|
MEMORIE
VAN TOELICHTING
Relevante
overige regelgeving:
- Besluit
extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid
- Wet
van 29 december 2008, Stb. 2009, 63
Inhoudsopgave
Wsg
| Hoofdstuk
1 |
Wijziging
van verschillende wetten |
artt.
I - XIII |
| Hoofdstuk
2 |
Overgangs-
en slotbepalingen |
artt.
XIV - XIX |
| xxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxx|xxxx| |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1997-1998, 1998-1999,
26 063.
Handelingen II 1998-1999, blz. 3971-3991, 4055-4076, 4079-4084,
4296-4298, 4307-4309.
Kamerstukken I 1998-1999, 26 063 (236, 236a); 1999-2000, 26 063 (42,
42a, 42b, 42c).
Handelingen I 1999-2000, zie vergadering d.d. 21 december 1999.
Geschiedenis:
Staatsblad
1999, 595; Staatsblad 2009, 108.
WET
van 22 december 1999, Stb. 1999, 595, tot wijziging van de
Ziektewet en enkele andere wetten in verband met het uitsluiten van het
recht op een socialeverzekeringsuitkering bij vrijheidsontneming en het
openstellen van socialezekerheidsregelingen in die gevallen waarin de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
buiten een justitiële inrichting plaatsvindt (Wet
socialezekerheidsrechten gedetineerden). Inwerkingtreding: 1 mei
2000 (Stb. 2000, 54).
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die
deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is personen die rechtens hun vrijheid is ontnomen uit te
sluiten van het recht op een uitkering op grond van een aantal socialezekerheidswetten, aangezien zij reeds door de Staat worden
voorzien in de kosten van levensonderhoud, en de mogelijkheid te openen
het recht op een uitkering op grond van een aantal
socialezekerheidswetten toe te kennen aan personen die rechtens hun
vrijheid is ontnomen in die gevallen waarin zij hun hoofdverblijf niet
hebben binnen een justitiële inrichting;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord,
en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
1
Wijziging
van verschillende wetten
Art. I. Ziektewet
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
De
Ziektewet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT
+ bis]
In artikel 1, eerste lid, wordt de punt aan het einde van onderdeel h vervangen door een
puntkomma en worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
i. rechtens zijn vrijheid
is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen,
bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
j. justitiële
inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
B. [MvT
+ bis]
Voor hoofdstuk 1 van de tweede afdeling wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 19b.
-1. Geen recht op
ziekengeld heeft de verzekerde gedurende de periode dat hem rechtens zijn
vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Indien de eerste dag
van de ongeschiktheid tot het
verrichten van zijn arbeid is gelegen in een periode dat de verzekerde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, ontstaat geen recht op ziekengeld.
-2. Indien het recht op
ziekengeld op grond van het eerste lid is geëindigd dan wel niet
is ontstaan, wordt betrokkene vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld
weer als verzekerde aangemerkt indien hij op die dag aan de overige
voorwaarden, bedoeld in artikel 19, voldoet. Deze verzekerde heeft
aanspraak op heropening dan wel toekenning van het recht op ziekengeld voor
de resterende periode, bedoeld in artikel 29, vijfde lid,
artikel 29a,
eerste lid, dan wel artikel 29a, zevende lid, met inachtneming van de bepalingen van deze wet.
Artikel 44, eerste lid,
onderdeel a, is niet van
toepassing.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Het eerste lid is niet
van toepassing en het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën
personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
C. [MvT
+ bis]
Artikel 42 vervalt.
Art.
II. Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, eerste lid,
wordt de punt aan het einde van onderdeel j vervangen door een puntkomma en worden twee onderdelen toegevoegd,
luidende:
k. rechtens zijn vrijheid
is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen,
bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek van
Strafrecht;
l. justitiële
inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
B. [MvT]
In artikel 19, zesde lid,
wordt voor "29, 30,
31, 42, 44 en
45 van de Ziektewet" ingevoegd:
19b,.
C. [MvT]
Na artikel 19 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 19a.
-1. De verzekerde, bedoeld
in artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de dag waarop het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou ingaan, is gelegen in een periode dat hem rechtens zijn
vrijheid is ontnomen.
