Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.
   

 

 

 

 

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING

Nadere regelgeving:
- Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit bijdrage AWBZ-gemeenten (vervallen)
- Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw en Ioaz
- Besluit rijksvergoeding Wvg-woonvoorzieningen (vervallen)
- Protocol Wvg (vervallen)
- Regeling bijdrage AWBZ-gemeenten 2002 en 2003 (vervallen)
- Regeling bijdrage AWBZ-gemeenten 2004 (vervallen)
- Regeling bijdrage AWBZ-gemeenten 2005 (vervallen)
- Regeling bijdrage AWBZ-gemeenten 2006 (vervallen)
- Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg (vervallen)
- Regeling sociaal vervoer AWBZ-instellingen (vervallen)
- SZW-intrekkingsregeling 2004

Relevante overige regelgeving:
- Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
- Besluit regeling vergoeding Bijzondere Ziektekostenverzekering (vervallen)
- Besluit zorgaanspraken AWBZ
- Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering (vervallen)
- Regeling hulpmiddelen 1996 (vervallen)
- Regeling tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen 2000
- Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering (vervallen)
- Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
- Wet maatschappelijke ondersteuning
- Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
- Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (vervallen)
- Wet sociale werkvoorziening
- Ziekenfondswet (vervallen)
- Zorgindicatiebesluit
- Zorgverzekeringswet

 

 

Inhoudsopgave Wvg

xx§ 1x Algemene bepalingen artt. 1 - 1a
xx§ 2x De voorzieningen artt. 2 - 11
xx§ 3x Wijzigingen in andere wetten en regelingen artt. 12 - 21
xx§ 4x Evaluatie art. 22
xx§ 5x Overgangs- en slotbepalingen artt. 23 - 30
xxxxxxxr   xxxxxxxxxxr

Parlementaire behandeling:
Kamerstukken II 1992-1993, 22 815.
Handelingen II 1992-1993, blz. 4786-4831, 4847-4872, 4897-4937, 4944-4946.
Kamerstukken I 1992-1993, 22 815 (274, 274a, 274b, 274c, 274d, 274e, 274f, 274g); 1993-1994, 22 815 (1, 1a, 1b, 1c, 1d, 1e).
Handelingen I 1993-1994, zie vergaderingen d.d. 28 september 1993 en 5 oktober 1993.

Geschiedenis:
Staatsblad 1995, 691Staatsblad 1997, 162Staatsblad 1997, 510Staatsblad 1997, 660Staatsblad 1997, 768Staatsblad 1997, 789Staatsblad 1998, 459Staatsblad 1998, 742Staatsblad 1999, 30Staatsblad 1999, 598Staatsblad 2000, 238Staatsblad 2000, 496Staatsblad 2001, 481Staatsblad 2005, 530Staatsblad 2006, 351Staatsblad 2006, 644.

 

 

WET van 7 oktober 1993, Stb. 1993, 545, houdende regels met betrekking tot de verlening van voorzieningen aan gehandicapten (Wet voorzieningen gehandicapten). Inwerkingtreding: 1 april 1994 (Stb. 1993, 657).

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het vanuit een oogmerk van doelmatigheid wenselijk is de verstrekking van woonvoorzieningen op grond van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten en leefvoorzieningen alsmede genees- en heelkundige voorzieningen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet te beëindigen en de gemeenten te belasten met de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen en aldus mede te bevorderen dat personen van 65 jaar of ouder geleidelijk en op passende wijze in aanmerking kunnen worden gebracht voor voorzieningen die thans krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet in beginsel uitsluitend worden verstrekt aan personen onder de 65 jaar;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1. [Begripsbepalingen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 660Stb. 1997, 789 + bisStb. 1998, 459Stb. 1999, 598Stb. 2000, 238Stb. 2006, 351]
-1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. een gehandicapte: een persoon die tengevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen;
b. woonruimte:
1. een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden;
2. een woonwagen als bedoeld in de Woningwet;
3. een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet;
4. een verblijf van een binnenschip;
c. woonvoorziening: elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt, indien de voorziening:
1. gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen; of
2. een uitraasruimte betreft;
d. vervoersvoorziening: een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt;
e. uitraasruimte: een verblijfsruimte waarin een gehandicapte die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen.
-2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. gehuwd: als partner geregistreerd.
-3. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

