Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Wet sociale werkvoorziening
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2004

 

REGELING  INDICATIE  SOCIALE  WERKVOORZIENING

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2005
(art. 15:1 Ruswbw)

 
 

29 oktober 1997, Stcrt. 1997, 215
Inwerkingtreding: 1 januari 1998
(T.a.v. artt. 12:4 en 12:5 Wsw en 3:3, 4:3, 5:5, 8:6 en 10:2 Bisw)

 

 

 

 
29 oktober 1997/nr. AM/RAW/97/2204
Directie Arbeidsmarkt

     De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
     Gelet op de artikelen 12, vierde en vijfde lid, van de Wet sociale werkvoorziening, alsmede de artikelen 3, derde lid, 4, derde lid, 5, vijfde lid, 8, zesde lid, en 10, tweede lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Definitie
In deze regeling wordt onder het besluit verstaan: het Besluit indicatie sociale werkvoorziening.

 

Art. 2. Geldigheidsduur van de indicatie en herindicatie
-1. Een indicatie van een betrokkene die op de wachtlijst is geplaatst, heeft een geldigheidsduur van maximaal drie jaar.
-2. Een herindicatie van een betrokkene die op de wachtlijst is geplaatst, heeft een geldigheidsduur van maximaal twee jaar.
-3. Een indicatie of herindicatie van een betrokkene die op de wachtlijst is geplaatst en vervolgens een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de wet aanvaardt, heeft vanaf de datum van het aanvaarden van de dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst een geldigheidsduur van maximaal twee jaar.
-4. Iedere volgende herindicatie van een werknemer met wie een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst is aangegaan als bedoeld in hoofdstuk 2 of 3 van de wet heeft een geldigheidsduur van maximaal drie jaar.

 

Art. 3. Afwijking geldigheidsduur herindicatie
Het gemeentebestuur kan aan de hand van door hem vast te stellen criteria voor categorieŽn van geÔndiceerden termijnen vaststellen die afwijken van artikel 2, vierde lid, mits:
a. zij een daartoe strekkend onderzoeksplan hebben opgesteld; Ļ
b. de termijn voor geen enkele geÔndiceerde meer bedraagt dan vijf jaar.

1. Volgens de redactie dient onderdeel a te worden vervangen door:
a. hij een daartoe strekkend onderzoeksplan heeft opgesteld.

 

Art. 4. Leden van de commissie
-1. Het gemeentebestuur benoemt de leden en de plaatsvervangend leden van de commissie.
-2. Naast de in de wet en het besluit genoemde deskundigen kan het gemeentebestuur ten hoogste drie andere deskundige leden en plaatsvervangend deskundige leden van de commissie benoemen.

 

Art. 5. Incompatibiliteiten
-1. Een lid van de commissie kan niet tevens zijn:
a. lid van de gemeenteraad van de gemeente die de commissie heeft ingesteld of aangewezen;
b. werknemer in dienst van, of bestuurslid werkend ten behoeve van, een door de gemeente voor de uitvoering van de wet aangewezen rechtspersoon;
c. werknemer in dienst van, of bestuurslid werkend ten behoeve van, een door de gemeente ingeschakelde begeleidingsorganisatie, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening;
d. werknemer in dienst van een interne of externe arbodienst, bedoeld in artikel 2.6a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 14, derde lid, laatste volzin, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in de sociale werkvoorziening van de gemeente.
-2. Een lid van de commissie laat zich vervangen door een plaatsvervangend lid met dezelfde deskundigheid indien zijn betrekkingen met de aanvrager, de gemeente of de door de gemeente aangewezen rechtspersoon of ingeschakelde begeleidingsorganisatie een onafhankelijk oordeel bij de besluitvorming in de weg staat. Hiervan is in ieder geval sprake indien een lid van de commissie betrokken is bij de behandeling of begeleiding van de aanvrager of daarbij betrokken is geweest in de twee jaar voorafgaande aan de aanvraag.

