Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet sociale werkvoorziening
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2004

 

BESLUIT  VASTSTELLING  SUBSIDIE
WET  SOCIALE  WERKVOORZIENING

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2005
(art. 30:1 Buswbw)

 
 

24 augustus 2001, Stb. 2001, 424
Inwerkingtreding: 1 januari 2002
(T.a.v. artt. 8:5 en 9:3 Wsw)

 

 

 

 
BESLUIT van 24 augustus 2001, houdende regels inzake het vaststellen van de verleende subsidie aan gemeenten voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2001, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/RAW/01/30412;
     Gelet op de artikelen 8, vijfde lid, en 9, derde lid, van de Wet sociale werkvoorziening;
     De Raad van State gehoord (advies van 26 juli 2001, nr. W12.01.0341/IV);
     Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 augustus 2001, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/RAW/01/50792;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Art. 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet sociale werkvoorziening;
b. het besluit: het Besluit indicatie sociale werkvoorziening;
c. de regeling: de Regeling indicatie sociale werkvoorziening;
d. maatregel: het ten opzichte van de subsidieverlening, bedoeld in artikel 8 van de wet, lager vaststellen van de subsidie op grond van artikel 9 van de wet;
e. subsidiejaar: het jaar waarvoor de subsidie wordt verleend;
f. standaardeenheid: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening;
g. commissie: de commissie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet.

 

Art. 2. Vaststelling subsidie
-1. Onze Minister stelt de subsidie aan de gemeente vast binnen één jaar na ontvangst van de daarvoor bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden.
-2. Indien de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, niet zijn ontvangen binnen achttien maanden na het kalenderjaar waarop deze betrekking hebben, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.
-3. Indien de subsidie aan de gemeente lager wordt vastgesteld dan de verleende subsidie over het subsidiejaar, wordt het verschil teruggevorderd dan wel verrekend met de subsidie over het lopende subsidiejaar.
-4. Voor dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de wet aangegaan door werknemers die zijn geïndiceerd na inwerkingtreding van de wet geldt voor de vaststelling van de subsidie aan de gemeenten een maximum van gemiddeld 32 uur per week uitgedrukt in standaardeenheden.

 

Art. 3. Werknemers die niet meer tot de doelgroep behoren
In een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de wet stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat aan subsidie is verleend voor die dienstbetrekking.

 

Art. 4. Handelen in strijd met de wet
-1. In een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde aan subsidie is besteed.
-2. Indien in een geval als bedoeld in het eerste lid niet wordt voldaan aan artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt bij de vaststelling van de subsidie uitgegaan van de indeling van de persoon in de arbeidshandicapcategorie licht, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het besluit.

 

Art. 5. Vaststelling percentage
Indien in een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet het bedrag, bedoeld in artikel 4, niet kan worden vastgesteld, stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op een percentage van het totaalbedrag dat aan subsidie voor het betreffende jaar is verleend.

 

Art. 6. (Her)indicatie
-1. Het percentage, bedoeld in artikel 5, bedraagt, indien niet wordt voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de (her)indicatie, bedoeld in:
a. artikel 11, eerste lid, onderdeel d en e, van de wet en de artikelen 2 en 3 van de regeling: 0, 0,5 of 1;
b. de artikelen 7, tweede tot en met achtste lid, en 8, derde lid, van het besluit: 0, 0,1 of 0,2.
-2. Het percentage, bedoeld in artikel 5, bedraagt, indien niet is voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de ondersteuning van de commissie en de kwaliteit van het indicatieproces, bedoeld in:
a. artikel 12, vijfde lid, van de wet: 1;
b. artikel 10, eerste lid, van het besluit: 1;
c. artikel 9 van de regeling: 1.
-3. Het percentage, bedoeld in artikel 5, bedraagt, indien niet wordt voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de samenstelling van de commissie in geval van ontslag, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het besluit: 0,5.

 

Art. 7. Begeleidingsorganisatie
Het percentage, bedoeld in artikel 5, bedraagt, indien niet wordt voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de begeleidingsorganisatie, bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, en 6, eerste lid, van het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening: 1.

 

Art. 8. Vastleggen en bewaren informatie
Het percentage, bedoeld in artikel 5, bedraagt, indien niet wordt voldaan aan de voorschriften met betrekking tot het vastleggen en bewaren van de informatie, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Regeling statistiek Wet sociale werkvoorziening: 0,2.

 

Art. 9. Procedure vaststelling percentages
-1. Indien een tekortkoming als bedoeld in artikel 6, eerste lid, wordt vastgesteld in:
a. minder dan 15% van het betreffende bestand, dan wordt het in die artikelen ten aanzien van die tekortkoming als eerste genoemde percentage toegepast;
b. ten minste 15%, doch niet meer dan 50%, van het betreffende bestand, dan wordt het in die artikelen ten aanzien van die tekortkoming als tweede genoemde percentage toegepast;
c. meer dan 50% van het betreffende bestand, dan wordt het in die artikelen ten aanzien van die tekortkoming als derde genoemde percentage toegepast.
-2. Bij samenloop van tekortkomingen als bedoeld in het eerste lid en de artikelen 6, tweede en derde lid, 7 en 8 worden de ten aanzien van de verschillende tekortkomingen vastgestelde percentages bij elkaar opgeteld.
-3. Indien een tekortkoming als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft op een deel van het betrokken jaar, wordt het bedrag van de maatregel, bedoeld in artikel 5, naar evenredigheid vastgesteld.

 

Art. 10. Voorrangsruimte arbeidsovereenkomsten
-1. Indien in een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet niet wordt voldaan aan artikel 2 van het Besluit arbeidsaanpassing en begeleiding sociale werkvoorziening, stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag dat wordt verkregen door het aantal niet-gerealiseerde arbeidsovereenkomsten, bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet, te vermenigvuldigen met het bedrag behorende bij een arbeidsovereenkomst met een persoon die op grond van artikel 6, eerste lid, van het besluit is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie licht.
-2. Van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt door Onze Minister afgezien indien het gemeentebestuur naar het oordeel van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat het geen verwijt kan worden gemaakt van de in het eerste lid bedoelde tekortkoming.

 

Art. 11. Subsidieoverschot
In een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de wet stelt Onze Minister het bedrag van de maatregel vast op het bedrag van de subsidie die in het jaar na het jaar waarin deze is verleend niet of anders is bestemd dan voor het uitvoeren van de wet of voor de inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces of binnen een termijn van ten hoogste drie jaar na afloop van het subsidiejaar niet of niet geheel overeenkomstig die bestemming is besteed.

 

Art. 12. Wijziging Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening
Het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening wordt als volgt gewijzigd:
A.
Artikel 6 komt te luiden:
Art. 6. Opschorting en betaalbaarstelling
-1. Indien bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden niet of niet volledig binnen de daarvoor gestelde termijnen zijn ontvangen, kan de betaling van de subsidie door Onze Minister worden opgeschort.
-2. Hervatting van de betaling vindt zo spoedig mogelijk plaats na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde bescheiden, doch uiterlijk op of omstreeks de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin de bescheiden zijn ontvangen.
B.
De artikelen 7, 8, 10 en 11 vervallen.

 

Art. 13. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2002.

 

Art. 14. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad wordt geplaatst.

