|
BESLUIT van 5 december 2005,
houdende vaststelling van een inkomensbesluit voor de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (Inkomensbesluit Wet WIA)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid
van 13 juli 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/F&W/05/52295;
Gelet op de artikelen
52, vijfde lid, 60, vijfde lid, en 61,
tiende lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen;
De Raad van State gehoord (advies van 3
augustus 2005, nr. W12.05.0319/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 november 2005, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/AL/05/61774;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Begripsbepalingen
Art. 1.
Algemeen
In dit besluit wordt
verstaan onder:
a. Wet WIA: de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen;
b. loondervingsuitkeringen:
1º. uitkeringen op grond
van de Werkloosheidswet;
2º. uitkeringen op grond
van de Ziektewet;
3º. hetgeen wordt genoten
op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of de bezoldiging op grond van
artikel
76a van de Ziektewet;
4º. uitkeringen op grond
van de artikelen 6, 51 en 131 van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers;
5º. uitkeringen bij ziekte
of werkloosheid op grond van een regeling welke geldt voor personen
die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a of
b, van de
Ziektewet onderscheidenlijk artikel 6, eerste lid, onderdeel a of
b,
van de Werkloosheidswet niet ingevolge die wet
¹ verzekerd zijn;
6º. uitkeringen op grond van een regeling
voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba van de Wet
op de loonbelasting 1964, op
grond van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 18, eerste lid,
onderdeel a, onder 1º, van de Wet
op de loonbelasting 1964, op
grond van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van
de Wet
op de loonbelasting 1964 of op
grond van een prepensioenregeling als bedoeld in artikel 38a van
de Wet
op de loonbelasting 1964 zoals
dat artikel luidde op 31 december 2004;
7º. uitkeringen op grond
van de wetgeving van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of van Nederland ten
behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een andere
mogendheid of een volkenrechtelijke organisatie die naar aard en
strekking overeenkomen met de uitkeringen, bedoeld onder 1º tot en met
6º;
c. aangiftetijdvak: het
tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt
afgedragen betrekking heeft;
d. verlof: een tussen de
werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de
arbeidstijd overeengekomen verlof waarin de werknemer geen arbeid jegens
de werkgever verricht.
1. Volgens de redactie
dient "die wet" te worden vervangen door: die wetten.
§ 2.
Inkomen uit arbeid
Art. 2.
Hoofdregel
inkomen uit arbeid
-1. Voor de toepassing van de
artikelen 52, vierde lid, 60, eerste lid,
aanhef en onder a, en 61, achtste
lid, van de Wet WIA wordt onder inkomen uit arbeid in het
bedrijfs- en beroepsleven verstaan:
a. het loon in de zin van
artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de
werknemer in de zin van die wet met uitzondering van degenen waarvan op grond
van artikel 21 van die wet geen premies voor de
werknemersverzekeringen worden geheven;
b. het loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964, voor zover de verzekerde geen werknemer is
als bedoeld in onderdeel a;
c. het belastbaar loon of het
belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in paragraaf
3.3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.4.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, voor zover de verzekerde geen werknemer is
als bedoeld in de onderdeel a en b en behoudens voor zover
het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de artikelen 3.91, eerste
lid, onderdeel a en b, en 3.92 van die
wet;
d. de belastbare winst uit
onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet
inkomstenbelasting 2001,
vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in paragraaf 3.2.4 van die
wet, en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in paragraaf 3.2.5 van die
wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in
artikel 3.78, derde lid, oonderdeel a, b en c, van
die wet,
niet geacht worden te behoren tot die winst.
-2. Indien de berekening van
het resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel c, of de winst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, leidt tot
een negatief bedrag, wordt het resultaat onderscheidenlijk de winst
op nihil gesteld.
Art. 3.
Algemene
beperking inkomen uit arbeid
-1. In afwijking van artikel
2, eerste lid, onderdeel a en b, wordt niet als
inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven beschouwd:
a. het loon uit vroegere
dienstbetrekking in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964;
b. loondervingsuitkeringen en
uitkeringen op grond van de Wet
WIA, alsmede aanvullingen op die uitkeringen.
-2. In afwijking van artikel
2, eerste lid, onderdeel b, wordt niet als inkomen uit arbeid in het
bedrijfs- en beroepsleven beschouwd:
a. een vergoeding voor de
inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet;
b. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel b tot en met h,
van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art. 4.
Inkomen uit
arbeid voor de toepassing van de artikelen 52, vierde lid, en 61, achtste
lid, van de Wet WIA
-1. Voor de toepassing van de
artikelen 52, vierde lid, en 61, achtste
lid,
van de Wet WIA wordt in aanvulling op of in afwijking van
artikel 2, eerste
lid:
a. als inkomen uit arbeid in het
bedrijfs- en beroepsleven wordt beschouwd het loon of de inkomsten die
werden genoten in de kalendermaand voorafgaand aan een recht op
loondervingsuitkering of aan het verlof;
b. niet als inkomen uit
arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven beschouwd het loon of de
inkomsten die door de verzekerde worden genoten indien hij
tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie loon of inkomsten als bedoeld in
onderdeel a ontvangt.
