Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet werk en bijstand
Nadere regelgeving
Bijgewerkt tot en met 31 december 2006

 

BESLUIT  WWB

Vervallen
m.i.v. 1 januari 2007
(art. 13 BW07)

 
 

10 oktober 2003, Stb. 2003, 387
Inwerkingtreding: 1 januari 2004
(T.a.v. artt. 40:1, 69:2, 69:3, 70:2, 70:3, 73:3 en 74:3 Wwb)

 

 

 

 
BESLUIT van 10 oktober 2003 houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit Wwb)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 september 2003, Directie Bijstand en Gemeentelijk Activeringsbeleid, nr. B&GA/WWB/03/70145;
     Gelet op de artikelen 40, eerste lid, 69, tweede en derde lid, 70, tweede en derde lid, 73, derde lid, en 74, derde lid, van de Wet werk en bijstand;
     De Raad van State gehoord (advies van 18 september 2003, nr. W12.03.0371/IV);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 oktober 2003, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/WWB/03/76805;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

§ 1.  Algemene bepalingen

 

Art. 1. Begripsbepaling
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: Wet werk en bijstand;
b. Algemene bijstandswet: de Algemene bijstandswet zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet;
c. Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz: de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet;
d. werkdeel: de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet;
e. inkomensdeel: de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
f. gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen jonger dan 65 jaar: de volgens de opgave, bedoeld in artikel 130, vierde lid, van de Algemene bijstandswet, in het jaar 2003 ten laste van een gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz, vermeerderd met de ontvangsten in verband met de toepassing van de artikelen 14a, 20, 24 en 25, hoofdstuk VI, paragraaf 2, en hoofdstuk VII van de Algemene bijstandswet, verminderd met de kosten van bijstand die is verleend met toepassing van artikel 30, tweede lid, van de Algemene bijstandswet en verminderd met de kosten van bijstand die is verleend met toepassing van artikel 63, tweede lid, van de Algemene bijstandswet, en vervolgens vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari 2004, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari 2003;
g. gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder: de volgens de opgave, bedoeld in artikel 130, vierde lid, van de Algemene bijstandswet, in het jaar 2003 ten laste van een gemeente gebleven kosten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz, van bijstand die is verleend met toepassing van artikel 30, tweede lid, van de Algemene bijstandswet.

 

 

§ 2.  Werkdeel

 

Art. 2. Berekening bedrag werkdeel
Het bedrag van het werkdeel wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
W = (K
w : TKw) x TBw
waarbij:
a. W het werkdeel voor de gemeente is;
b. K
w het aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, bepaalde gewicht voor de gemeente is;
c. TK
w het totaal is van de aan de hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, bepaalde gemeentelijke gewichten voor alle gemeenten;
d.
TB
w het totale bedrag is dat beschikbaar is voor de werkdelen.

 

Art. 3. Meeneem- en voorschotregeling werkdeel
-1. Indien in een kalenderjaar het werkdeel niet volledig is besteed aan voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, kan het college het niet-bestede deel tot maximaal 75% van het voor dat jaar toegekende budget toevoegen aan het werkdeel voor het daaropvolgende kalenderjaar.
-2. Indien in een kalenderjaar meer dan het werkdeel is besteed aan voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, kan het college het meer bestede bedrag tot maximaal 75% van het voor dat jaar toegekende budget ten laste brengen van het werkdeel voor het daaropvolgende kalenderjaar.
-3. Het percentage van de uitkering dat op grond van artikel 70, tweede lid, van de wet wordt teruggevorderd, bedraagt 100%. Indien volledige terugvordering naar het oordeel van Onze Minister tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, stelt Onze Minister de terugvordering op een lager percentage vast.

 

 

§ 3.  Inkomensdeel

 

Art. 4. Berekening bedrag inkomensdeel en inwonertal gemeenten
-1. Het bedrag van het inkomensdeel wordt verschillend berekend voor gemeenten met:
a. 30 000 of minder inwoners;
b. meer dan 30 000 en minder dan 60 000 inwoners;
c. 60 000 of meer inwoners.
-2. Voor de vaststelling van het aantal inwoners, bedoeld in het eerste lid, geldt als peildatum 1 januari 2005.
-3. Het aantal inwoners wordt ontleend aan de statistiek "Demografische kerncijfers per gemeente" van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

 

Art. 5. Berekening bedrag inkomensdeel kleine gemeenten
Voor gemeenten met 30 000 of minder inwoners wordt het bedrag van het inkomensdeel berekend aan de hand van de volgende formule:
I = (K64 : TK64
30 000) x TB6430 000 + (K65 : TK65) x TB65
waarbij:
a. I het inkomensdeel voor de gemeente is;
b. K64 de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen jonger dan 65 jaar zijn;
c. TK64
30 000 het totaal is van de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen jonger dan 65 jaar van gemeenten met 30 000 of minder inwoners;
d. TB64
30 000 het deel is van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen voor gemeenten met 30 000 inwoners of minder, bestemd voor personen jonger dan 65 jaar;
e. K65 de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder zijn;
f. TK65 het totaal is van de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder;
g. TB65 het deel is van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen, bestemd voor personen van 65 jaar of ouder.

 

Art. 6. Berekening bedrag inkomensdeel middelgrote gemeenten
Voor gemeenten met meer dan 30 000 en minder dan 60 000 inwoners wordt het bedrag van het inkomensdeel berekend aan de hand van de volgende formule:
I = {[(1 - M) x (K64 : TK64
30 000 - 60 000) + M x (O : OT30 000 - 60 000)] x TB6430 000 - 60 000 x C} + (K65 : TK65) x TB65
waarbij:
a. I het inkomensdeel voor de gemeente is;
b. M het aantal inwoners van de gemeente per 1 januari 2005 is, verminderd met 30 000 en vervolgens gedeeld door 30 000;
c. K64 de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen jonger dan 65 jaar zijn;
d. TK64
30 000 - 60 000 het totaal is van de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen jonger dan 65 jaar van gemeenten met meer dan 30 000 en minder dan 60 000 inwoners;
e. TB64
30 000 - 60 000 het deel is van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen voor gemeenten met meer dan 30 000 en minder dan 60 000 inwoners, bestemd voor personen jonger dan 65 jaar;
f. O de objectief vastgestelde gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar zijn;
g. OT
30 000 - 60 000 het totaal is van de objectief vastgestelde gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar van gemeenten met meer dan 30 000 en minder dan 60 000 inwoners;
h. C de correctiefactor is die wordt berekend aan de hand van de formule die is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit;
i. K65 de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder zijn;
j. TK65 het totaal is van de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder;
k. TB65 het deel is van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen, bestemd voor personen van 65 jaar of ouder.

 

Art. 7. Berekening uitkeringsbedrag grote gemeenten
Voor gemeenten met 60 000 of meer inwoners wordt het bedrag van het inkomensdeel berekend aan de hand van de volgende formule:
I = (O : OT
60 000) x TB6460 000 + (K65 : TK65) x TB65
waarbij:
a. I het inkomensdeel voor de gemeente is;
b. TB64
60 000 het deel is van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen voor gemeenten met 60 000 inwoners of meer, bestemd voor personen jonger dan 65 jaar;
c. O de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar zijn;
d. OT
60 000 het totaal is van de objectief vastgestelde gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar van gemeenten met 60 000 of meer inwoners;
e. K65 de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder zijn;
f. TK65 het totaal is van de gemeentelijke bijstandslasten 2003 voor personen van 65 jaar of ouder;
g. TB65 het deel is van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen, bestemd voor personen van 65 jaar of ouder.