 

's-Gravenhage, 24 augustus 2001

 

BEATRIX

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend

 

Uitgegeven de tweede oktober 2001
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[24 augustus 2001]

 

Algemeen

 

1. Inleiding


     Voor de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) wordt aan gemeenten (c.q. openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen) subsidie verleend. In artikel 9, eerste lid, van de wet is bepaald dat Onze Minister na afloop van het jaar de subsidie vaststelt en op welke gronden de vastgestelde subsidie kan afwijken van de verleende subsidie. Op grond van het derde lid van dit artikel worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld voor de subsidievaststelling en de gevolgen daarvan voor de komende jaren. Het onderhavige besluit strekt daartoe. De inhoud daarvan is gebaseerd op de tot nu toe met betrekking tot de subsidievaststelling voor de jaren 1998 en 1999 en de jaren 2000 en 2001 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gehanteerde uitgangspunten zoals neergelegd in de brief van de minister aan de gemeenten van 3 april 2000, nr. AM/RAW/00/18 044, en de Beleidsregels vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening voor het jaar 2000 (Stcrt. 2000, 192), die ook voor het jaar 2001 van toepassing zijn verklaard. Voorts zijn daarbij betrokken de aanvullende uitgangspunten zoals deze zijn opgenomen in de bijlage bij de brief van 4 oktober 2000, nr. AM/RAW/00/57119, waarbij de gemeenten in kennis zijn gesteld van genoemde beleidsregels.
     Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de regels die reeds van toepassing waren met betrekking tot de vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 8 van het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening, op te nemen in het onderhavige besluit. Daarnaast is een tweetal in voornoemd besluit opgenomen bepalingen inzake de termijnen waarbinnen de gemeente bepaalde, nader omschreven bescheiden in verband met de betaling van de verleende subsidie aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid moet overleggen, verduidelijkt en in overeenstemming gebracht met overeenkomstige bepalingen in andere subsidie- en uitkeringsregelingen in verband met de handhaving van dergelijke termijn- en vormvoorschriften.
     De VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.] heeft ingestemd met het onderhavige besluit.

     De mogelijkheid om de subsidie, in afwijking van de verleende subsidie, lager vast te stellen, is aan de minister gegeven om over een effectief instrument te beschikken waarmee de uitvoeringspraktijk kan worden bijgestuurd en in overeenstemming kan worden gebracht met de door de wetgever beoogde doelstelling. Toepassing van deze bevoegdheid is er dan ook op gericht om de naleving van de wet door de gemeente te bevorderen. Daarnaast vervult deze bevoegdheid in het departementaal vaststellingsproces een functie in het kader van de ministeriële verantwoording aan het parlement, waarvan een ordelijk financieel beheer in relatie tot de uitvoering van de rijksbegroting deel uitmaakt.

     De uit de wet voortvloeiende opdracht houdt in dat het gemeentebestuur gehouden is tot een juiste uitvoering van de wet. Het kan desalniettemin voorkomen dat het gemeentebestuur, bijvoorbeeld door omstandigheden die op korte termijn niet te veranderen zijn, voor het dilemma komt te staan prioriteiten te stellen in de uitvoering. Het is voor het gemeentebestuur van belang te weten welke uitvoeringsaspecten in het bijzonder van belang worden geacht voor een juiste uitvoering. De waardering van dat belang kan blijken uit de grondslagen voor vaststelling van de subsidie zoals die in dit besluit zijn vastgelegd. Dit neemt niet weg dat indien een gemeentebestuur als gevolg van een dergelijke prioriteitsstelling op een ander onderdeel tekortschiet, de gemeente daarop wordt aangesproken.

     Voorts bevordert het kenbaar maken van de regels inzake vaststelling en lagere vaststelling van de subsidie de eenheid in het beleid. Enerzijds schept het duidelijkheid naar de gemeenten. Niet alleen weten deze waar ze aan toe zijn, maar ook dat ze in vergelijkbare situaties overeenkomstig zullen worden behandeld. Anderzijds is de minister door het vastleggen van deze regels in het onderhavige besluit gehouden overeenkomstig de regels te handelen.

 

2. Uitgangspunten


     In de Wsw is gekozen voor een ruime mate van beleidsvrijheid voor het gemeentebestuur om personen behorend tot de Wsw-doelgroep arbeid onder aangepaste omstandigheden aan te bieden. De wet geeft niet alleen de mogelijkheid om betrokkenen een "traditionele" arbeidsplaats in een SW-bedrijf [SW: sociale werkvoorziening, red.] aan te bieden, maar ook behoren detacheringen - individueel of groepsgewijs met begeleiding - en begeleid werken in dienst van een reguliere werkgever op grond van artikel 7 Wsw tot de mogelijkheden. Ook heeft de gemeente de keuze om zelf de wet uit te voeren dan wel daarvoor één of meerdere rechtspersonen aan te wijzen op grond van artikel 2, derde lid, Wsw. Maakt de gemeente gebruik van deze aanwijzingsmogelijkheid, dan dient zij ervoor te zorgen dat de inhoud van de rechtsbetrekking tussen de gemeente en de betrokken rechtspersoon duidelijk en goed geregeld is.
     Binnen de randvoorwaarden van de wet is het gemeentebestuur zelf verantwoordelijk voor een rechtmatige en doeltreffende uitvoering van de onderhavige wet- en regelgeving die door de gemeente in medebewind wordt uitgevoerd. Dit houdt onder andere in dat het gemeentebestuur zelf voortdurend zorg draagt voor de controle op de uitvoering op basis van een getrouwe (gecertificeerde) verantwoordingsinformatie over de rechtmatigheid en doeltreffendheid van het uitvoeringsproces, bijvoorbeeld door middel van periodieke managementinformatie. Dit is alleen mogelijk als de gemeentelijke uitvoeringsorganisatie dan wel een door het gemeentebestuur aangewezen rechtspersoon zodanig is ingericht en functioneert dat tekortkomingen tijdig worden gesignaleerd. Een goed functionerende interne controle kan hiervoor de aangewezen weg vormen. Hiermee worden overigens geen beperkingen aangebracht ten aanzien van de bron van de signalering van de tekortkoming. Dat de signalering logischerwijs in de meeste gevallen uit de gemeentelijke of aangewezen uitvoeringsorganisatie voortkomt, neemt niet weg dat ook anderen zoals de Rijksconsulent Sociale Zekerheid, de bij de gemeente fungerende accountant of een extern adviseur op tekortkomingen kunnen wijzen.

     Het is primair de verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur om bij geconstateerde tekortkomingen tot een herstelproces te komen. Dit houdt niet alleen in dat de gemeente zelf daartoe het initiatief neemt, maar dat ook tijdig doet. Teneinde inzichtelijk te maken welke stappen het gemeentebestuur daartoe heeft gezet, is het raadzaam dat het gemeentebestuur de hierbij te volgen procedure, die zal moeten leiden tot opheffing van de tekortkomingen, alsmede het verloop van het proces, documenteert. Op deze wijze wordt de minister in staat gesteld om bij de beoordeling van de gemeentelijke uitvoering in voldoende mate rekening te houden met de specifieke omstandigheden van gemeenten.

     De vaststelling van de subsidie lager dan de verleende subsidie, hierna te noemen de maatregel, vindt plaats bij onrechtmatige wetsuitvoering. Gezien de aard van de onderhavige regelgeving heeft de maatregel geen punitief karakter. Het bedrag van de maatregel sluit derhalve aan bij het financieel beslag van de onrechtmatigheid in de uitvoering.

     Slechts indien het financieel beslag ook bij benadering niet kan worden gekwantificeerd, wordt teruggevallen op een normstelsel. In dat geval wordt het bedrag van de maatregel vastgesteld op een percentage van de aan de gemeente verleende subsidie. Dit doet zich voor indien een directe relatie tussen tekortkoming en het financieel beslag ontbreekt. In een beperkt aantal gevallen, die zijn benoemd in dit besluit, is hiervan sprake.
     Binnen deze categorie van tekortkomingen wordt onderscheid gemaakt tussen zogenoemde kwalitatieve en zogenoemde kwantitatieve tekortkomingen.
     Onder kwalitatieve tekortkomingen worden verstaan de tekortkomingen die van betekenis zijn voor de kwaliteit van de gehele uitvoering zoals het niet zorg dragen voor ondersteuning van de indicatiecommissie of het ontbreken van een door de gemeente vast te stellen kwaliteitszorgsysteem.
     Met kwantitatieve tekortkomingen wordt gedoeld op tekortkomingen die een relatie hebben met individuele gevallen zoals het ontbreken van de vaststelling of een Wsw-er al dan niet voor een scholingstraject in aanmerking komt.
     Doet een kwalitatieve tekortkoming zich voor, dan wordt volstaan met het hanteren van één percentage, aangezien de tekortkoming betrekking heeft op de gehele uitvoering.
     In geval van een kwantitatieve tekortkoming wordt rekening gehouden met de zwaarte van de tekortkoming alsmede met de mate waarin deze zich heeft voorgedaan. Met het oog op de bevordering van eenheid in beleid binnen het ministerie is aansluiting gezocht bij het normstelsel voor de vaststelling van de vergoeding voor uitvoeringskosten van de wetgeving op het terrein van de bijstand, opgenomen in de Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz en het Besluit weigering rijksvergoeding Wik. Gezien de ernst van de in dit besluit benoemde tekortkomingen is in het algemeen ervoor gekozen deze in te delen in de in voornoemde regeling gehanteerde zwaardere percentageklasse van 0, 0,5 of 1.