 

Art. 1a. [Verordening cliëntenparticipatie]  [GeschiedenisStb. 1999, 598Stb. 2005, 530Stb. 2006, 351]
-1. De gemeenteraad stelt bij verordening regels vast die zijn gericht op de realisatie en de vormgeving van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet met inachtneming van artikel 150 van de Gemeentewet.
-2. In deze verordening worden ten minste geregeld:
a. dat de reikwijdte van de cliëntenparticipatie betrekking heeft op het integrale gemeentelijke gehandicaptenbeleid;
b. dat het college van burgemeester en wethouders tijdig advies vraagt aan de lokale platforms over wijziging in de verordening en uitvoeringsregelingen;
c. welke faciliteiten het college van burgemeester en wethouders beschikbaar stelt aan de lokale platforms.

 

 

§ 2.  De voorzieningen

 

Art. 2. [Gemeentelijke zorgplicht verlening woon- en vervoersvoorzieningen en rolstoelen; Wvg-verordening]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1999, 30Stb. 2005, 530Stb. 2006, 351Stb. 2006, 644]
-1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten. De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1992, 392) is toegelaten.
-3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met betrekking tot het tweede lid afwijkende regels stellen. [RsvA]

 

Art. 3. [Aanbod verantwoorde voorzieningen]  [GeschiedenisStb. 2005, 530Stb. 2006, 351]
Het college van burgemeester en wethouders biedt verantwoorde voorzieningen aan. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend. [PW]

 

Art. 4. [Vreemdelingen]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1998, 742Stb. 2000, 496 + bisStb. 2006, 351]
-1. Een vreemdeling kan voor de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorzieningen slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, in aanmerking kunnen komen voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onverminderd de overige vereisten voor de toekenning van een voorziening: [BgvWWIIWW]
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. vreemdelingen die, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000.

 

Art. 5. [Vereisten Wvg-verordening]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 510Stb. 1999, 598Stb. 2001, 481Stb. 2006, 351]
-1. De verordening, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bevat in ieder geval regels met betrekking tot:
a. de gevallen en de vorm waarin voorzieningen kunnen worden verleend, waarbij wordt bepaald dat woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan €|45 378,00 niet worden verleend, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard;
b. de hoogte van de financiële tegemoetkomingen;
c. de procedure met betrekking tot de toekenning, de herziening, de beëindiging en de terugvordering van voorzieningen, daaronder begrepen het inwinnen van deskundigenadvies;
d. de gronden waarop voorzieningen kunnen worden beëindigd dan wel teruggevorderd.
-2. De hoogte van de financiële tegemoetkomingen kan worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot. Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van de gehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan in aanmerking worden genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van de gehandicapte, dan wel indien de gehandicapte een pleegkind is, het gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden.
-3. Een financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.
-4. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels stellen met betrekking tot de financiële tegemoetkomingen. [RftebW]
-5. Op de financiële tegemoetkomingen is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
-6. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, kan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met ingang van een kalenderjaar worden gewijzigd indien daartoe aanleiding bestaat als gevolg van de ontwikkeling van de prijzen van bouwkundige of woontechnische ingrepen in of aan de woning.

 

Art. 6. [Eigen bijdrage]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2005, 530Stb. 2006, 351]
-1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat de gehandicapte, voor zover de voorziening niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.
-2. De hoogte van de eigen bijdrage kan worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot. Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van de gehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan in aanmerking worden genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van de gehandicapte, dan wel indien de gehandicapte een pleegkind is, het gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden.
-3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels stellen met betrekking tot de eigen bijdragen. [RftebW]

 

Art. 7. [Oproeping voor onderzoek]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2005, 530Stb. 2006, 351]
Het college van burgemeester en wethouders kan de gehandicapte, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een voorziening, oproepen in persoon te verschijnen en zich door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen onderzoeken.

