|
REGELING van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2003, nr.
W&B/WWB/2003/78560,
Directie Werk en Bijstand,
houdende nadere regels met betrekking tot
de gefaseerde invoering van de Wet werk
en bijstand (Invoeringsregeling Wwb)
De
Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikelen 2,
derde lid, en 70 van de Invoeringswet
Wet werk en bijstand;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepaling
In dit besluit wordt
verstaan onder Inwerkingtredingbesluit:
het Besluit van 10 oktober 2003 (Stb.
2003, 386), houdende vaststelling van
het tijdstip van inwerkingtreding van
de Wet werk en bijstand en van
de Invoeringswet Wet werk en bijstand.
Art. 2.
Nadere
fasering invoering Wet werk en bijstand
-1. In afwijking van de
artikelen 1, onderdeel a, en 2,
onderdeel b, van het
Inwerkingtredingbesluit kan het college besluiten dat op
een tijdstip dat gelegen is vóór 1
januari 2005 uitvoering wordt gegeven aan artikelen die zijn opgenomen in de
hiervoor genoemde onderdelen van
het Inwerkingtredingbesluit,
mits het de genoemde artikelen van de
Wet werk en bijstand en de Invoeringswet Wet
werk en bijstand gezamenlijk betreft.
-2. In afwijking van het
eerste lid kan het college besluiten dat
op een ander tijdstip dan dat bedoeld
in het eerste lid, doch uiterlijk 1
januari 2005, uitvoering wordt gegeven aan artikel 8a
of artikel 47 van de
Wet werk en bijstand.
-3. Vanaf het tijdstip dat
het college uitvoering geeft aan het
eerste lid, al dan niet in combinatie
met het tweede lid, blijven de in
artikel 2, onderdeel a, van het Inwerkingtredingbesluit
genoemde artikelen van de Algemene
bijstandswet, voor zover deze artikelen
geen zelfstandigen als bedoeld
in artikel 7 van de Invoeringswet
Wet werk en bijstand betreffen,
buiten toepassing.
-4. Het besluit van het
college, bedoeld in het eerste en
tweede lid, wordt tijdig en op een
geschikte wijze in de desbetreffende
gemeente bekendgemaakt.
Art. 3.
Aanpassingartikel
-1. Tot het tijdstip
waarop met toepassing van artikel 2 uitvoering
wordt gegeven aan de in de
artikelen 1, onderdeel a, en 2,
onderdeel b, van het
Inwerkingtredingbesluit genoemde artikelen, wordt in de
artikelen 6, onderdeel b, en 36,
eerste lid, onderdeel c, van de
Wet werk en bijstand, artikel 4a, onderdeel
a,
van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 4a, onderdeel
a, van de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers in plaats van "algemeen
geaccepteerde arbeid" gelezen:
passende arbeid.
-2. Waar in artikel
14,
eerste lid, van de Algemene bijstandswet
wordt verwezen naar de artikelen 8,
zesde lid, onderdeel b, en 112 van
die wet, wordt in plaats van die
artikelen gelezen: artikel 2, derde lid,
onderdeel b, onderscheidenlijk artikel
38 van het Besluit bijstandverlening
zelfstandigen 2004.
-3. In de artikelen 113,
eerste lid, onderdeel f, van de
Algemene bijstandswet, 35, eerste lid, onderdeel f, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en 35, eerste lid, onderdeel f,
van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt in
plaats van "voorzieningen van de
Wet inschakeling werkzoekenden" gelezen: voorzieningen als bedoeld in artikel
7,
eerste lid, onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand.
-4. In de artikelen 114,
derde lid, van de Algemene bijstandswet, 37, derde lid, van de
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en 37, derde lid, van de
Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt in plaats van "de
Wet inschakeling werkzoekenden" gelezen:
een voorziening als bedoeld
in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
van de
Wet werk en bijstand.
-5. In de artikelen 114a
van de Algemene bijstandswet, 37a, van de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en 37a,
van de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt in
plaats van "bijdragen tot sociale
activering als bedoeld in artikel 3,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet
inschakeling werkzoekenden" gelezen: inhouden een voorziening als bedoeld in
artikel 7,
eerste lid, onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand.
-6. Tot het tijdstip
waarop met toepassing van artikel 2 uitvoering
wordt gegeven aan de in de
artikelen 1, onderdeel a, en 2,
onderdeel b, van het
Inwerkingtredingbesluit genoemde artikelen, worden de
artikelen 3 en 4 van het
Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, artikel 2
van het Besluit passende arbeid
schoolverlaters en academici, artikel 3,
onderdeel b, van het Arbeidsgehandicaptebesluit
en de artikelen 1, onderdeel y,
en 3 van het Aanwijzingsbesluit
verzekerden Zfw gelezen zoals deze
artikelen luidden op 31 december 2003.
Art. 4.
Overgangsbepaling bijzondere bijstand
In afwijking van artikel 10, eerste lid, van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand behoudt de belanghebbende die op 31 december 2003
op grond van artikel 39, tweede
lid, van de Algemene bijstandswet
recht had op bijzondere bijstand ten
behoeve van kosten in verband met
chronische ziekte of handicap dat
recht tot 1 januari 2006.