 

Art. 8. Objectief verdeelmodel en macrobudget
-1. Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit:
a. worden de objectief vastgestelde gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar vastgesteld;
b. wordt het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen voor alle gemeenten, bestemd voor personen jonger dan 65 jaar, verdeeld over de delen TB64
30 000, TB6430 000 - 60 000 en TB6460 000.
-2.
Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen van de gemeenten betreft: TB64
30 000 + TB6430 000 - 60 000 + TB6460 000 + TB65.

 

Art. 9. Toetsingscommissie
De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en twee leden. Onze Minister benoemt de voorzitter en de leden, alsmede twee plaatsvervangende leden, die tevens door hem kunnen worden geschorst en ontslagen.

 

Art. 10. Verzoek aanvullende uitkering
-1. Een verzoek om een aanvullende uitkering omvat:
a. een verklaring voor het feit dat de door het college gemaakte kosten hoger zijn dan het daarvoor verstrekte inkomensdeel;
b. een overzicht van de maatregelen die het college heeft genomen dan wel in de toekomst zal nemen om een situatie als bedoeld in onderdeel a te voorkomen; en
c. een toelichting op het bedrag waarom wordt verzocht.
-2. Een aanvullende uitkering wordt slechts toegekend voor zover:
a. voldaan is aan de gestelde vormvoorschriften;
b. de gemaakte kosten de toegekende uitkering inkomensdeel met minimaal 10 procent overstijgen;
c. de uitkomst van de beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan daartoe aanleiding geeft.
-3. De toetsingscommissie beoordeelt of een verzoek voldoet aan de in het eerste en tweede lid genoemde voorwaarden en adviseert Onze Minister. Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat een gemeente in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering, dan is de hoogte van deze uitkering gelijk aan het verschil tussen de werkelijke nettobijstandsuitkeringslasten en 110 procent van de toegekende uitkering inkomensdeel.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel, waarbij voor gemeenten tot maximaal 40 000 inwoners een afwijkende invulling kan worden gegeven van het tweede lid, onderdeel c. [RWII]

 

 

§ 4.  Overige en slotbepalingen

 

Art. 11. Adreslozen
-1. Voor de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens worden aangewezen:
a. de gemeenten opgenomen in de bijlage onder A van het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid; en
b. de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
-2. De bijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend door het college van de gemeente waar de belanghebbende zich op het moment van zijn aanvraag bevindt.

 

Art. 12. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

 

Art. 13. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Wwb.

 

 

     Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlage ¹ met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

1. Raadpleeg voor bijlagen 1 en 2 Staatsblad 2005, 452, red.

 

’s-Gravenhage, 10 oktober 2003

 

BEATRIX

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte

 

Uitgegeven de veertiende oktober 2003
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner

 

 

 

NOTA  VAN  TOELICHTING
[10 oktober 2003]

 

Inleiding


     In het onderhavige besluit worden regels gesteld ten aanzien van de volgende onderdelen:
• Berekening van de verschillende onderdelen uitkeringen inkomensdeel Wwb (artikel 69, tweede en derde lid).
• Taak toetsingscommissie, voorwaarden waaronder verzoek bij toetsingscommissie kan worden ingediend alsmede criteria toetsingscommissie (artikel 73, derde lid, artikel 74, derde lid).
• Berekening van de uitkeringen werkdeel Wwb (artikel 69, tweede lid).
• Terugvordering overschot werkdeel (meeneemregeling) (artikel 70, vierde lid).
• Uitvoering van de Wwb ten aanzien van personen die niet beschikken over een adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

     Separaat aan het voorliggende besluit zal een Besluit financieringssystematiek Ioaw en Ioaz voor het jaar 2004 worden getroffen (25% budgettering) en zal een financieringssystematiek worden opgenomen in het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

 

 

Inkomensdeel  Wwb  2004

 

1. Macrobudget inkomensdeel Wwb


     Het macrobudget inkomensdeel Wwb 2004 is opgebouwd uit twee delen:
1. Macrobudget voor personen tot 65 jaar.
2. Macrobudget voor de categorie 65 jaar of ouder met al dan niet gedeeltelijke bijstandsuitkering.

 

1.1. Deel macrobudget inkomensdeel voor personen tot 65 jaar


     Het macrobudget voor het begrotingsjaar 2004 wordt geraamd in september 2003. Daarbij is gebruik gemaakt van de Abw-volumeraming uit de SZW-begroting voor jaar 2004. Deze raming is afgestemd met het Centraal Planbureau (CPB) en is gebaseerd op:
1. actuele gegevens over de feitelijke ontwikkeling van het bijstandsvolume op dat moment;
2. de economische vooruitzichten uit de MEV [Macro Economische Verkenning, red.] voor het begrotingsjaar 2004;
3. de verwachte effecten van gewijzigd beleid.

     Met artikel 69, tweede lid, tweede volzin, Wwb is geregeld dat bij de vaststelling van het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb, het volgende uitgangspunt geldt. Dit bedrag dient toereikend te zijn voor de voor dat jaar geraamde kosten, bedoeld in dat onderdeel, voor alle gemeenten. In het onderhavige besluit wordt aangegeven op welke wijze de minister hier invulling aan heeft gegeven voor het jaar 2004.

     De raming van het macrobudget is opgebouwd uit een volume- en een prijscomponent:


Raming volumecomponent

     De basis voor de raming van het bijstandsvolume in 2004 is de realisatie van het bijstandsvolume in 2003. Deze realisatie wordt verhoogd of verlaagd met de verwachte ontwikkeling in het bijstandsvolume in 2004 ten opzichte van 2003.

     Bij de eerste vaststelling van het budget in september 2003 betreft het bijstandsvolume voor 2003 nog een raming. Bij de definitieve vaststelling van het budget in september 2004 wordt uitgegaan van het gerealiseerde bijstandsvolume in het jaar 2003 op basis van de bijstandskenmerkenstatistiek van het CBS [Centraal Bureau voor de Statistiek, red.].

     De verwachte ontwikkeling van het bijstandsvolume wordt ingeschat op basis van de ontwikkeling van de werkloze beroepsbevolking zoals die door het CPB wordt geraamd. De precieze vorm van de relatie tussen de werkloze beroepsbevolking en het aantal Abw-uitkeringen wordt jaarlijks in overleg met het CPB vastgesteld. Daarbij wordt ook rekening gehouden met verwachte beleidseffecten en conjuncturele wijzigingen.


Raming prijscomponent

     De basis voor de raming van de prijscomponent voor 2004 is de realisatie van de prijscomponent in 2003. Deze realisatie wordt bepaald door de bijstandsuitgaven in 2003 te delen door het gerealiseerde bijstandsvolume 2003. Net als voor de volumecomponent geldt dat de gegevens over de bijstandsuitgaven in 2003 in september 2003 nog ramingen zijn. Bij de definitieve vaststelling van het budget in september 2004 zal worden uitgegaan van de dan bekende realisaties van de bijstandsuitgaven in 2003.

     De prijscomponent voor 2004 wordt vervolgens geraamd door de realisatie voor 2003 te verhogen of te verlagen met de verwachte ontwikkeling in de gemiddelde uitkering. De gemiddelde uitkering kan bijvoorbeeld veranderen als gevolg van beleidseffecten of van demografische ontwikkelingen die niet van invloed zijn op totale omvang, maar wel op de samenstelling van de bijstandspopulatie.

     Andere factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van de gemiddelde uitkering zijn de ontwikkeling van de normuitkering, de ziekenfondspremie en de loonbelastingtarieven. Het effect van deze factoren wordt meegenomen bij de definitieve vaststelling van het macrobudget in september 2004.


Effecten van beleid

     De raming van de volumecomponent en de prijscomponent voor 2004 worden beiden gebaseerd op hun gerealiseerde niveaus in 2003. De effecten van beleidsmaatregelen op de bijstandsuitgaven die in 2003 werden verwacht, zijn impliciet in deze realisaties verwerkt.