 

Art. 6. Deskundigen
-1. Een arts als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet beschikt over voldoende deskundigheid indien hij is ingeschreven in het register van sociaal geneeskundigen, tak arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, dan wel tak verzekeringsgeneeskunde of het register sociale geneeskunde, hoofdstroom arbeid en gezondheid, van de Sociaal-Geneeskundige Registratiecommissie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst.
-2. Een psycholoog als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet beschikt over voldoende deskundigheid indien hij staat ingeschreven als psycholoog NIP in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen, dan wel als gezondheidszorgpsycholoog in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, en indien hij beschikt over gerichte kennis en ervaring op het gebied van psychodiagnostiek.
-3. Een arbeidskundige als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet beschikt over voldoende deskundigheid indien hij in het bezit is van een getuigschrift van een op grond van de Wet op het hoger beroepsonderwijs bekostigde technische hogeschool alsmede een applicatiecursus VOA-3 van VOA, Vereniging voor bedrijfskunde te Woerden en ervaring in proces- en arbeidsanalyse.
-4. Een arbeidsmarktdeskundige als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet beschikt over voldoende deskundigheid indien hij in het bezit is van een getuigschrift van een op grond van de Wet op het hoger beroepsonderwijs bekostigde sociale academie, richting arbeidsmarktpolitiek/personeelsbeleid, alsmede van kennis en ervaring op het gebied van de arbeidsmarkt in de betreffende regio.
-5. Een jurist als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het besluit beschikt over voldoende deskundigheid indien hij in het bezit is van een getuigschrift van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen Nederlands recht.
-6. Het gemeentebestuur kan in afwijking van het derde, vierde en vijfde lid deskundigen benoemen die naar zijn oordeel beschikken over een aan de in die leden genoemde kwalificatie-eisen gelijk te stellen combinatie van opleiding en ervaring.

 

Art. 7. Ambtelijke functionarissen
Indien de commissie wordt ondersteund door ťťn of meer ambtelijke functionarissen, worden de werkzaamheden van deze functionarissen vastgelegd in een afzonderlijke functiebeschrijving.

 

Art. 8. Standpuntbepaling van de commissie
-1. Over de uit te brengen adviezen wordt niet besloten dan in aanwezigheid van de leden of plaatsvervangend leden van elke deskundigheid, genoemd in artikel 12, tweede lid, van de wet.
-2. Over de uit te brengen adviezen, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet, wordt niet besloten dan in aanwezigheid van de leden of plaatsvervangend leden van elke deskundigheid, genoemd in artikel 12, tweede lid, van de wet en van artikel 9, tweede lid, van het besluit.

 

Art. 9. Kwaliteitszorgsysteem
-1. Het gemeentebestuur stelt een kwaliteitszorgsysteem vast op basis waarvan de kwaliteit van het proces van indicatie wordt getoetst.
-2. Het kwaliteitszorgsysteem, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste:
a. de beschrijving van het in het eerste lid genoemde proces, de processtappen en bijbehorende procedures;
b. procedures en instructies voor kwaliteitsborging en kwaliteitsverbetering van het in het eerste lid genoemde proces;
c. de methode waarmee de werking van de onder a en b genoemde elementen intern en extern periodiek getoetst worden.
-3. Tot het kwaliteitszorgsysteem, bedoeld in het eerste lid, behoren voorts:
a. het besluit van de gemeenteraad, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het besluit;
b. het intakeprofiel, bedoeld in artikel 3, derde lid, van het besluit juncto artikel 10 van deze regeling;
c. de deskundigheidsbevordering van functionarissen die zijn betrokken bij het proces van indicatie.

 

Art. 10. Intakeprofiel en functieniveau
-1. Het intakeprofiel, bedoeld in artikel 3, derde lid, van het besluit, voldoet aan bijlage I bij deze regeling.
-2. Het functieniveau, bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel d, van het besluit
, wordt vastgesteld op B2, volgens de functievoorbeelden sociale werkvoorziening die als bijlage bij het in het eerste lid bedoelde intakeprofiel zijn opgenomen.

 

Art. 11. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit indicatie sociale werkvoorziening in werking treedt.