-2. Bij het bepalen van de
hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt, indien sprake is van
een verkorte wachttijd als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van
de Wet WIA, geen rekening gehouden met het loon dat door de werkgever
wordt betaald.
Art. 5.
Inkomen uit
arbeid voor de toepassing van artikel 60, eerste lid, van de Wet WIA
Voor de toepassing van
artikel 60, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet
WIA
wordt in
aanvulling op of in afwijking van artikel 2, eerste lid:
a. als inkomen uit arbeid in
het bedrijfs- en beroepsleven beschouwd:
1º. het loon of de inkomsten die werden
genoten in de kalendermaand voorafgaand aan een recht op uitkering in
verband met vorstwerkloosheid als bedoeld in artikel 18 van de
Werkloosheidswet
of in verband met werkloosheid die uitsluitend het gevolg is van
verkorting van de werktijd waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het
Buitengewoon Besluit
Arbeidsverhoudingen 1945
ontheffing is verleend;
2º. het loon of de inkomsten die werden
genoten in de kalendermaand voorafgaand aan een recht op een
loondervingsuitkering als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, onder 2º, 3º, 5º en 7º, voor zover deze ziet op
loonderving als gevolg van ziekte;
3º. het loon of de inkomsten die werden
genoten in de kalendermaand voorafgaand aan een recht op een
loondervingsuitkering als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, onder 6º, of aan het verlof, bedoeld in de Wet arbeid en zorg;
b. niet als inkomen uit
arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven beschouwd het loon of de
inkomsten die door de verzekerde worden genoten indien hij
tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie loon of inkomsten als bedoeld in
onderdeel a ontvangt.
§ 3.
Bepaling van het
inkomen
Art. 6.
Bepaling inkomen
uit arbeid
-1. Het inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven is het tot een bedrag per kalendermaand
herleide inkomen.
-2. Bij de toepassing van het
eerste lid wordt voor zover sprake is van loon als bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel a en b, het loon door de werknemer geacht te zijn
genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de
inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
-3. Bij de toepassing van het
eerste lid kan op basis van een geschat inkomen een gemiddeld
genoten inkomen per kalendermaand worden bepaald, waarna per periode
van ten hoogste twaalf kalendermaanden een herberekening
plaatsvindt.
-4. Het UWV kan bij de
bepaling van het inkomen artikel 3, eerste lid, van het
Besluit
dagloonregels werknemersverzekeringen overeenkomstig toepassen, waarbij in plaats
van een refertejaar kalendermaand wordt gelezen.
-5. Indien een
loondervingsuitkering wordt geweigerd in verband met enig handelen of nalaten van
betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten of het
recht op een loondervingsuitkering als bedoeld in artikel
1, onderdeel b,
onder 3º, gedeeltelijk ontbreekt dan wel de betaling daarvan is
opgeschort door toepassing van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek onderscheidenlijk artikel 76b, eerste tot en met derde lid, of
76c van de Ziektewet, wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking genomen als ware deze niet geweigerd.
-6. Indien een
loondervingsuitkering niet tot uitbetaling komt omdat deze niet is aangevraagd,
wordt voor de toepassing van dit besluit de uitkering in aanmerking
genomen als ware deze genoten.
-7. Het UWV kan dit artikel
buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet
op het belang dat dit besluit beoogt te beschermen, zal leiden tot
een onbillijkheid van overwegende aard.
Art. 7.
Omrekening
-1. De bij de toepassing van
artikel 6 noodzakelijke omrekening in euro’s van een niet in euro’s
uitgedrukt inkomen uit arbeid geschiedt met behulp van de door de Europese
Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.
-2. Een wijziging van een
koers als bedoeld in het eerste lid beïnvloedt het op grond van artikel 6
vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:
a. bij wijziging van het
inkomen uit arbeid, anders dan tengevolge van de koersmutaties, een
omrekening plaatsvindt; en
b. ten minste eens per jaar
een omrekening plaatsvindt.
Art.
7a. Overgangsrecht in verband met keuzeregime artikel 39c van
de Wet op de loonbelasting 1964
-1. Ingeval ter zake van het belastbare
loon artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 wordt toegepast, wordt voor de toepassing
van artikel 3, tweede lid, onderdeel b, onder
eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
onderdeel b tot en met h, van de Wet
op de loonbelasting 1964 verstaan eindheffingsbestanddelen als
bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h,
van die
wet zoals dat artikel luidde op 31 december 2010.
-2. Dit artikel vervalt met ingang van de
dag waarop artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 vervalt.¹
1. Ingevolge artikel Vbis
van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 (Stb. 2010, 611) vervalt
artikel 39c van de Wet
op de loonbelasting 1964 met ingang van 1 januari 2014, red.
Art. 8.
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 29 december 2005.
