.2.12)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265]
-1. Het UWV
kan de onverschuldigd betaalde uitkering, bedoeld in artikel
77, eerste lid, invorderen bij dwangbevel.
-2. Artikel 96 is van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld
inkomen van de persoon gedurende drie jaar de beslagvrije voet, bedoeld
in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het UWV
de aflossingsbedragen lager
vaststelt.
Art.
79. Nadere regels tenuitvoerlegging
onverschuldigde betaling (8.2.13)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265]
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking
tot de wijze van tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij is
vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
[Bibobw]
[Rbttbot] [Rtbbtob]
Art.
79a. Schuldregeling [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
-1. In afwijking van artikel
77, eerste lid, kan het UWV, op verzoek van degene van wie wordt
teruggevorderd, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of
gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan
een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat
degene van wie wordt teruggevorderd niet zal kunnen voortgaan met het
betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij
heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat
een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in
het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigd
betaalde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met
de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbaar voorstel voor
een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als
bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de
schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door degene van
wie wordt teruggevorderd van de verplichting, bedoeld in artikel
27, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 91
is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die
verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van degene van wie wordt teruggevorderd gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. degene van wie wordt
teruggevorderd zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;
of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
79b. Preferentie [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
Een vordering van het UWV als bedoeld in artikel 77
en 79a is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
80.
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen (8.2.14)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 589]
-1. Een uitkering op grond
van deze wet en een voorziening als bedoeld in artikel 34a,
eerste lid, of
artikel 35 zijn
onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Volmacht tot ontvangst
van een uitkering op grond van deze wet onder welke vorm of
benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk beding strijdig
met dit artikel is nietig.
Art.
81.
Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen (8.2.15)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 589]
De voorzieningen, bedoeld in de artikelen 34a,
eerste lid, en 35, de verhoging, bedoeld in
de artikelen 53 en 63, alsmede de overlijdensuitkering,
bedoeld in artikel 74, zijn niet vatbaar voor beslag.
HOOFDSTUK
9
Eigen
risico dragen door de werkgever
Art.
82.
Periode van eigen risico dragen (9.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2007, 557; Stb.
2009, 318; Stb.
2009, 580 + bis; Stb.
2012, 464]
-1. De eigenrisicodrager draagt gedurende
een bij ministeriële regeling te bepalen periode nadat het recht op een
WGA-uitkering is ontstaan, het risico van de betaling van die uitkering aan
de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen
wachttijd tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond. [RvpeW]
-2. Indien een WGA-uitkering wordt
toegekend direct aansluitend op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt
de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op de
periode, bedoeld in het eerste lid.
-3. Indien
artikel 24 is
toegepast, wordt de van toepassing zijnde periode bekort met de duur van
het verlengde tijdvak, bedoeld in artikel 24, eerste lid.
-4. Het eerste lid is niet van toepassing
indien de uitkering wordt toegekend aan de verzekerde die uit de
dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan recht had op een
uitkering op grond van de Ziektewet, dan wel indien
de uitkering wordt toegekend in aansluiting op een uitkering toegekend op
grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen of de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten, of in aansluiting op een
periode waarin recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten bestond.
Art.
83.
Betaling bij eigen risico dragen (9.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573; Stb. 2006, 703;
Stb. 2007, 557; Stb.
2009, 318; Stb.
2011, 288; Stb. 2012, 198;
Stb.
2012, 464]
-1. De eigenrisicodrager
is bevoegd, met inachtneming van artikel 72, de door het
UWV toegekende WGA-uitkering namens het
UWV te betalen aan de verzekerde, bedoeld in artikel 82, eerste lid.
-2. De door de eigenrisicodrager op grond
van het eerste lid aan de verzekerde betaalde loonaanvullingsuitkering,
bedoeld in hoofdstuk 7, en vervolguitkering, bedoeld
in artikel 62, vijfde lid, voor zover die uitkeringen
meer bedragen dan hetgeen berekend is op grond van het eerste en vierde
lid van dat artikel, alsmede de op grond van enige wet hierover
verschuldigde premies die daarop niet in mindering kunnen worden
gebracht en de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage,
bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze beide
uitkeringen, kunnen door hem op het UWV worden verhaald. Met
betrekking tot de verzekerde, bedoeld in artikel
60, derde lid, bedraagt
het bedrag van de loonaanvullingsuitkering dat niet op het UWV kan
worden verhaald, in afwijking van de eerste zin, 70% van het minimumloon
of het voor de verzekerde geldende dagloon indien dat lager is dan 70%
van het minimumloon vermeerderd met de premies die op grond van enige
wet daarover verschuldigd zouden zijn en die daarop niet in mindering
kunnen worden gebracht en de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage,
bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering.
-3. Indien de
eigenrisicodrager de uitkering niet betaalt, betaalt het UWV deze uitkering en
verhaalt het UWV de uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze
uitkering verschuldigde premies die niet op deze uitkering in mindering
kunnen worden gebracht en de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage,
bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze uitkering, op de eigenrisicodrager. Op de eigenrisicodrager
wordt evenwel niet verhaald hetgeen deze, als hij de uitkering wel had
betaald, op grond van het tweede lid op het UWV had kunnen verhalen.
Art.
84.
Afbakening eigen risico (9.3)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 710; Stb. 2007, 557 + bis;
Stb. 2008, 600; Stb. 2010,
838; Stb.
2011, 288; Stb. 2011, 670;
Stb.
2012, 464]
-1. De eigenrisicodrager
draagt vanaf het moment dat hij eigenrisicodrager wordt overeenkomstig
artikel 82 het risico van de betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van
de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot hem in dienstbetrekking
stond, ook als die wachttijd is ingegaan vóór de dag waarop deze werkgever
eigenrisicodrager werd.
-2. Indien het eigen risico dragen eindigt, blijft de werkgever het risico, bedoeld in
artikel 82,
eerste lid, dragen, voor zover de eerste dag van ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte is gelegen vóór het einde van het eigen risico dragen.