 

Art. 12. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indicatie sociale werkvoorziening.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage Ļ in de Staatscourant worden geplaatst.

1. Bijlage I is opgenomen in het supplement bij Stcrt. 1997, 217, red.

 

ís-Gravenhage, 29 oktober 1997.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert
.

 

 

 

TOELICHTING
[29 oktober 1997]

 

Inleiding


     De indicatie van personen voor de sociale werkvoorziening is in de Wet sociale werkvoorziening opgedragen aan het gemeentebestuur. Het Besluit indicatie sociale werkvoorziening geeft voorschriften met betrekking tot de aanvraag, het onderzoek, het advies en de beslissing op de aanvraag tot indicatie. Verder bevat het besluit een indeling naar arbeidshandicapcategorieŽn, regels over de wachtlijst, de herindicatie, het advies bij voorgenomen opzegging van de dienstbetrekking, de werkwijze bij indicatie en overgangsrecht in verband met de bestaande wachtlijsten voor de sociale werkvoorziening.
     Deze Regeling indicatie sociale werkvoorziening geeft nadere voorschriften ter uitwerking van eerdergenoemde wet en het besluit. Het is voorts aan de gemeenten om op grond van artikel 10 van het besluit het indicatieproces meer gedetailleerd in een eigen besluit vast te leggen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft toegezegd ten behoeve van de gemeenten hiertoe een modelprotocol te zullen ontwikkelen.
     Verder is in een bijlage bij deze regeling het intakeprofiel opgenomen. Dit profiel voorziet in de mogelijkheid om relevante informatie over mogelijkheden en beperkingen van personen in hun arbeidssituatie zodanig weer te geven dat de tijdens het intakeproces verzamelde informatie gestructureerd voor de werkgever beschikbaar komt.
     Het verplicht voorgeschreven intakeprofiel maakt deel uit van het profielensysteem versie 1997. Toepassing van het gehele profielensysteem, dat door het ministerie aan de uitvoeringsorganisaties ter beschikking wordt gesteld, wordt aanbevolen, maar is niet verplicht. Met het gehele profielensysteem kunnen desgewenst de opgedane ervaringen met en van de werknemer in diens Wsw-arbeidssituatie op eenzelfde wijze als bij de indicatie, bij de herindicatie aan de indicatiecommissie verstrekt worden. Deze feed back over de mate waarin de arbeid aansluit bij de mogelijkheden en beperkingen wordt als een belangrijk hulpmiddel van de herindicatie gezien. De uiteindelijke kwaliteit van de indicatie is als zodanig immers niet los te zien van het succes in de daaropvolgende plaatsing in een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst. Overigens kan hiertoe ook een ander systeem dan het profielensysteem de benodigde informatie bieden.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 2. Geldigheidsduur van de indicatie en herindicatie

     Dit artikel regelt de geldigheidsduur van de indicatie en herindicatie. De voorgeschreven termijnen komen overeen met de termijnen die reeds in de nota van toelichting bij het Besluit indicatie sociale werkvoorziening zijn genoemd. Daar waar de geldigheidsduur van de indicatie of herindicatie wordt doorbroken door het aanvaarden van een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst is bepaald dat de geldigheidsduur van de indicatie of herindicatie na het aanvaarden van arbeid nog maximaal twee jaar duurt.

 

Artikel 3. Afwijking geldigheidsduur van indicatie en herindicatie

     Dit artikel biedt de gemeente ruimte om de termijnen voor de herindicatie, binnen de gegeven criteria, voor afzonderlijke categorieŽn van geÔndiceerden zelf nader vast te stellen. Hierbij kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de zwaarte van de arbeidshandicapcategorie en de leeftijd van betrokkene. Differentiatie in termijnen is overigens alleen toegestaan met betrekking tot de herindicatie.