 

Art. 8. [Advisering]  [GeschiedenisStb. 1999, 598Stb. 2001, 481Stb. 2005, 530Stb. 2006, 351]
-1. Alvorens op een aanvraag van een woonvoorziening waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan €|20 420,00 te besluiten, wint het college van burgemeester en wethouders omtrent de noodzaak van deze voorziening advies in van het orgaan, bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
-2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op in die maatregel aan te wijzen voorzieningen.
-3. Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

 

Art. 9. [Onvervreemdbaarheid roerende zaken]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
Roerende zaken voor de aanschaf waarvan krachtens deze wet een financiële vergoeding is verleend, dan wel die krachtens deze wet in eigendom of bruikleen zijn verleend, zijn niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, zolang die roerende zaken geschikt zijn om de beperkingen van de gehandicapte op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.

 

Art. 10. [Gegevensverstrekking door Minister van Justitie]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1995, 691Stb. 1997, 162Stb. 1997, 768Stb. 2005, 530Stb. 2005, 530Stb. 2006, 351]
Onze Minister van Defensie is bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht, kosteloos, uit de door of namens hem gevoerde administratie aan de colleges van burgemeesters en wethouders die gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

 

Art. 10a. [Rijksbijdrage] [BbA] [RbA0203] [RbA04] [RbA05] [RbA06]  [GeschiedenisStb. 1999, 598Stb. 2001, 481Stb. 2006, 351Stb. 2006, 644]
-1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan ten laste van 's Rijks kas aan de gemeente een uitkering verstrekken in de kosten van:
a. voorzieningen aan gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is toegelaten;
b. woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan €|20 420,00.
-2. Met betrekking tot het eerste lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen categorieën gemeenten. [BrW]

 

Art. 10b. [Gegevensverstrekking aan minister]  [GeschiedenisStb. 1999, 598Stb. 2005, 530Stb. 2006, 351]
-1. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gegevens die hij met betrekking tot deze wet nodig heeft.
-2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

 

Art. 11. [Beroep in cassatie]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1997, 789Stb. 2006, 351]
-1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 1, derde tot en met zevende lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

 

 

§ 3.  Wijzigingen in andere wetten en regelingen

 

Art. 12.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1990, 127) wordt als volgt gewijzigd:
A.
De aanhef van artikel 4, eerste lid, wordt vervangen door:
-1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, indien hij:
B. [MvT]
Artikel 57 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede "en voor genees- en heelkundige voorzieningen".
2. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. De bedrijfsvereniging kan een persoon als bedoeld in het eerste lid, al dan niet op diens verzoek, in aanmerking brengen voor voorzieningen welke strekken tot verbetering van zijn levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen waarvoor hij op grond van het eerste lid in aanmerking is of wordt gebracht; of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar stellen van een doventolk of een blindengeleidehond; of
c. indien de betrokken persoon zich buiten het Rijk bevindt.
3. In het derde lid worden de woorden "ter beperking van het bepaalde in" vervangen door: met betrekking tot.

 