Art.
5. Overgangsbepaling reïntegratie
In afwijking van artikel 69, eerste lid,
onderdeel a, van de
Wet werk en bijstand kan
het college de uitkering, bedoeld in dat onderdeel, tot 1 januari 2009
ook besteden aan personen die op de peildatum een dienstbetrekking als
bedoeld in artikel 4 van de Wet
inschakeling werkzoekenden, een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel
5, eerste lid, van die wet of een
dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6
van het Besluit in- en doorstroombanen
hadden, en die hun woonplaats in een andere gemeente
hebben.
Art.
6.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 1 januari
2004.
Art.
7.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Invoeringsregeling Wwb
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
Den Haag, 16 oktober
2003.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
TOELICHTING
[16 oktober 2003]
In het
Besluit van 10
oktober 2003 houdende vaststelling van
het tijdstip van inwerkingtreding van
de Wet werk en bijstand en van
de Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 386) is
opgenomen dat een deel van de
Wet werk en bijstand (Wwb) en van de
Invoeringswet Wet werk en bijstand (Invoeringswet
Wwb) met ingang van 1
januari 2004 in werking treedt en dat
een ander deel met ingang van 1
januari 2005 in werking treedt. Aldus
wordt aan gemeenten een termijn van twaalf maanden gegund om zich voor te
bereiden op de volledige
uitvoering van de Wwb.
In deze regeling wordt de
mogelijkheid geboden om eerder, op een
door het college te bepalen
tijdstip, al uitvoering te geven aan de
uitgestelde onderdelen van de Wwb. Uitgangspunt is wel dat
dit "en bloc" geschiedt, dus voor alle
van toepassing zijnde artikelen
gezamenlijk. Op deze regel dat de
invoering "en bloc" dient plaats te vinden, is
in het tweede lid van artikel 2 een
uitzondering gemaakt ten aanzien van
de uitvoering van een verordening als
bedoeld in artikel 8a of 47 van
de Wwb. De overwegingen om de verordeningen in samenhang in te voeren
zijn niet van toepassing op de twee
verordeningen ex artikel 8a en 47 die
bij amendement in de Wwb zijn opgenomen [zie Kamerstukken
II 2002-2003, 28 870, nrs. 12 en 64,
red.]. Deze twee verordeningen
hebben namelijk geen directe samenhang met de vaststelling van de
rechten en plichten van individuele
cliënten.
Gedurende de periode dat
het college (nog) geen uitvoering
geeft aan de artikelen die zijn
opgenomen in de artikelen 1, onderdeel a,
en 2, onderdeel b, van het Inwerkingtredingbesluit
zijn de in artikel 2, onderdeel a, van het
Inwerkingtredingbesluit
vermelde artikelen van de Algemene
bijstandswet, voor zover deze artikelen geen zelfstandigen als bedoeld in
artikel 7
van de Invoeringswet Wet werk en bijstand betreffen, van kracht. Vanaf het tijdstip dat het
college wél uitvoering geeft aan het eerste lid
van artikel 2 van de regeling, al dan niet tezamen met het
toepassing geven aan het tweede lid van
dit artikel (met nadere woorden het uitvoering geven aan artikel 8a
en/of artikel 47 van de Wet werk en
bijstand), blijven de desbetreffende artikelen van de Algemene bijstandswet
buiten toepassing.
Wanneer het college
overgaat tot uitvoering van een
verordening als bedoeld in
artikel 8a of 47 van de Wwb
(afzonderlijk op verschillende tijdstippen of
gezamenlijk op hetzelfde tijdstip),
dan wel overgaat tot uitvoering van de
volledige Wwb, dient dit, ingevolge
het vierde lid van artikel 2, tijdig
op een geschikte wijze kenbaar
te worden gemaakt. Doel van deze
bepaling is cliënten en potentiële
cliënten te informeren over de
rechten en plichten in het kader van de Wwb.
Met het oog op de goede
invoering van de Wwb en de
Invoeringswet Wwb is in artikel 3 van
deze regeling een aantal technische
voorzieningen opgenomen voor de periode
dat delen van de Wwb nog niet
integraal door gemeenten worden
uitgevoerd.
Tevens is voorzien in een
overgangsregeling ten behoeve van de groep belanghebbenden die
op 31 december 2003 op grond
van artikel 39, tweede lid, van de
Algemene bijstandswet categoriale bijzondere bijstand ontvangen ten behoeve van
kosten in verband met
chronische ziekte of handicap. Deze
groep belanghebbenden behoudt
het recht op categoriale bijstand tot
1 januari 2006, zijnde de datum
waarop de voorgenomen herziening
van het zorgstelsel en de daaraan
gekoppelde heffingskortingen in
werking treedt. Mocht deze voorgenomen
herziening van het zorgstelsel op
een eerder of een later tijdstip in
werking treden, dan zal de in artikel 4
van deze regeling opgenomen datum
dienovereenkomstig aangepast worden, zodat
een naadloze overgang naar
het nieuwe zorgstelsel
bewerkstelligd wordt.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte.
|
|