Art. 9.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald
als: Inkomensbesluit Wet WIA.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 5 december
2005
BEATRIX
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
Uitgegeven de achtste
december 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
NOTA
VAN TOELICHTING
[5 december 2005]
Algemeen
1. Inleiding
Het onderhavige besluit
definieert het begrip "inkomen uit arbeid" voor de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (Wet WIA). Het ligt in de bedoeling dit besluit
uiteindelijk op te nemen in het nog te treffen Inkomensbesluit sociale
verzekeringen en voorzieningen, waarin tevens de inkomensbesluiten op
grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), de
Algemene
Ouderdomswet (AOW), de Toeslagenwet (TW), de
Wet inkomensvoorziening
ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (Ioaz) zullen worden opgenomen. In verband met de
noodzaak van een tijdige implementatie van de Wet WIA is deze materie in een separaat besluit geregeld, dat bij de
totstandkoming van het
Inkomensbesluit sociale verzekeringen en voorzieningen zal worden
ingetrokken.
Met het onderhavige besluit
wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de nieuwe mogelijkheden die
ontstaan als gevolg van de inrichting van een polisadministratie bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). In de
polisadministratie worden vanaf 1 januari 2006 actuele dienstverbandgegevens
geregistreerd. Door met het inkomensbegrip zoveel mogelijk aansluiting
te zoeken bij de gegevens in de polisadministratie, wordt het voor het UWV
mogelijk de door de werknemer opgegeven inkomensgegevens te controleren aan de hand van
brongegevens. Hierdoor
verbetert de rechtmatigheid van de uitkeringsvaststelling. Bovendien kan het UWV op
termijn de uitkering in een groot deel van de gevallen vaststellen zonder uitvraag van inkomensgegevens
te hoeven doen bij de
werknemer. Als de werknemer geen inkomensgegevens meer hoeft door te geven,
leidt dit tot een vermindering van de administratieve lasten voor
burgers.
2. Relevantie inkomen uit
arbeid voor de Wet WIA
De Wet
WIA
regelt dat een
werknemer na 104 weken ziekte in aanmerking kan komen voor
een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid, mits aan een aantal
voorwaarden is voldaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen
enerzijds volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid en anderzijds gedeeltelijke
arbeidsgeschiktheid. De werknemer die volledig en duurzaam
arbeidsongeschikt is, heeft ingevolge de inkomensverzekering voor
volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA; zie hoofdstuk 6 van de
Wet WIA) aanspraak op een uitkering van 70% van het maandloon. Indien de
volledig en duurzaam arbeidsongeschikte in een kalendermaand inkomen
uit arbeid verwerft, wordt 70% van deze inkomsten verrekend met de
IVA-uitkering.
De werknemer die
gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, heeft ingevolge de regeling werkhervatting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA; zie hoofdstuk 7 van de
Wet WIA)
in beginsel eerst aanspraak op een loongerelateerde uitkering.
Deze loongerelateerde WGA-uitkering wordt op dezelfde manier berekend
als de IVA-uitkering.
Na afloop van de
loongerelateerde periode heeft de gedeeltelijk arbeidsgeschikte hetzij
aanspraak op een loonaanvulling, hetzij aanspraak op een vervolguitkering. De
gedeeltelijk arbeidsgeschikte heeft aanspraak op de (hogere)
loonaanvulling als hij met werken een inkomen verdient dat ten minste gelijk is aan
50% van de resterende verdiencapaciteit (inkomenseis). De hoogte van
de loonaanvulling bedraagt hetzij 70% van het verschil tussen het
maandloon en het inkomen uit arbeid, hetzij 70% van het verschil tussen het
maandloon en de resterende verdiencapaciteit. Als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte niet aan voornoemde inkomenseis voldoet, heeft hij aanspraak
op de (lagere) WGA-vervolguitkering. De hoogte van deze WGA-vervolguitkering bedraagt een percentage van het
wettelijk minimumloon. Dit
percentage is hoger naarmate de betrokkene meer arbeidsongeschikt is.
Een aantal uitkeringen
ingevolge de Wet WIA is dus mede afhankelijk van het inkomen uit arbeid
dat de betrokkene in een kalendermaand verdient. Voorts is dit
inkomen van belang om vast te stellen of de betrokkene voldoet aan de
inkomenseis voor het recht op loonaanvulling.
3. Definitie inkomen uit
arbeid: hoofdregel
Voor de definitie van
inkomen uit arbeid wordt een rechtstreekse koppeling gelegd met het
socialeverzekeringsloon, bedoeld in artikel 16 van de
Wet financiering
sociale verzekeringen, voor werknemers in de zin van de
werknemersverzekeringen. Voor de overige werknemers wordt aangesloten bij het loon uit
dienstbetrekking in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964. Voor
personen die hun arbeid niet in dienstbetrekking verrichten, wordt voor de
definitie van inkomen uit arbeid aangesloten bij het belastbaar loon uit
tegenwoordige arbeid, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en de
belastbare winst uit onderneming, zoals dit in de Wet
inkomstenbelasting 2001 is gedefinieerd.
Een directe koppeling aan
het socialeverzekeringsloon en aan het fiscale loon brengt als
voordeel met zich mee dat het UWV gebruik kan maken van de gegevens in de
polisadministratie voor de uitkeringsvaststelling. Dit betekent dat de
rechtmatigheid van de uitbetaalde uitkeringen kan worden vergroot, doordat de
vaststelling en controle van het uitkeringsrecht mogelijk wordt aan de hand
van de brongegevens. Administratieve lasten van burgers kunnen in
de toekomst worden verminderd als de uitkeringsgerechtigde niet
meer alle inkomenswijzigingen hoeft door te geven. Wel blijft het nodig
om gegevens door te geven over de inkomsten die personen verdienen met
hun arbeid die niet in dienstbetrekking wordt verricht, zoals met
resultaat uit overige werkzaamheden en winst.