     Als een beleidsmaatregel in 2003 minder of juist meer heeft opgebracht dan verwacht werd, zal dit ook doorwerken in het niveau van de bijstandsuitgaven in latere jaren. De systematiek waarmee het macrobudget wordt bepaald, zorgt ervoor dat het macrobudget 2004 automatisch voor deze doorwerking wordt gecorrigeerd.


Bijstelling macrobudget 2004 in september 2004

     In september van het begrotingsjaar 2004 wordt het macrobudget voor dat jaar naar boven of naar beneden aangepast. Daartoe wordt gebruik gemaakt van een geactualiseerde raming van het bijstandsvolume in het begrotingsjaar op grond van de meest actuele inzichten in de werkloosheid. De gegevens van het feitelijke bijstandsvolume in het begrotingsjaar worden niet in de raming betrokken omdat er dan een vermenging zou optreden van de raming en het beleid van gemeenten.
     Het voorgaande betekent dat er geen nacalculatie zal plaatsvinden op basis van feitelijke macrobijstandsuitgaven. Een voordeel van deze wijze van vaststelling van het macrobudget is dat de wijze waarop de wet wordt uitgevoerd niet via een nacalculatie invloed heeft op de hoogte van het macrobudget en daarmee ook niet op het budget van de afzonderlijke gemeenten. Het verschil tussen het in september 2003 vastgestelde en het in september 2004 aangepaste macrobudget voor het uitvoeringsjaar 2004 komt ten laste of ten gunste van het Rijk. Bij de aanpassing in september van het lopende begrotingsjaar wordt, naast de nieuwe ramingsgegevens, tevens de jaarlijkse aanpassing vanwege de loon- en prijsbijstelling verwerkt.

 

1.2. Deel macrobudget inkomensdeel voor categorie 65 jaar of ouder met al dan niet gedeeltelijke bijstandsuitkering


     Het macrobudget voor de bijstand aan personen van 65 jaar of ouder wordt gevormd door het product van het geraamde uitkeringsvolume en de geraamde gemiddelde uitkering.


Raming volume bijstand 65-plussers

     Ten behoeve van de raming van het aantal bijstandsuitkeringen aan 65-plussers wordt de verhouding tussen het bijstandsvolume 65-plussers en het volume gekorte AOW-uitkeringen in het recente verleden berekend. Voor de (meerjaren)raming wordt deze verhouding constant verondersteld. De raming van het bijstandsvolume 65-plussers wordt vervolgens met dit verhoudingscijfer afgeleid uit de SVB-raming [SVB: Sociale verzekeringsbank, red.] van het volume gekorte AOW-uitkeringen. In de praktijk levert deze methodiek een betrouwbare raming op die vrij nauwkeurig aansluit bij de realisaties.


Raming gemiddelde uitkering

     De gemiddelde uitkering wordt geraamd door het quotiënt te nemen van de gerealiseerde uitgaven en het gerealiseerde uitkeringsvolume in het meest recente jaar. Voor de raming in het volgende jaar is de gemiddelde uitkering constant gehouden. Wel is rekening gehouden met eventuele wijzigingen in de bijstandsnorm als gevolg van (bijvoorbeeld) de koppeling van de uitkeringen aan de loonontwikkeling.

 

2. Verdeelsystematiek inkomensdeel Wwb


2.1. Verdeelsystematiek deel macrobudget voor personen tot 65 jaar


     In de toelichting op het wetsvoorstel Wwb is aangegeven dat het de bedoeling is om, na een overgangsperiode, het gebudgetteerde deel van de uitkeringslasten te verdelen op basis van een objectief verdeelmodel. Gemeenten ontvangen dan middelen voor de bekostiging van genoemde uitkeringen op grond van een set objectieve, niet of slechts in beperkte mate door gemeenten te beïnvloeden kenmerken. Deze wijze van verdeling doet het meeste recht aan het uitgangspunt dat gemeenten die een relatief goed beleid voeren hiervoor in financieel opzicht worden beloond.

     In de toelichting op de Wwb is het volgende tijdpad voor invoering geschetst: In het jaar 2004 wordt voor de grote gemeenten (meer dan 60 000 inwoners) gestart met de inzet van het objectief verdeelmodel voor 40%; de resterende 60% wordt verdeeld op basis van het historische model. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wwb in de Tweede Kamer is toegezegd om medio 2004 aan de hand van het resultaat van een nog uit te voeren vervolgonderzoek naar verdere verbeteringen van het huidige objectief verdeelmodel een overleg met de Tweede Kamer te voeren over de vraag of voor het jaar 2005 een vervolgstap richting 60% kan worden gezet. Het einddoel is om na verloop van enkele jaren uit te komen op 100% toepassing van dit model. Voor de middelgrote gemeenten (tussen 40 000 en 60 000 inwoners) wordt, afhankelijk van het aantal inwoners, naar rato de verdeelsystematiek van grote en kleine gemeenten toegepast.

     De verdeelsystematiek voor het jaar 2004 luidt als volgt:
1. Voor gemeenten met minder dan 40 000 inwoners wordt de uitkering 2004 volledig gebaseerd op het historisch aandeel 2001.
2. Voor gemeenten met meer dan 60 000 inwoners wordt de uitkering 2004 voor 40% gebaseerd op het objectieve verdeelmodel, vermeld in de bijlage bij dit besluit, en voor 60% gebaseerd op het historisch aandeel 2001.
3. Voor gemeenten tussen 40 000 en 60 000 inwoners wordt, afhankelijk van het aantal inwoners, een glijdende schaal tussen de historische en objectieve verdeelgrondslag gebruikt. Naarmate het inwonertal dichter bij 40 000 inwoners ligt, nadert het deel van de uitkering dat gebaseerd is op het historische aandeel 2001 de 100%. Omgekeerd geldt dat naarmate het inwonertal dichter bij 60 000 inwoners ligt, dit percentage afneemt naar 60%.

     Voorlopig worden de uitkeringen van kleine gemeenten (minder dan 40 000 inwoners) niet berekend aan de hand van het objectief verdeelmodel. Toepassing van het objectief verdeelmodel voor deze gemeenten levert tot nu toe onbevredigende resultaten op in termen van ex-anteherverdeeleffecten. Overigens wordt niet uitgesloten dat op termijn ook voor de kleinere gemeenten overgeschakeld kan worden op een (gedeeltelijke) objectieve verdeling.


Berekening historische grondslag voor de uitkering (historische aandeel 2001, K:TK)

     Voor het deel van de uitkering dat wordt gebaseerd op het historisch aandeel 2001 wordt gebruik gemaakt van het aandeel dat een gemeente in 2001 had in de totale kosten van bijstand en uitkeringen verstrekt op grond van de Abw [op grond van de Abw wordt alleen bijstand verstrekt en geen uitkeringen, red.]. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke jaaropgave over 2001. Dit aandeel wordt gecorrigeerd voor de ontwikkeling van het aantal inwoners van 20 jaar of ouder in de periode 2001-2003. Hiermee wordt bereikt dat rekening wordt gehouden met de autonome groei in de bijstandsuitgaven als gevolg van een meer dan evenredige toename van de bevolkingsomvang in bepaalde gemeenten.