 

Artikel 4. Leden van de commissie

     Het gemeentebestuur benoemt de leden en plaatsvervangend leden van de commissie. Aangezien in artikel 5 is voorgeschreven dat de commissie slechts adviezen kan vaststellen in aanwezigheid van alle deskundigheden, is het noodzakelijk dat het gemeentebestuur ook zorg draagt voor de benoeming van plaatsvervangend leden, die over dezelfde deskundigheid beschikken als de leden. Gemeenten kunnen onderling afspreken dat leden van de commissie die voor de betrokken gemeenten werken over en weer als plaatsvervanger optreden. Dit kan ook voordelen hebben ten aanzien van het uitwisselen van ervaring.
     Naast de in de wet en het besluit genoemde deskundigen kan het gemeentebestuur nog maximaal drie andere deskundigen benoemen in de commissie. Dit is bedoeld om de oordeelsvorming ten behoeve van de advisering zo nodig te versterken met meer specifieke deskundigheid als bijzondere kenmerken van aanvragers daartoe aanleiding geven. Hierbij is te denken aan deskundigheid op het gebied van autisme, epilepsie of ernstige visuele handicaps. Het is niet de bedoeling dat bij de advisering collectieve motieven een rol spelen.
     Voor de aanvullend benoemde deskundigen gelden overigens dezelfde incompatibiliteiten als voor de in de wet en het besluit genoemde deskundigen. Meer dan drie aanvullend benoemde deskundigen is niet toegestaan, om te voorkomen dat de in de wet en het besluit genoemde deskundigen zouden kunnen worden overstemd.

 

Artikel 5. Incompatibiliteiten

     Een aantal functies is onverenigbaar met het lidmaatschap van de commissie. Dit is gedaan om de onafhankelijkheid van de leden van de commissie te waarborgen. Met deze incompatibiliteiten wordt mogelijke belangenverstrengeling voorkomen. Om die reden mogen ook bijvoorbeeld werknemers van de arbodienst die zelf werken voor de sociale werkvoorziening in de gemeente niet in de commissie zitting nemen.
     Onder bestuurders worden ook begrepen toezichthouders (bijvoorbeeld leden van een raad van toezicht).
     In het geval dat de uitvoering van de wet is overgedragen aan een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen treedt dit orgaan in de plaats van de betrokken gemeentebesturen. Hieruit volgt dat ook een lid van dat openbaar lichaam niet in de commissie plaats kan nemen. Uit de wet volgt al dat leden van de commissie geen ambtenaar kunnen zijn in dienst van de gemeenten (en het openbaar lichaam) dan wel in dienst van de rechtspersoon die door de gemeenten is aangewezen om de wet uit te voeren.
     De opgenomen incompatibiliteiten zijn natuurlijk niet bedoeld om de relatie met de praktijk te verliezen. Informatie en advies vanuit de praktijk zijn daarvoor te belangrijk. De deskundigen in de commissie zullen bijvoorbeeld informatie over de mogelijkheden van arbeidsaanpassingen en de kosten daarvan, informatie over specifieke arbeidsomstandigheden in bedrijven en informatie over nieuw ingevoerde technieken tot zich moeten nemen. Daarbij mogen ze echter niet staan in een afhankelijke positie ten opzichte van degene van die deze informatie wordt verkregen.

 