Verdere afstemming met het
socialeverzekeringsloon en het fiscale loon biedt bovendien een
duidelijker kader voor de uitleg van de inkomensbegrippen. Bij
rechtsvragen over de reikwijdte van de inkomensbegrippen kan worden aangesloten bij
de jurisprudentie met betrekking tot deze inkomensbegrippen.
4. Twee begrippen inkomen
uit arbeid
Kort samengevat komt de
regeling in het onderhavige besluit erop neer dat voor de Wet
WIA
twee begrippen "inkomen uit
arbeid" worden gehanteerd. Het eerste
begrip wordt gebruikt bij de berekening van de hoogte van de uitkeringen,
bedoeld in de artikelen 52, eerste lid, en 61,
eerste lid, van de Wet WIA.
Dit begrip omvat naast het socialeverzekeringsloon en het loon
uit dienstbetrekking (met uitzondering van het loon uit vroegere
dienstbetrekking) en de winst uit bedrijf of zelfstandig beroep het loon
dat de betrokkene ontving voordat hij recht had op een
loondervingsuitkering of voordat hij betaald of onbetaald verlof opnam. Het tweede
begrip wordt gebruikt bij de vraag of de betrokkene voldoet aan de
inkomenseis, bedoeld in artikel 60, tweede lid,
van de Wet WIA. Dit begrip
wijkt in die zin van het vorige begrip af dat het loon dat de betrokkene
ontving voordat hij recht had op een uitkering vanwege werkloosheid of
voordat hij verlof opnam, niet wordt gerekend tot inkomen uit arbeid,
behalve als de werkloosheidsuitkering wordt ontvangen vanwege
vorstwerkloosheid of een vergunning voor werktijdverkorting dan wel het verlof wordt
opgenomen op basis van de Wet arbeid en zorg.
5. Inkomen uit arbeid voor
de berekening van de hoogte van de uitkeringen (artikel 4)
Voor de vaststelling van het
inkomen uit arbeid voor de artikelen 52, vierde lid, en
61, negende lid [achtste lid, red.], van de Wet
WIA blijft een loondervingsuitkering
buiten beschouwing. In de toelichting op artikel 1 wordt uiteengezet wat in dit
verband onder een loondervingsuitkering wordt verstaan. In plaats
van de loondervingsuitkering wordt het loon dat de betrokkene ontving vóór
het recht op uitkering tot het inkomen uit arbeid gerekend.
De reden daarvoor wordt met
een voorbeeld geïllustreerd.
Neem iemand met een
loongerelateerde WGA-uitkering die daarnaast een dienstbetrekking heeft.
Als hij ziek wordt, maakt hij aanspraak op een uitkering op grond van de
Ziektewet (ZW), ófwel omdat hij verzekerd is ingevolge artikel 4 of
5 van
de ZW ("vangnet"), ófwel vanwege
artikel
29b van de ZW (no-riskpolis).
In beide gevallen kan de ZW-uitkering 70% van het dagloon bedragen. Als de
ZW-uitkering in plaats van het onderliggende loon wordt aangemerkt als
inkomen uit arbeid, zou de betrokkene in feite een hogere uitkering dan 70% van zijn laatstverdiende loon
ontvangen. Zie het volgende
cijfervoorbeeld.
Stel dat het WGA-dagloon van
een gedeeltelijk arbeidsgeschikte €|100,- is. Neem voorts aan dat hij
daarnaast een dienstbetrekking heeft waarin hij €|40,- per dag aan loon
verdient. Zijn loongerelateerde WGA-uitkering bedraagt derhalve 0,7 * (€|100,- – €|40,-) = €|42,- per dag. Vervolgens wordt de betrokkene ziek. Omdat
zijn dagloon €|40,- is, ontvangt hij - vanwege de
no-riskpolis of artikel
4/5
ZW - een ZW-uitkering van €|28,- per dag (= 0,7 * €|40,-). Omdat dit
ziekengeld niet als inkomen uit arbeid wordt aangemerkt, zou daarnaast
zijn loongerelateerde WGA-uitkering moeten worden verhoogd. Om dit te
voorkomen, zal nog steeds een bedrag van €|40,- per dag als inkomen
moeten worden aangemerkt voor de berekening van de WGA-uitkering. Dit doel kan niet worden bereikt door het
ziekengeld aan te merken als "inkomen uit
arbeid". Als "slechts" het
ziekengeld als inkomen uit
arbeid wordt aangemerkt, zou zijn loongerelateerde
WGA-uitkering immers toch moeten worden verhoogd, namelijk van €|42,- naar 0,7
* (€|100,- – €|28,-) = €|50,40 per dag. Tijdens zijn ziekteperiode zou hij
derhalve in plaats van €|40,- per dag aan
loon, vanwege zijn ziekte niet
alleen €|28,- per dag aan ziekengeld ontvangen, maar ook een WGA-uitkering
die €|8,40 (= €|50,40 – €|42,-) per dag hoger is dan voordat hij ziek
werd. Anders gezegd, zijn loonverlies zou voor 91%, (€|28,- + €|8,40) / €|40,-, worden gedekt, terwijl het de bedoeling van de ZW
- evenals van andere
wettelijke loondervingsverzekeringen - is dat 70% van het loonverlies wordt
gecompenseerd. Daarom wordt van degene met recht op ziekengeld het onderliggende loon als inkomen uit arbeid
aangemerkt. Dat brengt in
het voorgaande voorbeeld mee dat de betrokkene €|28,- per dag
aan ziekengeld ontvangt en dat zijn WGA-uitkering ongewijzigd
blijft tijdens de ziekteperiode.