     De maatregel kan slechts betrekking hebben op tekortkomingen ten opzichte van een bij of krachtens de wet vastgelegde norm. Het niet voldoen aan een in de wet of lagere regelgeving bepaalde taak - zoals het beheren van een wachtlijst - of het niet hanteren van een bij of krachtens de wet voorgeschreven procedure - zoals het vragen van advies aan de zogenoemde indicatiecommissie - worden hiertoe gerekend. Deze aspecten hebben inhoudelijk betrekking op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de wetsuitvoering. Overige aspecten van doeltreffende wetsuitvoering zijn impliciet bepaald of gaan uit van keuzemogelijkheden binnen de discretionaire bevoegdheid van het gemeentebestuur en geven als zodanig geen aanleiding tot het treffen van een maatregel. Uitsluitend voor zover de doeltreffendheid van de uitvoering toetsbaar in de wet dan wel in de daarop gebaseerde nadere regelgeving is vastgelegd, kan deze dus leiden tot een maatregel.

 

3. Toetsingskader


     Zoals in de inleiding reeds is vermeld, is in artikel 9, eerste lid, Wsw aangegeven in welke gevallen bij de vaststelling van de subsidie kan worden afgeweken van de verleende subsidie, namelijk indien:
a. het aantal Wsw-dienstbetrekkingen of arbeidsovereenkomsten, bedoeld in artikel 7 van de wet, waarvoor subsidie is verleend, niet volledig tot stand is gekomen;
b. de dienstbetrekking met een Wsw-werknemer, nadat is vastgesteld dat hij niet langer tot de doelgroep behoort, wordt voortgezet, daarbij rekening houdend met de bepalingen inzake de opzegging van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, Wsw;
c. het gemeentebestuur niet handelt in overeenstemming met de bij of krachtens de wet gestelde regels of daarop niet dan wel onvoldoende toeziet, met uitzondering van de artikelen 2, eerste en derde lid, en 5 Wsw;
d. een subsidieoverschot niet binnen het jaar na afloop van het subsidiejaar is bestemd of binnen een redelijke termijn niet is besteed aan de uitvoering van de Wsw of aan de inschakeling van werkzoekenden in het arbeidsproces.

     Ter uitvoering van artikel 9, derde lid, Wsw was met betrekking tot het hiervoor onder a genoemde geval, in het voormalige artikel 8 van het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening inzake vaststelling van de subsidie, reeds geregeld dat voor zover de taakstelling voor het aantal te realiseren dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wsw in het subsidiejaar niet was gerealiseerd, de subsidie die niet was besteed, werd teruggevorderd. Nu met het onderhavige besluit ook regels zijn vastgesteld met betrekking tot de overige, in artikel 9, derde lid, genoemde vaststellingsgronden, is artikel 8 van voornoemd besluit overgenomen in (artikel 2 van) het onderhavige besluit.

     In dit verband is het van belang op te merken dat Wsw-dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten alleen als zodanig worden aangemerkt wanneer deze voldoen aan de voorwaarden die in de wet- en regelgeving daaraan worden gesteld en tot stand zijn gekomen overeenkomstig de (procedurele) voorschriften zoals neergelegd in die wet- en regelgeving. De betreffende voorwaarden en procedurevoorschriften met betrekking tot deze dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten worden hieronder toegelicht.

 

Aanvraag


     Het indienen van een aanvraag tot indicatie markeert het startpunt van de procedure voor plaatsing in het kader van de Wsw. Teneinde de procedure niet te laten stagneren, is het van belang dat de regels inzake de aanvraag in acht worden genomen. Dit houdt onder andere in dat de aanvraag zorgvuldig is ingevuld en dat is voldaan aan artikel 2, tweede lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening (Bisw) betreffende de vermelding van de toestemming van betrokkene tot het raadplegen van bepaalde deskundigen. Voorts is de aanvraag voorzien van de noodzakelijke bijlagen zoals het in artikel 2, derde lid, Bisw genoemde bewijs van inschrijving in de gemeente en het bewijs van inschrijving als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), red.].

     In artikel 2, eerste lid, Bisw en artikel 7, eerste lid, van de wet is geregeld dat Wsw-dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten slechts kunnen worden aangegaan met ingezetenen van de gemeente. Dienstbetrekkingen of arbeidsovereenkomsten aangegaan met niet-ingezetenen komen derhalve niet voor subsidie in aanmerking.

     Ontbreekt bij de aanvraag het bewijs van inschrijving in de gemeente en de gemeente herstelt dit verzuim niet, dan moet worden aangenomen dat betrokkene geen ingezetene van de gemeente is. Is door de gemeente desondanks een dienstbetrekking aangegaan met een persoon die op dat moment geen ingezetene was, dan wordt deze dienstbetrekking niet aangemerkt als een dienstbetrekking in de zin van de wet en komt zij derhalve niet voor subsidie in aanmerking, tenzij de uitzondering, bedoeld in artikel 2, vierde lid, Bisw van toepassing is.

     Het verrichten van werkzaamheden ingevolge de Wsw geschiedt op basis van vrijwilligheid; uit de inschrijving als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie blijkt de bereidheid van betrokkene daartoe. Ontbreekt het bewijs daarvan en laat de gemeente na dit verzuim te herstellen, dan moet worden aangenomen dat betrokkene geen werkzoekende is.

     Een dienstbetrekking aangegaan met een persoon die op dat moment geen werkzoekende was, wordt dan ook niet aangemerkt als een dienstbetrekking in de zin van de wet. Dienstbetrekkingen of arbeidsovereenkomsten aangegaan met niet-werkzoekenden komen derhalve niet voor subsidie in aanmerking.

     Overigens maakt inschrijving als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie het voor de gemeente tevens mogelijk gebruik te maken van de expertise van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij het realiseren van dienstbetrekkingen buiten het tradionele SW-bedrijf.

 

Indicatiecommissie


     In artikel 12, eerste lid, Wsw is bepaald dat het gemeentebestuur een onafhankelijke commissie instelt of aanwijst met als taak het adviseren van de gemeente omtrent de indicatie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, Wsw en de herindicatie, bedoeld in artikel 11, tweede lid, Wsw.
     Niet genoegzaam kan worden benadrukt dat de taak en plaats van de indicatiecommissie van cruciaal belang zijn voor het uitvoeringsproces van de Wsw. De commissie staat immers aan de toegangspoort tot de Wsw. Grote waarde wordt er dan ook aan gehecht dat bij de samenstelling van de commissie wordt voldaan aan hetgeen daarover bij of krachtens de wet is bepaald.
     Het niet voldoen aan deze voorwaarden heeft tot gevolg dat het advies niet juist is uitgebracht en de consequentie daarvan is dat de arbeidsplaats niet voor vergoeding in aanmerking komt.

