Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 24 mei 2007

 

REGELS  VRIJWILLIGE  VERZEKERING  WET  WIA

Vervallen
m.i.v. 25 mei 2007
(art. 13 RvvW07)

 
 

7 november 2006, Stcrt. 2006, 228
Inwerkingtreding: 24 november 2006
(T.a.v. artt. 21a Wet WIA en 73:2 Wfsv)

 

 

 

 
7 november 2006

     Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
     Gelet op artikel 21a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en artikel 73, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv);

    Besluit:

 

 

HOOFDSTUK  I

Begripsomschrijvingen

 

Art. 1.
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
b. vrijwillige verzekering: de vrijwillige verzekering op grond van hoofdstuk 2 van de wet;
c. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

 

 

HOOFDSTUK  II

Aanmelding

 

Art. 2.
Een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering geschiedt met gebruikmaking van een door het UWV ter beschikking gesteld aanvraagformulier.

 

Art. 3.
-1. De persoon, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de wet, legt bij aanmelding voor de vrijwillige verzekering bij het UWV een verklaring over waaruit ten genoegen van het UWV blijkt wie de werkgever van betrokkene in het buitenland was, naar welk loon betrokkene in het buitenland verplicht verzekerd was en wanneer de verzekering van betrokkene daar eindigde.
-2. Bij de aanmelding voor de vrijwillige verzekering van degene die is bedoeld in artikel 18, tweede lid, onderdeel b en c, van de wet wordt een verklaring overgelegd waaruit ten genoegen van het UWV blijkt welke nationaliteit betrokkene bezit, welke werkzaamheden hij verricht en door welke organisatie hij wordt uitgezonden.

 

Art. 4.
De termijn van vier weken, genoemd in artikel 19, eerste lid en tweede lid, van de wet, wordt gerekend aan te vangen voor degene die binnen de daarvoor vastgestelde termijn een aanvraag om uitkering krachtens de Werkloosheidswet heeft gedaan en op wiens aanvraag afwijzend is beslist, met ingang van de dag na die waarop hij redelijkerwijze van de desbetreffende beschikking heeft kunnen kennisnemen.

 

 

HOOFDSTUK  III

Aanvang en einde vrijwillige verzekering

 

Art. 5.
Het UWV geeft van de op de aanvraag genomen beslissing schriftelijk kennis aan de aanvrager onder mededeling van het tijdstip waarop de vrijwillige verzekering een aanvang neemt.

 

Art. 6.
-1. Het UWV geeft aan de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering schriftelijk kennis van het tijdstip waarop de vrijwillige verzekering wordt beŰindigd.
-2. Het eindigen van de vrijwillige verzekering heeft geen invloed op de uitkeringen welke krachtens die verzekering lopen op het tijdstip waarop de verzekering een einde neemt.

 

 

HOOFDSTUK  IV

Dagloon en premie vrijwillige verzekering

 

Art. 7.
-1. Onverminderd het bepaalde in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan het UWV het dagloon dat ten grondslag ligt aan de vrijwillige verzekering van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering herzien in de mate waarin het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag op grond van artikel 18 van die wet wordt verhoogd of verlaagd.
-2. Het UWV kan het dagloon dat ten grondslag ligt aan de vrijwillige verzekering van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering herzien:
a. indien dat dagloon niet overeenkomt met het loon of inkomen dat de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering, in geval van arbeidsongeschiktheid naar het oordeel van het UWV derft;
b. indien het naar het oordeel van het UWV aannemelijk is dat door een wijziging in de wet de uitkeringsvoorwaarden zodanig zijn gewijzigd dat de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering bij aanvang van de vrijwillige verzekering een ander dagloon bepaald zou hebben.
-3. De herziening, bedoeld in het eerste en tweede lid, gaat in per 1 januari van enig jaar. De herziening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan eveneens plaatsvinden op verzoek van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering. De herziening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kan alleen plaatsvinden op verzoek van de persoon die is toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Dit verzoek wordt ingediend vˇˇr 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarin de herziening ingaat. Het UWV kan een herziening als bedoeld in het tweede lid, ook op een ander tijdstip laten ingaan indien naar zijn oordeel sprake is van een aanzienlijke wijziging van het loon, inkomen of dagloon.