Berekening objectieve grondslag voor de uitkering (O:OT)

     Voor het deel van de uitkering dat wordt gebaseerd op objectieve kenmerken wordt gebruik gemaakt van het objectieve verdeelmodel dat in de bijlage is opgenomen.
     Met de leveranciers (met name het CBS) zijn afspraken gemaakt betreffende het verstrekken van de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van het deel van de uitkering dat gemeenten ontvangen op grond van het objectieve verdeelmodel. In de bijlage bij dit besluit is een schema opgenomen waarin de data zijn omschreven die als objectieve factoren worden aangemerkt met vermelding van de leverancier en de data waarop de gegevens zijn gemeten (peildata). Indien aan een peildatum een gemeente wordt heringedeeld, dan zal het ministerie van SZW het aantal eenheden van de betreffende verdeelmaatstaf voor de nieuwe gemeente (her)berekenen op basis van de gegevens die bekend zijn van de gemeenten die bij de herindeling zijn betrokken. Mocht een gemeente met ingang van 2004 worden heringedeeld nadat de budgetten definitief zijn vastgesteld, dan zal achteraf het budget voor de nieuwe gemeente worden vastgesteld.


Glijdende schaal historisch/objectief voor gemeenten tussen 40 000 en 60 000 inwoners (M)

     Door het hanteren van een glijdende schaal wordt bewerkstelligd dat er sprake is van een geleidelijke overgang van een verdeling op historische grondslag naar een verdeling op basis van objectieve kenmerken. Daarmee wordt voorkomen dat gemeenten van het ene op het andere jaar geconfronteerd worden met forse wijzigingen in de omvang van hun uitkering als gevolg van mutaties in de omvang van de bevolking van 20 jaar of ouder.
     Naarmate het aantal inwoners dichter bij de 40 000 ligt, zal een groter deel van de uitkering voor de gemeenten met een inwonertal tussen 40 000 en 60 000 inwoners worden gebaseerd op het historisch aandeel 2001; M nadert in dat geval de waarde nul. Omgekeerd nadert M de waarde één naarmate het aantal inwoners dichter bij 60 000 ligt.


Verdeling macrobudget over de drie groepen gemeenten

     Het hanteren van drie verschillende verdeelsystemen voor drie categorieën gemeenten betekent dat de voor alle gemeenten tezamen beschikbare middelen, het macrobudget, over deze drie categorieën moet worden verdeeld. Deze verdeling wordt gebaseerd op het objectieve verdeelmodel. De daaruit voortvloeiende deelbudgetten per gemeentegrootteklasse worden verdeeld volgens de formules in artikel 5, 6 en 7. De formule in artikel 6 ter berekening van het deelbudget voor de middelgrote gemeenten bevat een correctiefactor. Deze correctiefactor is nodig om ervoor te zorgen dat het totaal van de berekende individuele gemeentelijke uitkeringen gelijk is aan de totale beschikbare middelen voor de middelgrote gemeenten.

     De verdeling van het macrobudget op basis van het objectieve verdeelmodel doet recht aan het uitgangspunt dat (groepen van) gemeenten middelen ontvangen naar rato van hun objectieve behoefte. Nadeel zou kunnen zijn dat herverdeeleffecten tussen groepen gemeenten optreden. Becijferingen met de beschikbare gegevens laten zien dat dit zich nauwelijks voordoet.

 

2.2. Verdeelsystematiek deel macrobudget voor categorie 65 jaar of ouder met al dan niet gedeeltelijke bijstandsuitkering


     Verdeling van het macrobudget voor 65-plussers geschiedt op basis van de maatstaf "historische bijstandslasten 65 jaar of ouder". Voor het uitvoeringsjaar 2004 is gewerkt met het aandeel van een gemeente in de totale lasten van gemeenten van het uitvoeringsjaar 2001. Bij de vaststelling van deze kosten wordt gebruik gemaakt van de jaaropgave.

 

3. Het objectief verdeelmodel


     Bij de verdeling van het macrobudget voor personen tot 65 jaar wordt gebruik gemaakt van het objectief verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit. Voor een technische beschrijving van het model wordt verwezen naar deze bijlage.

 

4. Beleidsmatig indammen herverdeeleffecten


     Modelsimulaties met het objectief verdeelmodel toont een beeld van ex-anteherverdeeleffecten dat voor het merendeel van de gemeenten conform verwachtingen is. Voor sommige gemeenten geldt dat de uitkomsten nader onderzoek vergen. Dit onderzoek loopt momenteel. Voor het jaar 2004 is besloten om bij de toepassing van het objectief verdeelmodel buiten het model om een grens te hanteren ter indamming van al te grote - zowel positieve als negatieve - uitschieters van ex-anteherverdeeleffecten. Deze grens is beleidsmatig vastgesteld op (in absolute zin) 10%.
     De veronderstelling die hierbij gehanteerd wordt, is dat vanaf de grens van 10% de statistische eigenschappen van het objectief verdeelmodel een meer dan evenredige invloed hebben op de omvang van de herverdeeleffecten. Ofwel, een ex-anteherverdeeleffect buiten deze grens kan in redelijkheid niet worden toegeschreven aan het gevoerde gemeentebeleid. In de praktijk betekent dit dat het verschil tussen de objectieve en het historische budgetaandelen die worden gebruikt in de berekening van het budget voor een individuele gemeente niet meer dan 10% mag bedragen van het objectieve budgetaandeel. Voor gemeenten waar dat verschil op grond van de uitkomsten van het objectief verdeelmodel groter is, wordt het objectieve budgetaandeel naar boven of naar beneden bijgesteld zodat wel aan deze randvoorwaarde wordt voldaan.

     Met de combinatie van beleidsmatig indammen van ex-anteherverdeeleffecten tot aan de grens van 15% en de toepassing van dit verdeelmodel voor 40% is afdoende gewaarborgd dat dit verdeelmodel voorzichtig wordt ingezet.

 

5. Openbare lichamen


     In artikel 7, eerste lid, onderdeel b, Wwb staat de verantwoordelijkheid van het college voor het verlenen van bijstand aan personen hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Indien sprake is van een bij gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam waaraan integrale overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de gemeente als genoemd in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb aan het openbaar lichaam heeft plaatsgevonden, kan dit openbaar lichaam door het ministerie worden aangemerkt als de instantie die het inkomensdeel van de Wwb voor de deelnemende gemeenten uitvoert. Dit is de wettelijke (minimum)basis waarvoor het samenwerkingsverband de volledige bevoegdheid en verantwoordelijkheid zal moeten dragen om bij SZW als een uitvoeringsorganisatie aangemerkt te worden. In dat geval is er vanaf dat jaar sprake van één geaggregeerde verantwoording voor alle deelnemende gemeenten. De afzonderlijke gemeenten blijven in principe verantwoordelijk voor alle verantwoordingsinformatie die betrekking heeft op de jaren vóór de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling. Met ingang van het uitvoeringsjaar 2004 wordt bij de verdeling van het totale bedrag dat beschikbaar is voor uitkeringen, als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb, rekening gehouden met het bestaan van bovengenoemde openbare lichamen. De individuele gemeenten die zijn overgegaan tot het instellen van dit openbaar lichaam ontvangen niet langer ieder een afzonderlijke uitkering; in plaats daarvan ontvangt het openbare lichaam een uitkering. De optelsom van het aantal inwoners van de aan het openbaar lichaam deelnemende gemeenten is bepalend voor de toepassing van de objectieve en/of historische grondslag. In juni 2003 bestaan zeven samenwerkingsverbanden die bij het ministerie zijn aangemerkt als de uitvoeringsorganisaties die de Abw voor de (in totaal 29) deelnemende gemeenten uitvoeren. Het betreft alle openbare lichamen op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) waaraan volledige overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft plaatsgevonden. Deze zeven openbare lichamen worden - vooruitlopend op de goedkeuring voor de gemeenschappelijke regeling die de gemeenten moeten krijgen van gedeputeerde staten, aangezien een gemeenschappelijke regeling pas in werking treedt nadat deze is ingeschreven in het provinciaal register - binnen de verdeelsystematiek ieder als één entiteit aangemerkt. In onderstaande tabel zijn de openbare lichamen opgenomen die elk één uitkering ontvangen voor het uitvoeringsjaar 2004. Per samenwerkingsverband zijn de deelnemende gemeenten aangegeven alsmede het totaal aantal inwoners per samenwerkingsverband (stand: 1 januari 2003).