     Om de kwaliteit van de commissie te waarborgen, is in artikel 12, tweede lid, Wsw aangegeven wie in ieder geval deel moet uitmaken van de indicatiecommissie. Hiertoe behoren de arbeidskundige, de arbeidsmarktdeskundige, de arts en de psycholoog.
     Van een onjuist advies van de indicatiecommissie is dan ook sprake indien het advies is uitgebracht door een commissie die niet overeenkomstig genoemd artikellid is samengesteld.
     In artikel 6 van de Regeling indicatie sociale werkvoorziening (Risw) is bepaald aan welke kwalificaties genoemde deskundigen moeten voldoen.
     Ten aanzien van de arts en psycholoog gelden stringente regels. Van de deskundigheidseisen ten aanzien van de arts en de psycholoog mag niet worden afgeweken. Afwijking hiervan zal ertoe leiden dat het advies niet overeenkomstig de voorschriften tot stand is gekomen als gevolg waarvan de dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst die op basis van een dergelijk onjuist of onvolledig advies tot stand is gekomen, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Anders ligt dit ten aanzien van de overige deskundigen. Ingevolge het zesde lid van artikel 6 Risw heeft het gemeentebestuur de bevoegdheid bij de benoeming van de arbeidskundige, de arbeidsmarktdeskundige en de jurist af te wijken van de betreffende deskundigheidseisen, bedoeld in artikel 6, derde tot en met vijfde lid, Risw. Besluit het gemeentebestuur daartoe, dan dient het zich wel te vergewissen dat de deskundigen, die in afwijking van het derde tot en met vijfde lid van dit artikel worden benoemd, beschikken over een combinatie van opleiding en ervaring die gelijk is te stellen aan de eisen die voor deze deskundigen zijn vastgesteld.
     Voorts is in artikel 8 Risw bepaald dat over een advies van de commissie besloten moet worden in aanwezigheid van de leden of plaatsvervangende leden van elke deskundigheid (eerste lid). Bij een advies over een voornemen tot ontslag van een werknemer als bedoeld in artikel 6, derde lid, Wsw is voorts in alle gevallen de aanwezigheid van een jurist vereist (tweede lid). In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6, derde lid, van dit besluit wordt hierop nader ingegaan.

     Met het oog op de waarborging van de onafhankelijkheid van de commissie is in artikel 12, tweede lid, Wsw de hoofdregel neergelegd inzake de incompatibiliteiten. Uitwerking hiervan heeft plaatsgevonden in artikel 5, eerste lid, onderdeel a tot en met d, Risw. In deze artikelonderdelen is aangegeven welke personen in welke functies geen lid van de commissie kunnen zijn. Blijkt in strijd met bedoelde voorschriften te zijn gehandeld, dan is het advies niet overeenkomstig de voorschriften tot stand gekomen, met als consequentie dat de arbeidsplaats niet voor subsidie in aanmerking komt.

 

Doelgroep


     Hetzelfde geldt voor een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst die is aangegaan met een persoon die niet tot de Wsw-doelgroep behoort of van wie dit (nog) niet is vastgesteld (artikel 11, eerste lid, onderdeel a, Wsw). Ook indien de gemeente heeft beslist dat betrokkene tot de doelgroep behoort, maar zich daarbij heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens, komt een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst niet voor subsidie in aanmerking.
     Bij onjuiste of onvolledige gegevens kan worden gedacht aan het ontbreken van een advies van de indicatiecommissie of een onjuist of onvolledig advies, waarin bijvoorbeeld de beslistabellen (bijlagen behorende bij artikel 3, eerste lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening (Bisw)) niet of niet geheel beargumenteerd zijn ingevuld of relevante stukken ontbreken. Het gaat hierbij om de volgende artikelen van het Bisw:
- artikel 3, derde lid: het gebruik maken door de commissie van het intakeprofiel bij het stellen van de indicatie;
- artikel 3, vierde lid: het opmaken door de commissie van een schriftelijk rapport voor de gemeente over het onderzoek en de bevindingen;
- artikel 4, eerste lid: het adviseren door de commissie van de gemeente over de indicatie. Het advies bevat het schriftelijk rapport van het onderzoek;
- artikel 5, derde lid: het in de indicatiebeschikking van de gemeente opgenomen zijn van acht genoemde aspecten (onderdelen a tot en met h);
- artikel 6, eerste lid: het indelen van betrokkene in een arbeidshandicapcategorie op grond van de noodzakelijke voorzieningen of maatregelen en van het prestatieniveau volgens de beslistabel van bijlage II bij het Bisw.

     Wanneer wordt vastgesteld dat een persoon ten onrechte op een Wsw-dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst werkzaam is omdat niet is vastgesteld dat hij tot de Wsw-doelgroep behoort, kan alsnog worden onderzocht of aan de criteria van de omschrijving van de doelgroep wordt voldaan. Indien dit het geval is, komt zo’n dienstbetrekking in aanmerking voor subsidie zodra de Wsw-indicatie is gesteld. Subsidiëring met terugwerkende kracht is echter niet mogelijk.

     Gezien de financiële gevolgen van een niet-adequate advisering door de commissie - zowel procedureel als inhoudelijk - is het van belang dat de gemeente zich vergewist van de kwaliteit van de indicatieadviezen. In artikel 12, vijfde lid, van de wet is dan ook bepaald dat de gemeente niet alleen zorg draagt voor de ondersteuning van de commissie, maar ook aandacht besteedt aan de kwaliteitszorg. Zoals in paragraaf 2 reeds is gesteld, gaat het bij deze aspecten om zogenoemde kwalitatieve tekortkomingen waarvan het financieel beslag bij benadering niet kan worden gekwantificeerd. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6 van dit besluit wordt hierop nader ingegaan.

     Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat het bovenstaande niet alleen geldt voor indicatie van personen die zich voor de sociale werkvoorziening aanmelden of daartoe zijn aangemeld, maar ook voor personen die reeds een Wsw-dienstbetrekking hebben of die begeleid werken op grond van een arbeidsovereenkomst en voor personen die in aanmerking komen voor herindicatie. In artikel 11, tweede lid, Wsw is ten aanzien van herindicatie geregeld dat het gemeentebestuur periodiek herindicatie verricht. Daarbij dienen de regels die met betrekking tot de herindicatie in artikel 8 van het besluit zijn gesteld, in acht te worden genomen. In artikel 8, derde lid, van het besluit is bepaald dat bij herindicatie dezelfde voorschriften gelden als bij indicatie. Met betrekking tot het (blijven) behoren tot de doelgroep zijn dan met name de artikelen 3 tot en met 6 van het besluit van belang.
     Indien bijvoorbeeld de termijn waarvoor de indicatie gold, verstreken is en de procedure met betrekking tot de herindicatie met inbegrip van de besluitvorming door het gemeentebestuur ten aanzien van het behoren tot de doelgroep nog niet is afgerond (waarbij zo nodig de geldigheidsduur van de indicatie met maximaal twee maanden wordt verlengd), komt de dienstbetrekking niet langer voor subsidie in aanmerking. De subsidieverstrekking kan worden hervat zodra, gehoord de commissie, het gemeentebestuur heeft vastgesteld dat betrokkene nog tot de doelgroep behoort.

 

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1. Definities

     In dit artikel worden enkele in het besluit gebruikte begrippen die nog niet zijn omschreven in de Wet sociale werkvoorziening, gedefinieerd.

 

Artikel 2. Vaststelling subsidie

     Zoals in het algemeen deel van deze toelichting al is aangegeven, is het onderhavige artikel onverkort overgenomen uit het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening.

     De bekostigingssystematiek voorziet in een definitieve vaststelling van de rijksvergoeding aan de gemeente na afloop van het subsidiejaar. De definitieve vaststelling geschiedt, met toepassing van artikel 9 van de wet, op grond van de door de gemeente verstrekte gegevens.
     Werknemers die vóór inwerkingtreding van de wet al een dienstbetrekking hadden, worden op grond van artikel 9 van het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening administratief ingedeeld in de categorie matig.
     De nieuwe werknemers worden ingedeeld in drie categorieën van arbeidshandicap met daarbij behorende vergoedingenniveaus.
     Jaarlijks wordt met de VNG overlegd over het aantal landelijk te subsidiëren arbeidsplaatsen en de gemiddelde subsidie per arbeidsplaats. Het is de bedoeling tevens indicatieve afspraken te maken voor de drie daaropvolgende jaren. De vaststelling van de normbedragen voor de budgettoekenning en de subsidievaststelling voor de latere jaren wordt mede bepaald met behulp van een periodiek te herhalen onderzoek naar de feitelijke relatie tussen beperkingscategorie, loon- en overige kosten en toegevoegde waarde.