-2. De persoon die op
grond van het eerste lid geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft alsmede de persoon die op
grond van artikel 19b van
de Ziektewet geen recht heeft op ziekengeld, wordt vanaf de dag dat
hij in vrijheid wordt gesteld weer als verzekerde aangemerkt en heeft met
inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. De
artikelen 18, tweede tot en met vierde lid, en
30, eerste lid, onderdeel a, zijn niet
van toepassing.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. De persoon, bedoeld in
het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval
is binnen vier weken na
die dag, wordt vanaf de dag dat hij in vrijheid is gesteld weer als
verzekerde aangemerkt en heeft met inachtneming van de bepalingen van deze
wet recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 19, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel
30,
eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing.
-5. Het eerste lid is niet
van toepassing en het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
D. [MvT]
Aan artikel 43 worden
twee leden toegevoegd, luidende:
-5. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien degene die recht heeft
op
arbeidsongeschiktheidsuitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-6. Voor de toepassing van
het vijfde lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
E.
Aan artikel 43a wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-5. Artikel 19a en de
daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
F.
Artikel 47 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In het eerste, tweede,
derde en vierde lid wordt de zinsnede "artikel 43" telkens vervangen
door: artikel 43, eerste lid,.
2. In het zesde lid wordt
de zinsnede "19, vierde lid," vervangen door:
19, vierde lid,
19a en de
daarop berustende bepalingen,.
G. [MvT]
Voor artikel 48 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 47b.
-1. De persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
43, vijfde lid, is ingetrokken, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid
wordt gesteld met
inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is.
-2. Aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de persoon, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat lid
bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier
weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 19,
vierde lid, 35, en 47, zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in dit artikel.
-4. Het eerste en tweede
lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt.
Art.
III.
Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999; Stb.
1999, 595]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, eerste lid,
wordt de punt aan het einde van onderdeel m vervangen door een
puntkomma en worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
n. rechtens zijn vrijheid
is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de
Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek
van Strafrecht;
o. justitiële
inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
B. [MvT]
Artikel 3, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel c wordt vervangen
door:
c. die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel die
door de toepassing van artikel
7a, eerste lid, of 7b,
eerste lid, geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering doch met
toepassing van
artikel
7a, tweede of derde lid, of 7b,
tweede of vierde lid, in aanmerking komt voor toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
2. Onderdeel d wordt vervangen
door:
d. wiens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op
grond van artikel
19, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, of 19a
doch met toepassing van
artikel 20, 21,
21a of 21b
in aanmerking komt voor toekenning of heropening van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
3. Onderdeel f wordt vervangen
door:
f. die recht heeft op een uitkering in verband met bevalling op
grond van deze wet dan wel die door de toepassing van artikel 22,
zesde lid, of
22a geen recht heeft op uitkering
in verband met bevalling doch met toepassing van dat artikel, door
overeenkomstige toepassing van artikel
7a, tweede of derde lid, 7b,
tweede of vierde lid,
21a of 21b,
in aanmerking komt voor toekenning of heropening van die uitkering;.
C. [MvT]
Voor artikel 8 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 7b. Geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens
vrijheidsontneming
-1. De verzekerde, bedoeld
in artikel 7, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou ingaan, is gelegen in een periode dat hem rechtens zijn
vrijheid is ontnomen.
-2. De verzekerde die op
grond van het eerste lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld
met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 7, zevende
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. De verzekerde, bedoeld
in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel
het geval is binnen vier
weken na die dag, heeft met inachtneming van de bepalingen van deze wet
recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-5. Het eerste lid is niet
van toepassing en het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
D. [MvT]
Aan artikel 19 worden
twee leden toegevoegd, luidende:
-4. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt, indien de verzekerde rechtens zijn
vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één
maand heeft geduurd.
-5. Voor de toepassing van
het vierde lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
E.
Aan artikel 20 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-5. Artikel 7b en de
daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
F.
Aan artikel 21 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-7. Artikel 7b en de
daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
G. [MvT]
Aan het einde van hoofdstuk 3, afdeling 1, paragraaf
1, wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Art. 21b. Heropening
van de uitkering na afloop vrijheidsontneming
-1. De verzekerde wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel
19, vierde
lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld
met inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is. Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, die op de in dat
lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit
wel het geval is binnen
vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 7,
zevende lid, 36 en 37, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in dit artikel.
-4. Het eerste en tweede
lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt.