Het bovenstaande geldt
mutatis mutandis ingeval een gedeeltelijk arbeidsgeschikte een werkloosheidsuitkering, een uitkering of verminderde
loondoorbetaling in verband
met verlof of verminderde loondoorbetaling in verband met ziekte
ontvangt naast zijn WGA-uitkering.
Dit brengt wel het volgende
mee. Doordat het onderliggende loon wordt aangemerkt als "inkomen uit
arbeid", moet niet tevens het eventuele loon dat de
betrokkene verdient in de dienstbetrekking waarin hij ziek is geworden of
waaruit hij (gedeeltelijk) werkloos is geworden, worden aangemerkt als "inkomen uit
arbeid". Anders zou een dubbeltelling van loon plaatsvinden. Stel
bijvoorbeeld dat de betrokkene in het vorige voorbeeld een
arbeidsurenverlies van 50% lijdt in zijn dienstbetrekking naast zijn
WGA-uitkering.
Hij heeft dan niet alleen aanspraak op een WW-uitkering van €|14,-
per dag (= 0,5 * 0,7 * €|40,-), maar ook aanspraak op loon van €|20,-
per dag. Als dit loon nu, evenals het onderliggende loon van €|40,- per dag, zou worden aangemerkt als
"inkomen uit
arbeid", zou
zijn totale inkomen uit arbeid €|60,- (€|40,- + €|20,-) in plaats van €|40,- per dag
zijn. Dat is uiteraard niet de bedoeling, want dat zou betekenen dat zijn
loongerelateerde WGA-uitkering afneemt van €|42,- naar €|28,- per dag, 0,7 * (€|100,- – €|60,-), vanwege de gedeeltelijke werkloosheid uit de
dienstbetrekking. Hetzelfde mag ook niet gebeuren als de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte die ziek wordt daarnaast arbeid blijft verrichten bij zijn
werkgever.
6. Inkomen uit arbeid voor
de inkomenseis (artikel 5)
Het voorgaande geldt in
beginsel niet voor de bepaling van het inkomen uit arbeid voor artikel
60,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA. In dat geval wordt het
loon dat de betrokkene verdiende vóór het recht op
loondervingsuitkering dan wel voordat hij verlof opnam, in beginsel niet als inkomen
uit arbeid beschouwd. Het kan immers niet zo zijn dat de gedeeltelijk
arbeidsongeschikte zijn loonaanvulling behoudt als hij werkloos wordt of verlof
opneemt. Op dit beginsel wordt een uitzondering gemaakt voor de situaties
dat de betrokkene een loondervingsuitkering vanwege ziekte,
vorstwerkloosheid of werktijdverkorting ontvangt dan wel verlof
opneemt op grond van de Wet arbeid en zorg.
Dit heeft de volgende
reden.
Als het onderliggende loon niet zou worden aangemerkt als
inkomen, zou een gedeeltelijk arbeidsgeschikte zijn recht op loonaanvulling
verliezen op het moment dat hij ziek wordt. Hij verwerft dan immers geen
of minder loon, waardoor hij niet meer aan de inkomenseis voldoet. Ook
dit kan met het voorgaande voorbeeld worden toegelicht. Stel dat
de betrokkene een resterende verdiencapaciteit van €|40,- per dag heeft. Na
de loongerelateerde uitkering komt hij in aanmerking voor een
loonaanvulling, omdat zijn inkomen van €|40,- hoger is dan de helft van
zijn resterende verdiencapaciteit. Deze loonaanvulling bedraagt €|42,- per dag (0,7 * (€|100,- – €|40,-)). Als hij nu ziek wordt, ontvangt hij
- vanwege de no-riskpolis of artikel 4/5
ZW - een ZW-uitkering van €|28,- per
dag (= 0,7 * €|40,-). Als het onderliggende loon niet zou worden aangemerkt
als inkomen uit arbeid, zou hij zijn recht op loonaanvulling verliezen,
omdat hij niet langer voldoet aan de inkomenseis. Daarom wordt
het loon dat de betrokkene zou hebben verdiend als hij niet ziek
was geweest, aangemerkt als inkomen uit arbeid.
Bovenstaande redenering
geldt ook ingeval een gedeeltelijk arbeidsgeschikte loondoorbetaling of een
andere uitkering wegens ziekte ontvangt naast zijn
WGA-uitkering dan wel verlof opneemt op basis van de Wet arbeid en
zorg.