Samenwerkingsverbandxxxxxxx

Betrokken gemeenten

Totaal aantal inwoners (stand: 1-1-2003)
1. ISD Kompas 951rNuthxxxxxxxxxxxxxxxxx
965 Simpelveld
986 Voerendaal
x40 894
2. ISD Oldambt 1661 Reiderland
39 Scheemda
52 Winschoten
x39 995
3. DSZW Noardwest Fryslân 70 Franekeradeel
72 Harlingen
63 Het Bildt
83 Menaldumadeel
96 Vlieland
x62 380
4. ISD De Rijnstreek 645 Jacobswoude
1673 Liemeer
569 Nieuwkoop
480 Ter Aar
x37 501
5. ISD Bollenstreek 534 Hillegom
553 Lisse
576 Noordwijkerhout
604 Sassenheim
628 Warmond
x77 592
6. RSD Alblasserwaard-Oost/
    Vijfheerenlanden
523 Hardinxveld-Giessendam
689 Giessenlanden
512 Gorinchem
545 Leerdam
694 Liesveld
707 Zederik
110 919
7. IS Werk en Inkomen 219 Dinxperlo
237 Gendringen
295 Wisch
x49 135

 
     Voor de uitvoeringsjaren vanaf 2005 zal de volgende procedure in werking treden: Elk openbaar lichaam heeft de mogelijkheid om uiterlijk 1 maart van het jaar voorafgaand aan het uitvoeringsjaar (dus voor de verdeelsystematiek 2005 uiterlijk op 1 maart 2004) bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te geven dat ze door het ministerie wenst te worden aangemerkt als de instantie die het inkomensdeel van de Wwb voor de deelnemende gemeenten uitvoert. Indien het ministerie hiertoe overgaat, geldt dat het openbaar lichaam - in plaats van de aangesloten gemeenten - meedoet bij de verdeling van het totale bedrag dat beschikbaar is voor uitkeringen inkomensdeel Wwb. Bovendien wordt deze rechtspersoon door het ministerie aangemerkt als de entiteit aan wie betalingen worden verricht. Ten aanzien van reeds door het ministerie aangemerkte openbare lichamen geldt dat het ministerie er stilzwijgend van uitgaat dat de volledige overdracht van verantwoordelijkheden en bevoegdheden inzake de uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, Wwb naar het Wgr-samenwerkingsverband wordt gecontinueerd voor de volgende uitvoeringsjaren.

 

6. Toetsingscommissie


     Indien een gemeente een budgettekort heeft dat groter is dan de eigenrisicodrempel, heeft het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid een verzoek voor aan aanvullende uitkering in te dienen bij de toetsingscommissie, als bedoeld in artikel 73 Wwb. Dit betekent dat - in afwijking van de systematiek bij de Wet financiering Abw, Ioaw en Ioaz - binnen de Wwb niet langer sprake is van een automatisch recht op een aanvullende financiering. Op grond van artikel 74, tweede lid, Wwb kan een tekortgemeente een verzoek tot aanvullende financiering over het begrotingsjaar indienen binnen acht weken na de indiening van het verslag over de uitvoering als bedoeld in artikel 77, eerste lid, Wwb. Verzoeken die worden ingediend na het verstrijken van deze termijn worden niet in behandeling genomen. Een aanvraag en de beslissing daarop reiken niet verder dan één uitvoeringsjaar. Indien de gemeente na toekenning meent dat zij in het navolgende jaar ook in aanmerking komt voor een aanvullend budget, dient zij hiertoe een nieuw verzoek in te dienen.


Taak toetsingscommissie

     De toetsingscommissie heeft tot taak om, ten behoeve van de Minister van SZW, een oordeel te vellen over de vraag of een verzoek tot aanvullende uitkering voor de tekortgemeente gehonoreerd dient te worden. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vormvoorschriften en inhoudelijke beoordelingscriteria.


Vormvoorschriften

     Het college dient gelijktijdig bij de indiening van de aanvraag de volgende bescheiden over te leggen:
• het verslag over de uitvoering over het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, conform de daarvoor gestelde regels op grond van artikel 78, derde lid, Wwb;
• de bij dit verslag behorende accountantsverklaring en het oordeel van de raad;
• de verantwoording die het college over het betreffende jaar aan de raad heeft afgelegd over de uitvoering van de Wwb in volle omvang;
• een rapport waarin - op basis van een analyse van de oorzaken van het budgettekort en de maatregelen die het college neemt dan wel reeds heeft genomen om dit tekort terug te dringen - gemotiveerd wordt om welk aanvullend bedrag het college verzoekt.

     Het verzoek kan worden ingediend zodra de tekortgemeente over bovengenoemde informatie beschikt. Er bestaat een mogelijkheid om uitstel aan te vragen. Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde vormvereisten, wordt de aanvraag, op grond van de Algemene wet bestuursrecht, niet in behandeling genomen.


Inhoudelijke beoordelingscriteria

     De toetsingscommissie toetst op de volgende onderdelen:

     1. Is sprake van een budgettekort boven de eigenrisicodrempel Wwb?
     Op grond van artikel 77, eerste lid, tweede volzin, Wwb dient de gemeente een opgave van de werkelijke gemaakte kosten - i.c. de nettobetalingen (saldo van uitgaven en inkomsten) en op basis van het kasstelsel - op te nemen in het uitvoeringsverslag. Voor het jaar 2004 bedraagt de hoogte van de eigenrisicodrempel 10% van de in september 2004 vastgestelde uitkering. De toetsingscommissie dient na te gaan of de totale werkelijke bijstandsuitgaven van de betrokken gemeenten groter zijn dan 110/100 x de uitkering zoals vastgesteld in september 2004.

     2. Beoordeling van het effect van de arbeidsmarktsituatie en van het gevoerde gemeentelijk beleid en uitvoering.
     Vertrekpunt voor de toetsingscommissie is de analyse van de tekortgemeente zoals opgenomen in het plan van aanpak dat tegelijkertijd met het verzoek tot een aanvullende uitkering is ingediend. De toetsingscommissie vangt aan met een beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid aan de hand van de volgende parameters: instroom; uitstroom en de uitkeringshoogte, gecorrigeerd voor de uitkeringsduur. Vervolgens beoordeelt de toetsingscommissie of, en zo ja, in welke mate de ontstane situatie het gevolg is van de situatie op de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijke beleid.
     Zoals is aangegeven, dient het college de aanvraag vergezeld te doen gaan van een analyse van de oorzaken van de problemen en de mogelijkheden en bereidheid om deze problemen aan te pakken. Uit deze onderbouwing blijkt derhalve voor welk deel volgens het college de problemen door een meer adequaat gevoerd beleid en uitvoering hadden kunnen worden voorkomen en voor welk deel hij een aanvullend budget redelijk acht.


Parameters

     Het vertrekpunt voor de toetsingscommissie is de score van de tekortgemeente op de volgende parameters: instroom, uitstroom en de gemiddelde uitkeringshoogte gecorrigeerd voor de uitkeringsduur.


Instroom

     Instroom gemeente i in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde instroom gemeente i in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) in relatie tot landelijke instroom in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde landelijke instroom in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3).

     De norm, i.c. de mate waarin instroom gemeente i in jaar (t) ten opzichte van instroom gemeente i in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) minimaal moet afwijken van de landelijke instroom in jaar (t) ten opzichte van landelijke instroom in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3), wordt geregeld via de ministeriële regeling ex artikel 10, vierde lid, van onderhavig besluit. De functie van deze norm is om alleen gemeenten met een bijzondere arbeidsmarktsituatie tot het oordeel van de toetsingscommissie toe te laten. De norm zal zodanig worden vastgesteld dat zij voor deze toelating geen onnodige barrière opwerpt.