Indien de eigenrisicodrager in staat van faillissement is verklaard of indien
ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van
toepassing is verklaard, dan wel indien hij ophoudt werkgever te
zijn, betaalt het UWV de WGA-uitkering en
verhaalt het deze uitkering, alsmede de op
grond van enige wet over deze uitkering verschuldigde premies die
niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze
uitkering, voor zover deze is betaald over de periode, bedoeld in
artikel 82, op de bank of verzekeraar, bedoeld in artikel
40, tweede lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
-3. In geval van overgang
van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij
faillissement, wordt het risico van de betaling van de WGA-uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van
de bij die uitkering in acht genomen wachttijd in
dienstbetrekking stond tot de werkgever die de onderneming heeft overgedragen, in
afwijking van het tweede lid gedragen door de werkgever die de
onderneming verkrijgt, indien:
a. de werkgever die de
onderneming overdraagt geen eigenrisicodrager is en de werkgever die de onderneming verkrijgt eigenrisicodrager is of
wordt;
b. de werkgever die de
onderneming overdraagt eigenrisicodrager is; of
c. de werkgever die de
onderneming overdraagt een werkgever is wiens eigen risico dragen
is beëindigd als bedoeld in het tweede lid.
-4. Indien in de in het
derde lid, onderdeel a, bedoelde situatie slechts een deel van de
onderneming overgaat, vindt het derde lid, onderdeel a, toepassing naar rato van
het deel van de loonsom dat het overgegane deel van de onderneming
deel uitmaakte van de gehele onderneming in het kalenderjaar voorafgaande aan dat van overgang, doch berust de
betaling van de uitkering
bij het UWV. Het UWV verhaalt op de eigenrisicodrager de door hem op grond van
de eerste zin verschuldigde uitkering, alsmede de op grond van enige wet over deze uitkering
verschuldigde premies die
niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht en de
verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, over deze
uitkering.
-5. Indien in de in het
derde lid, onderdeel b of c, bedoelde situatie slechts een deel van de
onderneming overgaat, blijft het risico van de betaling van de uitkering
berusten bij de werkgever die een deel van de onderneming overdraagt.
-6.
Voor de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, eerste zin, draagt
de eigenrisicodrager het risico gedurende de periode die op grond van artikel
82, eerste lid, geldt op de dag waarop het recht op uitkering is
ontstaan.
-7. In de situatie,
bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, verhaalt het UWV de kosten die rechtstreeks verband
houden met de uitvoering van artikel 30a,
eerste lid, juncto derde lid, onderdeel c, van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
op de werkgever, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, of de bank of verzekeraar, bedoeld in artikel
40, tweede lid, van de Wet financiering sociale
verzekeringen. Bij
ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de soort
en de omvang van de kosten, bedoeld in de eerste zin.
Art.
85. Vrijstelling aangifte ziekte (9.3a) [Geschiedenis:
versie 10 november 2005; Stb.
2008, 414]
-1. De eigenrisicodrager is niet verplicht
tot het doen van de aangifte van ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel
38 van de Ziektewet.
-2. De eigenrisicodrager doet, uiterlijk 42
weken nadat de ongeschiktheid tot werken van een werknemer voor
wie hij het risico, bedoeld in artikel 82, draagt,
zijn verstreken, aangifte van die ongeschiktheid bij het UWV.
De werkgever geeft daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken op. Voor het bepalen van het tijdvak van 42 weken worden
tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld indien zij elkaar
met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in
verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden
voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het
tijdvak van 42 weken blijven perioden waarin uitkering in verband
met zwangerschap of bevalling op grond van artikel
3:7, eerste lid, 3:8 of 3:10,
eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt
genoten buiten beschouwing.
-3. Onverminderd het tweede lid doet de
eigenrisicodrager aangifte van de ongeschiktheid tot werken van een
werknemer voor wie hij het in artikel 82 bedoelde
risico draagt, op de laatste werkdag voordat de dienstbetrekking
eindigt.
Art.
86.
Administratiekosten (9.4) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703]
-1. Het UWV
kan bij de
eigenrisicodrager de kosten in rekening brengen ter zake van de betaling van
de uitkering door het UWV en het verhaal op de eigenrisicodrager,
bedoeld in artikel 83, derde lid.
-2. Het UWV vergoedt aan
de eigenrisicodrager op aanvraag de schade die deze lijdt door
toepassing van artikel 117, eerste lid.
Art.
87.
Nadere
regelgeving (9.5) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2012, 657]
Bij algemene maatregel
van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK
10
Handhaving
Art.
88.
Maatregelen
UWV (10.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 265]
-1. Het UWV weigert een
uitkering op grond van deze wet geheel of gedeeltelijk, blijvend of
tijdelijk, indien:
a. de verzekerde
verplichtingen, bedoeld in artikel 27, tweede tot en met vijfde lid,
28, 29 of 30, niet of niet behoorlijk is nagekomen;
b. de verzekerde de
verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet binnen de door het UWV
daarvoor vastgestelde termijn is nagekomen;
c. de verzekerde zich
niet houdt aan de verplichting, bedoeld in artikel 64, derde lid, of
artikel 65:
d. de verzekerde tijdens
het tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, zonder deugdelijke grond
heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een
beëindiging van de dienstbetrekking.
-2. Onverminderd het
eerste lid kan het UWV de uitkering blijvend geheel weigeren indien
de verzekerde door het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 28, eerste lid, het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid
opzettelijk heeft veroorzaakt.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing indien de eigenrisicodrager, op grond van artikel
89,
de bevoegdheid heeft de WGA-uitkering te weigeren.
-4.
Het UWV kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het
eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing
ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
27, eerste lid, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting
niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
verlenen van uitkering, of ter zake van het zich niet houden aan de
voorschriften, bedoeld in artikel 64, derde lid, of in
artikel 65, tenzij het niet tijdig nakomen van de
verplichting of het zich niet houden aan de voorschriften plaatsvindt
binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder
aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven. [BmU]
-5. Het UWV kan afzien van het opleggen van
een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Art.
89.