7. Adviezen
Het wetstechnisch commentaar
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV) heeft tot een aantal wijzigingen van het besluit geleid. Het loon op
grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen is
toegevoegd in artikel 2 van het onderhavige besluit. Hierdoor kan het
UWV het inkomen uit arbeid voor werknemers in de zin van de
werknemersverzekeringen in veel gevallen vaststellen op basis van de gegevens in de
polisadministratie, zonder dat hierop een correctie hoeft plaats te
vinden. Daarnaast is er nu voor gekozen om in alle gevallen van betaald of
onbetaald verlof het loon dat de betrokkene ontving vóór dat verlof aan
te merken als inkomen uit arbeid, althans bij de berekening van de hoogte
van de IVA-uitkering, de loongerelateerde WGA-uitkering en de
loonaanvulling. Bij de vraag of iemand genoeg verdient om in aanmerking te
komen voor de loonaanvulling gebeurt dit laatste alleen als de
betrokkene verlof opneemt op grond van de Wet arbeid en
zorg.
De Inspectie werk en inkomen
(IWI) heeft verschillende opmerkingen van redactionele, technische
en inhoudelijke aard gemaakt.
Alle opmerkingen van de IWI
hebben tot wijziging van het besluit geleid, waardoor het
leesbaarder, transparanter, preciezer en vollediger is geworden.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Voor de
artikelen 52, vierde
lid, en 61, negende lid [achtste lid, red.], van de Wet
WIA
wordt onder meer het loon
dat ten grondslag ligt aan een loondervingsuitkering vanwege ziekte, werkloosheid
of vervroegde uittreding niet als inkomen uit arbeid
aangemerkt. Onder een loondervingsuitkering wordt in dit verband verstaan:
1. Uitkeringen of
verminderde loondoorbetaling vanwege ziekte.
Hiertoe behoren:
• Een uitkering op grond
van de Ziektewet (ZW).
• Loondoorbetaling en
bezoldiging vanwege ziekte (artikel 7:629 BW [Burgerlijk
Wetboek, red.]
respectievelijk artikel 76a
van de ZW).
• Een uitkering bij ziekte
op grond van een regeling die geldt voor personen die op grond van
artikel 6, onderdeel a en b, van de ZW niet voor
die wet zijn verzekerd.
Dit betreft niet ZW-verzekerd overheidspersoneel, militairen en vrijwilligers
bij een gemeentelijke brandweer.
• Loondoorbetaling of een
uitkering vanwege ziekte ingevolge de socialezekerheidswetgeving
van een ander land.
2. Uitkeringen vanwege
werkloosheid. Hiertoe behoren:
• Een uitkering ingevolge
de Werkloosheidswet (WW).
• Een uitkering bij
werkloosheid op grond van een regeling die geldt voor personen die op grond
van artikel 6, eerste lid, onderdeel a en b, van de
WW
niet voor die wet
zijn verzekerd. Dit betreft niet WW-verzekerd overheidspersoneel,
militairen en vrijwilligers bij een gemeentelijke brandweer.
• Uitkeringen vanwege
vervroegde uittreding of pensioen.
• Een uitkering bij
werkloosheid ingevolge de socialezekerheidswetgeving van een ander land.
• Een uitkering bij
werkloosheid op grond van de artikelen 6, 51 of 131 van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers.
Artikelen 2 en
3
In artikel 2 van het
onderhavige inkomensbesluit is de hoofdregel voor de bepaling van het inkomen
uit arbeid opgenomen. Artikel 3 regelt de algemene afwijkingen van
artikel 2.
Het eerste lid, onderdeel
a,
van artikel 2 regelt dat voor werknemers in de zin van de
Wet
financiering sociale verzekeringen het inkomen uit arbeid gelijk is aan het
socialeverzekeringsloon (het loon als bedoeld in artikel 16 van de
Wet
financiering sociale verzekeringen). Het eerste lid, onderdeel b, van
artikel 2
regelt dat voor de overige werknemers het inkomen uit arbeid gelijk is
aan het fiscale loon (het loon als bedoeld in de Wet
op de loonbelasting 1964). In het eerste lid, onderdeel c en d, wordt vervolgens geregeld dat het
inkomen uit arbeid van degenen die geen arbeid verrichten als
werknemer gelijk is aan het belastbare loon uit tegenwoordige arbeid, het
belastbare resultaat uit overige werkzaamheden of de belastbare winst uit
onderneming. Het tweede lid van artikel 2 regelt dat indien de
berekende winst of het berekende resultaat negatief is, deze bedragen niet
worden meegenomen bij de bepaling van het inkomen. Het is immers niet de bedoeling dat er in dat geval een toeslag
op de uitkering wordt
verstrekt.