Art. 13.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
Artikel P 9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede "en voor genees- en heelkundige voorzieningen".
2. Het tweede tot en met vierde lid worden vervangen door:
-2. Het bestuur van het fonds kan de in het eerste lid bedoelde personen, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking brengen voor voorzieningen welke strekken tot verbetering van hun levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid waarvoor zij op grond van het eerste lid, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking zijn of worden gebracht; of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar stellen van een doventolk of een blindengeleidehond; of
c. indien de betrokken personen zich buiten het Rijk bevinden.
-3. In aanvulling op de bij of krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gestelde regels kan Onze Minister regels stellen op grond waarvan het bestuur van het fonds de ambtenaar of gewezen ambtenaar, onderscheidenlijk gepensioneerde ambtenaar, die uitzicht onderscheidenlijk recht heeft op invaliditeitspensioen in aanmerking kan brengen voor genees- en heelkundige voorzieningen, alsmede voor voorzieningen ter verbetering van de levensomstandigheden. Het bestuur van het fonds voert de door Onze Minister krachtens dit lid gestelde regels uit. De door Onze Minister krachtens dit lid gestelde regels mogen niet afwijken ten nadele van belanghebbenden.
-4. Met betrekking tot het eerste en tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
-5. Voorzieningen op grond van dit artikel zijn niet vatbaar voor beslag.
-6. Het fonds is bevoegd, onder goedkeuring van Onze Minister, werkzaamheden overeenkomende met de in artikel 22a, eerste lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering genoemde welke voortvloeien uit de advisering aan gemeenten in verband met artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet voorzieningen gehandicapten, te verrichten op verzoek van een gemeentebestuur. Het fonds brengt de kosten voor deze werkzaamheden volledig in rekening bij het gemeentebestuur op wiens verzoek deze werkzaamheden worden verricht.

 

Art. 14.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
Artikel P 8 van de Spoorwegpensioenwet (Stb. 1986, 541) wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de zinsnede "en voor genees- en heelkundige voorzieningen".
2. Het tweede tot en met vierde lid worden vervangen door:
-2. De directie van het fonds kan de in het eerste lid bedoelde personen, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking brengen voor voorzieningen welke strekken tot verbetering van hun levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid waarvoor zij op grond van het eerste lid, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking zijn of worden gebracht; of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar stellen van een doventolk of een blindengeleidehond; of
c. indien de betrokken personen zich buiten het Rijk bevinden.
-3. In aanvulling op de bij of krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gestelde regels kan Onze Minister regels stellen op grond waarvan de directie van het fonds de deelgenoot of gewezen deelgenoot, onderscheidenlijk gepensioneerde deelgenoot, die uitzicht onderscheidenlijk recht heeft op invaliditeitspensioen in aanmerking kan brengen voor genees- en heelkundige voorzieningen, alsmede voor voorzieningen ter verbetering van de levensomstandigheden. De directie van het fonds voert de door Onze Minister krachtens dit lid gestelde regels uit. De door Onze Minister krachtens dit lid gestelde regels mogen niet afwijken ten nadele van belanghebbenden.
-4. Met betrekking tot het eerste en tweede lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.
-5. Voorzieningen op grond van dit artikel zijn niet vatbaar voor beslag.
-6. Het fonds is bevoegd, onder goedkeuring van Onze Minister, werkzaamheden overeenkomende met de in artikel 22a, eerste lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering genoemde welke voortvloeien uit de advisering aan gemeenten in verband met artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet voorzieningen gehandicapten, te verrichten op verzoek van een gemeentebestuur. Het fonds brengt de kosten voor deze werkzaamheden volledig in rekening bij het gemeentebestuur op wiens verzoek deze werkzaamheden worden verricht.

 