Maatregelen
eigenrisicodrager (10.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265]
-1. De eigenrisicodrager
kan in verband met de uitvoering van artikel 42 de WGA-uitkering
gedeeltelijk en blijvend, geheel en tijdelijk of gedeeltelijk en tijdelijk
weigeren, indien:
a. de verzekerde, bedoeld
in artikel 82, verplichtingen als bedoeld in artikel
27, tweede
juncto zesde lid en het vierde lid, 28, eerste lid, 29
of 30 niet of
niet behoorlijk is nagekomen;
b. de verzekerde, bedoeld
in artikel 82, de verplichting, bedoeld in artikel
27, eerste
juncto zesde lid, niet binnen de door de eigenrisicodrager daarvoor vastgestelde
termijn is nagekomen.
-2. Indien de verzekerde
de verplichting, bedoeld in artikel 28, 29
of 30, niet heeft
nageleefd als bedoeld in artikel 88, tweede lid, is het eerste lid niet van
toepassing.
-3. Indien op grond van
het eerste lid de uitkering geheel wordt geweigerd, is artikel
83,
derde lid, niet van toepassing.
-4. De eigenrisicodrager
is bevoegd artikel 67, tweede lid, onderdeel c, toe te passen voor de
duur van ten hoogste acht weken, waarbij de betaling ook gedeeltelijk
kan worden opgeschort of geschorst.
-5. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot dit artikel.
Art.
90.
Afstemming
maatregel (10.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2005, 573; Stb. 2007, 305 + bis;
Stb. 2009, 265]
-1. Een maatregel als
bedoeld in artikel 88 of 89 wordt afgestemd op de ernst van de gedraging
en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van
het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
-2. Het opleggen van een
maatregel blijft achterwege indien voor dezelfde gedraging een
bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 91 wordt opgelegd.
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met
betrekking tot het eerste lid, waarbij in ieder geval kan worden
geregeld in welke gevallen het UWV kan
afzien van het opleggen van een maatregel. [Mszw]
Art.
91.
Bestuurlijke boete bij
niet-nakoming inlichtingenverplichting (10.4)
[Bbw10] [Bbwn]
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
-1. Het UWV
legt een bestuurlijke boete op
van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk
nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid. De bestuurlijke boete
is niet lager dan de boete die op grond van het derde lid zou worden
opgelegd indien er geen sprake was van een benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
27,
eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is
ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 27, eerste lid, niet heeft geleid tot
een benadelingsbedrag of indien een werkgever of een persoon als
bedoeld in artikel 27, achtste lid, de verplichtingen op grond van
artikel 27, achtste lid, niet of niet behoorlijk nakomt, legt het UWV
een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede
categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. Het UWV kan afzien van het opleggen
van een bestuurlijke boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met
het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet
behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
27, eerste
lid, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum
waarop eerder aan hem een zodanige waarschuwing is gegeven.
-5. Het UWV legt een bestuurlijke boete op
wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
27,
eerste lid, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag
aan uitkering is ontvangen, van ten hoogste 150% van het
benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand
aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke
boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere
overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is
geworden.
-6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld
in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen
van de verplichting, bedoeld in de artikelen 27, eerste lid, van deze
wet, 25 van de Werkloosheidswet,
12 van de Toeslagenwet,
12, eerste lid,
van de
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 80 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of 31, eerste lid, of 49 van de
Ziektewet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan
uitkering, ziekengeld of toeslag is verleend.
-7. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, de verzekerde of zijn
wettelijke vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf.
-8. Het UWV kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het UWV de inlichtingen te
verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van
belang zijn.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-11. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
-12. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
verzekerde of zijn wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
Art.
92.
Vervallen. (10.5)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265]
Art.
93. Vervallen. (10.6) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
Art.
94. Vervallen. (10.7) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265]
Art.
95. Vervallen. (10.8)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265]
Art.
96. Invordering bestuurlijke boete (10.9)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2006, 703;
Stb. 2009, 265; Stb.
2009, 390; Stb.
2009, 282; Stb.
2009, 318; Stb.
2009, 580; Stb. 2011, 645;
Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 462]
-1. Het UWV
verrekent de bestuurlijke boete met een uitkering op grond van deze wet, de Werkloosheidswet,
de Ziektewet, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet
arbeid en zorg of een toeslag op grond van de Toeslagenwet,
die de persoon aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale
verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het UWV indien de persoon aan wie
een bestuurlijke boete is opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet
werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor de
kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan het
UWV. Indien het UWV gebruik maakt van deze bevoegdheid, geschiedt de
bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking van artikel
4:123, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, door middel van toezending per post aan de persoon aan
wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang de verzekerde of zijn wettelijke
vertegenwoordiger zijn verplichting, bedoeld in artikel 91,
negende lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het UWV, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete voor
zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet, bedoeld in
de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
Art.
97. Verrekening bestuurlijke boete bij
recidive [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel
96, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel
91,
vijfde lid, door het UWV, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van
de
Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten
hoogste vijf jaar vanaf het moment van de dagtekening waarop de
bestuurlijke boete is opgelegd.
-2. Artikel 96, eerste lid, en het eerste
lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de
bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel
91,
zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening, bedoeld
in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet is
betaald.
-3. Het UWV kan op verzoek van de
overtreder besluiten het eerste en tweede lid niet of niet meer toe
te passen indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen
daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de
verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel
96, eerste
lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening,
bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij
ministeriële regeling bepaald deel van de uitkering op grond van deze
wet vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van
kinderen. Het vrij te laten deel van de uitkering kan afhankelijk worden
gesteld van de leefsituatie.
Art.
97a.
In kennis
stellen reïntegratiebedrijf van sanctieoplegging (10.10)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
Indien het UWV de
verzekerde de uitkering op grond van deze wet geheel of gedeeltelijk
heeft geweigerd dan wel hem een bestuurlijke boete heeft opgelegd, stelt het UWV
het reïntegratiebedrijf dat ten behoeve van die verzekerde werkzaamheden
gericht op vergroting van de mogelijkheden tot het verrichten van
arbeid of op inschakeling in arbeid verricht, van die beschikking in kennis,
voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden door
het reïntegratiebedrijf.
HOOFDSTUK
11
Invloed
van de verzekering op het burgerlijk recht
Art.
98.
Samenloop
aanspraken (11.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Bij de vaststelling van
de schadevergoeding waarop een persoon die recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet naar burgerlijk recht aanspraak kan maken in
verband met zijn volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid, houdt de rechter rekening met de aanspraken die hij op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
heeft.