Artikel 3, eerste lid,
regelt dat loon uit vroegere dienstbetrekking wordt uitgezonderd van het
socialeverzekeringsloon en het fiscale loon. Artikel 3, tweede lid, zondert
eindheffingsbestanddelen en de vergoeding van de inhoudingsplichtige voor de
inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet uit
van het fiscale loon. De tegemoetkoming van de inkomensafhankelijke
bijdrage voor de Zorgverzekeringswet wordt uitgezonderd om te voorkomen
dat personen beneden het sociaal minimum uitkomen. De
collectieve eindheffingsbestanddelen worden uitgezonderd omdat het niet
de bedoeling is dat een werkgever of een uitvoeringsorgaan deze
inkomensbestanddelen tot het individuele werknemersniveau zou moeten
herleiden. De ratio van eindheffingsbestanddelen is immers juist om de administratieve lasten van
werkgevers te beperken door
werkgevers voor bepaalde inkomensbestanddelen niet te verplichten deze op
individueel werknemersniveau te administreren.
Voor de hoofdregel van het
inkomen uit arbeid kan in het merendeel van de gevallen worden
uitgegaan van het socialeverzekeringsloon als bedoeld in artikel
2, eerste
lid, onderdeel a. Dit gegeven is beschikbaar in de polisadministratie en kan
veelal gebruikt worden zonder dat daar een correctie op nodig is. Er is
wel een correctie nodig als sprake is van een loondervingsuitkering.
Indien geen sprake is van
een werknemer in de zin van de Wet financiering sociale
verzekeringen, maar wel van een werknemer in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964, kan ook gebruik worden gemaakt van de gegevens in de
polisadministratie. Voor het inkomen uit arbeid kan dan gebruik worden gemaakt
van het fiscale loon uit de witte tabel. Dit loon zal veelal moeten
worden gecorrigeerd voor de vergoeding van de inhoudingsplichtige voor de
inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet. Het inkomen uit arbeid zal in de praktijk met name
op basis van het fiscale
loon uit witte tabel worden vastgesteld als sprake is van directeuren-grootaandeelhouders of meewerkende kinderen.
Het inkomen van
zelfstandigen, resultaatsgenieters of van werknemers die in het buitenland
werkzaam zijn, is niet beschikbaar in de polisadministratie en zal bij de werknemers
zelf uitgevraagd moeten worden.
Artikelen 4 en
5
In de
artikelen 2 en 3
worden de inkomensbestanddelen genoemd die straks voor alle sociale
verzekeringen worden aangemerkt als "inkomen
uit arbeid". In artikel 4
worden de inkomensbestanddelen genoemd die specifiek voor de hoogte van
de WIA-uitkering als "inkomen uit
arbeid" worden aangemerkt en in
artikel 5 worden de inkomensbestanddelen genoemd die specifiek voor
de inkomenseis voor het recht op loonaanvulling als "inkomen
uit arbeid" worden aangemerkt.
De artikelen 4, eerste lid,
en 5 worden in paragraaf 5 en 6 van de algemene toelichting toegelicht.
Ter toelichting op het
tweede lid van artikel 4 wordt nog het volgende opgemerkt. Bij ziekte kunnen
zich verschillende situaties van samenloop voordoen tussen
loondoorbetaling, ziekengeld en WIA-uitkering. De
hoofdregel is dat
loondoorbetaling en ziekengeld prevaleren boven (een verhoging van) de
WIA-uitkering. Daarom wordt, zoals in het algemene deel is toegelicht, het loon
dat de betrokkene ontving voordat hij ziek werd als inkomen uit arbeid voor
de Wet WIA beschouwd. Voornoemde hoofdregel kan met het volgende voorbeeld worden toegelicht. Een werknemer die
ziek wordt, heeft eerst 104
weken aanspraak op loondoorbetaling van zijn werkgever. In dit geval is
nog geen sprake van samenloop tussen loondoorbetaling en WIA-uitkering. Na die 104 weken eindigt de loondoorbetalingsplicht wegens ziekte en
in plaats
daarvan heeft de betreffende werknemer aanspraak op een WIA-uitkering. Als de betrokkene daarnaast gaat of blijft werken, wordt
70% van de inkomsten uit die dienstbetrekking verrekend met de WIA-uitkering zoals die zou bedragen bij
niet werken, te
weten 70% van het dagloon.
In dit geval is wel sprake van samenloop tussen loondoorbetaling en
WIA-uitkering, maar niet wegens ziekte.
Dat laatste doet zich wel
voor als de betreffende werknemer ziek wordt. Diens werkgever dient dan in
beginsel 70% van het loon door te betalen. Daarnaast kan de werknemer
ingevolge artikel 29b van de ZW aanspraak hebben op
ziekengeld. In dat geval kan de werkgever ingevolge artikel 7:629, vijfde
lid, BW het loon verminderen met dit ziekengeld. De ziekmelding heeft geen
invloed op de hoogte van de WIA-uitkering die de
betrokkene ontvangt. Deze
blijft door toepassing van artikel 4, eerste lid, van dit besluit ongewijzigd.
Met andere woorden, loondoorbetaling en ziekengeld prevaleren boven
een verhoging van de WIA-uitkering.
Op deze hoofdregel wordt
door artikel 4, tweede lid, van dit besluit een uitzondering gemaakt.