Artikel 6. Deskundigen

     Van de in de commissie zitting hebbende deskundigen mag verwacht worden dat zij voldoende gekwalificeerd zijn. Om die reden zijn in artikel 2 [artikel 6, red.] kwalificatie-eisen geformuleerd.
     Zowel arbeids- en bedrijfsgeneeskundigen als verzekeringsgeneeskundigen worden voldoende deskundig geacht. Gegeven de aard van de indicatie, die immers gericht is op een feitelijke plaatsing in het arbeidsproces, verdient het echter de voorkeur een arbeids- en bedrijfsgeneeskundige in de indicatiecommissie op te nemen.
     Bij het intrekken van de Wet op het hoger onderwijs en van het Academisch statuut is de academische titel psycholoog komen te vervallen. Er is nu voor gekozen de deskundigheidskwalificaties van de psycholoog te verbinden aan de merkrechtelijke titel psycholoog NIP, die verbonden is aan een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de landelijke beroepsvereniging. Voor het verkrijgen van deze registratie is een doctoraal examen in de psychologie en enige beroepservaring vereist. Bovendien bindt deze registratie de psycholoog aan een beroepscode en een tuchtrechtelijk toezicht op het dienovereenkomstig beroepsmatig handelen.
     Ook een psycholoog die als gezondheidspsycholoog is ingeschreven in het register op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan als deskundige in de commissie worden opgenomen. De gezondheidszorgpsycholoog is een breed inzetbare beroepsbeoefenaar die het basisberoep van klinisch psycholoog in de Wet BIG heeft vervangen.
     Omdat beide registraties breed van karakter zijn, is tevens gerichte kennis en ervaring vereist op het gebied van psychodiagnostiek. De gezondheidspsycholoog is weliswaar voldoende psychodiagnostische geschoold, maar als zodanig niet noodzakelijkerwijs ervaren in arbeidsgericht onderzoek.
     Voor de arbeidsmarktdeskundige is kennis en ervaring van de regionale arbeidsmarkt een belangrijk vereiste.
     Voor de arbeidskundige, de arbeidsmarktdeskundige en de jurist is in het zesde lid bepaald dat het gemeentebestuur ook personen in de commissie kan benoemen die niet de in de leden drie, vier en vijf genoemde opleiding genoten hebben, doch wel beschikken over een vergelijkbare combinatie van opleiding en ervaring. Voor de arts en psycholoog is dit niet mogelijk. Deze deskundigen moeten aan de gestelde opleidingseisen voldoen.
     Toelating van buitenlands gediplomeerden tot de Nederlandse arbeidsmarkt is geregeld in de Algemene wet erkenning EG-hogeronderwijsdiploma's.

 

Artikel 7. Ambtelijke functionarissen

     Hoewel de kerntaak van de commissie - de beoordeling en het advies - slechts door deskundigen uit of in opdracht (voor zover het nader onderzoek betreft) van de commissie worden verricht, is het wel toegestaan aan de commissie desgewenst een "intakefunctionaris" toe te voegen. Een dergelijke door het gemeentebestuur aangewezen ambtenaar kan zorg dragen voor met name de loketfunctie en eventuele ondersteunende werkzaamheden in de secretariŽle sfeer. Om buiten twijfel te stellen dat een dergelijke functionaris niet als lid van de commissie inhoudelijk invloed uitoefent op het advies van de commissie, dienen de werkzaamheden van een toegevoegd (dat wil zeggen niet formeel van de commissie deel uitmakend) ambtelijk functionaris te worden vastgelegd in een afzonderlijke functieomschrijving waarbij het toekennen van formele bevoegdheden in het kader van de advisering door de commissie uitgesloten is. Het uitgesloten zijn van formele bevoegdheden behoeft niet nader te worden voorgeschreven, omdat de wet al bepaalt dat geen ambtenaren in de commissie zitting kunnen hebben.

 

Artikel 8. Standpuntbepaling van de commissie

     De wijze waarop de commissie tot haar oordeel komt, zal door de gemeente nader uitgewerkt moeten worden in het besluit van de gemeente op grond van artikel 10 van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening.
     Artikel 8 regelt dat tijdens de besluitvorming alle deskundigheden vertegenwoordigd zijn in de commissie. Dit geldt ook bij de besluitvorming in het kader van voorgenomen ontslag.
     Aangezien sprake is van een gemeentelijke adviescommissie zijn de vergaderingen van deze commissie in principe openbaar. De gewone regels van de Gemeentewet zijn op deze commissie van toepassing, derhalve ook de regels die gelden voor het vergaderen met gesloten deuren.