H. [MvT]
Aan artikel 22 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-6. De artikelen 7b, 19,
vierde en vijfde lid, en 21b zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot het recht op uitkering in verband met bevalling.
Art.
IV. Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
De Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, eerste lid,
wordt de punt aan het einde van onderdeel h vervangen door een puntkomma en worden twee onderdelen toegevoegd,
luidende:
i. rechtens zijn vrijheid
is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen,
bedoeld in de Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek
van Strafrecht;
j. justitiële
inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
B. [MvT]
Voor artikel 7 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 6b. Geen recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering tijdens
vrijheidsontneming
-1. De jonggehandicapte,
bedoeld in artikel 6, heeft geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
indien de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou ingaan, is gelegen in een periode dat hem rechtens zijn
vrijheid is ontnomen.
-2. De jonggehandicapte
die op grond van het eerste lid geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld
met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag arbeidsongeschikt
is. Artikel 6, vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Met inachtneming van
de bepalingen van deze wet heeft eveneens recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering de jonggehandicapte, bedoeld
in het tweede lid, die op de in dat lid bedoelde dag niet arbeidsongeschikt
is, doch ten aanzien van
wie dit wel het geval is binnen vier weken na die dag. Artikel
6, vijfde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
-5. Het eerste lid is niet
van toepassing en het tweede lid en vierde lid zijn van overeenkomstige
toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van
een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële
inrichting plaatsvindt.
C. [MvT]
Aan artikel 17 worden
twee leden toegevoegd, luidende:
-5. Het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt, indien de jonggehandicapte rechtens
zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming
één maand heeft geduurd.
-6. Voor de toepassing van
het vierde lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld indien zij
elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
D. [MvT]
Aan artikel 19 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-4. Artikel 6b en de
daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
E.
Aan artikel 20 wordt een
lid toegevoegd, luidende:
-7. Artikel 6b en de
daarop berustende bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
F.
Na artikel 20 wordt een
artikel ingevoegd, luidende:
Art. 20a. Heropening
van de uitkering na afloop vrijheidsontneming
-1. De jonggehandicapte
wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met artikel
17,
vijfde lid, is geëindigd, heeft vanaf de dag dat hij in vrijheid wordt gesteld
met inachtneming van de bepalingen van deze wet recht op heropening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien hij op die dag
arbeidsongeschikt is. Artikel 6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
-2. Aanspraak op
heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft eveneens de jonggehandicapte, bedoeld in het eerste lid, die op de
in dat lid bedoelde dag
niet arbeidsongeschikt is, doch ten aanzien van wie dit wel het geval is
binnen vier weken na afloop van dat tijdvak.
-3. De artikelen 6, vijfde
lid, 29 en 30, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking
tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in dit artikel.
-4. Het eerste en tweede
lid zijn van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van
bestuur aan te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende
maatregel buiten een
justitiële inrichting plaatsvindt.
Art. V. Werkloosheidswet
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Aan artikel 19 van de Werkloosheidswet wordt een lid toegevoegd, luidende:
-8. Het eerste lid,
onderdeel h, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
plaatsvindt buiten een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden
of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
Art.
VI. Toeslagenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Aan artikel 2 van de Toeslagenwet wordt een lid toegevoegd, luidende:
-5. Zolang een gehuwde of
ongehuwde geen recht heeft op een loondervingsuitkering omdat hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
heeft hij geen recht op
toeslag.
Art.
VII.
Algemene nabestaandenwet [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
De Algemene nabestaandenwet wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
In artikel 1, eerste lid,
wordt de punt aan het einde van onderdeel l vervangen door een puntkomma en worden twee onderdelen
toegevoegd, luidende:
m. rechtens zijn vrijheid
is ontnomen: rechtens zijn vrijheid is ontnomen, behoudens de gevallen, bedoeld in de
Wet
bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen en in artikel 37, eerste lid, van het
Wetboek
van Strafrecht;
n. justitiële
inrichting: een penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van
terbeschikkinggestelden of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
B. [MvT]
Voor hoofdstuk 3, afdeling II, wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 10. Geen recht op
nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering en wezenuitkering tijdens
vrijheidsontneming
Art. 32c.