     De tekortgemeente dient boven de norm te zitten. In dat geval kan immers worden gesproken van een uitzonderlijke ontwikkeling. Het is vervolgens aan de toetsingscommissie om een oordeel uit te spreken over de achterliggende oorzaken.


Uitstroom

     Uitstroom gemeente i in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde uitstroom gemeente i in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) in relatie tot landelijke uitstroom in jaar (t) ten opzichte van de gemiddelde landelijke uitstroom in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3).

     De norm, i.c. de mate waarin uitstroom gemeente i in jaar (t) ten opzichte van uitstroom gemeente i in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3) minimaal moet afwijken van de landelijke uitstroom in jaar (t) ten opzichte van landelijke uitstroom in de jaren (t-1), (t-2) en (t-3), wordt geregeld via de ministeriële regeling ex artikel 10, vierde lid, van onderhavig besluit.
     Voor de functie en de hoogte van deze norm geldt het zelfde als bij de instroom. Daarbij speelt niet alleen de bijzondere arbeidsmarktsituatie een rol, maar ook de inrichting en uitvoering van het gemeentelijk beleid.
     Het is aan de toetsingscommissie om een oordeel uit te spreken over de achterliggende oorzaken van afwijkingen van de uitstroom ten opzichte van het landelijk beeld.


Uitkeringshoogte, gecorrigeerd voor de uitkeringsduur

     Ook hier geldt dat zowel de situatie op de arbeidsmarkt als de inrichting van het gemeentelijk beleid een rol spelen en dat de hoogte van deze norm geen onnodige barrière opwerpt.


Beoordelingsruimte toetsingscommissie

     De toetsingscommissie heeft een eigen beoordelingsruimte bij het opstellen van een advies voor het toekennen van een aanvullende uitkering aan gemeenten waarbij de drie hiervoor genoemde parameters boven de norm uitkomen. Dit betekent dus dat zowel de situatie op de arbeidsmarkt als het eigen gemeentelijk beleid in het oordeel van de toetsingscommissie worden betrokken. De toetsingscommissie betrekt aldus in haar oordeel ook de inspanningen van de gemeente om niet boven de risicodrempel uit te komen.

     Het hangt van de feitelijke situatie af welke inspanningen de toetsingscommissie zal beoordelen. Het kan gaan om de lokale reïntegratieactiviteiten of fraudeaanpak, maar ook om de manier waarop de gemeente gebruikt maakt van wettelijke bevoegdheden en andere, in de specifieke casus, relevante uitvoeringsaspecten die van invloed zijn of kunnen zijn op het budgettekort.

     Haar oordeel of de specifieke situatie te wijten is aan het handelen van de gemeente baseert de toetsingscommissie primair op basis van de door de tekortgemeente ingediende bescheiden en op het oordeel van IWI [Inspectie Werk en Inkomen, red.) zoals genoemd in artikel 74, vierde lid, van de Wwb. Indien en voor zover de toetsingscommissie daartoe de noodzaak heeft vastgesteld, kan zij het gemeentebestuur uitnodigen haar verzoek nader toe te lichten.
     Bij de beoordeling van de score op de parameters "instroom" en "uitstroom" besteedt de toetsingscommissie aandacht aan de mate waarin deze scores worden bepaald door de in deze gemeente opgetreden uitzonderlijke situaties. Voorbeelden van oorzaken van uitzonderlijke instroom:
• vestiging van een asielcentrum binnen de gemeente;
• forse instroom in de bijstand vanwege uitstroom uit de WW die op zijn beurt verklaard kan worden uit een massaontslag in de voorliggende periode.

     Ten aanzien van de "uitstroom" laat de toetsingscommissie haar aandacht uitgaan naar de vraagzijde van de lokale arbeidsmarkt, i.c. de werkgelegenheidsontwikkeling.
     De toetsingscommissie heeft de mogelijkheid om bij de beoordeling van de scores van de tekortgemeente een vergelijking te maken met andere gemeenten. Onder vergelijkbare gemeenten wordt in dit verband verstaan gemeenten die in hetzelfde CWI-gebied [CWI: Centrum voor werk en inkomen, red.] liggen (om zo regionale invloeden in haar oordeel te kunnen betrekken) en die een bijstandsbudget per inwoner van 20 tot en met 64 jaar hebben van vergelijkbare hoogte.


Oordeel IWI

     De minister laat zich bij een beroep op een aanvulling van de uitkering op het inkomensdeel door een gemeente adviseren door een toetsingscommissie. Tevens betrekt hij daarbij het oordeel van IWI over de uitvoering van deze wet.
     Het oordeel van de inspectie heeft betrekking op uitvoering en prestaties op het terrein van reïntegratie en handhaving (rechtmatig en doelbereik van de gemeentelijke uitvoering). Als de minister dit kader aanpast, bijvoorbeeld door een onderscheid tussen kleine en grote gemeenten, heeft dat uiteraard gevolgen voor de reikwijdte van het oordeel van de toezichthouder.

     IWI baseert haar oordeel zoveel mogelijk op bij de Minister van SZW beschikbare gegevens. Alleen indien dat noodzakelijk is om tot een oordeel te komen, is aanvullende gegevensuitvraag en/of onderzoek aan de orde.

     Zo kan IWI onder meer beoordelen hoe de gemeente de wettelijke bevoegdheden, bijvoorbeeld inzake terugvordering, heeft gebruikt. Ook kan IWI zich een oordeel vormen over de inhoud en uitvoering van de verordeningen als bedoeld in artikel 8 Wwb:
• het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb. Hier zal tevens aandacht uitgaan naar de mate waarin de gemeente meer heeft uitgegeven dan het toegekende budget werkdeel Wwb;
• het verlagen van de algemene bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid, Wwb;
• het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 Wwb.

     Mede op basis van het IWI-oordeel komt de toetsingscommissie tot haar advies aan de Minister van SZW. Indien de aanvraag met bijlagen dan wel het IWI-oordeel daartoe aanleiding geeft, kan de toetsingscommissie in overleg treden met de betrokken tekortgemeente.


Regime voor de kleine gemeenten (minder dan 40 000 inwoners)

     In afwijking van bovenstaande geldt voor de categorie kleine gemeenten het volgende regime. De genoemde vormvoorschriften en de inhoudelijke beoordelingscriteria zijn identiek aan het hierboven uiteengezette regime met één uitzondering. Betreffende de toets in hoeverre het handelen van de tekortgemeente mede de veroorzaker is van de ontstane tekortsituatie beziet de toetsingscommissie in principe alleen of de gemeente de wet rechtmatig heeft uitgevoerd. Indien het verslag over de uitvoering conform de voorschriften is opgesteld en ingediend en er geen sprake is van ernstige tekortkomingen, heeft de kleine gemeente aan dit criterium voldaan. Mocht de door de gemeenten aangeleverde informatie een indicatie geven dat het tekort ontstaan is door het gevoerde gemeentelijk beleid, dan kan dit alsnog worden betrokken bij het oordeel van de toetsingscommissie.
     De reden dat wordt overgegaan tot het instellen van een lichter regime voor de kleine gemeenten is gebaseerd op de veronderstelling dat voor deze categorie gemeenten met name de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt als veroorzaker van een optredend budgettekort kunnen worden aangewezen. Bij kleine gemeenten geldt dat een relatief geringe extra instroom meteen een grote impact heeft en daarmee het risico van een optredend budgettekort verhoogt.