 

Art. 8.
-1. De premie is per kalendermaand bij vooruitbetaling verschuldigd door degene die op eigen verzoek tot de vrijwillige verzekering is toegelaten en wordt door of namens de verzekerde voldaan op de door het UWV aangegeven wijze.
-2. Het UWV deelt bij zijn beslissing, bedoeld in artikel 5, mede welke premie de aanvrager verschuldigd is en binnen welke termijnen en op welke wijze de betaling dient te geschieden.
-3. Indien het premiepercentage wijziging ondergaat, deelt het UWV zo spoedig mogelijk het gewijzigde premiebedrag aan de verzekerde mede.
-4. In geval van arbeidsongeschiktheid is geen premie verschuldigd over volle kalenderweken gelegen na de dag van melding van die ongeschiktheid, tenzij alsdan dertien weken zijn verstreken, in welk geval over volle kalenderweken na die periode geen premie is verschuldigd.

 

 

HOOFDSTUK  V

Melding van arbeidsongeschiktheid

 

Art. 9.
-1. De verzekerde is in geval van arbeidsongeschiktheid verplicht te zorgen dat daarvan aan het UWV mededeling wordt gedaan binnen dertien weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid of binnen een zodanig kortere termijn als door het UWV is bepaald.
-2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor degene die reeds tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Ziektewet is toegelaten.

 

 

HOOFDSTUK  VI

Recht op uitkering

 

Art. 10.
Artikel 10 van de wet is niet van overeenkomstige toepassing in de gevallen, bedoeld in artikel 20, onderdeel e en f, van de wet.

 

Art. 11.
-1. Indien recht bestaat op een uitkering krachtens zowel de verplichte als de vrijwillige verzekering, wordt bij verschil in hoogte van de daglonen alleen toegekend de uitkering die gebaseerd is op het dagloon uit de verzekering waarop recht bestaat anders dan op grond van het bepaalde in artikel 10 van de wet.
-2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt ingeval de vrijwillige verzekering gebaseerd is op artikel 18, eerste lid, onderdeel d en e, van de wet:
a. het dagloon dat aan de uitkering ten grondslag ligt, bepaald op de som van de daglonen krachtens beide verzekeringen;
b. het door samentelling verkregen dagloon en de daarop gebaseerde uitkering beschouwd als een dagloon respectievelijk een uitkering krachtens de vrijwillige verzekering.
-3. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. dagloon krachtens de verplichte verzekering: het dagloon bepaald op grond van artikel 13 van de wet;
b. dagloon krachtens de vrijwillige verzekering: het dagloon bepaald met inachtneming van artikel 21, eerste lid, van de wet en artikel 7 van dit besluit.

 

Art. 12.
Op het dagloon waarnaar de uitkering op grond van de vrijwillige verzekering wordt berekend, is het bepaalde in artikel 14 van de wet van overeenkomstige toepassing.

 

 

HOOFDSTUK  VII

Overige bepalingen

 

Art. 13.
Behoudens de vrijwillige verzekering gesloten voor degene, bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel d, e en f, van de wet, welke voor zover het de toepassing van artikel 46, tweede lid, van de wet betreft met betrekking tot het tijdstip waarop de verzekering een aanvang nam, als een afzonderlijke verzekering wordt aangemerkt, wordt de vrijwillige verzekering als een voortzetting van de verplichte verzekering beschouwd.

 

 

HOOFDSTUK  VIII

Slotbepalingen

 

Art. 14.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006.

 

Art. 15.
Dit besluit kan worden aangehaald als: Regels vrijwillige verzekering Wet WIA.

 

 

Amsterdam, 7 november 2006.
De voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst
.

 

 

 

TOELICHTING
[7 november 2006]

 

     Met de inwerkingtreding van de Wet WIA per 29 december 2005 en de invoering van de Wfsv met ingang van 1 januari 2006 is een aantal technische wijzingen van de Regels vrijwillige verzekering ZW, WAO en WW noodzakelijk geworden.
     Verwijzingen naar de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering zijn vervangen door een verwijzing naar artikel 73, tweede lid, van de Wfsv. Verder zijn regels betreffende de vrijwillige verzekering Wet WIA noodzakelijk geworden. De Regels vrijwillige verzekering Wet WIA zijn opgebouwd volgens hetzelfde stramien als de Regels vrijwillige verzekering ZW, WW en WAO. Personen die (nog) tot de vrijwillige verzekering WAO moeten worden toegelaten, worden op grond van artikel 123, vierde lid, Wet WIA niet toegelaten tot de vrijwillige verzekering Wet WIA. Dit om eventuele samenloop te voorkomen van de vrijwillige verzekering Wet WIA en de vrijwillige verzekering WAO. Degene die niet onder artikel 81 WAO valt en een vrijwillige verzekering WAO heeft, wordt vrijwillig verzekerd voor de Wet WIA. De vrijwillige verzekering WAO wordt "omgezet" in een vrijwillige verzekering Wet WIA. Het gaat dan om personen aan wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van meer dan 45%.

 

De voorzitter Raad van bestuur UWV,
J.M. Linthorst
.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet WIA | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x