Art. 15.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
Artikel X 5 van de Algemene militaire pensioenwet (Stb. 1988, 284) wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste en tweede lid vervallen de onderdelen b en c en wordt de letteraanduiding van onderdeel d vervangen door: b
2. Het derde lid wordt komt te luiden:
-3. Onze Minister kan de in het eerste en tweede lid bedoelde personen, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking brengen voor voorzieningen welke strekken tot verbetering van hun levensomstandigheden:
a. voor zover het vervoersvoorzieningen betreft die onderdeel uitmaken van, dan wel rechtstreeks samenhangen met, voorzieningen waarvoor zij op grond van het eerste of tweede lid, al dan niet op hun verzoek, in aanmerking zijn of worden gebracht; of
b. voor zover deze voorzieningen bestaan uit het beschikbaar stellen van een doventolk of blindengeleidehond; of
c. indien de betrokken personen zich buiten het Rijk bevinden.
3. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. In aanvulling op de bij of krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet voorzieningen gehandicapten of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gestelde regels kan Onze Minister ten behoeve van een beroepsmilitair, gewezen beroepsmilitair, dienstplichtig militair, alsmede gewezen dienstplichtig militair, die lijdt aan een ziekte of gebrek verband houdende met de uitoefening van de dienst, nadere en zo nodig afwijkende regels stellen op grond waarvan die militair of die gewezen militair in aanmerking kan worden gebracht voor, naar het oordeel van Onze Minister, noodzakelijke geneeskundige behandeling en verzorging, met inbegrip van genees- en heelkundige voorzieningen, zomede voor de tegemoetkoming in de kosten daarvan en voor voorzieningen ter verbetering van levensomstandigheden. De door Onze Minister krachtens dit lid gestelde regels mogen niet afwijken ten nadele van belanghebbenden.
4. In het nieuwe vijfde lid wordt de zinsnede "De in het eerste, tweede en derde lid genoemde voorzieningen" vervangen door: De in de vorige leden genoemde voorzieningen.
5. Toegevoegd wordt een zesde lid, luidende:
-6. Onze Minister is bevoegd werkzaamheden overeenkomende met de in artikel 22a, eerste lid, van de Organisatiewet Sociale Verzekering genoemde welke voortvloeien uit de advisering aan gemeenten in verband met artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van de Wet voorzieningen gehandicapten, te verrichten op verzoek van een gemeentebestuur. Onze Minister brengt de kosten voor deze werkzaamheden volledig in rekening bij het gemeentebestuur op wiens verzoek deze werkzaamheden worden verricht.

1. Volgens de redactie dient "en wordt de letteraanduiding van onderdeel d vervangen door: b" te worden vervangen door: , onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel b.

 

Art. 16.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
De Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1989, 119) wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 22a, eerste lid, onderdeel a en b, vervalt de zinsnede "een genees- of heelkundige voorziening".
2. In artikel 50j, tweede lid, wordt na "Rijksgroepsregelingen" toegevoegd: , alsmede de Wet voorzieningen gehandicapten.

 

Art. 17.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
De Huurprijzenwet woonruimte (Stb. 1986, 331) wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Artikel 10, eerste lid, komt als volgt te luiden:
-1. De huurprijs van woonruimte waarin of waaraan gedurende de huurtijd door of vanwege de verhuurder:
a. ingrepen als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten zijn verricht, in de kosten waarvan door de gemeente een financiële tegemoetkoming is verleend; of
b. voorzieningen zijn aangebracht waardoor het woongerief geacht kan worden te zijn gestegen, die niet zijn ingrepen als bedoeld onder a en waarop voorts artikel 9 niet van toepassing is;
is de huurprijs, vermeerderd met een door de huurder en de verhuurder, voordat de ingrepen of de voorzieningen tot stand zijn gekomen, overeen te komen bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de door de verhuurder bestede kosten van de ingrepen onderscheidenlijk de voorzieningen, met dien verstande dat de nieuwe huurprijs niet hoger mag zijn dan die welke bij toepassing van de regelen, bedoeld in artikel 15, eerste lid, als redelijk is aan te merken.
B. [MvT]
Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt vervangen door:
-1. In afwijking van artikel 10, eerste lid, kan indien de in dat lid bedoelde ingrepen of voorzieningen, al dan niet met toepassing van bestuursdwang, zijn getroffen ter uitvoering van een aanschrijving als bedoeld in artikel 15, 15a of 16 van de Woningwet, de in artikel 10, eerste lid, bedoelde verhoging van de huurprijs ook na de totstandkoming van bedoelde ingrepen of voorzieningen door de huurder en de verhuurder worden overeengekomen.
2. In het tweede lid wordt na "binnen drie maanden na de totstandkoming van de" ingevoegd: ingrepen of.
3. In het zesde lid wordt "en 15" vervangen door: 15 en 15a.