     Gemeenten krijgen voor personen die na 1 januari 1998 na een indicatie op grond van de wet op een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst zijn geplaatst, een subsidie gebaseerd op een werkweek van maximaal gemiddeld 32 uur. Dit in het vierde lid van het onderhavige artikel opgenomen uitgangspunt is een nadere invulling van artikel 8, vijfde lid, van de wet. Genoemd artikellid ziet alleen toe op dienstbetrekkingen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de wet. Hetzelfde uitgangspunt is echter ook gekozen voor arbeidsovereenkomsten op grond van hoofdstuk 3 van de wet. Basis voor deze benadering vormt artikel 7, tweede lid, van de wet.
     Het voorgaande betekent dat voor een gemeente bij de vaststelling van de subsidie over enig jaar het gemiddelde aantal uren van de dienstbetrekkingen en de arbeidsovereenkomsten van de bovengenoemde groep personen wordt berekend. Voor zover dit uitkomt boven een gemiddelde van 32 uur wordt voor het meerdere geen subsidie verstrekt. Bij de berekening van dit bedrag wordt uitgegaan van de feitelijke bezetting.
     Blijft een gemeente gemiddeld onder de 32 uur, dan wordt subsidie verstrekt naar het feitelijk aantal uren. Daarbij geldt tevens dat de gemeente niet meer aan subsidie ontvangt dan het toegekende aantal standaardeenheden.

     De bepaling van het meerdere boven het maximaal gemiddelde van 32 uur gebeurt als volgt. Om het meerdere te berekenen, wordt allereerst het aantal aanstellingen (dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst) opgeteld. Wanneer een aanstelling slechts voor een deel van het jaar bestond, geldt deze ook alleen voor dat deel. Vervolgens worden de aantallen uren per aanstelling opgeteld. Ingeval iemand slechts een deel van het jaar werkt, tellen de uren slechts voor dat deel. Bij een verandering in uren tijdens het jaar wordt het (gewogen) gemiddelde aantal uren van de aanstelling over het jaar genomen. Op deze wijze wordt het totale aantal aanstellingen en het totale aantal aanstellingsuren bepaald. Vervolgens wordt het aantal aanstellingen met 32 uur vermenigvuldigd. Bij een lagere uitkomst dan het aantal aanstellingsuren bestaat het meerdere uit het verschil tussen die twee aantallen.
     Het meerdere wordt vervolgens uitgedrukt in standaardeenheden. Om te berekenen hoeveel standaardeenheden dit betreft, moet voor de gemeente het totale aantal standaardeenheden die door de nieuw ingestroomden in het subsidiejaar zijn gerealiseerd, gedeeld worden door het genoemde aantal aanstellingsuren. Dit geeft aan bij de betreffende gemeente welk deel van een standaardeenheid er gemiddeld per aanstellingsuur is gerealiseerd. Het meerdere aantal uren wordt vervolgens hierin uitgedrukt.

     Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de formulering van het eerste lid van dit artikel betreffende de termijn waarbinnen de gemeenten bepaalde bescheiden verstrekt, te verduidelijken in verband met de handhaving van deze bepaling. De verduidelijking houdt in dat in plaats van het moment van indiening van de over te leggen bescheiden thans het moment van ontvangst van deze bescheiden bij de minister bepalend is voor de vraag of sprake is van overschrijding van de voorgeschreven termijn.
     Daarnaast is in het tweede lid van dit artikel thans ook een bepaling opgenomen met betrekking tot het ambtshalve vaststellen van de subsidie door de minister indien de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, niet binnen een termijn van achttien maanden na afloop van het kalenderjaar zijn ontvangen. Een dergelijke bepaling ontbrak tot nu toe met betrekking tot de Wsw-subsidie.
     De formulering van genoemde bepalingen sluit aan bij de formulering van overeenkomstige bepalingen in andere subsidie- en uitkeringsregelingen zoals de Algemene bijstandswet, de Wiw en het Besluit in- en doorstroombanen.

     Algemene regels over hoe te handelen in geval van ambtshalve vaststelling van de subsidie zijn niet te geven; het gaat hierbij om maatwerk. De ambtshalve vaststelling is een uiterste middel dat in de praktijk niet gauw toepassing zal vinden, omdat daarvóór reeds andere maatregelen zullen zijn getroffen. Zo wordt bij het niet tijdig inzenden van de vereiste verantwoording de lopende bevoorschotting stopgezet. Het stopzetten geschiedt op grond van de beleidsregels omtrent de handhaving van de termijn- en vormvoorschriften, vastgelegd in mijn brief van 15 juni 2000, nr. FEZ/BK/00/7043, en gepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 2000, 113).
     De ervaring wijst uit dat het staken van de bevoorschotting voor de gemeente voldoende grond vormt om contact met het ministerie op te nemen. Blijft een gemeente hierin niettemin nalatig, dan zal het ministerie zelf contact opnemen met de gemeente en zo nodig een nader onderzoek instellen alvorens tot ambtshalve vaststelling over te gaan. De financiële gevolgen daarvan zullen dan afhangen van de mate waarin in dat geval het recht op subsidie kan worden vastgesteld. Als vaststelling - vanwege het ontbreken van enige verantwoordingsinformatie - uiteindelijk niet mogelijk is en de conclusie moet zijn dat geen recht op subsidie bestaat, is de uiterste consequentie dat de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld op nihil en dat de ontvangen subsidie wordt teruggevorderd.

 

Artikel 3. Werknemers die niet meer tot de doelgroep behoren

     In dit artikel is bepaald dat indien een dienstbetrekking met een werknemer, nadat is vastgesteld dat hij niet langer tot de Wsw-doelgroep behoort, langer wordt voortgezet (dan de voor hem geldende opzegtermijn), het bedrag van de maatregel wordt vastgesteld op het bedrag dat aan subsidie is verleend voor die dienstbetrekking. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat, gelet op de financieringssystematiek van de wet, met "subsidie (...) voor die dienstbetrekking" wordt gedoeld op de subsidie die is verleend voor een dienstbetrekking met een persoon die is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie van de betreffende werknemer. Daarbij dient rekening te worden gehouden met hetgeen in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van de wet is bepaald, namelijk dat opzegging van de dienstbetrekking alleen mogelijk is zodra voor betrokkene een alternatieve mogelijkheid voor opvang feitelijk beschikbaar is dan wel zodra hij een aanbod tot passende arbeid onder normale omstandigheden heeft geweigerd. Er kan dus alleen een maatregel worden opgelegd indien uit het dossier van betrokkene blijkt dat feitelijke opvang beschikbaar was dan wel dat betrokkene passende arbeid heeft geweigerd en de dienstbetrekking nadien door de gemeente is voortgezet. De dienstbetrekking komt niet voor rijkssubsidie in aanmerking vanaf het moment dat betrokkene passende reguliere arbeid heeft geweigerd of voor hem feitelijke opvang beschikbaar was.

     Op grond van artikel 8, derde lid, Bisw gelden bij herindicatie dezelfde voorschriften als bij indicatie. Met betrekking tot het (blijven) behoren tot de doelgroep zijn dan met name de artikelen 3 tot en met 6 Bisw van belang. Indien een herindicatie ertoe leidt dat een persoon niet meer tot de doelgroep behoort, hangt het ervan af in welke positie de betrokkene verkeert. Was hij reeds werknemer, dan dient te worden gehandeld zoals hierboven is beschreven. Dit betekent dat de dienstbetrekking niet meer voor rijkssubsidie in aanmerking komt vanaf het moment dat betrokkene passende reguliere arbeid heeft geweigerd of voor hem feitelijke opvang beschikbaar was.
     Staat betrokkene op de wachtlijst, dan is de consequentie dat hij daarvan wordt afgevoerd. Hieraan zijn geen financiële consequenties verbonden in de zin dat het gevolgen heeft voor de vaststelling van de subsidie van het betreffende subsidiejaar. Helemaal zonder consequenties is het afvoeren van de wachtlijst echter niet, aangezien de gegevens van de wachtlijst worden betrokken in het financieel verdeelmodel. Dit model opgenomen in het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening vormt de basis voor de berekening van de subsidie per gemeente, waarbij het aantal door het Rijk te subsidiëren arbeidsplaatsen onder andere wordt bepaald door de grondslag van de gemeente te verminderen met de vacatureruimte. Dit aantal wordt vervolgens vermeerderd met de relatieve wachtlijst vermenigvuldigd met de landelijke vacatureruimte. Deze berekeningswijze leidt ertoe dat op termijn het afvoeren van de wachtlijst doorwerkt in de hoogte van de subsidie aan de gemeente.