Ingevolge artikel 23, zesde lid, Wet
WIA
geldt een verkorte wachttijd als
duidelijk is dat de zieke werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
is. In dat geval kan de wachttijd voor de IVA-uitkering worden verkort
naar ten minste dertien weken. Dit betekent dat de zieke werknemer reeds na
die verkorte wachttijd aanspraak heeft op een IVA-uitkering. Daarnaast
heeft de werknemer, zolang nog geen 104 weken zijn verstreken, ook aanspraak op loondoorbetaling. Ingevolge
voornoemde hoofdregel zou
deze prevaleren, waardoor de hoogte van de IVA-uitkering nul zou
bedragen. Dit is uiteraard niet de bedoeling. Daarom wordt voor deze situatie een
uitzondering gemaakt in die zin dat in dit geval de IVA-uitkering
prevaleert boven de loondoorbetaling. Ingevolge artikel 7:629, vijfde lid,
BW
kan de werkgever het loon verminderen met deze WIA-uitkering.
Artikel 6
Dit artikel regelt hoe het
inkomen bepaald dient te worden. De eerste vier leden van het artikel
zijn zodanig geformuleerd dat het UWV de uitvoeringsprocessen zoveel
mogelijk op de beschikbare gegevens in de polisadministratie kan
inrichten, zonder dat het per se nodig is de uitkering elke maand te
herzien bij schommelingen in de inkomens.
Op grond van het eerste lid
is het inkomen uit arbeid gelijk aan het tot een bedrag per kalendermaand
herleide inkomen. Voor de toepassing van het eerste lid wordt op
grond van het tweede lid, voor zover het inkomen bestaat uit loon als bedoeld
in artikel 2, onderdeel a en b, het loon door de werknemer geacht te
zijn
genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de
inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Als een
uitkeringsgerechtigde bijvoorbeeld elke week inkomen ontvangt, wordt het genoten
inkomen
per vier weken door de werkgever of de inhoudingsplichtige
aangegeven. Het inkomen dat volgens de opgave van de werkgever is genoten in
die vier weken wordt op grond van het eerste lid herleid tot een bedrag per
kalendermaand. Als een uitkeringsgerechtigde slechts over twee dagen in
een kalendermaand inkomen geniet, wordt dat inkomen beschouwd als het
door hem in die kalendermaand genoten inkomen.
Het derde lid regelt dat bij
de toepassing van het eerste lid op basis van een geschat inkomen een gemiddeld genoten inkomen per kalendermaand
kan worden bepaald. Wel is
de voorwaarde opgenomen dat per periode van ten hoogste
twaalf maanden een herberekening plaatsvindt. Het derde lid beoogt het UWV
te faciliteren bij het gebruik van de gegevens in de
polisadministratie door zo nodig inkomensgegevens te schatten op basis van reeds
bekende kalendermaanden. Ook wordt het hierdoor mogelijk om
schommelingen in het inkomen dat in mindering moet worden gebracht op de
uitkering te voorkomen. Met deze formulering wordt eveneens geregeld dat
het inkomen van winstgenieters (winst wordt immers op
jaarbasis bepaald) kan worden herleid tot een geschat inkomen per
kalendermaand. Het vierde lid maakt het mogelijk om het inkomen per
kalendermaand te vermeerderen met opgebouwde rechten op vakantiebijslag
en een dertiende maand, zodat niet de feitelijke betaling van de
vakantiebijslag of dertiende maand in mindering hoeft te worden gebracht op de
uitkering. Hierdoor kan het UWV aansluiten bij de gehanteerde systematiek in
het Besluit dagloonregels
werknemersverzekeringen. Deze bepaling heeft geen
verplichtend karakter, omdat het moeilijk op voorhand is in
te schatten welke systematiek in de praktijk beter uitpakt, nu er nog
geen ervaring is opgedaan met de polisadministratie.
Het vijfde lid regelt dat
als een loondervingsuitkering wordt geweigerd in verband met enig handelen
of nalaten van betrokkene, deze in aanmerking wordt genomen als
ware deze genoten. Op deze manier wordt voorkomen dat een
maatregel leidt tot een hogere uitkering, omdat anders het daarmee beoogde
effect verloren zou gaan.
Het zesde lid van artikel 6
bepaalt dat indien een loondervingsuitkering niet tot uitbetaling komt
omdat deze niet is aangevraagd, deze voor de toepassing van dit besluit
in aanmerking wordt genomen als ware deze genoten. Indien het UWV
constateert dat hier sprake van is, krijgt het UWV door deze bepaling de
mogelijkheid om misbruik tegen te gaan. Met deze bepaling wordt overigens
geen actieve controleplicht beoogd op het eventuele onbenutte recht op
een loondervingsuitkering. De benodigde inspanning ten behoeve van
de uitvoering van een dergelijke verplichting zou immers in geen
verhouding staan tot het te bereiken doel.
Artikel 7
Indien het inkomen moet
worden omgerekend in euro’s, gebeurt dit met behulp van de door de
Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen. Om uitvoeringstechnische
redenen is bepaald dat bij gelijkblijvend inkomen uit het buitenland,
het inkomen niet bij elke koersmutatie hoeft te worden gewijzigd. Wel wordt het inkomen ten minste
één
keer per jaar omgerekend met
behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde
wisselkoersen.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus
|
|