 

Art. 18.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
In artikel 3, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de huurcommissies (Stb. 1979, 16) wordt na "na de totstandkoming van" ingevoegd: "ingrepen of" en wordt na "als bedoeld in artikel 15" ingevoegd: , 15a.

 

Art. 19.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
De Woningwet (Stb. 1991, 439) wordt als volgt gewijzigd:
A. [MvT]
Na artikel 15 wordt een nieuw artikel 15a ingevoegd, luidende:
Art. 15a.
-1. Indien een gehandicapte in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet voorzieningen gehandicapten bij het normale gebruik van de door hem bewoonde woning ergonomische beperkingen ondervindt die door het verrichten van bouwkundige of woontechnische ingrepen in of aan de woning kunnen worden opgeheven of verminderd, kunnen burgemeester en wethouders degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het verrichten van die ingrepen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
-2. Burgemeester en wethouders vaardigen een aanschrijving als bedoeld in het eerste lid slechts uit voor zover voor het verrichten van die ingrepen geldelijke steun kan worden verleend.
-3. Met betrekking tot de in dit artikel bedoelde aanschrijving is artikel 15, vierde en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
B. [MvT]
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt vervangen door:
-1. Behoudens in geval van gevaar of ernstige hinder schrijven burgemeester en wethouders, indien zij voornemens zijn een aanschrijving als bedoeld in artikel 14, eerste lid, uit te vaardigen en de woning naar hun oordeel tevens verbeteringen behoeft als bedoeld in artikel 15, waartoe kan worden aangeschreven, of ingrepen behoeft als bedoeld in artikel 15a, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen of het aanbrengen van de verbeteringen of het verrichten van de ingrepen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aangegeven voorzieningen te treffen en de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen of de door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
2. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn een aanschrijving als bedoeld in artikel 15 uit te vaardigen en de woning naar hun oordeel tevens voorzieningen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of ingrepen als bedoeld in artikel 15a behoeft, schrijven zij degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het aanbrengen van de verbeteringen en het treffen van de voorzieningen of het verrichten van de ingrepen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen en de door hen aan te geven voorzieningen te treffen of door hen aan te geven ingrepen te verrichten.
C. [MvT]
Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid wordt vervangen door:
-1. In afwijking van artikel 1590 van het Boek 7a van het Burgerlijk Wetboek is elke bewoner van een woning verplicht het aanbrengen of verrichten van de in een aanschrijving als bedoeld in artikel 15, eerste lid, 15a, eerste lid, of 16 genoemde verbeteringen of ingrepen door of vanwege degene tot wie de aanschrijving is gericht of diens rechtsopvolger, dan wel met toepassing van bestuursdwang, te gedogen.
2. In het tweede lid wordt "teneinde de in de aanschrijving aangegeven verbeteringen aan te brengen" vervangen door: teneinde de in de aanschrijving aangegeven verbeteringen of ingrepen aan te brengen of te verrichten.
D. [MvT]
In artikel 28, eerste lid, wordt na "15," ingevoegd: 15a,.

 

Art. 20.  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
In artikel 7, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1990, 176) worden de woorden "gewezen militair of" en "of gewezen militair" geschrapt.

 

Art. 21.  [GeschiedenisStb. 2006, 351]
In de Wet financiering volksverzekeringen (Stb. 1989, 129) wordt artikel 10, derde lid, vervangen door:
-3. In afwijking van het eerste lid is geen premie voor de algemene ouderdomsverzekering en de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.

 

 

§ 4.  Evaluatie

 

Art. 22. [Evaluatiebepaling]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 1999, 598Stb. 2006, 351]
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens binnen drie jaar daarna, aan de Staten-Generaal een verslag over de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen krachtens deze wet.