 

Artikel 4. Handelen in strijd met de wet

     Op grond van dit artikel wordt een maatregel opgelegd bij onrechtmatige wetsuitvoering. Het bedrag van de maatregel sluit aan bij het financieel beslag van de onrechtmatigheid in de uitvoering. Dit betekent dat onderzoek zal moeten worden gedaan naar de omvang van de uitgaven die in strijd met de wet zijn gedaan. Ter bepaling hiervan zal gebruik worden gemaakt van de bevindingen van de gemeentelijke accountant. Het onderzoek van de accountant vindt plaats overeenkomstig het zogenoemde controle- en rapportageprotocol, vastgesteld op grond van de Regeling financiering en verantwoording Wet sociale werkvoorziening.
     Zoals reeds gebeurde overeenkomstig de in het algemene deel van deze nota van toelichting genoemde uitgangspunten bij de subsidievaststelling voor de jaren 1998 tot en met 2001, wordt de subsidie ook teruggevorderd of verrekend indien de verleende subsidie blijkens de accountantsverklaring of het onderzoek van de Rijksconsulent Sociale Zekerheid is gebaseerd op onjuiste gegevens.
     In paragraaf 3 van het algemene deel van de nota van toelichting over het toetsingskader is reeds uitgebreid uiteengezet dat Wsw-dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten slechts als zodanig worden aangemerkt indien deze voldoen aan de voorwaarden die ingevolge de wet- en daarop gebaseerde regelgeving daaraan worden gesteld en tot stand zijn gekomen overeenkomstig de voorschriften zoals deze zijn neergelegd in die wet- en regelgeving. Wordt hieraan niet voldaan, dan heeft dit tot gevolg dat de dienstbetrekkingen of arbeidsovereenkomsten niet voor subsidie in aanmerking komen. Voor een toelichting op de betreffende voorschriften wordt verwezen naar genoemde paragraaf 3.

     In het tweede lid is geregeld met welk financieel beslag rekening wordt gehouden indien een gemeente verzuimd heeft de handicapcategorie van een persoon vast te stellen nadat het gemeentebestuur wel heeft vastgesteld dat betrokkene tot de doelgroep behoort. Zoals in paragraaf 2 van het algemene deel van deze nota van toelichting is aangegeven, is in deze situatie wel sprake van een directe relatie tussen onrechtmatige wetsuitvoering en financieel beslag, maar het financiële beslag is slechts indirect vast te stellen. Om onduidelijkheid met betrekking tot de financiële consequenties te vermijden, is in het tweede lid geregeld dat in zo’n situatie wordt uitgegaan van indeling in de arbeidshandicapcategorie licht.

 

Artikel 5. Vaststelling percentage

     In dit artikel is het algemene uitgangspunt opgenomen dat, indien het bedrag van de maatregel in verband met een onrechtmatigheid in de uitvoering als bedoeld in artikel 4 van dit besluit niet kan worden vastgesteld vanwege het ontbreken van een directe relatie tussen tekortkoming en financieel beslag, dit bedrag wordt vastgesteld op een percentage van het totaalbedrag dat aan subsidie over het betreffende jaar is verleend. Slechts in een beperkt aantal situaties is hiervan sprake. Het gaat hierbij om de in de artikelen 6 tot en met 8 van dit besluit opgenomen tekortkomingen.
     Zoals in paragraaf 2 van het algemene deel van deze nota van toelichting reeds is aangegeven, is met het oog op de bevordering van eenheid in beleid binnen het ministerie aansluiting gezocht bij de uitgangspunten van het normstelsel voor de vergoeding voor uitvoeringskosten van de wetgeving op het terrein van de bijstand zoals dat is opgenomen in de Regeling financiering en verantwoording Abw, Ioaw en Ioaz en het Besluit weigering rijksvergoeding Wik. Gezien de ernst van de in dit besluit benoemde tekortkomingen is in het algemeen ervoor gekozen deze in de genoemde regeling gehanteerde, zwaardere percentageklasse van 0, 0,5 of 1 in te delen. Hierop is één uitzondering gemaakt; dit betreft het beheren van de wachtlijst. Gezien de aard van de tekortkomingen met betrekking tot het beheer van de wachtlijst worden deze tekortkomingen minder zwaar beoordeeld. In verband hiermee zijn deze ingedeeld in de percentageklasse 0, 0,1 of 0,2.
     In de gevallen waarin sprake is van in het algemeen deel van deze nota van toelichting omschreven zogenoemde kwalitatieve tekortkomingen, wordt één percentage gehanteerd.

 

Artikel 6. (Her)indicatie

     Bij tekortkomingen inzake het stellen van de indicatie, de herindicatie, plaatsing op de wachtlijst en de commissie, ontbreekt in een aantal gevallen een directe relatie tussen de tekortkoming en het financieel beslag. Waar een directe relatie wel is te leggen, geldt zoals in paragraaf 3 van het algemene deel van deze nota van toelichting reeds is gesteld dat het met de tekortkoming gemoeide bedrag niet voor vergoeding in aanmerking komt.
     Dit artikel heeft dus wat betreft de indicatie en herindicatie uitsluitend betrekking op de niet directe relatie tussen tekortkomingen en financieel beslag. In dit artikel is bepaald met welke percentages de subsidie wordt verlaagd indien een dergelijke tekortkoming is geconstateerd. Het gaat hierbij om de volgende categorieën tekortkomingen:


Eerste lid, onderdeel a

     Het dossier is niet volledig, zodat niet kan worden vastgesteld of het stellen van de (her)indicatie rechtmatig is geschied, waarbij het gaat om de volgende bepalingen:
- artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Wsw: het bepalen of betrokkene in aanmerking komt voor begeleid werken;
- artikel 11, eerste lid, onderdeel e, Wsw: het bepalen of betrokkene in aanmerking komt voor een scholingstraject;
- artikel 2, eerste en tweede lid, Risw: in het eerste en tweede lid van dit artikel is de geldigheidsduur van de indicatie en herindicatie opgenomen van personen die op de wachtlijst zijn geplaatst. Door zich niet te houden aan genoemde termijnen kunnen personen onrechtmatig op de wachtlijst blijven staan. Aangezien het bestand van de wachtlijst uiteindelijk doorwerkt in de hoogte van de subsidie aan de gemeente, is het van belang dat deze een zuiver beeld geeft. Het niet voldoen aan de termijnen, genoemd in het derde en vierde lid, heeft tot gevolg dat na ommekomst van genoemde termijnen zonder dat een herindicatie heeft plaatsgevonden de dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst niet langer voor subsidie in aanmerking komt. Op deze situatie is in paragraaf 3 van het algemene deel van deze nota van toelichting reeds ingegaan;
- artikel 3 Risw: in dit artikel is geregeld dat het gemeentebestuur van de in artikel 2, vierde lid, genoemde termijnen mag afwijken, mits wordt voldaan aan twee voorwaarden. Deze houden in dat een onderzoeksplan wordt opgesteld en dat de termijn voor geen enkele geïndiceerde meer bedraagt dan vijf jaar.