Relatie met de verdeelsystematiek

     De toetsingscommissie heeft tot taak bij tekortgemeenten te kijken naar het gevoerde gemeentelijk beleid en naar het effect van de lokale arbeidsmarkt. Dat laat echter onverlet dat gemeenten ook tegen tekorten aan kunnen lopen als gevolg van imperfecties in de verdeelsystematiek, i.c. de toepassing van het objectieve en het historische verdeelmodel. Er is gekozen voor een gestage ingroei van het objectief verdeelmodel voor de grote gemeenten, in combinatie met een beleidsmatige indamming van ex-anteherverdeeleffecten. Daarnaast zal de komende jaren periodiek onderzoek worden verricht teneinde het objectief verdeelmodel verder te verbeteren. Derhalve zullen enkel tekorten die ontstaan door een uitzonderlijke ontwikkeling op de lokale arbeidsmarkt worden gecompenseerd, mits adequaat gemeentelijk beleid is gevoerd. Analyses van de toetsingscommissie zullen worden betrokken bij het jaarlijks verder perfectioneren van het objectief verdeelmodel.


Negatief advies

     Het oordeel dat de ontstane situatie het resultaat is van het handelen van de gemeente leidt tot een afwijzende beslissing. Ook indien de minister de gemeente, wegens een geconstateerde ernstige tekortkoming, een aanwijzing heeft gegeven op grond van artikel 76, derde lid, Wwb, bestaat geen recht op een aanvullend budget. Indien de aanvraag om een aanvullend budget wordt ingediend in of de beslissing daarop moet worden genomen tijdens de hoor-en-wederhoorperiode van acht weken die aan het opleggen van een aanwijzing voorafgaat, wordt de beslissing aangehouden tot zekerheid bestaat of de aanwijzing gegeven wordt.


Hoogte aanvullende uitkering

     Indien de toetsingscommissie van mening is dat de tekortgemeente in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering, dan is de hoogte van de aanvullende uitkering gelijk aan het verschil tussen enerzijds de werkelijke nettobijstandsuitkeringslasten en anderzijds de som van het toegekende budget en het eigen risico (110% van de toegekende uitkering inkomensdeel). De toetsingscommissie heeft derhalve geen discretionaire ruimte bij het bepalen van de hoogte van de aanvullende uitkering. Onze Minister wijkt slechts met redenen omkleed af van het advies van de toetsingscommissie.


Oordeel minister

     Binnen vier weken na ontvangst van het IWI-oordeel legt de toetsingscommissie haar advies voor aan de minister, die het besluit neemt. Een positief advies bevat een berekening van de hoogte van het te verstrekken aanvullende budget, een negatief advies bevat de overwegingen die de afwijzing van het verzoek rechtvaardigen. Tegen de beslissing van de minister staat bezwaar en beroep open op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

 

 

Werkdeel  Wwb  2004

 

1. Doelgroep


     Op grond van artikel 69, eerste lid, onderdeel a, Wwb verstrekt het Rijk jaarlijks aan de gemeenten een uitkering voor de kosten van voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb. De doelgroep betreft personen met een algemenebijstandsuitkering, niet-uitkeringsgerechtigden en personen met een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. Met de Invoeringswet Wwb zijn de Ioaw en Ioaz gewijzigd. Artikel 34, eerste lid, Ioaw en artikel 34, eerste lid, Ioaz regelt dat de gemeente verantwoordelijk is voor het ondersteunen van personen die een uitkering ontvangen op grond van de Ioaw respectievelijk Ioaz bij de arbeidsinschakeling. Artikel 59e, eerste lid, Ioaw en artikel 59i, eerste lid, Ioaz regelt dat de kosten van deze voorzieningen ten laste komen van de uitkering als bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, Wwb. In artikel 14 van de Invoeringswet Wwb is verder geregeld dat de Wiw-dienstbetrekkingen, de Wiw-werkervaringsplaatsen en de ID-banen worden opgevat als voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb. Dit betekent dat de financiering van de lopende verplichtingen gesubsidieerde arbeid alsmede de inzet van voorzieningen gericht op reïntegratie naar reguliere arbeid ten laste kunnen komen van het macrobudget werkdeel Wwb.

 

2. Bestedingsrichting werkdeel Wwb


     De uitkering werkdeel Wwb is bedoeld ter financiering van de ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van personen uit de doelgroep als hierboven omschreven. De activiteiten dienen gericht te zijn op het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling. Op grond van artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de Wwb is geregeld dat uitvoeringskosten niet mogen worden gefinancierd ten laste van de uitkering werkdeel Wwb.

 

3. Macrobudget werkdeel Wwb


     In de meerjarenbegroting SZW zijn de volgende bedragen opgenomen voor de jaren 2004 tot en met 2007 (bedragen x €|1 miljoen):

Jaar 2004 2005 2006 2007
Macrobudget 1562,6 1598,0 1616,3 1616,3

 
     Het beschikbare macrobudget 2004 is een samenvoeging van de bestaande budgetten voor de Wiw-werkervaringsplaaten, Wiw-dienstbetrekkingen, Wiw scholing en activering en de ID-banen. De bij het Strategisch Akkoord voorgenomen ombuigingen zijn in het macrobedrag verwerkt.

     De hoogte van het macrobudget 2004 is het bedrag zoals opgenomen in de begroting SZW die in september 2003 zal worden vastgesteld.

 

4. Verdeelsystematiek werkdeel Wwb


     In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp Wwb is de voorgenomen nieuwe verdeelsystematiek (structurele situatie en overgangsregime) kort beschreven. In afwijking van hetgeen is gesteld in de memorie van toelichting zal het aldaar beschreven overgangsregime vanaf het uitvoeringsjaar 2005 van start gaan.

     Voor het uitvoeringsjaar 2004 zal het beschikbare macrobudget worden verdeeld op basis van de procentuele aandelen van de gemeenten in het uitvoeringsjaar 2004. Dit betekent dat voor dat jaar is gekozen voor een verdeelsystematiek welke is gebaseerd op de status quo voor het jaar 2003.

     In het onderstaande wordt de berekeningswijze van de aandelen per gemeente in het macrobudget werkdeel Wwb 2004 beschreven.

    Het aandeel van een gemeente in 2004 is gelijk aan het aandeel van deze gemeente in het totaal beschikbare budget in 2003.

     Het macrobudget 2003 bestond uit vijf verschillende budgetten:
1. Wiw-normbudget;
2. Wiw-declaratiedeel dienstbetrekkingen;
3. Wiw-declaratiedeel werkervaringsplaatsen;
4. Wiw scholings- en activeringsbudget;
5. ID-budget.
     Het aandeel voor een gemeente in 2003 wordt bepaald door de som van deze budgetten gedeeld door het beschikbare macrobudget. Voor de budgetten 1, 4 en 5 komt dit neer op het optellen van de toegekende budgetten. Voor de budgetten 2 en 3 dient een systematiek te worden gehanteerd welke het macro beschikbare declaratiebudget toedeelt aan gemeenten. Dit is als volgt gebeurd:


Toedeling declaratiedeel Wiw-dienstbetrekkingen

     Het budgetaandeel per gemeente is gebaseerd op het aantal gerealiseerde Wiw-dienstbetrekkingen van de gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het totale aantal gerealiseerde Wiw-dienstbetrekkingen in het jaar 2002 - gemiddelde stand over dat jaar op basis van kwartaalcijfers - en dit aandeel te vermenigvuldigen met het voor het jaar 2003 beschikbare macrobudget declaratiedeel Wiw-dienstbetrekkingen.


Toedeling declaratiedeel Wiw-werkervaringsplaatsen

     Het budgetaandeel per gemeente is gebaseerd op het aantal Wiw-werkervaringsplaatsen van de gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het totale aantal Wiw-werkervaringsplaatsen in het jaar 2002 - gemiddelde stand over dat jaar op basis van kwartaalcijfers - en dit aandeel te vermenigvuldigen met het voor het jaar 2003 beschikbare macrobudget declaratiedeel Wiw-werkervaringsplaatsen.