Art.
99.
Regresrecht
UWV en eigenrisicodrager (11.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2008, 199]
-1. Het UWV heeft voor de
op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gemaakte kosten verhaal op de persoon die naar burgerlijk recht
verplicht is schade te vergoeden aan de persoon die recht heeft op een uitkering op
grond van deze wet, doch ten hoogste tot het bedrag waarvoor deze bij
het ontbreken van de aanspraken krachtens deze wet naar burgerlijk
recht aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag gelijk aan dat
van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de persoon die recht heeft op een uitkering
op grond van deze wet
naar burgerlijk recht is gehouden.
-2. Bij ministeriële
regeling kan worden bepaald dat het UWV in plaats van het bedrag van de
periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan kan vorderen. [RvcwpvWW]
-3. De eigenrisicodrager
treedt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid in de plaats
van het UWV voor zover hij het risico van de betaling van uitkering op
grond van deze wet draagt.
-4. De in het eerste lid bedoelde
aansprakelijke en de aansprakelijke jegens de persoon met een naar het
oordeel van het UWV structurele functionele beperking zijn eveneens
verplicht tot vergoeding van de door het UWV of de eigenrisicodrager
gemaakte redelijke kosten ter nakoming van de verplichtingen tot
inschakeling in de arbeid van de persoon die recht heeft op een
uitkering op grond van deze wet of de persoon met een naar het oordeel
van het UWV structurele functionele beperking, die op het UWV of de
eigenrisicodrager rusten op grond van deze wet en de daarop berustende
bepalingen alsmede de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de daarop berustende
bepalingen. De aansprakelijke kan hetzelfde verweer voeren dat hem
jegens de persoon die recht heeft op een uitkering of voorziening op
grond van deze wet ten dienste zou hebben gestaan.
Art.
100.
Regresrecht
binnen arbeidsverhouding (11.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2008, 199]
-1. Artikel 99 geldt ten
aanzien van de naar burgerlijk recht tot schadevergoeding
verplichte werkgever van de persoon die recht heeft op een uitkering of
voorziening op grond
van deze wet, onderscheidenlijk ten aanzien van de naar burgerlijk recht
tot schadevergoeding verplichte verzekerde die in dienstbetrekking staat
tot dezelfde werkgever als de persoon jegens wie naar burgerlijk recht een
verplichting tot schadevergoeding bestaat, slechts indien de
volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van die
werkgever onderscheidenlijk die verzekerde.
-2. Voor de toepassing van
het eerste lid wordt mede als werkgever beschouwd de inlener,
bedoeld in artikel 34 van de Invorderingswet
1990.
HOOFDSTUK
12
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
§ 12.1.
Beslistermijnen
Art.
101.
Algemene
beslistermijnen (12.1.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 318; Stb.
2009, 542]
-1. Onverminderd artikel 102
worden de beschikkingen op grond van deze wet en de daarop
berustende bepalingen gegeven binnen een redelijke termijn na
ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn
is in ieder geval verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de
aanvraag geen beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als
bedoeld in het derde of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking
niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die
termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager
daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
-4. Indien in verband met het geven van een
beschikking als bedoeld in het eerste lid een in het buitenland wonende
persoon is opgeroepen en om die reden de beschikking niet binnen acht
weken kan worden gegeven, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes
maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis
gesteld.
Art.
102.
Bijzondere
beslistermijnen (12.1.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 542;
Stb.
2011, 299]
-1. Een beschikking over
het verzekerd zijn als bedoeld in artikel 7, tweede lid, wordt door
het UWV gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de
aanvraag.
-2. Een beschikking over
verlenging van het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens zijn
werkgever recht op loon heeft dan wel aanspraak op bezoldiging als
bedoeld in artikel 24 wordt gegeven binnen twee weken na ontvangst van de
aanvraag. Indien de beschikking, bedoeld in de eerste zin, niet binnen
twee weken kan worden gegeven, wordt de aanvrager daarvan
schriftelijk in kennis gesteld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn
waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
-3. Een beschikking over
het ontstaan, later ontstaan of herleven van het recht op een uitkering
als bedoeld in hoofdstuk 6 en 7 en een beschikking over een verkorting van
de wachttijd als bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt gegeven binnen
een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag, tenzij
artikel 25, negende lid, of 26, tweede lid, tweede zin, toepassing heeft
gevonden. De redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer
binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking is
gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het vierde of vijfde lid
is gedaan.
-4. Indien in verband met
het geven van een beschikking als bedoeld in het derde lid advies is
gevraagd aan een deskundige die niet onder verantwoordelijkheid van
het UWV werkzaam is en om die reden de beschikking niet binnen acht weken gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten
hoogste vier weken en wordt de aanvrager van die verlenging
schriftelijk in kennis gesteld.
-5. Indien een beschikking
als bedoeld in het eerste lid niet binnen dertien weken of de
beschikking, bedoeld in het derde lid, niet binnen acht weken kan worden gegeven
om andere dan de in het vierde respectievelijk vierde of vijfde lid
bedoelde redenen, wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis
gesteld onder vermelding van een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de
beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
-6. In afwijking van de in het derde tot en
met vijfde lid genoemde termijn van acht weken geldt tot en met 31
december 2011, of tot een eerder, bij koninklijk besluit te bepalen,
tijdstip, een termijn van veertien weken.
§ 12.2.
Bijzondere
bepalingen in verband met medische beschikkingen
Art.
103.
Definitiebepalingen (12.2.1) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 10 november 2005]
Voor de toepassing van
deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. medische beschikking:
een beschikking waaraan een beoordeling van medische gegevens ten
grondslag ligt;
b. werknemer: de persoon
op wiens medische gegevens de beoordeling betrekking heeft;
c. de werkgever: de
belanghebbende bij een medische beschikking die niet de werknemer is.
Art.
104.
Toestemming werknemer voor inzage medische stukken door werkgever (12.2.2)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 10 november 2005]
-1. Stukken die medische
gegevens bevatten, worden door het UWV niet aan de werkgever ter
inzage of ter kennisname gegeven of toegezonden, tenzij de werknemer
hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven.
-2. De toestemming kan te
allen tijde schriftelijk worden ingetrokken.