Eerste lid, onderdeel b

     De plaatsing op de wachtlijst is niet correct, waarbij het gaat om de volgende bepalingen:
- artikel 7, tweede lid, Bisw: plaatsing op de wachtlijst moet geschieden op volgorde van de datum van aanvraag tot indicatie;
- artikel 7, derde lid, Bisw: het vermelden van ten minste zeven gegevens bij plaatsing op de wachtlijst (onderdelen a tot en met g);
- artikel 7, vierde lid, Bisw: het van de wachtlijst halen van betrokkene gebeurt met ingang van een bepaalde dag overeenkomstig de onderdelen a tot en met h;
- artikel 7, vijfde lid, Bisw: het bij verhuizing van de betrokkene door de gemeente van vestiging plaatsen op de wachtlijst op de indicatiedatum van de oorspronkelijke plaatsing;
- artikel 7, zesde lid, Bisw: het plaatsen op de wachtlijst op de oorspronkelijke indicatiedatum van de betrokken persoon die vanaf de wachtlijst regulier werk heeft aanvaard en vervolgens binnen één jaar onvrijwillig werkloos is geworden (op verzoek van betrokkene en voor zover hij nog tot de doelgroep behoort);
- artikel 7, zevende lid, Bisw: het plaatsen op de wachtlijst op de oorspronkelijke indicatiedatum van de betrokken persoon die begeleid werkt en vervolgens binnen één jaar onvrijwillig werkloos is geworden (op verzoek van betrokkene en voor zover hij nog tot de doelgroep behoort);
- artikel 7, achtste lid, Bisw: het op de wachtlijst plaatsen op de oorspronkelijke indicatiedatum van de betrokken persoon die is doorgestroomd naar arbeid buiten de sociale werkvoorziening en vervolgens binnen één jaar onvrijwillig werkloos is geworden en het bij voorrang aanbieden van een dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst (op verzoek van betrokkene en voor zover hij nog tot de doelgroep behoort);
- artikel 8, derde lid, Bisw: bij herindicatie gelden dezelfde voorschriften als bij indicatie.


Tweede lid

     De ondersteuning en kwaliteitszorg van de indicatiecommissie voldoen niet aan de gestelde voorschriften. In paragraaf 3 van het algemene deel van de toelichting is reeds ingegaan op de taak en plaats van de indicatiecommissie in relatie tot het in aanmerking nemen van arbeidsplaatsen voor vergoeding. Daarbij is nader ingegaan op de instelling en samenstelling van de commissie en op de incompatibiliteiten; dit vanuit een oogpunt van kwaliteit en onafhankelijkheid. Deze aspecten rond de commissie worden geacht een directe relatie te hebben met de arbeidsplaats.
     De werkwijze mist deze directe relatie. In verband hiermede heeft zij een plaats gekregen in artikel 6, tweede lid, van dit besluit, evenals de kwaliteitszorg. Zoals in paragraaf 2 van het algemene deel van deze nota van toelichting reeds is aangegeven, wordt in geval van een zogenoemde kwalitatieve tekortkoming volstaan met het toepassen van één percentage. Gezien het belang dat wordt gehecht aan de inrichting en het beheer van een kwalitatief goede organisatie, is dit percentage gesteld op 1.
     Het gaat hierbij om de volgende bepalingen:
Onderdeel a. artikel 12, vijfde lid, Wsw: het door het gemeentebestuur zorg dragen voor ondersteuning van de commissie, waarbij in ieder geval aandacht moet worden besteed aan de kwaliteitszorg;
Onderdeel b. artikel 10, eerste lid, Bisw: het door het gemeentebestuur vastleggen van de taak en werkwijze van de commissie, alsmede van de eigen taak en werkwijze van het gemeentebestuur bij de indicatie, herindicatie en voorgenomen opzegging van de dienstbetrekking in een besluit;
Onderdeel c. artikel 9 Risw: het door de gemeente vaststellen van een kwaliteitszorgsysteem op basis waarvan de kwaliteit van het proces van indicatie wordt getoetst.


Derde lid

     Indien het gemeentebestuur het voornemen heeft om tot opzegging van een dienstbetrekking over te gaan om andere reden dan het niet meewerken van de werknemer aan een herindicatie of omdat de werknemer (blijkens de onaantastbaar geworden herindicatiebeschikking) niet langer tot de doelgroep behoort, wordt de commissie om advies gevraagd. Dit is geregeld in artikel 6, derde lid, Wsw. Op grond van artikel 6, vierde lid, Wsw bevat artikel 9 Bisw de nadere uitwerking daarvan. In artikel 9, tweede lid, Bisw is geregeld dat bij de advisering over het voornemen tot opzegging van de dienstbetrekking door het gemeentebestuur een jurist aan de commissie wordt toegevoegd. Vanwege de consequenties die een opzegging van de dienstbetrekking voor de betrokken werknemer met zich brengt, is het van belang dat de procedures die hiervoor gelden, in acht worden genomen met inbegrip van de juridische aspecten. Het niet voldoen aan deze voorwaarde is vanwege de ernst van de tekortkoming dan ook ingedeeld in de percentageklasse van 0,5.

     De in het eerste lid, onderdeel b, genoemde percentages maken duidelijk dat tekortkomingen bij een incorrecte wachtlijstplaatsing minder zwaar worden beoordeeld dan die in het kader van de werkwijze van de commissie. Tekortkomingen in de procedure bij bijvoorbeeld (her)indicatie schaden immers de belangen van de direct betrokkenen, terwijl de effecten van een onjuiste datering voor plaatsing op de wachtlijst in het algemeen voor de betrokkenen minder ingrijpend zullen zijn.
     Zoals reeds in paragraaf 3 van het algemene deel van de nota van toelichting inzake het toetsingskader is gesteld, zijn de taak en plaats van de indicatiecommissie van cruciaal belang voor het uitvoeringsproces van de Wsw. Grote waarde wordt er dan ook aan gehecht dat zeker met betrekking tot de voorwaarden die samenhangen met de indicatie, wordt voldaan aan hetgeen daarover bij of krachtens de wet is bepaald. Om deze reden zijn de in dit artikel bedoelde aspecten ingedeeld in de zwaardere percentageklasse.

 

Artikel 7. Begeleidingsorganisatie

     In dit artikel is geregeld dat een maatregel wordt opgelegd als de gemeente haar verantwoordelijkheid jegens de persoon die begeleid gaat werken, verzaakt en haar toezichthoudende verantwoordelijkheid ten aanzien van de begeleidingsorganisatie niet waarmaakt. In artikel 3, tweede lid, van het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening is geregeld dat het gemeentebestuur bij het tot stand doen brengen van een arbeidsovereenkomst in het kader van begeleid werken een begeleidingsorganisatie inschakelt. Het is aan het gemeentebestuur zorg te dragen voor arbeidsinpassing met inbegrip van de begeleiding van betrokkene op de werkplek. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met de wensen van betrokkene, onder andere met betrekking tot de keuze van de begeleidingsorganisatie.
     Het is van groot belang dat op een goede wijze invulling wordt gegeven aan de begeleiding van de werknemer die in het kader van hoofdstuk 3 van de wet werkzaam is. Daartoe is in artikel 6, eerste lid, van het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening bepaald dat het gemeentebestuur erop toeziet dat de begeleidingsorganisatie bij de begeleiding van de werknemer het bepaalde in dit artikel in acht neemt. Blijft een begeleidingsorganisatie in gebreke, dan is het aan de gemeente om de organisatie hierop aan te spreken. Voorkomen moet worden dat door het niet goed functioneren van de organisatie zij tekortschiet in haar taakvervulling jegens de werknemer, met het risico dat deze zich niet kan handhaven op zijn werkplek. Gezien de ernst van de tekortkoming is de maatregel gesteld op het hoogste percentage van 1 van de zwaardere percentageklasse.