[MvT]
-1. Geen recht op
nabestaandenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem op de dag van
het overlijden van de verzekerde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Geen recht op halfwezenuitkering ontstaat voor de nabestaande indien hem of
de halfwees op de dag van het overlijden van de verzekerde rechtens
zijn vrijheid is ontnomen. Geen recht op wezenuitkering ontstaat voor het kind
indien het op de dag van het overlijden van de verzekerde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-2. Voor de persoon,
bedoeld in het eerste lid, ontstaat, onverminderd artikel
15, 23 of 27,
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering vanaf de
dag dat:
a. de nabestaande in
vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a,
tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;
b. de nabestaande en de
halfwees in vrijheid worden gesteld en de nabestaande voldoet aan
de voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste en tweede lid;
c. het kind in vrijheid
wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
26, eerste en tweede lid.
-3. Het eerste lid is niet
van toepassing en het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën
personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of
vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
Art. 32d.
[MvT]
-1. Het recht op
nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Het recht op halfwezenuitkering
eindigt, indien de
nabestaande of de halfwees rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag
dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd. Het recht op
wezenuitkering eindigt, indien het kind rechtens zijn vrijheid is ontnomen,
vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.
-2. Voor de persoon,
bedoeld in het eerste lid, herleeft, onverminderd artikel
15, 23 of 27, het
recht op nabestaandenuitkering, halfwezenuitkering of wezenuitkering op de
dag dat:
a. de nabestaande in
vrijheid wordt gesteld en hij voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in
artikel 14, eerste lid, of de voorwaarden, bedoeld in artikel 66a,
tweede lid, en onverminderd artikel 14, derde lid;
b. de nabestaande en de
halfwees in vrijheid worden gesteld en de nabestaande voldoet aan
de voorwaarden, bedoeld in artikel 22, eerste en tweede lid;
c. het kind in vrijheid
wordt gesteld en het voldoet aan een voorwaarde als bedoeld in artikel
26, eerste en tweede lid.
-3. Voor de toepassing van
het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld
indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
-4. Artikel 32c, derde
lid, is van overeenkomstige toepassing.
Art.
VIII.
Algemene bijstandswet [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Aan artikel 9 van de
Algemene bijstandswet wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het eerste lid,
onderdeel a, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
plaatsvindt buiten een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden
of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
Art.
IX. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Aan artikel 6 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Het eerste lid,
onderdeel c, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
plaatsvindt buiten een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden
of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
Art.
X. Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Aan artikel 6 van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen wordt een lid toegevoegd, luidende:
-6. Het derde lid,
onderdeel d, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
plaatsvindt buiten een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden
of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
Art.
XI. Wet
inkomensvoorziening kunstenaars [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Aan artikel 5 van de Wet
inkomensvoorziening kunstenaars wordt een lid toegevoegd, luidende:
-3. Het eerste lid,
onderdeel d, is niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen categorieën personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
plaatsvindt buiten een
penitentiaire inrichting, een inrichting voor verpleging van terbeschikkinggestelden
of een inrichting voor justitiële jeugdbescherming zijnde
een landelijke voorziening als bedoeld in artikel 65 van de Wet op de
jeugdhulpverlening.
Art.
XII.
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Artikel 95 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 wordt als volgt gewijzigd:
1.
Voor de tekst wordt de aanduiding "-1." geplaatst.
2. Onderdeel e wordt
vervangen door:
e. Onze Minister van
Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen;.
3. Aan het artikel
wordt een lid toegevoegd, luidende:
-2. Onze Minister van
Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is
ontnomen, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle
overige opgaven en inlichtingen die van invloed kunnen zijn op het recht
op een uitkering, aan de Sociale Verzekeringsbank en het
Landelijk instituut sociale
verzekeringen, waarbij hij gebruik kan maken van het
sociaal-fiscaal nummer.
Art.
XIII.
Wijziging artikel III, onderdeel B [Geschiedenis:
versie 22 december 1999]
Indien artikel III,
onderdeel A, van het bij koninklijke boodschap van 25 november 1997 ingediende voorstel van wet
(Wet beperking export uitkeringen; Kamerstukken
25 757) vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet in werking
is getreden, wordt artikel III, onderdeel B, van deze wet vervangen door:
B.
Artikel 3, tweede lid,
wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel c wordt
vervangen door:
c. die recht heeft op
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel die door de toepassing van artikel
7a, eerste lid, of 7b, eerste lid, geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering doch met toepassing van
artikel
7a,
tweede of derde lid, of 7b, tweede of vierde lid, in aanmerking komt voor toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
2. Onderdeel d wordt
vervangen door:
d. wiens recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd op grond van artikel
19,
eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, of 19a
doch met toepassing van
artikel 20, 21,
21a of 21b
in aanmerking komt voor toekenning of heropening
van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering;.