 

Artikel 9. Kwaliteitszorgsysteem

     Artikel 12, vijfde lid, van de wet draagt het gemeentebestuur op zorg te dragen voor de ondersteuning van de commissie, waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de kwaliteitszorg. Deze kwaliteitszorg zal gericht zijn zowel op de procedurele als op de inhoudelijke kant van de indicatie.
     Gegeven het bovenstaande is in dit artikel aan het gemeentebestuur opgedragen een kwaliteitszorgsysteem vast te stellen, waarbij de noodzakelijke voorwaarden voor een goed verlopend proces van indicatie op een controleerbare wijze zijn weergegeven. Naast het bieden van een mogelijkheid tot controle ten behoeve van het gemeentebestuur en van de minister, kan een dergelijk beschreven systeem ook een rol vervullen in het kader van het uitwisselen van "best practices" tussen gemeenten. Dat de periodieke interne toetsing als een onmisbaar onderdeel van het systeem wordt gezien, vindt zijn neerslag in het eerste lid, onderdeel c.
     Dat kwaliteitszorg opgevat moet worden als een dynamisch proces, zal ertoe leiden het systeem aan de hand van opgedane ervaringen doorlopend te actualiseren.
     In het systeem zal allereerst het besluit van de gemeente op grond van artikel 10 van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening worden opgenomen. Bij de inhoud van dit besluit van de gemeente valt te denken aan zaken als aanmelding, intake, de inbedding van een eventueel ambtelijk functionaris in de werkzaamheden van de commissie, (nader) onderzoek, privacywaarborging en gegevensbeveiliging, gebruik van de voorgeschreven beslistabellen, de besluitvorming met betrekking tot de advisering, de motivering van het advies, de gronden waarop de gemeente een van het advies afwijkend besluit zal nemen en hoe de informatieverstrekking aan de betrokkene en aan de bij de indicatie en plaatsing betrokken functionarissen geregeld is. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten zal een modelprotocol ontwikkelen, waarvan de gemeenten gebruik kunnen maken bij het opstellen van hun besluit. Verder zal in het systeem de facilitaire ondersteuning van de commissie moeten worden beschreven en hoe de deskundigheidsbevordering van de commissie plaatsvindt.
     Het spreekt vanzelf dat het voorgeschreven kwaliteitszorgsysteem ook ingepast kan worden in een breder kwaliteitssysteem, waarin ook overige kwaliteitsaspecten, zoals die aangaande voorbereiding en toeleiding tot arbeid, de periodieke evaluatie van de kwaliteit van de aansluiting van de arbeid, de arbeid zelf en ook de producten een plaats krijgen, ongeacht of deze reeds, al of niet op voorschrift, in een subsysteem zijn ondergebracht, zoals de zorg voor arbeidsomstandigheden.
     Ter facilitering van de kwaliteitszorg zal gedurende een zekere tijd vanuit de rijksoverheid ondersteuning [worden, red.] geboden. Deze ondersteuning zal bestaan uit verschillende elementen. Visitatie, advisering en stimulering zijn kernwoorden in deze aanpak.
     Het adviseren van de commissie en gemeentebesturen omtrent de procedurele en inhoudelijke kant van de indicatie is een essentieel element.
     Het ligt voor de hand dat over de advisering aan de commissies overleg plaatsvindt met het betrokken gemeentebestuur; deze is immers verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie.
     Bij de uitvoering van deze centrale taak wordt aangesloten bij wat gemeenten zelf moeten doen. De gemeentelijke beschrijving van haar kwaliteitszorgsysteem en de signalen die daaruit en uit de praktijkbevindingen verkregen worden, bieden een handvat om vanuit het centraal niveau te reageren, in de zin van advisering en stimulering. Informatie die bij de uitvoering van deze centrale taak wordt gegenereerd, wordt uiteraard teruggerapporteerd naar de gemeentebesturen en de commissies, alsmede naar de minister. Voor de gemeentebesturen en de commissies is dit van belang om voldoende feed back te krijgen. Voor de minister is de terugkoppeling van belang omdat deze belangrijke beleidsinformatie kan bevatten.

 

Artikel 10. Intakeprofiel en functieniveau

     Het intakeprofiel en het daarbij behorende functievoorbeeldenboek is volledig toegelicht in bijlage I bij deze regeling.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.P.W. Melkert
.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wsw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x