 

Artikel 8. Vastleggen en bewaren informatie

     Op grond van dit artikel wordt een maatregel opgelegd als de gemeente niet de informatie opslaat, bewaart en bijhoudt over de opvang van personen buiten het kader van de wet, die op 31 december 1997 nog tot de doelgroep van de wet behoorden en die na herindicatie ingevolge de voorschriften van de huidige wet niet meer tot de doelgroep behoren en van de wachtlijst zijn afgevoerd, de zogenaamde registratieverplichting oude wachtlijst. De genoemde verplichting is opgenomen in artikel 2, vierde lid, van de Regeling statistiek Wet sociale werkvoorziening. De gemeente is verplicht deze informatie op te slaan en te bewaren overeenkomstig de bij genoemde regeling behorende bijlage.
     Om te kunnen voldoen aan deze verplichting kan de gemeente ervoor kiezen samen te werken met de daarvoor in aanmerking komende instellingen. Hierbij wordt allereerst gedacht aan het werkvoorzieningschap en dan met name de afdeling Personeelszaken. Blijkt dat betrokkene inmiddels in dienstbetrekking werkzaam is, dan ligt het in de rede die werkgever daarvoor te benaderen. Mocht deze geen medewerking willen verlenen, dan kan de gemeente ervoor kiezen om de betrokken persoon zelf te benaderen om de noodzakelijke gegevens te achterhalen. Ingeval betrokkene in dagopvang zit, dan kan de betrokken instelling worden benaderd voor het verkrijgen van de nodige gegevens.

 

Artikel 9. Procedure vaststelling percentages

     Naarmate de tekortkomingen betrekking hebben op een groter deel van het betreffende bestand, gelden hogere percentages. In het eerste lid is aangegeven bij welke omvang van tekortkomingen welk percentage moet worden toegepast. In onderdeel a is ten aanzien van het minimumpercentage (0%) bepaald dat dit wordt toegepast in die gevallen waarin de tekortkomingen zich beperken tot minder dan 15% van het onderzochte bestand.
     Het in onderdeel b als tweede genoemde percentage wordt toegepast als de tekortkoming zich voordoet in ten minste 15%, doch niet meer dan 50% van het onderzochte bestand. Het in onderdeel c genoemde percentage vindt toepassing indien de tekortkomingen zich uitstrekken tot meer dan 50% van het onderzochte bestand.

     Op grond van het tweede lid worden bij samenloop van de tekortkomingen, bedoeld in de artikelen 6, 7 en 8, de vastgestelde percentages voor de verschillende tekortkomingen bij elkaar opgeteld.
     Indien de tekortkoming betrekking heeft op een deel van het subsidiejaar, wordt op grond van het derde lid het bedrag naar evenredigheid vastgesteld.

 

Artikel 10. Voorrangsruimte arbeidsovereenkomsten

     In artikel 2 van het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening is bepaald dat bij ministeriële regeling jaarlijks wordt vastgesteld welk deel van de door het gemeentebestuur op te vullen vacatureruimte ten minste wordt gebruikt voor het bij voorrang aangaan van arbeidsovereenkomsten in de zin van hoofdstuk 3 van de wet. Voor het jaar 2000 bijvoorbeeld is dit percentage in de Regeling arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening gesteld op 25. Wordt hieraan niet voldaan, dan wordt bij de vaststelling van de subsidie daarmee rekening gehouden. Het bedrag van de maatregel wordt in die situatie vastgesteld op het bedrag dat wordt verkregen door het aantal niet-gerealiseerde arbeidsovereenkomsten, bedoeld in hoofdstuk 3 van de wet, te vermenigvuldigen met het bedrag behorende bij een arbeidsovereenkomst met een persoon die is ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie licht.

     Aan de hand van een voorbeeld zal dit worden geïllustreerd.
     Vastgesteld wordt hoeveel nieuwe dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten de gemeente in een jaar heeft gerealiseerd; dit aantal bedraagt twintig. Ingevolge artikel 2 van het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening juncto artikel 2, derde lid, van de Regeling arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening moet de gemeente dan in dat jaar minimaal vijf nieuwe arbeidsovereenkomsten in de zin van hoofdstuk 3 van de wet hebben gerealiseerd. De gemeente blijkt echter maar drie nieuwe arbeidsovereenkomsten te hebben gerealiseerd. Bij de vaststelling van de subsidie - voor zover het gemeentebestuur de onderrealisatie kan worden verweten - zal de verleende subsidie met een bedrag ter hoogte van de subsidie voor twee volledige arbeidsplaatsen, ingedeeld in de arbeidshandicapcategorie licht, worden verlaagd.

     Voor de goede orde wordt opgemerkt dat elk jaar op basis van de nieuwe taakstelling voor het betreffende subsidiejaar wordt nagegaan of de gemeente voldoet aan haar taakstelling inzake de realisatie van arbeidsovereenkomsten in de zin van hoofdstuk 3 van de wet.

     In het tweede lid is geregeld dat geen maatregel wordt getroffen ingeval de gemeente aannemelijk kan maken dat haar geen verwijt treft aan het niet hebben voldaan aan het eerste lid.
     Verwijtbaarheid is in ieder geval niet aan de orde indien, ondanks aantoonbare inspanningen van de gemeente, niet genoeg arbeidsplaatsen voor begeleid werkers kunnen worden gevonden, er onvoldoende personen zijn die, ondanks hun indicatie voor begeleid werken, als zodanig willen werken en in het geval er onvoldoende begeleidingsorganisaties zijn om genoemd percentage te halen.

 

Artikel 11. Subsidieoverschot

     Een subsidieoverschot ontstaat wanneer het in enig jaar totaal beschikbare budget (inclusief terugontvangsten van derden onafhankelijk van het jaar en toevoegingen uit overschotten uit voorgaande jaren) meer bedraagt dan de bestedingen uit dat budget. De hoogte van het subsidieoverschot over enig subsidiejaar volgt uit invulling van onderdeel A, berekening subsidieoverschot, van de jaaropgave. Op dit onderdeel van de jaaropgave kan tevens de bestemming van het subsidieoverschot worden aangegeven. Bij de vaststelling van de subsidie over een subsidiejaar wordt de juiste hoogte van het subsidieoverschot bepaald.
     Op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de wet dient binnen één jaar na afloop van het subsidiejaar een bestemming te worden gegeven aan een subsidieoverschot. Daarnaast dient een subsidieoverschot overeenkomstig de gegeven bestemming binnen een redelijke termijn te worden besteed. Deze redelijke termijn is vastgesteld op drie jaar na afloop van het subsidiejaar. Het besluit van het gemeentebestuur wordt schriftelijk vastgelegd, met vermelding van de hoogte van het subsidieoverschot, de bestemming en de termijn van besteding.
     Indien uit de gemeentelijke administratie niet blijkt dat een bestemming conform de wettelijke bepaling is gegeven aan een subsidieoverschot binnen de gestelde termijn of de besteding daarvan niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, wordt het subsidieoverschot (gedeeltelijk) teruggevorderd dan wel verrekend met de subsidie over het lopende jaar.

 

Artikel 12Wijziging Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening


Onderdeel A.

     De wijziging van artikel 6 van het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening strekt evenals artikel 2, eerste lid, van dit besluit tot een verduidelijking van de termijnvoorschriften in deze bepaling. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij genoemd artikellid.


Onderdeel B.

     Bij de Wet van 30 november 2000, houdende wijziging van de Wet sociale werkvoorziening in verband met het vervallen van de mogelijkheid om op verzoek van een gemeente een andere subsidie te verlenen dan zou voortvloeien uit de reguliere toepassing van die wet (Stb. 2000, 594), is het met betrekking tot die mogelijkheid destijds bestaande artikel 8, zevende lid, Wsw vervallen. Als gevolg hiervan is de op deze bepaling gebaseerde uitvoeringsregeling ¹, bedoeld in artikel 7 van het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening, van rechtswege vervallen. Ter wille van de duidelijkheid is bij het onderhavige onderdeel het betreffende artikel 7 ook feitelijk geschrapt.
     Eveneens met het oog op de duidelijkheid en toegankelijkheid is ervoor gekozen alle bepalingen met betrekking tot de vaststelling van de subsidie in één, dat wil zeggen, dit besluit op te nemen. Ter uitvoering hiervan is het voormalige artikel 8 van het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening inzake de vaststelling van de subsidie in zijn geheel overgenomen in artikel 2 van het onderhavige besluit en kan mitsdien artikel 8 van genoemd besluit vervallen.
     De artikelen 10 en 11 van het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening zijn geëxpireerd en zijn mitsdien geschrapt.

1. Regeling andere subsidie Wet sociale werkvoorziening, Stcrt. 1999, 28, red.

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
W.A.F.G. Vermeend

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wsw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x