-3. Tijdens het horen in
bezwaar kan de toestemming ook mondeling worden ingetrokken.
Art.
105.
Inzage
door gemachtigde van werkgever indien door de werknemer geen
toestemming is gegeven (12.2.3) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 10 november 2005]
-1. Indien door de
werknemer geen toestemming is gegeven als bedoeld in artikel
104, is de
inzage in dan wel kennisname of toezending van stukken die medische
gegevens bevatten, voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die advocaat of arts is dan wel daarvoor van het UWV
bijzondere
toestemming heeft gekregen.
-2. De gemachtigde,
bedoeld in het eerste lid, treedt in de plaats van de werkgever bij:
a. de voorbereiding van
een medische beschikking;
b. het opstellen van een
bezwaar- of beroepschrift; en
c. de behandeling van een bezwaar;
voor zover betrekking hebbend op medische gegevens.
-3. Artikel 7:4, tweede,
vierde en zesde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is niet van
toepassing op stukken of inlichtingen die medische gegevens
bevatten.
Art.
106.
Motivering
medische beschikking (12.2.4) [Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 10 november 2005]
-1. Het UWV vermeldt de
motivering van een medische beschikking, voor zover betrekking
hebbend op medische gegevens, op een aparte bijlage.
-2. Indien door de
werknemer geen toestemming is gegeven als bedoeld in artikel
104, wordt
de bijlage, bedoeld in het eerste lid, niet aan de werkgever verstrekt.
-3. De bijlage wordt
verstrekt aan de gemachtigde van de werkgever, bedoeld in artikel
105.
-4. Het tweede en derde
lid zijn van overeenkomstige toepassing op een rapport of een advies van
een arts of een psycholoog waarnaar bij de motivering van een
medische beschikking wordt verwezen.
Art.
107.
Bekendmaking medische beschikking (12.2.5)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 10 november 2005]
Bij de bekendmaking van
een medische beschikking wordt gewezen op de artikelen 104,
105, 106 en 108.
Art.
108.
Gronden
bezwaar en beroep in bijlage (12.2.6)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 10 november 2005]
De gronden van het
bezwaar of beroep, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de
Algemene wet
bestuursrecht, worden in een aparte bijlage vermeld voor zover
ze betrekking hebben op medische gegevens.
Art.
109.
Onderzoek
ter zitting met gesloten deuren (12.2.7)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 10 november 2005]
-1. Indien artikel
8:32,
tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht is toegepast, vindt in
afwijking van artikel 8:62, eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht het
onderzoek ter zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, met
gesloten deuren plaats, tenzij de rechtbank ambtshalve of op verzoek van
één van de partijen bepaalt dat het
onderzoek openbaar is.
-2. In de uitnodiging,
bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet
bestuursrecht, wordt
mededeling gedaan van het eerste lid.
Art.
110.
Voorlopige
voorziening en hoger beroep (12.2.8)
[Geschiedenis:
MvT
+ bis; versie 10 november 2005]
Artikel 109 is van
overeenkomstige toepassing bij de behandeling van het hoger beroep en bij
de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening.
§ 12.3.
Beslistermijnen
in bezwaar en afzien horen belanghebbende
Art.
111.
Beslistermijn in bezwaar (12.3.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 384]
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet bestuursrecht beslist het UWV
binnen
dertien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het
indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Art.
112.
Bijzondere
beslistermijn in bezwaar (12.3.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 384;
Stb. 2009, 318]
-1. Indien bezwaar wordt
gemaakt tegen een beschikking waaraan een verzekeringsgeneeskundige
of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, beslist het UWV, in
afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de
Algemene wet
bestuursrecht, binnen zeventien weken of, indien het advies vraagt aan een
deskundige die niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, binnen
21 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen
van het bezwaarschrift is verstreken.
-2. Indien in verband met het geven van een
beslissing op bezwaar een in het buitenland wonende persoon is opgeroepen en
om die reden de beslissing op bezwaar niet binnen de in het eerste lid
bedoelde termijn gegeven kan worden, wordt de beslissing, in afwijking van artikel
7:10, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, verdaagd met ten hoogste zes maanden en wordt de
aanvrager van deze verdaging schriftelijk in kennis gesteld.
Art.
113. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb.
2005, 573; Stb.
2012, 682]
§ 12.4.
Overige
bepalingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de rechtsgang
Art.
114.
Beperking
begrip belanghebbende (12.4.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
In afwijking van artikel
1:2 van de Algemene wet
bestuursrecht is de werkgever geen
belanghebbende bij een beschikking van het UWV
over het verzekerd zijn op
grond van deze wet.
Art.
115.
Beperking
bezwaar- en beroepsgronden werkgever (12.4.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2007, 557; Stb.
2012, 464]
Het bezwaar of beroep van
een werkgever tegen de in artikel 83 bedoelde betaling
dan wel
tegen de in artikel 38, tweede of derde lid, van de
Wet financiering
sociale verzekeringen bedoelde opslag of korting kan niet zijn gegrond op de
grief dat een uitkering op grond van deze wet ten onrechte of tot een te
hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
116.
Beroep in
cassatie (12.4.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Tegen uitspraken van
de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in
cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel
2, tweede tot en met zesde lid, en 8 en 9
en de daarop berustende
bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de
voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van
de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt
van een gerechtshof.
Art.
117.
Wijzigingen in uitkering na bezwaar of beroep door werkgever (12.4.4)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Intrekking van het
recht op een uitkering op grond van deze wet of verlaging van de hoogte
ervan die voortvloeien uit het door de werkgever ingesteld bezwaar of
beroep vinden niet eerder plaats dan zes weken na de dag waarop de
beslissing op bezwaar is bekendgemaakt of de uitspraak is gedaan. De
eerste zin is van overeenkomstige toepassing in geval van intrekking van
het bezwaar of beroep omdat het UWV geheel of gedeeltelijk is tegemoet
gekomen aan het bezwaar of beroep van de werkgever.
-2. Het eerste lid geldt niet indien de uitkering door eigen schuld of toedoen van de werknemer
ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art.
118. Vervallen. (12.4.5)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
Art.
119. Titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht
(12.4.6) [Geschiedenis:
versie 10 november 2005; Stb.