 

 

§ 5.  Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. 23. [Overgangsrecht 1 april 1994 bruikleenovereenkomst]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
-1. Indien in het kader van de uitvoering van artikel 57, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, dan wel artikel P 8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, ter zake van de verstrekking van een hulpmiddel een overeenkomst van bruikleen is gesloten, wordt de verstrekking van dat hulpmiddel, gedurende de nog resterende looptijd van de overeenkomst, dan wel, indien de gebruiksduur van het hulpmiddel korter is dan de resterende looptijd van de overeenkomst, tot het einde van die gebruiksduur, beheerst door de regels zoals die luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel 12 van deze wet.
-2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de periodieke vergoeding die op grond van artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet aan de gehandicapte wordt verleend voor de kosten van aanschaf en onderhoud van een vervoermiddel.

 

Art. 24. [Overgangsrecht 1 april 1994 vervoersvoorziening]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
Aan de gehandicapte aan wie over de periode onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, krachtens artikel 57, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of krachtens artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet of krachtens artikel P 8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, dan wel krachtens artikel X 5, eerste en tweede lid, van de Algemene militaire pensioenwet, een financiële tegemoetkoming is verleend in de kosten van het gebruik van een vervoermiddel, wordt desgevraagd door het gemeentebestuur ook over de jaren 1994 en 1995 een financiële tegemoetkoming verleend, tenzij in de verordening als bedoeld in artikel 5, eerste lid, anders wordt bepaald.

 

Art. 25. [Overgangsrecht 1 april 1994 voorzieningen beroepsmilitair]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
De bepalingen bij of krachtens artikel 7 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals die bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de beroepsmilitair die is ontslagen anders dan uit hoofde van invaliditeit met dienstverband en die op grond van de Regeling geneeskundige verzorging gepensioneerde militairen KL/Klu (Stb. 1962, 241), dan wel op de voet van die regeling, in aanmerking is gebracht voor genees- en heelkundige voorzieningen.

 

Art. 26. [Aanvragen vóór 1 april 1994]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
Vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvragen voor een voorziening als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet of artikel P 8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, dan wel artikel X 5, eerste en tweede lid, van de Algemene militaire pensioenwet, worden afgehandeld op basis van de regels zoals die luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat geen financiële tegemoetkoming wordt verleend over een periode gelegen na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

 

Art. 27. [Wijziging Wvg i.v.m. inwerkingtreding Wet zorgaanspraak AWBZ]  [GeschiedenisStb. 2006, 351]
Indien het bij koninklijke boodschap van 6 november 1992 ingediende voorstel van wet houdende wettelijke regeling van aanspraak op zorg in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en wijziging van enige andere wetten tot wet wordt verheven en in werking treedt, komt artikel 2, tweede lid, als volgt te luiden:
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling die één of meer vormen van zorg omschreven krachtens artikel 6a en in de artikelen 6k tot en met 6n van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1992, 392), verlenen.

 

Art. 28.  [GeschiedenisVvWStb. 2006, 351]
Indien het bij koninklijke boodschap van 23 januari 1992 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie) tot wet wordt verheven en in werking treedt, dan wel in werking is getreden:
a. vervalt van artikel 11 het tweede lid, alsmede de aanduiding "-1." voor het eerste lid;
b. wordt aan onderdeel C van de krachtens artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet vastgestelde bijlage toegevoegd:
24. de Wet voorzieningen gehandicapten.

 

Art. 29. [Citeertitel]  [GeschiedenisVvWStb. 2006, 351]
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet voorzieningen gehandicapten.

 

Art. 30. [Inwerkingtreding]  [GeschiedenisVvWMvTStb. 2006, 351]
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen, onderdelen daarvan of voor de verlening van onderscheidenlijk de woonvoorzieningen, de vervoersvoorzieningen of de rolstoelen verschillend kan worden vastgesteld.¹

1. Bij Besluit van 25 november 1993, Stb. 1993, 657, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 april 1994, red.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven te ‘s-Gravenhage, 7 oktober 1993

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. Wallage

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
E. Heerma

De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H.J. Simons

 

Uitgegeven de tweede november 1993
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin

 

 

MEMORIE VAN TOELICHTING