     Beide op bovenstaande wijze berekende budgetaandelen zijn opgeteld bij de overige deelbudgetten om het totale budget van een gemeente in 2003 te berekenen.

 

5. Openbare lichamen


     De Wgr-samenwerkingsverbanden die door het ministerie zijn aangemerkt als de entiteiten aan wie de deelnemende gemeenten de volledige verantwoordelijkheden en bevoegdheden betreffende artikel 7, eerste lid, onderdeel a, Wwb intergraal hebben overgedragen, ontvangen één uitkering. De hoogte van deze uitkering is gelijk aan de som van de uitkeringen van de aan het Wgr-samenwerkingsverband deelnemende gemeenten. In tegenstelling tot de verdeelsystematiek inkomensdeel Wwb wordt bij de verdeelsystematiek werkdeel Wwb immers geen onderscheid gemaakt naar gemeentegrootteklassen.

 

6. Meeneem- en voorschotregeling werkdeel


     In artikel 70, derde lid, Wwb is geregeld dat een positief verschil tussen de uitkering werkdeel en de rechtmatig gemaakte kosten - i.c. de nettobetalingen (saldo van uitgaven en inkomsten) en op basis van het kasstelsel - terugvloeit naar het Rijk. In de memorie van toelichting bij de Wwb is opgenomen dat de gemeente het overschot op het werkdeel tot een nader te regelen maximum mag meenemen naar het volgende begrotingsjaar, omdat niet alle lopende verplichtingen in het begrotingsjaar leiden tot kosten in hetzelfde begrotingsjaar. Een meeneemregeling biedt een bepaalde zekerheid dat gemeenten kosten die voortvloeien uit financiële verplichtingen die zijn aangegaan in het voorafgaande uitvoeringsjaar kunnen financieren. Daarnaast wenst het Rijk de gemeenten de mogelijkheid te bieden om in het lopend begrotingsjaar een voorschot te nemen op de middelen die in het komende begrotingsjaar zullen worden toegekend. Op deze wijze wordt de gemeente financieel in staat gesteld om te variëren in de beleidsinspanningen tussen de jaren.


Eénzelfde percentage voor meeneem- en voorschotregeling

     Bij de meeneemregeling van het scholings- en activeringsbudget op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden hebben gemeenten vanwege ruime budgetoverschotten nooit gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het nemen van een voorschot op het volgende begrotingsjaar. Bij deze regeling was er sprake van éénzelfde maximumpercentage dat gold voor zowel het meenemen naar een volgend jaar als het opnemen van een voorschot op het volgende jaar. Deze lijn wordt voortgezet in de Wwb. Er is voor gekozen om éénzelfde percentage vast te stellen voor zowel de meeneem- als de voorschotregeling vanwege de grote samenhang, het eenvoudig houden van de regeling en gelet op de dereguleringsdoelstelling.


Hoogte percentages meeneem- en voorschotregeling

• Het percentage van het budget (t) dat mag worden meegenomen naar het uitvoeringsjaar (t+1) is vastgesteld op 75% van het toegekende budget (t).
• Het percentage dat in het uitvoeringsjaar (t) mag worden onttrokken aan het budget (t+1) is vastgesteld op 75% van het toegekende budget (t).

     Hiermee is invulling gegeven aan de ingediende en door de Kamer aangenomen motie over de verruiming van de meeneemregeling (Kamerstukken II 28 870, nr. 82). Motie nr. 82 betreft een meeneemregeling waarbij de gemeente wordt toegestaan om een budgetoverschot tot maximaal 25% van het toegekende budget voor een periode van drie jaar mee te nemen. Een dergelijke invulling is uitvoeringstechnisch niet te prefereren aangezien deze gepaard gaat met een verzwaring van de administratieve lasten voor gemeenten. Bovenstaande invulling kent geen administratieve lastenverzwaring en is qua strekking identiek aan de aangenomen motie.

     Voor de voorschotregeling geldt eenzelfde percentage. De grondslag voor het percentage van de voorschotregeling is het toegekende budget van het lopende uitvoeringsjaar. Dit biedt de gemeente de gelegenheid om bij het opstellen van de gemeentelijke begroting exact het maximale bedrag van de meeneemregeling te kunnen bepalen. Dit is niet het geval indien de grondslag voor het percentage zou worden gebaseerd op het budget voor het volgend uitvoeringsjaar aangezien dat budget op dat moment nog niet bekend is.

     Indien gemeenten zich niet of niet tijdig verantwoorden over de uitgaven met betrekking tot de uitkering voor het werkdeel, wordt de toegekende uitkering - blijkt uit artikel 3, derde lid - volledig teruggevorderd. De reden voor deze bepaling is dat de minister de uitkeringen vooraf vaststelt, waarna hij zonder een dergelijke bepaling geen titel heeft voor terugvordering van de uitkering als gemeenten zich niet verantwoorden over de bestedingen. Aangezien de minister met het oog op zijn eigen verantwoording aan het parlement over de bestede middelen over deze informatie moet kunnen beschikken, is het noodzakelijk dat gemeenten de informatie aanleveren, dan wel dat de uitkering kan worden teruggevorderd indien zij dit niet (tijdig) doen. Mocht gelet op alle omstandigheden volledige terugvordering naar het oordeel van de minister tot een onbillijkheid van overwegende aard leiden, dan kan de minister de terugvordering op een lager percentage vaststellen.

 

 

Adreslozen

 

     Artikel 40, eerste lid, van de Wwb regelt jegens welke gemeente de belanghebbende zijn aanspraak op bijstand geldend kan maken. Het eerste lid van dat artikel bevat tevens de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen dat de uitvoering van die wet ten aanzien van personen die niet beschikken over een adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geconcentreerd wordt bij een beperkt aantal bij die maatregel aan te wijzen gemeenten. Deze facultatief geformuleerde delegatiebepaling wordt hierbij ingevuld. Met ingang van 1 januari 1999 is het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid (Besluit van 7 oktober 1998, Stb. 1998, 614) ¹ in werking getreden. In de bijlage onder A van voornoemd besluit is een opsomming gegeven van gemeenten waaraan een uitkering voor maatschappelijke opvang wordt verstrekt.² Deze gemeenten worden ook aangewezen als gemeenten die bijstand verlenen aan adreslozen. Op deze manier vindt aansluiting plaats tussen enerzijds de maatschappelijke opvang van adreslozen en anderzijds de bijstandverlening.
     In artikel 11, tweede lid, van het besluit is vastgelegd dat de bijstand wordt verleend door burgemeester en wethouders van de gemeente waar de adresloze zich op het moment van zijn aanvraag bevindt. Met deze opzet is een zeer feitelijk criterium gekozen. De bijstand aan de adresloze moet immers veelal snel en in ieder geval met beoordeling van de feitelijke toestand worden verleend.

1. Nadien gewijzigd bij Besluit van 12 februari 2000, Stb. 2000, 94, Besluit van 13 oktober 2000, Stb. 2000, 469, Besluit van 10 april 2001, Stb. 2001, 215 en Besluit van 14 september 2001, Stb. 2001, 415.
[2. Het betreft de volgende gemeenten: Alkmaar, Almelo, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Assen, Bergen op Zoom, Breda, Delft, Den Bosch, Den Haag, Den Helder, Deventer, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Hoorn, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Oss, Purmerend, Rotterdam, Spijkenisse, Tilburg, Utrecht, Venlo, Vlaardingen, Vlissingen, Zaanstad en Zwolle, red.]

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
M. Rutte

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x