2005, 710; Stb. 2009, 589]
Titel 4.2 van de Algemene
wet bestuursrecht is niet van toepassing op aanspraken op grond
van artikel 34a, eerste lid, en 35.
HOOFDSTUK
13
Overgangsrecht
Art.
120. Samenloop
met WAO en Wamil [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb. 2006, 703]
Geen recht op uitkering
op grond van deze wet heeft de persoon die:
a. verzekerd is op grond
van artikel 16 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. recht
heeft op toekenning of heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de artikelen 19a, 20,
43a, onderscheidenlijk 47,
47a of 47b van die
wet; en
c.
belanghebbende is als bedoeld in artikel 1 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen.
Art.
121.
Overgangsrecht in verband met nawerking verzekering [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573]
-1. Indien een persoon
voorafgaand aan zijn verzekering verzekerd was op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, wordt voor de toepassing van
artikel 10, eerste lid, onderdeel a en b, en tweede lid, mede verstaan
onder:
a. verzekerd is geweest:
verzekerd is geweest op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. verzekering:
verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Indien het eerste lid
toepassing vindt, wordt in artikel 10, eerste lid, voor
"beschouwd alsof
hij verzekerd was gebleven" gelezen: beschouwd alsof hij verzekerd is.
Art.
122.
Overgangsrecht in verband met aansluitende verzekeringen [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573]
Voor de toepassing van
artikel 17 wordt mede verstaan onder "verzekeringen op grond
van deze wet": verzekeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Art.
123.
Overgangsrecht met betrekking tot de vrijwillige verzekering [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573]
-1. Een vrijwillige
verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
die op het
tijdstip
waarop artikel 1.1, onderdeel DD en GG, van de
Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in
werking treden, op grond van artikel 83b, onderdeel d, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt beëindigd, wordt
aangemerkt als een vrijwillige verzekering op grond van artikel 18.
-2. Indien het eerste lid
toepassing vindt, wordt op verzoek van de vrijwillig verzekerde de
hoogte van het dagloon op grond waarvan de uitkering van de
vrijwillige verzekering wordt berekend, gewijzigd dan wel wordt de vrijwillige
verzekering beëindigd met ingang van het tijdstip, bedoeld in het eerste
lid. Artikel 21 is van overeenkomstige
toepassing.
-3. Het verzoek, bedoeld
in het tweede lid, wordt binnen drie maanden na het tijdstip, bedoeld
in het eerste lid, bij het
UWV gedaan.
-4. In afwijking van
artikel 18 wordt tot de vrijwillige verzekering op grond van dat artikel
niet toegelaten de persoon die op grond van artikel 81 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
moet worden toegelaten tot de
vrijwillige verzekering op grond van die wet.
-5. Voor de toepassing van
artikel 18, eerste lid, onderdeel a en c, tweede lid, onderdeel
a,
en derde lid, en artikel 19, eerste lid,
onderdeel a en c, en derde lid,
onderdeel a, wordt mede verstaan onder "verplichte verzekering": verplichte verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-6. Voor de toepassing van
artikel 18, vijfde lid, wordt mede verstaan onder "verzekerd is
geweest": verzekerd is geweest op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-7. Voor de toepassing van
artikel 18, zesde lid, wordt mede verstaan onder "een uitkering
ontvangt op grond van deze wet": een uitkering ontving op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Art. 123a.
Overgangsrecht in verband met artikel 23, derde lid [Geschiedenis:
Stb.
2005, 710]
In afwijking van artikel 23, derde lid, worden bij het
bepalen van de wachttijd tot 1 september 2005 de volgende perioden in
aanmerking genomen:
a. perioden waarin recht bestaat op
ziekengeld als bedoeld in de Ziektewet en de daarop
berustende bepalingen worden in aanmerking genomen en worden samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen;
b. perioden die niet al op grond van
onderdeel a meetellen, maar waarin de verzekerde ongeschikt is
geweest voor zijn arbeid.
Deze perioden worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen.
Bij het vaststellen van de periode van vier weken, bedoeld in dit artikel,
blijven perioden waarin uitkering in verband met zwangerschap en bevalling
op grond van artikel 3:7, eerste lid, 3:8
of 3:10, eerste lid, van de Wet
arbeid en zorg wordt genoten buiten beschouwing.
Art. 123b.
Overgangsrecht in verband met artikel 25, negende lid [Geschiedenis:
Stb.
2005, 710; Stb. 2008, 414;
Stb.
2011, 299]
-1. De artikelen 25, negende,
tiende tot en met vijftiende lid, 26, tweede lid, 64,
tweede lid, derde zin, derde, vierde, zesde tot en met negende lid, en 102,
derde lid, van deze wet en de artikelen 629, derde lid, onderdeel f,
en elfde lid, onderdeel a, en 670, tiende lid, onderdeel a, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing
op personen die vóór 15 augustus 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden.
-2. Op personen die vóór 15 augustus 2004
arbeidsongeschikt zijn geworden, zijn de artikelen
71a, negende lid, en 71b,
derde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering van overeenkomstige toepassing met
dien verstande dat voor "artikel 34, derde
lid" wordt gelezen "artikel 64, derde lid, van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, voor
"artikel 34a" wordt gelezen
"artikel 65 van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen" en voor "verplichtingen op grond
van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel krachtens het
zevende lid gestelde regels" wordt gelezen: verplichtingen op grond van
artikel 25, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid,
van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan
wel de krachtens het zevende lid van dat artikel gestelde regels. [Bvhr]
[Bvlp]
-3. Op personen die vóór 15 augustus 2004
arbeidsongeschikt zijn geworden, zijn de artikelen 64,
tweede, derde, vierde en zesde lid, en 102, derde lid,
van deze wet en de artikelen 629, derde en elfde lid, en 670, tiende lid,
van titel 10 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek zoals deze luidden
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Aanpassings-
en verzamelwet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van toepassing. [Bvhr]
[Bvlp]
Art.
123c. Overgangsrecht in verband met artikel 59, derde lid
[Geschiedenis:
Stb. 2009, 318]
-1.