3. Onderdeel f wordt
vervangen door:
f. die recht heeft op een
uitkering in verband met bevalling op grond van deze wet dan wel die
door de toepassing van artikel 22, zesde lid, of
22a geen recht heeft
op uitkering in verband met bevalling doch met toepassing van dat
artikel, door overeenkomstige toepassing van artikel
7a, tweede of derde lid, 7b, tweede of vierde lid,
21a of 21b, in aanmerking komt voor toekenning of
heropening van die uitkering;.
HOOFDSTUK
2
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
XIV.
Overgangsbepaling inzake artikel 42, tweede lid, van de Ziektewet
[Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Ten aanzien van een
persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding
van artikel I van deze wet reeds rechtens was ontnomen, wordt voor de
toepassing van het in artikel I, onderdeel B, opgenomen
artikel 19b,
eerste en vierde lid, van de Ziektewet als eerste dag waarop de
vrijheidsontneming plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van
artikel I van deze wet en blijft het Landelijk instituut sociale
verzekeringen tot
de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd, bevoegd
het ziekengeld geheel of gedeeltelijk uit te keren aan de personen wier
kostwinner hij is, overeenkomstig artikel 42, tweede lid, van de Ziektewet, zoals dit artikellid luidde op de dag voorafgaand aan de
inwerkingtreding van artikel I van deze wet.
Art.
XV. Overgangsbepaling
overige wetten [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Ten aanzien van een
persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding
van de artikelen in deze wet reeds rechtens was ontnomen, wordt voor de
toepassing van het in artikel II, onderdeel D, opgenomen
artikel 43,
vijfde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de in artikel III,
onderdeel D en F, opgenomen artikelen
19, vierde lid, en 22,
zesde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, het in
artikel IV, onderdeel C, opgenomen artikel
17, vijfde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, het in artikel VI
opgenomen artikel 2, vijfde lid, van de Toeslagenwet, respectievelijk het in
artikel VII, onderdeel B, opgenomen artikel 32d, eerste lid, van de
Algemene nabestaandenwet, als eerste dag waarop de
vrijheidsontneming
plaatsvindt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel
D, III, onderdeel D en F, IV, onderdeel
C, VI respectievelijk VII,
onderdeel B, van deze wet.
Art.
XVI.
Eenmalige informatieverstrekking door de Minister van Justitie
[Geschiedenis:
versie 22 december 1999; Stb.
2009, 108]
Onze Minister van
Justitie verstrekt onverwijld na het tijdstip van inwerkingtreding van respectievelijk de
artikelen I, II, III,
IV, VI of VII ten
aanzien van de persoon
wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van het
desbetreffende artikel reeds rechtens was ontnomen en op de dag van
die inwerkingtreding nog steeds is ontnomen, kosteloos de
beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen die van
invloed kunnen zijn op respectievelijk:
a. het recht op
ziekengeld op grond van de Ziektewet;
b. het recht op
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c. het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel het recht op een uitkering in verband
met bevalling op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen;
d. het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
e. het recht op toeslag
op grond van de Toeslagenwet; of
f. het recht op
nabestaandenuitkering, het recht op halfwezenuitkering dan wel het recht op
wezenuitkering op grond van de Algemene
nabestaandenwet;
aan de
Sociale Verzekeringsbank en het Landelijk instituut sociale
verzekeringen, waarbij hij gebruik kan maken van het
burgerservicenummer.
Art.
XVII.
Intrekking [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
De Wet sociale
verzekering gedetineerden wordt ingetrokken.
Art.
XVIII.
Inwerkingtreding [Geschiedenis:
versie 22 december 1999]
De artikelen van deze wet
treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat
voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden
vastgesteld.¹
1. Bij Besluit
van 28 januari 2000, Stb. 2000, 54, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 mei 2000, red.
Art.
XIX.
Citeertitel [Geschiedenis:
MvT; versie 22 december 1999]
Deze wet wordt aangehaald
als: Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden.
Lasten en bevelen dat
deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te ’s-Gravenhage,
22 december 1999
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Uitgegeven de dertigste
december 1999
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|