Bij de toepassing van artikel 59, derde lid, van deze
wet is de duur van de te ontvangen loongerelateerde uitkering van de
WGA-uitkering niet korter dan de nog resterende duur van de beëindigde en
niet-herleefde loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
-2.
Dit artikel vervalt op ¹ 1 oktober 2018.
1. Volgens
de redactie dient "op" te worden vervangen door: met
ingang van.
Art.
124. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2010, 867]
Art.
125.
Overgangsrecht met betrekking tot de maatregelen [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573]
Voor zover de wachttijd
van de verzekerde is aangevangen vóór de inwerkingtreding van
artikel 28, wordt in de artikelen 88, eerste lid, onderdeel a, en
89,
eerste lid, onderdeel a, mede gelezen: de verzekerde verplichtingen, bedoeld
in de artikelen 25 of 28 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Art.
126. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2009, 318]
Art.
127.
Overgangsrecht betreffende de duur van de loongerelateerde
uitkering van de WGA-uitkering [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573]
Voor de verzekerde wiens
recht op uitkering ontstaat vóór 1 januari 2008 wordt artikel
59, eerste lid, als volgt gelezen:
-1. De duur van de
loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is voor de verzekerde die op
de dag met ingang waarvan hem een WGA-uitkering wordt
toegekend:
a. 58 jaar of ouder is,
vijf jaar;
b. 53 jaar of ouder is,
vier jaar;
c. 48 jaar of ouder is,
drie jaar;
d. 43 jaar of ouder is, twee en een half jaar;
e. 38 jaar of ouder is,
twee jaar;
f. 33 jaar of ouder is,
anderhalf jaar;
g. 28 jaar of ouder is,
één jaar;
h. 23 jaar of ouder is,
negen maanden;
i. jonger dan 23 jaar is,
zes maanden.
Art.
128. Overgangsrecht in verband met artikel 99, vierde lid
[Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2005, 708; Stb. 2006, 703;
Stb.
2008, 199]
In gedingen aangevangen vóór het van toepassing worden van artikel
99, vierde lid, bepaalt de rechter op verzoek van één van de partijen
of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt geboden
hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan artikel
99, vierde lid. Stelt de rechter partijen tot een zodanige aanpassing in
de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst
de rechter een daartoe strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel
daartegen slechts gelijktijdig met de einduitspraak open.
Art.
129.
Overgangsrecht betreffende arbeidsplaatsvoorzieningen ex Wet Rea toegekend aan
niet-zelfstandigen [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573]
De voorziening die op de
dag voorafgaand aan de dag waarop artikel 22 respectievelijk
artikel
31 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten op grond van
artikel 2.10
van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervallen, is toegekend op grond van artikel 22 of
artikel
31 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten, wordt voor de duur van
het tijdvak waarvoor deze voorziening is toegekend en voor zover
die voorziening niet is verstrekt in het kader van de inschakeling in de
arbeid als zelfstandige, aangemerkt als een voorziening als bedoeld
in artikel 35.
Art.
130.
Overgangsrecht inzake publicatie instroomcijfers WGA [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573]
De openbaarmaking,
bedoeld in artikel 40, vindt voor het eerst plaats in 2008.
Art.
131.
Overgangsrecht inzake delegatiebevoegdheid nadere regels
maatregeloplegging [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb.
2007, 305 + bis]
-1. Tot een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip luidt artikel 90, derde lid, als volgt:
-3. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met
betrekking tot het eerste lid, voor zover dat betrekking heeft op
nadere regels omtrent een maatregel als bedoeld in artikel
89.
-2. Tot een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip wordt aan artikel 90
een lid toegevoegd,
luidende:
-4. Het
UWV stelt nadere
regels met betrekking tot het eerste lid, voor zover dat betrekking
heeft op nadere regels omtrent een maatregel als bedoeld in artikel
88, waarbij in ieder geval kan worden geregeld in welke gevallen het UWV
kan afzien van het opleggen van een maatregel. [MU]
Art.
132.
Overgangsrecht inzake werkgeverssubsidie ex Wet Rea [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573]
De subsidie die op de dag
voorafgaand aan de dag waarop artikel 16 van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten op grond van artikel 2.10
van de Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen vervalt,
was toegekend op grond van artikel 16 van de
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, wordt voor de duur van het
tijdvak waarvoor die
subsidie op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten is
toegekend, aangemerkt als subsidie als bedoeld in artikel
35.
Art.
133. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005, 573; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 618]
Art.
133a. Overgangsrecht in verband met de inwerkingtreding van de
Wet wijziging WW-stelsel [Geschiedenis:
Stb.
2006, 303 + bis]
Met betrekking tot de persoon wiens recht op een WGA-uitkering is
ontstaan vóór de dag van inwerkingtreding van artikel
III, onderdeel D, van de Wet wijziging
WW-stelsel blijft artikel 61, zoals dat luidde op
die dag, van toepassing met betrekking tot dat recht.
Art.
133b. [Overgangsrecht vrijwillige loondoorbetaling werkgever]
[Geschiedenis:
Stb. 2006, 703]
Artikel 24, zoals dat luidde op de dag vóór inwerkingtreding van
artikel XII, onderdeel E, van de Verzamelwet sociale verzekeringen
2007, blijft
van toepassing op een verzoek om verlenging als bedoeld in artikel
24,
eerste lid, dat op of vóór die dag is ingediend en waarop nog geen
beslissing is genomen.
Art.
133c. Overgangsrecht in verband met de inwerkingtreding van de Wet
van 12 december 2007, houdende regels tot bevordering van de activering
van personen die aanspraak maken op een uitkering op grond van de
Ziektewet (Stb. 2007, 553) en de Wet wijziging verrekening inkomsten
met ziekengeld [Geschiedenis:
Stb. 2007, 553; Stb.
2011, 299; Stb. 2011, 618]
Ten aanzien van personen van wie de
eerste dag van de wachttijd is gelegen:
a. vóór 1 januari 2008 is artikel
26, zoals dat luidde op 31 december 2007, van toepassing;
b. vóór de dag van inwerkingtreding
van artikel III, onderdeel A, van de Wet
wijziging verrekening inkomsten met ziekengeld zijn de artikelen
26, tweede lid, en 65, zoals deze luidden op de dag vóór inwerkingtreding van
artikel III, onderdeel A, van de Wet
wijziging verrekening inkomsten met ziekengeld, van toepassing.
Art.
133d. [Verval artikel 37a] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 590]
Artikel 37a
vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Art.
133e. Overgangsbepaling in verband met artikel 34a [Geschiedenis:
Stb.
2009, 589; Stb. 2010,
838]
-1. Artikel 34a
is niet van toepassing op de persoon wiens arbeid als zelfstandige als
bedoeld in artikel 34a, vierde lid, is
aangevangen vóór de dag van inwerkingtreding van de Wet
van 3 december 2009 tot uitbreiding van de mogelijkheid om voorzieningen
te verstrekken bij arbeid als zelfstandige (Stb. 2009, 589),
tenzij deze persoon aanspraak had op een voorziening op grond van artikel
34, tweede lid, artikel 3:64 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, artikel 65e
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 67c van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel
52d van de Ziektewet, zoals die
artikelen luidden vóór de inwerkingtreding van die
wet.
-2. Een voorziening die vóór de dag van
inwerkingtreding van de Wet van 3 december 2009 tot uitbreiding van de
mogelijkheid om voorzieningen te verstrekken bij arbeid als zelfstandige
(Stb. 2009, 589) is verstrekt of aangevraagd op grond van artikel
34, tweede lid, artikel 3:64 van de
Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, artikel 65e
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 67c van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel
52d van de Ziektewet, zoals die
artikelen luidden vóór de inwerkingtreding van die wet, wordt
aangemerkt als een voorziening die is verstrekt op grond van artikel
34a.
Art.
133f. Overgangsrecht in verband met arbeidsongeschiktheid bij
aanvang verzekering [Geschiedenis:
Stb.
2010, 867]
De artikelen 43,
onderdeel c, 46 en 124,
zoals die luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, blijven
van toepassing op de persoon wiens eerste werkdag waarop door hem wegens
ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt, is
gelegen vóór die dag.
Art.
133g. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2010,
838]
Art.
133h. Overgangsrecht inzake
loonkostensubsidie [Geschiedenis:
Stb.
2012, 224]
-1. Ten aanzien van dienstbetrekkingen die
voorafgaand aan 1 januari 2012 zijn ingegaan en waarvoor voorafgaand aan
1 januari 2012 een aanvraag voor subsidie voor loonkosten is ingediend,
blijven artikel 37a van deze wet, de daarop
berustende bepalingen en artikel 30e
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen zoals die luidden op 31 december 2011 gelden.
-2. Dit artikel vervalt vijf jaar na de dag
waarop artikel IX van de Wet
van 21 mei 2012 tot wijziging van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in verband met aanpassing van de
dienstverlening van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
werkgevers en werkzoekenden en de opheffing van de Raad voor werk en
inkomen als publiekrechtelijke rechtspersoon met een wettelijke taak en
van de Werkloosheidswet en enige andere wetten in verband met de beëindiging
van de inzet van het re-integratiebudget Werkloosheidswet en van
loonkostensubsidies in werking is getreden.
HOOFDSTUK
14
Strafbepalingen
Art.
134.
Strafbepaling overtreding wetsartikel (14.1)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2006, 703]
De werkgever die niet
voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 33, wordt gestraft met
hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van de tweede
categorie.
Art.
135.
Vervallen. (14.2) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005;
Stb. 2009, 265]
Art.
136.
Overtredingen (14.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Het in artikel 134 bedoelde strafbare feit is een overtreding.
HOOFDSTUK
15
Slotbepalingen
Art.
137.
Vervallen
particuliere verzekering (15.1) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
-1. Een overeenkomst met
betrekking tot de verzekering van geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid, waaronder mede wordt
verstaan gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid, gesloten door de persoon die verplicht verzekerd
wordt, vervalt met ingang van de dag waarop de verzekeraar van de verzekerde mededeling van het verplicht verzekerd
worden ontvangt, voor zover aan de overeenkomst rechten kunnen worden
ontleend
gelijkwaardig aan die welke uit de in deze wet geregelde verplichte verzekering voortvloeien. Bereikt deze mededeling
de verzekeraar vóór de dag waarop de betrokkene verplicht verzekerd wordt, dan vervalt de
overeenkomst met ingang van die dag.
-2. De premie die de persoon wiens verzekering op grond van het eerste lid geheel of
gedeeltelijk is vervallen, heeft vooruitbetaald, wordt door de verzekeraar
al naargelang van het vervallen gedeelte der overeenkomst
terugbetaald, onder aftrek van ten hoogste 25% van het terug te betalen
bedrag voor administratiekosten.
Art.
138.
Buitentoepassingverklaring van Algemene termijnenwet (15.2)
[Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
De Algemene
termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen gesteld in de artikelen
10, eerste lid, 23, derde en vijfde lid, 49, tweede lid,
60, tweede
en derde lid, 61, zevende lid, en 74.
Art.
139.
Evaluatiebepaling (15.3) [Geschiedenis:
MvT; versie 10 november 2005]
Onze Minister zendt
binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in
de praktijk.
Art.
140.
Nummering (15.4) [Geschiedenis:
versie 10 november 2005]
Vóór de plaatsing in het
Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen,
paragrafen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast waarbij
rekening wordt gehouden met de artikelen die in het bij koninklijke
boodschap van 17 mei 2005 ingediende voorstel van wet houdende regels
omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van de Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet
invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)
(Kamerstukken II 2004-2005, 30 118, nr. 2) worden ingevoegd en brengt hij de in deze
wet voorkomende aanhalingen van artikelen, paragrafen en
hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Art.
141.
Inwerkingtreding (15.5) [Geschiedenis:
versie 10 november 2005]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan
worden vastgesteld.¹
1. Ingevolge artikel
1, eerste lid, van het Besluit van 2 december
2005, Stb. 2005, 619, is het tijdstip van inwerkingtreding
bepaald op 29 december 2005, met uitzondering van de artikelen
25, derde lid, 64, 65 en 66,
die in werking treden op 9 december 2005, red.
Art.
142.
Citeertitel (15.6) [Geschiedenis:
versie 10 november 2005]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
10 november 2005
BEATRIX
De Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de tweeëntwintigste
november 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|